Quantcast
Channel: Reportage – Misdaadjournalist
Viewing all 166 articles
Browse latest View live

Van Laarhoven (103 jaar Thailand): verhoor Olde Engberink

$
0
0

Laarhoven-Johan-Tukta

Op 23 juli 2014 worden Johan van Laarhoven (54) en zijn Thaise echtgenote Tukta in Thailand aangehouden in het kader van een rechtshulpverzoek uit Nederland. Er is een onderzoek naar witwassen van geld door coffeeshops. Van Laarhoven was oprichter van coffeeshopketen The Grass Company.

In 2011 deed hij daar afstand van en vestigde hij zich definitief in Thailand. Daar bouwde hij een nieuw leven op.Met zijn Thaise vrouw kreeg hij twee kinderen. Van Laarhoven is veroordeeld tot 103 jaar celstraf en vertoeft onder erbarmelijke omstandigheden in een gevangenis in Bangkok.

Volgens hem is hij de dupe van de Nederlandse justitie, die hem bij de Thaise autoriteiten ten onrechte hebben afgeschilderd als drugsbaron die in Nederland strafbare handelingen zou hebben verricht. Dat was aanleiding voor de Thaise autoriteiten om een strafrechtelijk onderzoek naar Van Laarhoven op te starten. Hoewel vast staat dat hij in Thailand geen wetten heeft overtreden, werd hij veroordeeld omdat hij zijn geld heeft verdiend met de verkoop van drugs. Dat dit was toegestaan in het kader van het Nederlandse gedoogbeleid was de Thaise rechters niet aan het verstand te krijgen.

Op verzoek van Van Laarhoven en zijn vrouw worden enkele hoofdrolspelers uit de affaire gehoord in een voorlopig getuigenverhoor.

Maandag 5 september was Ben Olde Engberink de eerste. Als liaison officer op de Nederlandse ambassade in Bangkok had hij een sleutelrol bij de contacten tussen de Nederlandse en Thaise autoriteiten. Met name een brief van 14 juli 2014 en een verklaring van 21 juli 2014 – twee dagen voor de overval – waren doorslaggevend voor de actie van de Thaise justitie waarbij Van Laarhoven in feite alles in één klap kwijtraakte.

De rechter-commissaris is mr. D.R. Glass. Voor deze dag staat verder als getuige op het programma namens de Staat mr. J.W.P. Snijders, als coördinerend officier van justitie. Olde Engberink en Snijders worden beiden bijgestaan door een advocaat. Namens verzoekers zijn er drie advocaten: Sydney Smeets, Tim Vis en Mark van Weeren. In de zaal zijn aanwezig Frans van Laarhoven en zijn zoon. Frans is een broer van Johan. Hij is nu eigenaar van coffeeshopketen The Grass Company (TGC).

Er zijn kort voor dit verhoor nog wat stukken binnengekomen. Onder meer een artikel van de website misdaadjournalist.nl, over het gedrag van de delegatie van Nederlandse politiemensen in een hotel in Thailand (zie hier). Olde Engberink was daar niet bij aanwezig, de politiemensen die er wel waren worden later nog als getuige gehoord.

Rechter: Dit getuigenverhoor is bedoeld om te onderzoeken of het zinvol is een zaak te starten. Van Laarhoven en zijn vrouw hebben hier om verzocht. Ze zijn in juli 2014 in Thailand gearresteerd na een rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten in verband met strafbare feiten in verband met softdrugs. Dat heeft geleid tot aanhouding en veroordeling. De informatievoorziening zou onjuist en onvolledig zijn doorgegeven. Met betrekking tot het Nederlandse gedoogbeleid zou niet duidelijk zijn gemaakt dat The Grass Company een gedoogvergunning had. De stelling van verzoekers is dat er doelbewust is aangestuurd op het in Thailand vervolgen voor feiten die in Nederland niet te vervolgen zijn. Dit wordt door de Staat bestreden, die vindt een getuigenverhoor niet nodig, maar de rechtbank heeft dit wel bevolen.

De laatste stand van zaken is dat er in Thailand hoger beroep loopt. Volgens de advocaten is dat een schriftelijke procedure en kunnen er geen nieuwe stukken worden ingebracht. Het hoger beroep wordt gedaan op basis van de uitspraak in eerste aanleg. De uitslag hiervan wordt met spanning afgewacht. Daarnaast lopen er enkele andere procedures, over het beslag op de bezittingen van Van Laarhoven en zijn vrouw. Dit beslag komt geheel aan Thailand toe. De Nederlandse Staat en de Thaise Staat zijn dit overeengekomen. De procedures gaan er onder meer over dat voorkomen moet worden dat deze bezittingen niet geheel verdwijnen.

Met echtgenote Tukta en met Van Laarhoven zelf gaat het niet goed. Advocaat Smeets heeft hem enige tijd geleden bezocht en dit geconstateerd. Broer Frans van Laarhoven heeft deze ochtend Thaise tijd gesproken met de Nederlandse zoon van Johan, die in Thailand is. Van Laarhoven is 35 kilo afgevallen en heeft veel medische problemen. Voor zijn vrouw is het in detentie nog slechter dan voor hem.

Smeets: Er is beiden veel aan gelegen dat er duidelijkheid komt over wat er is gebeurd in Thailand en hopelijk is de consequentie dat ze zo snel mogelijk naar Nederland kunnen. Het is onbekend hoe lang de behandeling van het hoger beroep duurt, maar gedurende dat proces kun je niet vervroegd vrijkomen. Het is volstrekt onduidelijk wanneer beslissing gaat vallen.

Snijders: Wij hebben geen helderheid over of de behandeling in hoger beroep schriftelijk is. De Thaise officier van justitie laat nog open of er in Thailand nog getuigen gehoord moeten worden. Er was aangekondigd dat er in juni een arrest zou zijn, maar we hebben nog niks gehoord. Er is een nieuwe officier van justitie, wiens naam voor mij onuitspreekbaar is. Hij wordt gecoacht door de eerste.

Rechter: Zijn er ontwikkelingen aan Nederlandse kant?

Smeets: Er is een groep mensen die zijn aangehouden als verdachte. Die dossiers worden afgerond, er komt nog de nodige informatie uit Luxemburg, dat moet nog worden bewerkt en zittingklaar gemaakt. Eind oktober zijn er contacten met de rechtbank, over een regiezitting volgend jaar. We krijgen nog heel veel uit Luxemburg. Er loopt nog een procedure tegen verdachten over gegevensdragers, waar wij behoefte aan hebben. Van mensen bij wie beslag is gelegd.

Over Van Laarhoven zelf: we hebben de stand van zaken van Thai te horen gekregen, we zijn niet in de gelegenheid hem te horen. Dat gaat lastig, zijn in onderzoek of we middels de rechter toegang kunnen krijgen tot Van Laarhoven om namens het Openbaar Ministerie een verhoor te doen. De verdediging kan dan mee. Ook Tukta willen we als getuige horen. Dat hoeft niet beslist, maar we willen wel proberen Van Laarhoven te spreken,

Rechter: Het gaat om financiële stukken uit Luxemburg?

Snijders: Zijn partner is geen verdachte voor ons. We hebben bij de rechter-commissaris neergelegd dat bepaalde stukken niet aan de Thai worden verstrekt. Dat gaat om tapgesprekken tussen Van Laarhoven en zijn broer, waarin ze praten over zaken in Thailand. Daar zitten aspecten in die in zijn nadeel kunnen zijn. Die verstrekken wij niet. Wat gaan wij Thai vragen als we Van Laarhoven gaan horen? De vraag is of we die stukken integraal gaan aanbieden.

Er wordt wat gesteggeld over de vraag welke getuige als eerste moet worden gehoord. De advocaten willen niet dat Snijders aanwezig is bij het horen van Olde Engberink, of Snijders moet eerst worden gehoord. Daar is de Staatsadvocate, die Snijders bijstaat, het niet mee eens: “Er worden de Staat en het OM verwijten worden gemaakt, er is dus geen bezwaar tegen dat Snijders bij de zitting aanwezig is.”

Er is namens een televisieprogramma verzocht om het verhoor te mogen filmen. Dat verzoek zou aan de getuige worden voorgelegd, maar dat is niet gebeurd. Wie hier slordig is geweest – de rechter-commissaris of iemand anders – wordt niet duidelijk, in elk geval gaat het nu niet door.

Olde Engberink legt de eed af. Hij is 57 jaar, woont in Eindhoven en zijn functie is operationeel specialist C. Vreemdelingenopsporing bij de divisie regionale en nationale recherche van de eenheid Oost-Brabant. Zijn advocaat is mr. N.P.C.C. Langenberg.

Rechter: Weet u waar het over zal gaan vandaag, wat u denkt?

Olde Engberink: Over dat de eisende partij vindt dat door mij een aantal dingen gedaan zouden zijn die onrechtmatig zijn in zaak Van Laarhoven

Rechter: Heeft u zich voorbereid?

Olde Engberink: Ik heb een aantal stukken gekregen van de advocaat. Wat op mij van toepassing was heb ik gelezen, en de stukken uit het verzoekschrift. Een aantal producties. Stukken van rechtbank.

Rechter: Heeft u zelf nog een eigen archief?

Olde Engberink: Nee, alle stukken liggen in Thailand.

Rechter: Heeft u met anderen vooroverleg gehad?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: U bent liaison officer geweest in Bangkok, van medio 2010 tot en met oktober 2014. Kunt u kort uitleggen wat de taak van een liaison officer is?

Olde Engberink: Verbindingsofficier tussen de Nederlandse politie en justitie en de lokale autoriteiten. Het Thaise Openbaar Ministerie en de politie.

Rechter: Een diplomatieke functie? Daarvoor was u vanaf 1977 bij de politie. Heeft u op enig moment ervaring gehad bij de opsporing van drugsgerelateerde zaken?

Olde Engberink: Na mijn opleiding ben ik tien jaar in algemene politiedienst geweest. Vanaf 1988 heb ik verschillende functies. Rechercheur, leider van recherchebijstandsteam, chef Zware Criminaliteit.

Rechter: Vanaf welk moment bent u hierin betrokken?

Olde Engberink: Ik vermoed ergens in 2012. Door een telefoontje van het onderzoeksteam of de officier van justitie, die bepaalde belangen heeft in bepaalde landen, met vragen wat de mogelijkheden zijn. In de stukken heb ik gelezen dat het zaaksnummer van de ambassade begon met Z12. Dat is 2012.

Rechter: In november 2013 is er een powerpointpresentatie geweest voor de Thaise autoriteiten. Bent u daarbij geweest?

Olde Engberink: Als gastheer.

Rechter: Was u betrokken bij het rechtshulpverzoek?

Olde Engberink: Voor het in ontvangst nemen en doorsturen naar autoriteiten in Thailand.

Rechter: De brief van 14 juli 2014 is gestuurd door u. U bent ook gehoord door het Thaise Openbaar Ministerie, in juli 2014. U bent ook later door de Thaise rechter gehoord, in 2015. Het thema is: uw betrokkenheid bij aanhouding. Of u daarbij bent geweest. Ik zal u eerst voorhouden wat de strekking is. De stelling van de verzoekers is: er is om een rechtshulpverzoek gevraagd en daarbij is niet goed uiteengezet wat gedoogbeleid inhield. Er is niet benadrukt dat TGC vergunning had en werd gedoogd, er is doelbewust op vervolging in Thailand aangestuurd omdat hij in Nederland niet te vervolgen zou zijn.

Olde Engberink: Het gedoogbeleid is een aantal keren ter sprake geweest. Wij hebben er met de Thai in het algemeen over gesproken. Veel mensen in het buitenland denken dat in Nederland het gebruik van verdovende middelen geoorloofd is. Wij zeggen dat dat een verkeerd beeld is, dat het gedoogbeleid aan vergunningen onderhevig is en dat de overheid op die manier sturing probeert te houden bij coffeeshops.

Rechter: Uw taak: uitleggen dat er een gedoogbeleid is met vergunning. Op welke momenten heeft u daarover contact gehad?

Olde Engberink: Al in het eerste contact, maar in het algemeen als er een drugsgerelateerde zaak binnenkomt, dan wordt dat al besproken.

Rechter: Concreet in deze zaak?

Olde Engberink: Dat weet ik niet exact. Het is meerdere keren besproken. Ik weet niet de exacte momenten.

Rechter: U zegt zelf dat u er in 2012 bij betrokken bent.

Olde Engberink: Het was binnengekomen bij de bovenregionale recherche Breda, waar een zaak draaide naar coffeeshops. Er werd vermoed dat een aanzienlijk bedrag vanuit de zaak was doorgesluisd naar Thailand. In het kader van een witwasonderzoek was de vraag of we na konden gaan in Thailand of daar vermogenbestanddelen aanwezig waren.

Rechter: Hoe kwam dat binnen?

Olde Engberink: Het zal een telefoontje zijn geweest, met een emailbevestiging. Men zal aangegeven hebben dat er aanwijzingen waren dat er geld richting buitenland ging.

Rechter: De volgende?

Olde Engberink: In eerste instantie was er een algemeen antwoord: het ontnemen van vermogen in Thailand is niet gemakkelijk, omdat er geen bilateraal verdrag is. Ontneming is anders geregeld dan in Nederland, dat is een langdurige zaak. Ik heb aangeboden bij de Thaise autoriteiten te informeren wat de mogelijkheden waren.

Rechter: U was de verbindingsschakel. Was u ook bij het onderzoek betrokken?

Olde Engberink: Nee, ik ga puur uit van mededelingen die ik krijg. Dit is het verzoek, de vraag aan mij: verbinding brengen met de juiste autoriteiten in Thailand.

Rechter: De powerpointpresentatie was het eerste concrete moment?

Olde Engberink: Dat was het eerste concrete contact tussen het Nederlandse onderzoeksteam en de Thaise attorney general (het Thaise Openbaar ministerie, HJK)

Rechter: Daarvoor heeft u niet met Thai inhoudelijk gesproken?

Olde Engberink: Het verzoek was aan het Departement van Thailand om onderzoek te doen: willen jullie nagaan of Van Laarhoven in Thailand verblijft en zo ja, wat is zijn status, wat zijn de vermogensbestanddelen.

Rechter: Wat was het resultaat van het eerste contact?

Olde Engberink: We hebben antwoord gekregen dat Van Laarhoven in Thailand was. Dat hebben we doorgegeven aan het onderzoeksteam. Op basis daarvan is besloten: dan komen wij naar Thailand om Thaise collega’s een klein beetje bij te spreken over de zaak.

Advocaat Smeets: Heeft u ooit een cursus of training gevolgd over het optreden als getuige?

Olde Engberink: Ik heb ooit een cursus gehad, vijftien jaar geleden.

Smeets: Heeft u nog contact met het OM gehad over het afleggen van uw verklaring, of met de advocaat van de Staat?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: In 2012 bent u erbij betrokken, na het verzoek. Wat waren uw verantwoordelijkheden?

Olde Engberink: In het onderzoek zelf niets.

Olde Engberink: Wie waren de contactpersonen in Nederland?

Olde Engberink: De zaaksofficier en de tactisch coördinator. Misschien een enkele keer met de financieel coördinator.

(zaaksofficier was Lucas van Delft, die twee dagen later als getuige zal worden gehoord. Tactisch coördinator is Toon van Weerelt, financieel coördinator Erik van Otterlo)

Smeets: Welke doelstellingen stonden hen voor ogen?

Olde Engberink: Mijn doelstelling was: zo goed mogelijk helpen. Van de officier van justitie: de mogelijkheden verkennen of we assistentie konden krijgen van de Thai om vermogens van Van Laarhoven in Thailand in beeld te krijgen. En de mogelijkheid ze te ontnemen.

Smeets: Dat was na 2012 steeds hetzelfde?

Olde Engberink: Ja.

Smeets: De doelstelling was ook hetzelfde?

Olde Engberink: Ja, het was altijd hetzelfde.

Smeets: Hoe kreeg u die informatie? Of Van Laarhoven in Thailand verbleef?

Olde Engberink: Vanuit het onderzoeksteam was die vraag bij mij neergelegd.

Olde Engberink: Wist u iets over de gezinssamenstelling van Van Laarhoven?

Olde Engberink: Nee, ik kende Van Laarhoven niet.

Smeets: Wist u iets van een partner?

Olde Engberink: Nee. De vraag was: woont Van Laarhoven in Thailand, kunnen we hem in beeld brengen en kunnen we zijn vermogensbestanddelen in beeld brengen. Waar woont hij? In een hotel? Is hij getrouwd? In eerste instantie werd gezegd dat ze hem niet konden vinden, maar ze zouden doorgaan. Bij controle op het vliegveld vonden ze hem wel. Het vermoeden was dat hij in Pattaya of omgeving zat, maar daar was hij niet te vinden.

Smeets: Zijn de contacten tussen Nederland en Thailand schriftelijk vastgelegd?

Olde Engberink: Ja, op de ambassade in Thailand

Staatsadvocate: Ik denk niet dat dit hier aan de orde is.

Olde Engberink: Als ze bewaard zijn, zijn ze er nog.

Smeets: Kunt u het zich nog concreet herinneren, bepaalde stukken?

Olde Engberink: Ieder contact, vraag en antwoord is vastgelegd.

Smeets: Alles is schriftelijk vastgelegd?

Olde Engberink: Ja.

Advocaat Tim Vis: Ik heb een paar algemene vragen. Is in de contacten met het Nederlands Onderzoeksteam besproken hoe met er met de gegevens zou worden omgegaan, over zijn verblijf?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Feit is dat hij daar verblijft in het kader van een Nederlands onderzoek. Is besproken om hem naar Nederland te halen?

Olde Engberink: Dat durf ik niet te zeggen. Ik weet niet zeker of dat niet besproken is. Voor mij was dat geen belangrijk bespreekpunt. Het is nooit besproken geweest als een belangrijk item voor mij.

Smeets: Er zijn wel vliegbewegingen geconstateerd.

Olde Engberink: De Thai konden hem niet in Pattaya vinden, maar ze wisten dat hij in Thailand was omdat ze wel konden zien dat hij regelmatig in- en uitvloog. Van Amsterdam en andere plaatsen.

Rechter: In november 2013 was het eerste concrete moment tussen Nederland en Thailand. Uw was gastheer. Was u ook bij de presentatie zelf?

Olde Engberink: Mijn rol was om de onderzoekteams bij elkaar te brengen. Wat speelt er in Nederland, wat willen jullie van de Thai, kunnen we een datum prikken.

Rechter: Ging u ook over hoe er vorm aan wordt gegeven, had u een adviserende rol?

Olde Engberink: Ik moest het verzoek indienen, aan het hoofd van een bepaalde afdeling. De beslissing wordt genomen op het ministerie van Veiligheid en Justitie en daarna bij Buitenlandse Zaken.

Rechter: U gaf advies over hoe dit het beste in het vat kan worden gegoten?

Olde Engberink: Nederlanders willen graag ’s morgens bespreking, er zijn bepaalde feestdagen, dingen waar je rekening mee moet houden.

Rechter: Inhoudelijk niet? Over wat in Nederland wel zou mogen, en in Thailand niet, daarover heeft u niet geadviseerd?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Is er in de voorbereiding nog contact geweest? Door u zelf, met Van Delft, zijn parketsecretaris, Toon van Weerelt en Erik van Otterlo. Is er nog overleg geweest?

Olde Engberink: Het enige wat ik doe: ik stel ze voor.

Rechter: Er zijn sheets van de presentatie. Heeft u zelf het woord gevoerd?

Olde Engberink: Ik heb de opening gedaan en de mensen aan elkaar voorgesteld. Ik heb het doel uitgelegd, verder niks, ik kende de zaak niet.

Rechter: Inhoudelijk was u nauwelijks op de hoogte. Wie heeft het woord gevoerd?

Olde Engberink: Toon van Weerelt over het algemene gedeelte en Erik van Otterlo over het financiële gedeelte.

Rechter: Er was een zaaltje, een scherm, een powerpointpresentatie. De Nederlandse delegatie kwam om de beurt een verhaaltje vertellen?

Olde Engberink: Waarschijnlijk heeft Van Delft na de opening de Thais bedankt dat ze bereid waren mee te denken. Hij heeft het niet inhoudelijk toegelicht. Hij was de delegatieleider.

Rechter: Weet u wat er is toegelicht?

Olde Engberink: Het was een algemeen beeld van het onderzoek, ik heb daar geen specifieke herinnering aan.

Rechter: Heeft u wel aandachtig opgelet?

Olde Engberink: Het ging mij niet om inhoud, meer om de mensen. Iedereen zat te wachten. Mijn taak was: ergens helpen of het ondersteunen van bepaalde mensen.

Rechter: Is er over het Nederlands gedoogbeleid gesproken?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Rechter: Over de gedoogvergunningen van de TGC?

Olde Engberink: Dat kan ik me niet herinneren.

Rechter: Zijn er juridische zaken besproken? Bijvoorbeeld rechterlijke uitspraken?

Olde Engberink: Dat is aannemelijk, maar dat kan ik me niet herinneren.

Rechter: Hoe lang heeft het geduurd?

Olde Engberink: Niet zo heel lang. De uitkomst was dat het voor beiden een zinvol overleg was waaruit zeker nadere contacten zouden voortvloeien.

Rechter: Zijn er afspraken gemaakt?

Olde Engberink: De Thai zouden verdergaan met het in beeld brengen van de heer Van Laarhoven en zijn vermogensbestanddelen en vanuit Nederland werd dat op prijs gesteld. Ze zouden afwachten.

Rechter: Is er door een Thai het woord gevoerd?

Olde Engberink: Nee, er is aandachtig geluisterd en gezegd dat men medewerking wilde verlenen. De gegevens over Van Laarhoven kwamen beetje bij beetje. Eerst werd bekend: hij vliegt een aantal keren in en uit. Toen is er gezocht naar zijn verblijfslocatie. Het eerste adres bleek niet juist, het tweede wel.

Advocaat Smeets: U spreekt Nederlands. In welke taal werd de powerpointpresentatie gegeven?

Olde Engberink: In het Engels. Ik had een assistent als tolk. Zij spreekt Nederlands, maar niet vloeiend. Ze spreekt wel vloeiend Thais en Engels.

Smeets: Was dat een beëdigde tolk?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: Welke taal sprak de Nederlandse delegatie?

Olde Engberink: Engels.

Smeets: Dat werd vertaald naar Thais?

Olde Engberink: Bij de powerpointpresentatie stonden er wat steekwoorden op, die zijn in het Thais vertaald. Als er aanvullende vragen waren gestuurd, vertelde assistente meer.

Rechter: Zijn de sheets vertaald in het Thais? Was er een toelichting één op één?

Olde Engberink: Nee, alleen als ze aangeven dat ze het niet begrepen.

Smeets: Gedoogbeleid: dat komt vaker voor. Ik kan me niet voorstellen dat u zich niet kunt herinneren dat er over is gesproken.

Olde Engberink: Ik weet zeker dat er meerdere keren over gesproken is, over coffeeshops en over hoe het OM omgaat met het gebruik van drugs, maar ik weet niet honderd procent zeker of dat deze dag met de powerpointpresentatie ook zo was. Ik verwacht het wel, maar ik weet het niet zeker.

Smeets: Heeft u uitgelegd dat in Nederland vanuit coffeeshops dagelijks honderden kilo’s softdrugs worden verkocht?

Staatsadvocate: Dat vind ik een nogal sturende, suggestieve vraag. De uitleg van het gedoogbeleid is vandaag niet aan de orde.

Smeets: Maar dat is een feit!

Rechter: Is dat besproken, de inhoud van het gedoogbeleid, dat er dagelijks honderden kilo’s in coffeeshops worden verkocht?

Olde Engberink: Ik heb met de Thai besproken en uitgelegd dat het in Nederland mogelijk is een coffeeshop te hebben, mits je vergunning hebt van de overheid en dat er bijzondere voorwaarden aan gekoppeld kunnen zijn.

Rechter: Op de dag van de powerpointpresentatie ook?

Olde Engberink: Ik heb het meerdere keren uitgelegd, maar ik weet niet precies wanneer.

Smeets: Heeft u genoemd dat er in Nederland 600 coffeeshops zijn?

Olde Engberink: Ik heb geen aantal genoemd.

Smeets: Dat coffeeshops belasting betalen?

Olde Engberink: Tijdens een van de keren heb ik wel gezegd dat coffeeshops die zich houden aan de voorwaarden, ook belasting betalen.

Smeets: Heeft u gezegd dat TGC belasting betaalde?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Smeets: Dat coffeeshops zowel vennootschaps- als inkomstenbelasting betalen?

Olde Engberink: Zodanig specifiek, dat is iets voor Van Otterlo.

Smeets: Sinds 2012 in Nederland zijn door veel rechters beslissingen genomen in coffeeshopzaken waarbij het OM niet-ontvankelijk werd verklaard. Een rechterlijk pardon.

Olde Engberink: Dat weet ik niet,

Smeets: Dat geloof ik niet.

Olde Engberink: Ik heb het niet besproken.

Advocaat Tim Vis: Van de Nederlandse aanwezigen bij de powerpointpresentatie is bekend wie het waren. Welke functies hadden de Thaise aanwezigen?

Olde Engberink: Er waren er een aantal van de DSI. (Department Special Investigation)

Vis: Doelstelling van Nederlandse zijde was: duidelijkheid brengen in het beeld van Van Laarhoven en het in kaart brengen van zijn Thaise vermogensbestanddelen.

Olde Engberink: Vermogensbestanddelen traceren en als die er zijn, wat kunnen we ermee.

Vis: Is geverifieerd bij de Thai dat ze de informatie hebben begrepen?

Olde Engberink: Mijn assistente heeft meerdere keren gevraagd of ze het hadden begrepen en of ze meer informatie wilden. Zij werkt al dertig jaar als assistente, ze weet heel goed hoe ze dat in moet schatten.

Vis: U heeft vaker het gedoogbeleid uitgelegd. Is bij de Thai geverifieerd of ze de strekking hebben begrepen?

Olde Engberink: De een zal het beter begrijpen dan de ander. Ik weet dat het is besproken.

Vis: Weet u of besproken is of rechter Den Bosch op 19 oktober 2013 uitspraak heeft gedaan over coffeeshops?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: Dat ging over een rechterlijk pardon over de bevoorrading van de TGC. Als u beslag wil leggen, dan moet daar een strafbaar feit aan ten grondslag liggen. Weet u welk strafbaar feit dat in dit geval was?

Olde Engberink: Ik durf niet te zeggen of ze precies, welke feiten ze exact genoemd hebben.

Smeets: De vraag was: zijn er vermogensbestanddelen waar we beslag op kunnen leggen.

Olde Engberink: Ze draaien in Nederland een onderzoek naar de exploitatie van coffeeshops. Als je je aan de regels houdt, dan mag het. Anders niet, dan ontstaat er een illegaal vermogen.

Rechter: Welk concreet strafbaar feit is er genoemd?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Vis: Bij de powerpointpresentatie is een van de sheets een titel genoemd: ‘Crimes of the past’. Dat gaat over een feit op 27 mei 2008, waarbij 2,6 kilo in de kelder van TGC is gevonden. Kunt zich herinneren dat deze strafzaak, waar Van Laarhoven werd verdacht, geseponeerd was?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Die zaak is geseponeerd op 4 februari 2014. Is dat nog duidelijk gemaakt aan de Thai?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Vis: Kunt u zich herinneren of er in de aanloop naar de powerpointpresentatie besproken is Van Laarhoven naar Nederland te halen? Kunt u zich herinneren of Van Laarhoven is uitgenodigd om naar Nederland te komen?

Olde Engberink: Niet dat ik weet.

Rechter: De staatsgreep in Thailand was op 22 mei 2014. U was in Thailand, veranderde er iets in uw taak?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Is dat nog aan de orde geweest?

Olde Engberink: Er is wel over gesproken, wat de benadering vanuit Nederland zou zijn. Er was overleg met de ambassadeur. Het zou nader worden bekeken hoe het zou gaan met politieke delegaties. Voor het operationeel politiewerk veranderde niets.

Rechter: Met wie is dat besproken?

Olde Engberink: Met de ambassadeur en met het Backoffice in Zoetermeer. Daarnaast heb ik informeel met collega’s uit andere landen gesproken, maar dat was meer voor mezelf. Het was overal zelfde. Het had geen gevolg voor de operationele samenwerking.

Rechter: Was de staatsgreep van invloed op de manier waarop de Thaise justitie tewerk zou gaan?

Olde Engberink: Dat is mij niet opgevallen. Het waren dezelfde mensen.

Advocaat Smeets: Is er geen verandering opgevallen? In de nacht 22 op 23 mei was de Thaise grondwet ingetrokken. Was u dat bekend?

Olde Engberink: Ja. Ik weet dat de militairen de macht hadden.

Smeets: De democratische regering was afgetreden, de junta had het overgenomen.

Olde Engberink: Het is mij niet opgevallen.

Smeets: Tijdens de eerste dagen van de staatsgreep zijn er duizenden tegenstanders gevangen genomen. Was u dat bekend?

Olde Engberink: Ik heb de berichten gelezen en gehoord, het meeste was niet te verifiëren.

Smeets: U noemde dat de ambassadeur geen officiële delegaties meer ging ontvangen. Waarom had dat geen consequenties voor u? Waren er maatregelen getroffen om te garanderen dat de rechtsgang voor Nederland volgens onze principes zou worden voortgezet?

Staatsadvocate: Dat was niet zijn taak.

Smeets: Maar als gevolg van zijn handelen zit VBan Laarhoven nu wel voor 103 jaar vast.

Staatsadvocate: Dat is wel erg kort door de bocht.

Olde Engberink: Voor mij heeft het niks betekend, voor het werk en privé.

Smeets: Heeft u maatregelen getroffen?

Olde Engberink: In het algemeen signaleer richting het Backoffice als er iets is, dat geldt altijd.

Smeets: U hoefde niets te ondernemen? De Hoge Raad voor de Mensenrechten heeft de staatsgreep sterk veroordeeld. Was u dat bekend?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties heeft de staatsgreep veroordeeld en de inperking van de mensenrechten en het verbreken van de rechtsstaat benoemd.

Smeets: Amnesty International heeft het op 24 mei veroordeeld, vanwege fundamentele schendingen van de mensenrechten en de zuiveringen veroordeeld. Was u dat bekend?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: Human Right Watch, zelfde dag, zelfde bewoordingen. Ook niet bekend?

Olde Engberink: Niet specifiek, ik weet dat als er een coup wordt gepleegd, dat wordt veroordeeld.

Advocaat Vis: Voor u zelf was het niet zo dat u bepaalde aspecten ging heroverwegen?

Olde Engberink: Samenwerking is een zaak voor de ambassadeur, het enige in mijn taak is dingen die ik signaleer te rapporteren. Vanaf februari waren er blokkades op wegen, waarbij gewonden vielen.

Smeets: Was het geen aanleiding rechtshulpverkeer kritisch onder de loep te nemen?

Olde Engberink: Ik ben daar niet besluitvormend in. Ik had het gevoel dat de communicatie met Nederland ook via ambassade goed verliep. De mededeling van de ambassadeur was dat de geplande politieke delegaties onder de loep zouden worden genomen.

Advocaat Van Weeren: U heeft wel gerapporteerd over blokkades. Heeft u dat zelf gedaan?

Olde Engberink: Ja.

Van Weeren: Hoort dat bij uw taak?

Olde Engberink: Ja, het doorgeven van dingen die mij opvallen.

Van Weeren: De blokkades van verkeersknooppunten vielen u wel op, zaken die met de rechtsstaat te maken hadden niet?

Olde Engberink: Daar zijn anderen voor.

Advocaat Vis: U zegt: ‘Ik ga over de samenwerking op operationeel gebied. Dat de grondwet is ingetrokken, is geen aanleiding dat te rapporteren aan Zoetermeer of aan de ambassadeur te vragen: moet dat geen consequenties hebben voor onze samenwerking.

Smeets: U rapporteert wel over wegblokkades, niet over dit.

Vis: Feit is dat de grondwet ingetrokken was, was dat geen aanleiding uw werkzaamheden anders te doen?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Is daar ooit over gesproken met Nederlandse betrokkenen? Met Van Delft, Van Weerelt, Van Otterlo?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Vis: Had u überhaupt nog contact met hen?

Olde Engberink: Ik weet dat het na de powerpointpresentatie enige tijd rustig was. In Thailand waren geen ontwikkelingen. Het tijdvak durf ik niet te zeggen. Het onderzoeksteam in Nederland was heel druk.

Rechter: Het is niet ter sprake geweest?

Olde Engberink: Dat weet ik niet. Ik neem aan dat het ter discussie is geweest.

Smeets: Heeft u zich afgevraagd, of bent u concreet gaan controleren, dat de positie van Van Laarhoven en Tukta door staatsgreep mogelijk tot minder mensenrechtelijke waarborgen zou leiden, en gevolgen zou hebben voor zijn rechtspositie? Heeft u enige actie ondernomen om te controleren of die niet negatief beïnvloed zou worden?

Olde Engberink: Dat heeft in mijn achterhoofd meegespeeld, maar om een belletje te plegen naar een mensenrechtorganisatie, nee. Als er dingen zijn die mij opvallen, dan zou ik daar wel iets van rapporteren, maar het is mij niet opgevallen.

Smeets: Dit is een exercitie in zinloosheid. Er zijn heel veel rechters in Thailand afgezet en gevangen genomen; studenten opgepakt voor het omhoog houden van drie vingers. Dat is u niet opgevallen?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: De wegblokkades wel, want daar had u last van als u op weg was naar de ambassade.

Rechter: Het rechtshulpverzoek van 14 juni. U zegt: ik heb me met de inhoud niet bemoeid. Kreeg u dit vanuit Nederland, van de officier van justitie?

Olde Engberink: Via diplomatieke post en van het Ministerie van Buitenlandse Zaken tegelijk.

Rechter: Had u daarvoor nog oontact gehad?

Olde Engberink: Het opsporingsteam wilde een rechtshulpverzoek uitbrengen. Mijn advies was dit te checken bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, die geven aan hoe rechtshulpverzoek eruitziet. Ik heb een samenvatting van het onderzoek gezien.

Rechter: Heeft u geen concepten gezien?

Olde Engberink: Normaal wel. Het is dan meer de vraag, omdat het in het Nederlands, Engels en Thais moet, om de vertaling te checken. Dit was zodanig spoedeisend dat we dat langs elkaar heenlopend hebben gedaan. Ik verwacht wel dat voor het verzoek is uitgezonden, dat we een check op de vertaling hebben gedaan.

Rechter: Spoedeisend? Hoe wist u dat?

Olde Engberink: Of van de teamleiding, of van de officier,

Rechter: Waarom was het spoedeisend?

Olde Engberink: Het issue was dat aantal opsporingshandelingen in Europa gingen plaatsvinden, men was bang dat er in Thailand dingen weggemaakt zouden worden. Dat was vanaf begin juli. Als je in juni een rechtshulpverzoek opmaakt, ben je zo drie weken verder, er zat wat druk op.

Rechter: Uw mededeling was: ‘U komt wel laat met het rechtshulpverzoek.’ Is daar afwijking van de normale gang van zaken geweest?

Olde Engberink: Vaak heeft een rechtshulpverzoek een spoedeisend karakter. Wat we kunnen doen om te bespoedigen is het vooruit faxen naar het Thaise Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Thaise OM.

Rechter: Ten aanzien van de inhoud geeft u geen advies?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: U zei: ‘Het is vaak spoedeisend, dan faxen we alvast vooruit.’ Wat is doorgaans spoedeisend?

Olde Engberink: Er komen er geen twintig per dag binnen, het gaat om grote zaken. Als het onderzoeksteam de moeite neemt voor een rechtshulpverzoek, leggen wij uit dat het wel zes maanden kan duren.

Smeets: Hoe lang duurt het voor er antwoord komt?

Olde Engberink: Vaak wordt het meteen uitgevoerd, dat ligt aan de zaak. De vraag is dan: ‘Kunnen jullie iets voor ons doen?’

Smeets: Wat was het spoedeisende? Het was drie weken na de coup.

Olde Engberink: Of het met de coup te maken heeft weet ik niet.

Smeets: In november 2013 was u de gastheer, waarbij dit allemaal besproken is. Waarom was er dan opeens op 3 juni 2014, drie weken na de coup, spoedeisendheid?

Olde Engberink: Spoedeisendheid zit in het onderzoek.

Vis: Was er contact met het onderzoeksteam over het rechtshulpverzoek en de spoedeisendheid?

Olde Engberink: Ja.

Vis: Schriftelijk of telefonisch?

Olde Engberink: Met de officier of de teamleider.

Vis: Was er überhaupt schriftelijk contact over het indienen van het rechtshulpverzoek en de wijze waarop?

Olde Engberink: Het is binnengekomen. Toen hebben we gezien dat wat ze vroegen waarschijnlijk niet haalbaar was, daar is contact over geweest.

Vis: Is er contact geweest met de Thai hierover?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Is in dit kader de staatsgreep aan de orde geweest bij indienen rechtshulpverzoek? Heeft u gezegd: het is kort dag en we hebben hier ook nog een staatsgreep?

Olde Engberink: Dat zal ongetwijfeld besproken zijn. Het was twee weken daarna, het zal ongetwijfeld, maar ik kan het niet echt duiden.

Vis: Was het voor u aanleiding tot terughoudendheid te manen: doe even voorzichtig?

Olde Engberink: Voor ons was er niks veranderd, we zijn doorgegaan zoals we altijd deden.

Smeets: Is niet besproken: ‘Jongens, hebben jullie Van Laarhoven al ondervraagd, of uitgenodigd naar Nederland te komen?’

Olde Engberink: Dat is niet gevraagd en niet besproken.

Vis: Is het aan de orde gekomen, de mogelijkheid hem naar Nederland te halen?

Olde Engberink: Daar heb ik mij helemaal niet mee bemoeid.

Vis: Het rechtshulpverzoek is ingediend in juni 2014. Op 2 juli zijn er in Nederland en Luxemburg doorzoekingen geweest. Kort daarna er leden van het onderzoeksteam naar Thailand afgereisd om het rechtshulpverzoek te bespoedigen. Weet u op welke reis ik doel?

Olde Engberink: Nee.

(er ontstaat wat verwarring, de advocaat gaat ervan uit dat er een reis is geweest begin juli, Oude Engberink kan zich alleen een reis van rond de twintigste juli herinneren. Uiteindelijk blijkt het om die reis te gaan)

Vis: Was u betrokken bij de ontvangst, heeft u hen afgehaald van het vliegveld?

Olde Engberink: Ik heb wel de hotelboeking gedaan, maar hen niet opgehaald, ik was toen buiten Thailand.

Vis: Weet u welk hotel?

Olde Engberink: Normaal boek ik altijd het hotel tegenover ambassade, ik ben even de naam kwijt.

Vis: Kunt u zich iets herinneren over hoe dit tot stand kwam en waarover u bent geïnformeerd?

Olde Engberink: Alleen dat naar aanleiding van de brief die ik geschreven heb, de Thaise autoriteiten hadden besloten tot onderzoek over te gaan en dat ze mij wilden horen en twee collega’s.

Rechter: De brief van 14 juli 2014 heeft u geschreven. Hoe is die tot stand gekomen?

Olde Engberink: Ik ben nadat rechtshulpverzoek ingediend was gebeld door zaaksofficier Van Delft, die vertelde dat acties in het kader van het rechtshulpverzoek binnen Europa hadden plaatsgevonden en dat de uitkomst daarvan het wenselijk maakte de verzoeken aan Thailand zo snel mogelijk uit te voeren.

Rechter: Die acties hadden in het buitenland plaatsgevonden, daardoor was de noodzaak voor Thailand hoger geworden?

Olde Engberink: Mij is gevraagd of ik iets kon betekenen waardoor de Thai tot sneller actie zouden overgaan. Ik zou mijn best doen. Dat heb ik een paar dagen later gedaan. Ik was op dat moment niet in Bangkok, ik heb een paar dagen later een afspraak gemaakt: wat kunnen we doen om de uitvoering van het rechtshulpverzoek te bespoedigen? Dat heb ik besproken met de attorney general (Thaise officier van justitie). Die was bereid mee te denken.

Rechter: Was dat bij hem op kantoor?

Olde Engberink: Dat zat het Attorney General Investigations Department zijn geweest. Hij wilde er graag aan meewerken. Mij is gevraagd of ik mijn verzoek schriftelijk wilde bevestigen.

Rechter: Er is alleen gevraagd om te bespoedigen. Hoe?

Olde Engberink: Normaal wordt zo’n verzoek door de politiedienst afgewerkt, nu door Investigations Department zelf.

Rechter: Dat heeft geresulteerd in die brief van 14 juli 2014. Vier pagina’s. Door wie is dat opgesteld?

Olde Engberink: Door mijn assistente en de assitente van de attorney general.

Rechter: Er worden rechtspersonen genoemd, er is een samenvatting van feiten, er worden personen genoemd, er wordt een schets gegeven van de verkoop via coffeeshops, het is redelijk inhoudelijk. Wie heeft die inhoud opgesteld?

Olde Engberink: Dat was een samenvatting van het rechtshulpverzoek, gemaakt door mijn assistente.

Rechter: De laatste regels gaan over de strekking van het verzoek, wie heeft die gemaakt?

Olde Engberink: De laatste zin is dat als we eigenhandig onderzoek starten, of hij op basis van informatie die wij verstrekken strafrechtelijk onderzoek kunnen starten en we de zaken van het rechtshulpverzoek kunnen uitvoeren.

Rechter: U zegt dat de attorney general in dat gesprek tegen u heeft gezegd: dat bespoedigen zal misschien wel lukken, maar dan moeten we wel zelf een onderzoek starten. Toen heeft hij aan u gevraagd daarom te verzoeken.

Olde Engberink: Dat is gebruikelijk in Thailand: de Nederlandse politie heeft daarom gevraagd, hier is de brief. Het initiatief om versnelling van het rechtshulpverzoek te doen, komt van mij. Dat is net zoals in Nederland een officier van justitie naar de hoofdofficier gaat. In Thailand moet de attorney general een afspraak maken met zijn baas en aantonen dat er zo’n verzoek ligt.

Rechter: Dat is de achtergrond van dat verzoek.

Olde Engberink: Ja. Om te voorkomen dat er vertraging zou oplopen.

Rechter: Nog even terug naar spoedeisend karakter, volgens officier van justitie Van Delft. De onderzoeken in Europa hadden al plaatsgevonden.

Olde Engberink: Ik weet dat het over beslagleggingen ging. Gelet op de resultaten bij de acties in Europa was er erg veel baat bij een snelle uitvoering in Thailand.

Rechter: Is uitgelegd waarom? De relatie tussen Europa en de spoed?

Olde Engberink: De acties in Europa waren uitgevoerd. Mensen in Thailand konden in kennis worden gesteld dat het had plaatsgevonden. Er waren spullen aangetroffen en in beslag genomen, daarom was het spoedeisender.

Rechter: De officier van justitie had de brief in concept gemaakt. Bent u daarbij betrokken geweest?

Olde Engberink: Bij de uitvoering van zijn onderzoek.

Rechter: Zijn er nog andere personen betrokken geweest bij opstellen van die brief?

Olde Engberink: Nee.

Vis: In de laatste zin van die brief van 14 juli staat: ‘Als u ons vraagt een strafrechtelijk onderzoek te starten, kunnen we het versneld uitvoeren.’

Smeets: De brief is een samenvatting van het rechtshulpverzoek. Wat stond erin, wat wilde Nederland? Met name dat er beslag werd gelegd? En dat onderzoek in Europese landen dat verzoek extra urgent maakte. Waarom? Wat maakte het zo urgent? Daarover heeft u niet doorgevraagd aan Van Delft?

Olde Engberink: Dat heb ik niet gevraagd.

Smeets: Dacht u dat het misschien om info uit Nederland zou gaan?

Olde Engberink: De details weet ik niet.

Smeets: Het onderzoek in Europese landen had al plaatsgevonden.

Olde Engberink: Ik weet niet hoeveel tijd ertussen zat.

Smeets: U had een afspraak met de attorney general. Dat was niet de normale gang van zaken. Heeft u dat wel eerder gedaan op deze manier?

Olde Engberink: Dat is wel eerder gebeurd.

Smeets: Ook ter bespoediging?

Olde Engberink: Dit was de eerste keer.

Smeets: In vier jaar. De attorney general zei dat hij die brief nodig had om aan te tonen dat Nederland wilde dat er onderzoek zou plaatsvinden. Op dat moment waren de Thai niet met een eigen onderzoek bezig.

Olde Engberink: Ik denk dat het onderzoek naar vermogensbestanddelen nog liep.

Smeets: Was dat een concreet eigen onderzoek?

Olde Engberink: Dat onderzoek was nog steeds bezig.

Smeets: Dat was op verzoek van Nederland. Het gaat om het eigen onderzoek van de Thai.

Rechter: Of de Thai zelfstandig strafrechtelijk onderzoek deden.

Olde Engberink: Nee.

Smeets: U wilde het rechtshulpverzoek sneller. Wat moest sneller, wat moest er gebeuren?

Olde Engberink: De doorzoekingen bij Van Laarhoven.

Vis: U heeft toegelicht hoe het is gegaan. Bestaan er schriftelijke stukken van? Met Thai en Van Delft?

Olde Engberink: Er is een mailtje naar Van Delft gegaan of hij ermee akkoord was. Ja, het kan zo verstuurd worden. De afspraak met de attorney general was mondeling. Het verzoek aan de officier was telefonisch.

Vis: Daar is geen schriftelijke bevestiging van?

Rechter: Het verzoek om de zaak te bespoedigen is niet schriftelijk bevestigd?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Is voorafgaand aan de brief van 14 juli besproken wat de gevolgen voor Van Laarhoven of zijn levenspartner en zijn gezin zouden kunnen zijn?

Olde Engberink: Nee.

Vis: U verzoekt de Thaise autoriteiten om hulp bij een rechtshulpverzoek, maar u vraagt zich niet af wat de gevolgen zijn?

Olde Engberink: Het ging om uitvoering van een rechtshulpverzoek.

Smeets: U vroeg om strafrechtelijk onderzoek. Het doel van de brief was dat de Thai zelfstandig onderzoek zouden doen.

Staatsadvocate: Dat is geen vraag. Hier maak ik bezwaar tegen. Dit is een suggestieve opmerking.

Vis: Is besproken met de attorney general dat dit schrijven, het starten van eigen onderzoek, zou kunnen worden gebruikt om een strafrechtelijke procedure te starten?

Olde Engberink: Het doel was: hoe kunnen we de uitvoering rechtshulpverzoek versnellen? Dat kon, mits daar intern akkoord voor was, als ze zelf strafrechtelijk onderzoek opstarten en niet de hele ambtelijke gang van het rechtshulpverzoek hoefden afwachten. Dat gaf hij als optie: ‘We kunnen jullie ten dienste zijn, het kan sneller dan zes maanden, als je ons om onderzoek vraagt.’

Smeets: In die brief van 14 juli, staat daar ook maar één verwijzing in naar rechtshulpverzoek? Dat wordt helemaal niet genoemd. Die brief had niet te doen met de uitvoering rechtshulpverzoek.

Olde Engberink: De brief had tot doel het gesprek van mij met de attorney general te bevestigen, waarin hij aanbood de gevraagd ondersteuning voor het rechtshulpverzoek uit te voeren.

Vis: Is aan de orde gekomen dat het aanleiding zou kunnen zijn tot vrijheidsbeneming van Van Laarhoven?

Olde Engberink: Ik weet het niet. Naar aanleiding van de brief zijn een aantal afspraken gemaakt, zijn er gesprekken geweest.

Rechter: Er is naar aanleiding van die brief van 14 juli niet gesproken over de consequenties?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Is die mogelijkheid bij u niet opgekomen: zoiets vragen aan een buitenlandse mogendheid?

Olde Engberink: De doelstelling was om bewijs te verzamelen voor het Nederlands onderzoek.

Vis: Heeft u zich ervan vergewist dat het sturen van de brief mogelijk nevengevolgen zou kunnen hebben?

Olde Engberink: In gesprekken met de Thai was duidelijk: Nederland opent het onderzoek, willen jullie meewerken.

Rechter: Of u zelf heeft gedacht dat het tot vrijheidsberoving Van Laarhoven zou kunnen leiden?

Olde Engberink: Niet als doel.

Rechter: Dat is niet bij u opgekomen?

Olde Engberink: Niet op dat moment.

Smeets: Wat zou het doel van de Thai zijn om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen? Ik snap niet dat getuige aangeeft dat de mogelijk tot veroordeling niet bij hem is opgekomen: dat is het doel van een strafrechtelijk onderzoek! Is er expliciet besproken dat Van Laarhoven niet zou worden aangehouden?

Olde Engberink: Dat is helemaal niet besproken.

Rechter: Het antwoord is: het is niet gezegd.

Smeets: U noemt in de brief artikel 20 van het Thaise Wetboek van Strafvordering. Waarom?

Olde Engberink: Dat is het artikel op basis waarvan wij dit verzoek mogen doen.

Smeets: Van wie heeft u dat gehoord?

Olde Engberink: Dat heb ik zelf nagekeken.

Smeets: Ik citeer: ‘His Thai wife may have involvement in the crime commission with Van Laarhoven as well.’

Olde Engberink: Er is ook gevraagd in het rechtshulpverzoek haar te horen over een aantal zaken die mogelijk te maken zouden hebben met witwassen.

Smeets: In het rechtshulpverzoek staat zij uitdrukkelijk als getuige. Hier ineens als verdachte. ‘May have involvement in crime commission.’

Olde Engberink: Het is een beknopte samenvatting van het rechtshulpverzoek.

Rechter: U weet niet hoe die zin erin gekomen is?

Olde Engberink: Dat had geen speciaal doel.

Smeets: Waarom staat er dan niet: ‘she is witness?’ Dat staat in het rechtshulpverzoek. Dat hier iets anders staat, is wel de reden waarom mevrouw nu vastzit.

Vis: Heeft u zich rekenschap gegeven van de potentiële gevolgen van deze zin?

Olde Engberink: Het is gemaakt zoals die hier ligt, het enige doel was: uitvoering van het rechtshulpverzoek.

Vis: ‘Enige doel was uitvoering rechtshulpverzoek.’ Op de laatste pagina: ‘I would request to initiate a criminal case. Take all necessary proceedings under Thai related laws.’ En u zegt: het enige doel is uitvoering van het rechtshulpverzoek. Wat zijn dan die necessary proceedings?

Olde Engberink: Voor de doorzoeking was een machtiging nodig, voor de Thais.

Vis: Waarom was het nodig mevrouw als verdachte aan te merken?

Rechter: Is die passage over mevrouw opgenomen omdat dat ook het rechtshulpverzoek met betrekking tot mevrouw zou bespoedigen?

Olde Engberink: In de brief vragen we om onderzoek te doen naar mogelijke betrokkenheid van mevrouw. Er zijn meervoudige verdachte. Een aantal rechtspersonen, ook zijn broer.

Rechter: Hebben de Thai ook gevraagd ten aanzien van haar in brief op te nemen dat het onderzoek op haar zou gaan?

Olde Engberink: Nee.

Vis: De bedoeling was dat de Thai de passage over ‘suspect’ zouden opvatten als verwijzing naar verdachten in Thailand. Dat wordt in het rechtshulpverzoek helemaal niet genoemd.

Olde Engberink: De samenstelling van de brief is in overleg geweest met de attorney general met als enig doel uitvoering van het rechtshulpverzoek.

Vis: Hebben ze wel gesnapt dat deze brief alleen en enkel en louter tot doel had de uitvoering van het rechtshulpverzoek te bevorderen? Is na het versturen geverifieerd of klopt dat ze het zo beperkt hebben opgevat?

Olde Engberink: Er is geverifieerd of de brief voldoende was.

Vis: U zegt: in de dagen erna is er gebeld. De Thai zijn een strafrechtelijk onderzoek gestart. Heeft u toen niet gedacht: joh, misschien doen die Thai wel heel iets anders?

Olde Engberink: Ik dacht: ze willen het geformaliseerd hebben middels een verklaring.

Vis: Niet: het starten van een eigen onderzoek?

Smeets: Als er zo duidelijk afspraken waren gemaakt, waarom was er dan nog startinformatie nodig?

(dit gaat over het bezoek van de delegatie van politiemensen in juli)

Olde Engberink: Dat heeft te maken met procedures in Thailand.

Smeets: Wist u toen al dat er na de brief nog meer nodig was?

Olde Engberink: Dat is niet besproken.

Smeets: Ging er geen lichtje branden? U wordt gevraagd met twee andere Nederlanders naar de rechtbank in Thailand te komen.

Olde Engberink: We kregen dit verzoek naar aanleiding van de brief.

Smeets: In de brief staat ook: Van Laarhoven is resigned in Thailand with the apparent aim to stay out of control of the Dutch authorities. Waar is die aanname op gebaseerd, dat hij zich in Thailand ophoudt om buiten het bereik van de Nederlandse politie te blijven?

Olde Engberink: Op basis van het rechtshulpverzoek.

Smeets: De vliegbewegingen van Van Laarhoven waren bekend. Waarom schrijft u dat hij zich in Thailand verschool?

Olde Engberink: Het is een samenvatting van het rechtshulpverzoek

Smeets: Heeft u ooit geverifieerd of het klopt wat u schreef?

Olde Engberink: Het is samengevat. Het is twee jaar geleden.

Advocaat Van Weeren: heeft u zich actief met de redactie van de brief beziggehouden of heeft u dat overgelaten aan de assistentes?

Olde Engberink: Het begin en einde heb ik mij intensief mee bemoeid.

Vis: De brief is op 14 juli verstuurd. Welke initiatieven zijn er naar uw weten ontplooid om met Van Laarhoven in contact te komen?

Olde Engberink: Door mij niet.

Vis: Door anderen?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

(Over het horen van Olde Engberink en de Nederlandse agenten als getuigen bij de Thaise rechtbank)

Rechter: Is er specifiek aangegeven waar die toelichting op zou moeten zien? Is mondeling meegedeeld waar het over zou gaan?

Olde Engberink: Over de beslissing dst zij het onderzoek zouden doen en dat ze daar informatie over wilden.

Rechter: Is daar nog ander contact over geweest?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Weet u nog een datum?

Olde Engberink: Maandag 21 juli 2015.

Rechter: Is er voordat u daar bent gehoord door het Thaise OM tussen Nederlanders onderling nog overleg geweest over wat er naar voren zou worden gebracht?

Olde Engberink: Niet met mij.

Rechter: Hoe was de setting tijdens dat verhoor op 21 juli?

Olde Engberink: Met aan- en afrijden duurde het de hele dag. We zijn er tegelijk naar toe gegaan.

Rechter: Hoe lang duurde uw verhoor?

Olde Engberink: Hoofdzakelijk voor de middag. Vanaf tien tot één uur.

Rechter: Hoe ging het daar? Was er een tolk aanwezig?

Olde Engberink: De verklaringen werden in het Engels afgelegd en door een tolk naar Thais vertaald.

Rechter: U heeft uw verklaring ondertekend. Hoe is die voorgehouden?

Olde Engberink: Voorgelezen, door de tolk, samen met mijn assistente. Het was niet zo letterlijk, het was een samenvatting.

Rechter: Heeft u nog herinnering aan wat u heeft verklaard?

Olde Engberink: Dat ze veel onderzoeksinformatie wilden weten. Dat was lastig, omdat ik het meeste niet kende. Ik heb een aantal keren aangegeven dat ik het niet wist en dat ik het puur had gehoord van het onderzoeksteam.

Rechter: Bij de stukken zit een verslag van uw verhoor. Heeft u dat nagelezen, stemde dat overeen?

Olde Engberink: Ja.

Rechter: Het heeft drie uur geduurd. Was dit volledig?

Olde Engberink: Ja.

Rechter: Herinnert u zich of u over het Nederlands gedoogbeleid heeft gesproken?

Olde Engberink: Als het daar staat, dan is dat een van die momenten.

Vis: Over de basiskennis die bij meneer bestond ten tijde van afleggen verklaring: was u bekend met de bedrijfsvoering van een coffeeshop in zijn algemeenheid?

Olde Engberink: Ik ben nooit in een coffeeshop geweest, dat weet ik niet.

Vis: Wist u iets over dat er een gedoogverklaring wordt afgegeven en dat er bevoorrading plaatsvindt en dat dat een bijzonder juweeltje is in ons gedoogbeleid?

Olde Engberink: Ik heb later gehoord dat het plaatselijk verschillend kan zijn, dat er bijzondere eisen zijn. Als je er met mensen dieper op ingaat: hoe kan het nou zijn dat ze 500 gram mogen verkopen, hoe krijgen ze dat dan? Daar is veel discussie over.

Rechter: Weet ook dat dat soort vragen speelde?

Vis: Die 500-grams grens, weet u hoe die in de Opiumwet is aangegeven?

Olde Engberink: Ja.

Vis: Was u toen bekend met het gegeven dat in veel coffeeshops, ook in TGC, meer dan 50 gram per dag wordt verkocht?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Bent u bekend met hoe die voorraad wordt aangevoerd?

Olde Engberink: De simpele conclusie is: als het daar naar toe wordt gebracht, is het verboden, zodra het daar is wordt het gedoogd.

Vis: Daar is ontwikkeling in. Was u dat toen bekend?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Heeft u zich daar vooraf nog in verdiept?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Dit is een tamelijk tweeslachtig aspect in onze wet. Is dat nog met andere leden van het onderzoeksteam besproken?

Olde Engberink: Het enige wat mij verteld is, dat is dat TGC een aantal coffeeshops had en zich niet aan voorwaarden hadden gehouden.

Vis: Heeft u dat uit eigen wetenschap?

Olde Engberink: Ik heb van hun gehoord dat het onderzoek erop gericht was dat ze zich niet aan voorwaarden hadden gehouden en daarom niet onder het gedoogbeleid vielen.

Vis: Wist u dat ze over een exploitatievergunning beschikten en een gedoogverklaring?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: Uw verklaring van 21 juli is onder ede afgelegd. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, artikel 44, staat: ‘Getuige verklaart over feiten en omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen en ondervonden.’ Geldt dat in Thailand ook zo?

Olde Engberink: Ik heb de Thaise verklaring onder ede afgelegd. Ik heb niet naar het Thaise broertje van het Nederlandse artikel 44 gezocht.

Smeets: In de Thaise wet is het ook opgenomen. Dat is tamelijk zelfde. Heeft u op enig moment in uw verklaring geduid dat u dingen verklaarde uit eigen wetenschap of juist van horen zeggen?

Olde Engberink: Dat laatste, meerdere malen.

Smeets: Er was een Engelstalige tolk. Hoe goed is uw Engels?

Olde Engberink: Voldoende.

Smeets: Waarom stemde u daarmee in?

Olde Engberink: Omdat ik daardoor niet in problemen werd gebracht en er was geen Nederlandse tolk voorhanden.

Smeets: Is er gedoe geweest over een tolk, bij de Thaise rechtbank?

Olde Engberink: Nee. Daar ben ik niet bij geweest.

Smeets: U vraagt ‘as an officer to consider legal actions against Johan van Laarhoven and partner.’ Waarom deed u dat verzoek?

Olde Engberink: Om dezelfde reden als in de brief van 14 juli.

Smeets: Dit gaat over het Thaise onderzoek. U vraagt de Thais stappen te ondernemen.

Van Weeren: Er staat: om actie te ondernemen om punishment under Thai law. Dat is heel iets anders dan wat er staat in rechtshulpverzoek.

Olde Engberink: Volgens mij was het bedoeld dat ze alleen onderzoek kunnen doen naar feiten die zowel in Nederland als in Thailand strafbaar zijn.

Smeets: Het gaat erom wat er staat.

Van Weeren: ‘Omdat ik van de Thai geen actie kan verwachten als hij in Thailand niet strafbaar is.’ U heeft het verbreed.

Vis: Heeft u geverifieerd bij de Thai hoe ze dit hebben opgevat?

Olde Engberink: Nee. Het gaat om de verbinding met de brief, linksom of rechtsom: er is niks anders bedoeld dan actie te ondernemen. Het is een formele zin.

Smeets: U zegt u dat u op de hoogte bent gebracht over drugs in Tilburg, bij TGC. Door wie bent u hierover geïnformeerd?

Olde Engberink: Door de officier van justitie, of door de tactisch of functioneel coördinator.

Smeets: U was inhoudelijk niet op de hoogte van het dossier. Hier staan heel gedetailleerde gegevens. Kunt u mij uitleggen als u eigenlijk niet op de hoogte was, hoe kunt u dit antwoord dan geven?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Smeets: Het staat er alsof het iets is wat u zelf heeft gedaan en waargenomen. Klopt dat?

Olde Engberink: Nee. De Thaise politie wilde informatie over de staat van het onderzoek, ik heb meerdere malen aangegeven dat ik alles heb van collega’s van onderzoek, dat het geen informatie is die ik heb.

Smeets: Hoe heeft u dat aangegeven?

Olde Engberink: Misschien heb ik er wel een overzicht bij gehad van de collega’s.

Smeets: Bij de volgende vraag legt u uit hoe de politie in 2011 te werk is gegaan. Drugs stored in warehouse, de naam van de straat in Den Bosch, informatie over bedrijven. Waarop baseerde u dat?

Olde Engberink: Op informatie van het onderzoeksteam.

Vis: Heeft u zich rekenschap gegeven van dat het van horen zeggen is?

Olde Engberink: Ik heb meerdere malen aangegeven dat het niet uit eigen wetenschap was.

Smeets: Als we de vragen zo bekijken, dan staat het er niet. U zegt dat u die informatie heeft.

Olde Engberink: Ik geef bij iedere vraag aan dat niet van mijzelf komt.

Smeets: ‘According to..’ Dan zegt u: ‘We…’Die Thai denken dat u zelf aan het onderzoek heeft deelgenomen.

Olde Engberink: Dat zou een fout in de vertaling kunnen zijn.

Vis: Het is een beëdigde vertaling.

Staatsadvocate: Het is geen beëdigde vertaling.

Olde Engberink: De verklaring is afgelegd in het Engels en naar Thais vertaald. Aan het eind daarvan is er een samenvatting voorgelezen.

Smeets: Meneer heeft in Thailand verklaring afgelegd. Veel info over het Nederlandse onderzoek gegeven. Dat is startinformatie geweest van het Thaise onderzoek. Op basis hiervan is twee dagen later Van Laarhoven aangehouden.

Vis: Is tevoren besproken wat naar Thais recht de gevolgen zouden kunnen zijn van het afleggen van uw verklaring?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Heeft u daarnaar geïnformeerd?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Waarom niet?

Olde Engberink: Omdat de afspraak was gemaakt zo snel mogelijk onderzoek te doen naar het rechtshulpverzoek.

Vis: Uw verklaring is gebruikt als bewijsmiddel.

Olde Engberink: Dat was totaal niet aan de orde.

Vis: Is ooit besproken waarom het verstrekken van zoveel informatie noodzakelijk zou zijn voor enkel het uitvoeren van enkele aspecten van rechtshulpverzoek?

Olde Engberink: Daar hebben wij ons ook over verbaasd. Zowel ik als Toon als Erik. Een hele tijd later vraagt Thailand aan Nederland om informatie, zes kasten vol.

Smeets: Heeft u afgevraagd of de Thai misschien meer wilden dan enkel uitvoering van het rechtshulpverzoek? U zegt eigenlijk: ik ben een soort gastheer, met het Nederlands onderzoek heb ik niks te maken. Kunt u dan uitleggen waarom u dan akkoord bent gegaan met deze verklaring? U wist niks.

Olde Engberink: De Thais zien de liaison officer als een belangrijke informatiebron.

Smeets: Gezien de Thaise hiërarchise samenleving had uw functie en uw verklaring een bepaald gewicht?

Olde Engberink: Mijn verklaring was de opening naar de zaak. Na het rechtshulpverzoek en de brief.

Smeets: U verklaart pagina’s lang over allerlei details over verdachten. Waarom? U had toch gewoon kunnen zeggen: daar ga ik niet over.

Olde Engberink: Omdat ik er geen problemen mee heb dat ik namens het onderzoeksteam verklaar.

Van Weeren: Het dossier is heel gedetailleerd. Las u voor uit het dossier?

Olde Engberink: Dat weet ik niet meer zeker. Dat neem ik aan.

Vis: ‘Johannes was arrested by the police’. Dat was al eerder aan de orde. U verklaart dit op 21 juli 2014. Op basis van welke info?

Olde Engberink: ‘According investigations by the Dutch police.’ Van het onderzoeksteam Breda.

Vis: Was u dat verteld? Was u ervan op de hoogte dat die zaak (uit 2008) was geseponeerd, in februari 2014? Een aantal maanden voorafgaand aan uw verhoor?

Olde Engberink: Dat wist ik niet.

Vis: U geeft informatie van het onderzoeksteam door. U verklaart over een zaak die in behandeling zou zijn.

Rechter: Heeft u dat gecontroleerd?

Olde Engberink: Nee, ik heb dat doorgekregen van collega’s.

Vis: Op welke wijze heeft u zich vergewist van alle andere informatie?

Olde Engberink: Die informatie heb ik niet gecontroleerd.

Vis: Heeft u nog aan de Thai gezegd dat u het niet hebt gecontroleerd?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Was u bij de aanhouding van Van Laarhoven betrokken? Bij de doorzoeking?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Er waren geen Nederlandse delegatieleden bij?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Na de aanhouding op 23 juli, heeft u toen nog contacten gehad met de Thai?

Olde Engberink: Wij zijn door de attorney general geïnformeerd, op de dag van de actie zelf, dat de doorzoeking was uitgevoerd, dat Van Laarhoven en echtgenote waren aangehouden. Dat er bescheiden in beslag waren genomen die van belang waren voor het onderzoek en dat er een vuurwapen was aangetroffen.

Rechter: Ook waarom hij was aangehouden?

Olde Engberink: Ik durf zo niet te zeggen of dat alleen was voor witwassen of ook voor het vuurwapen.

Rechter: Was u betrokken bij verdere contacten, of Nederland de vervolging zou oppakken? Heeft u meer informatie over die dag?

Vis: Is dat telefonisch gegaan of ook schriftelijk?

Olde Engberink: Die dag zelf heb ik attorney general gesproken en later vast wel een schriftelijke bevestiging gekregen.

Vis: Was u rond die datum op de hoogte van contacten tussen Van Delft en de Nederlandse verdediging van Van Laarhoven?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Over de bereidheid van Van Laarhoven zich voor verhoor in Nederland te melden? Er is een mail van 15 juli aan Van Delft waarin we aangeven dat onze cliënten graag medewerking geven. Eerder was er al een stuk overgelegd over het naar Nederland komen van Van Laarhoven en dat hij daaraan zal meewerken. Was u hiervan op de hoogte?

Olde Engberink: Nee.

Smeets: Het contact tussen de raadslieden en de officier van justitie, is dat op enig moment aan de Thaise autoriteiten vermeld?

Olde Engberink: Nee. Dat hoor ik nu voor het eerst.

Vis: Toen u werd geïnformeerd over de aanhouding, is toen niet bij u de overweging opgekomen: dit gaat wel heel veel buiten de afspraken tussen mij en de attorney general?

Olde Engberink: Mijn eerste reactie was: hé, dit hadden we niet verwacht, dit was de bedoeling niet. We begrepen dat er een vuurwapen was en dat er stukken waren. Pas dagen later hoorde ik het was voor witwassen, gepleegd in Thailand. Dat ging over gelden en bankrekeningen en woningen en stukken grond. Daar had men kennelijk veel contracten van gevonden. Over onroerend goed.

Vis: Het was anderhalve dag na uw verklaring. Heeft u zich niet bekreund om het lot van Van Laarhoven?

Olde Engberink: Vanaf die tijd is er regelmatig contact geweest met de Thai, omdat ze een zelfstandig Thais strafrechtonderzoek startten.

Vis: U werd gebeld door de attorney general met mededeling dat naar aanleiding van uw brief de Thai strafrechtelijk onderzoek hadden gedaan.

Olde Engberink: Kennelijk waren er veel papieren gevonden.

Smeets: U zegt dat naar aanleiding van de huiszoeking nieuw onderzoek is opgestart. Dat is niet zo. Het onderzoek was al begonnen.

Olde Engberink: De Thai is doorgestart op basis van wat daar aangetroffen werd. Kennelijk zijn bevindingen van de huiszoeking aanleiding geweest.

Vis: Van wie heeft u dit gehoord, of neemt u dit aan?

Smeets: U bent niet naar de attorney general gegaan: wat flik je me nou?

Olde Engberink: Ik heb gevraagd waarom Van Laarhoven is aangehouden. Het antwoord was: er is een vuurwapen aangetroffen en schriftelijke bescheiden, daar gingen ze een onderzoek naar doen, op witwassen in Thailand.

Smeets: Het rechtshulpverzoek ging over vermogensbestanddelen. Hebben ze niet precies gedaan wat ze u gevraagd hebben?

Olde Engberink: Ja. Maar er is meer aangetroffen. Ze hadden kennelijk paperassen aangetroffen. Dat heb ik gehoord. Zij waren op zoek naar vermogensbestanddelen.

Smeets: U werd gebeld. Op de dag van de aanhouding zelf?

Olde Engberink: ’s Avonds.

Smeets: Heeft u nog met de attorney general besproken: ‘We warn bezig met een gezamenlijke actie, nu moet ik op tv zien dat Van Laarhoven is aangehouden’?

Olde Engberink: Er was wel verbazing dat er al zo vroeg zoveel pers bij was.

Smeets: Waren er andere Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig?

Olde Engberink: Dat weet ik niet.

Smeets: Wist u waar ze waren?

Olde Engberink: Ik weet niet waar ze geweest zijn.

Smeets: Waren ze nog in Thailand?

Olde Engberink: Ja.

Smeets: Waarom?

Olde Engberink: Voor als er nog vragen waren.

Smeets: Hoe lang moesten ze nog blijven?

Olde Engberink: Voor de aanhouding hebben we erover gesproken of ze aanwezig moesten zijn bij de doorzoeking. Er is gezegd: niet bij aanwezig zijn.

Rechter: Over de afspraken in september 2014. Het overleg tussen Thaise en Nederlandse autoriteiten over de vraag wie wat zou vervolgen. Heeft u daar een rol in gespeeld?

Olde Engberink: Ik was gastheer, voor Van Delft en de atoorney general.

Rechter: Er was een bijeenkomst op de ambassade.

Olde Engberink: Daar ben ik gedeeltelijk bij aanwezig geweest.

Rechter: Is er niet iets meegedeeld?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Kunt u zich herinneren wat er besproken is?

Olde Engberink: Het begin en het einde. Het gesprek ging erover wie zou Van Laarhoven waarvoor vervolgen en om dat op elkaar af te stemmen. Later heb ik kort van Lucas van Delft begrepen dat de wens van het OM was volledige vervolging in Nederland te doen, maar dat was moeilijk in verband met het beslag. Lucas en de attorney general zouden met de achterban overleggen of de opties akkoord waren.

Rechter: Bent u verder nog betrokken geweest bij de opties?
Olde Engberink: Nee, het had puur met vervolging te maken.

Vis: Is op enig moment de kwestie aan orde geweest van het rechtshulpverzoek en het starten van de Thaise strafzaak?

Olde Engberink: Ik heb me niet in de discussie gemengd.

Vis: Heeft u dat met Van Delft besproken? Dat men nu ineens op idee kwam Van Laarhoven te vervolgen?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Heeft u uiting gegeven aan de discrepantie tussen uw beleving en het uitgevoerde, of heeft u dat helemaal voor uzelf gehouden?

Olde Engberink: De Thai hebben aan ons verzoek voldaan en gaven daar zelf vervolg aan.

Vis: Ligt daar schriftelijk iets van vast?

Olde Engberink: Dat neem ik aan, dat weet ik niet.

Vis: U zei te vermoeden dat de vervolging te maken had met het aantreffen vuurwapen. Weet u wat de Thai daarmee hebben gedaan?

Olde Engberink: Ik heb later gehoord dat hij een vergunning had.

In juni/juli 2015 zijn Olde Engberink en een paar Nederlandse politiemensen gehoord door de Thaise rechter. Daar zijn Kamervragen over gesteld. Uit het antwoord van de minister blijkt dat de vragen op voorhand waren verstrekt. Als hem dat wordt voorgehouden, zegt Olde Engberink: Wij hebben voor het verhoor verzoek gekregen dat we een samenvatting van het verhaal moesten geven.

Rechter: Heeft u dat gedaan?

Olde Engberink: Ja.

Rechter: In overleg met de andere Nederlanders?

Olde Engberink: Nee. Die samenvatting is niet aan de orde gekomen. Het waren standaardvragen.

Rechter: Op zitting werden andere vragen gesteld?

Olde Engberink: Die waren van een advocaat en van de officier. Er was een Nederlands-Thaise tolk bij. De Thaise samenvatting heb ik ondertekend.

Smeets: Wij waren erbij. Het is integraal voorgelezen door de tolk. Het was geen samenvatting.

Olde Engberink: Ik heb in Nederland een verklaring afgelegd. Die is door een tolk in het Thais vertaald. Later in de middag heeft de tolk samen met mij voorgelezen wat genotuleerd was. Het is mij opgevallen dat het een samenvatting was, het was erg kort. Het viel mij op dat het middengedeelte maar anderhalve zin was.

Rechter: Er hebben Nederlanders overnacht in het Hilton hotel in Bangkok.

Olde Engberink: Ik heb het in de stukken gelezen, ik wist dat niet. Ik was al terug in Nederland.

Rechter: U had geen contact met anderen?

Olde Engberink: Nee.

Rechter: Het verhaal is dat die Nederlanders in het Hilton waren en dat een anonieme Peter daarvan verslag en foto’s uitbracht aan meneer Kortenaar. (bedoeld is Korterink; dat bericht en de foto’s hebben op de website misdaadjournalist.nl gestaan, die hier) Zes mannen en een vrouw, ze spraken Nederlands, de anonieme man wilde eerst met hen kennismaken. Toen begreep hij dat dit de delegatie was in de zaak Van Laarhoven, hij heeft dingen opgevangen en foto’s gemaakt.

(de advocaten leggen de foto’s voor aan de getuige)

Rechter: De vraag is of u daar was.

Olde Engberink (bladert erdoorheen): Ik was er toen niet.

Rechter: Herkent u mensen?

Olde Engberink: Ja, maar niet mezelf. Ik sta er niet op.

Rechter: Het verhoor van 7 juli 2015. De officier van justitie en advocaten hebben vragen gesteld. Had u toen stukken bij u?

Olde Engberink: Nee. Ik heb contact gehad met de assistente, het was meer ter bevestiging van: ik was liaison officer, ik heb de brief doorgestuurd.

(Er ontstaat een discussie over de vertaling van de verklaringen in dat verhoor. Die was in het Thais, en is op verzoek van de Nederlandse advocaten van Van Laarhoven door Thaise advocaten in Bangkok vertaald in het Engels. Het gaat om een certified translation. De Staatsadvocate en Snijders hebben daar hun twijfels over, of dat wel correct is gegaan. Op enkele punten klopt volgens hen de vertaling niet. Waarom is het niet naar het Nederlands vertaald?

Smeets: Over vertalen is een hele stampei gemaakt door de Staat. Op 2 juli toen er verklaringen moesten worden afgelegd sprak iedereen perfect Engels. Op een andere zitting waar wij wat vragen wilden stellen om dingen te controleren moest er beslist een tolk Nederlands-Thais komen. Dus op het moment voordat hij werd aangehouden was een Engelse vertaler meer dan voldoende, daarna was er een hoop gedoe en moest er beslist een Nederlandstalige tolk bij komen. Snijders wist dit vanaf juni, dat deze vertaling in het Engels was. Het is een prima vertaling.

Vis: Deze stukken zijn al overlegd in september vorig jaar, dit horen we nu voor het eerst.

Staatsadvocate: Hoe dat op zitting is gegaan totaal niet relevant.

Vis: Is er nog vooraf overleg geweest?

Olde Engberink: Het werd mij langzaam duidelijk dat er Thaise strafzaak aan ging komen, volgens mij heb ik in september 2014 toen ik terugging naar Nederland, aangegeven dat ik mijn handelingen zou moeten bevestigen bij een rechtbank.

Vis: Wist u dat uw verklaringen als bewijsmiddel tegen Van Laarhoven zouden worden gebruikt? Was dit geen aanleiding te denken: dit lijkt iets anders dan wat ik ermee heb beoogd?

Olde Engberink: Nee.

Vis: Heeft u dit intern besproken met Nederlandse betrokkenen?

Olde Engberink: Er is wel overleg geweest of het überhaupt mogelijk zou zijn dat ik als liaison verklaringen af zou mogen leggen. In eerste instantie was het zo dat ik niet naar Thailand zou gaan, later wel. Men heeft liever dat een liaison zijn werk doet en niet betrokken raakt bij een strafzaak.

Het is intussen rond half vijf, de verklaring moet nog worden voorgelezen en ondertekend, dat zal zeker nog een uur duren. Er is geen tijd meer vandaag Snijders te horen. Het volgende verhoor is gepland voor woensdag 7 september. Dan komt zaaksofficier Lucas van Delft, die door Van Laarhoven als de kwade genius achter het hele verhaal wordt beschouwd.

 

In 2015 raakte Van Delft in opspraak door een verzonnen doodsbedreiging. Hij wordt twee jaar niet meer ingezet als officier van justitie en wordt overgeplaatst naar een ander parket. Ook is hij teruggezet in salaris. Hij wordt niet strafrechtelijk vervolgd.

Van Delft deed onder valse naam melding bij de politie dat criminelen hem om het leven wilden brengen. Hij werd betrapt op het in scène zetten van de bedreiging. Hij stond op bewakingsbeelden van de Media Markt waarop te zien was dat hij aan de kassa een prepaid-telefoonkaart aanschafte. Met die kaart deed hij de melding met een valse naam. Hij verklaarde dat hij gebukt ging onder werkstress en betuigde spijt.

 


Maartje Pieck: de laatste folder

$
0
0

maartje-pieck-web

Als op 11 juli 2000 in Kampen de vijftienjarige Maartje Pieck verdwijnt nadat ze in de buurt folders heeft rondgebracht, wordt er uiteraard meteen naar haar gezocht. Ze wordt al snel gevonden. Verkracht en vermoord. In de buurt van het asielzoekerscentrum net buiten Kampen, richting Dronten.

De dader heeft de suggestie willen wekken dat een asielzoeker de dader is. Maar het blijkt een ‘gewone Nederlander’: Jan H. uit Kampen. In september 2016 is er opschudding in Kampen: de ouders van Maartje Pieck krijgen bericht van justitie dat Jan H. met onbegeleid verlof gaat en dat hij ook in Kampen mag komen.

Ze zijn verbijsterd. Als dit bericht in de kranten verschijnt, gaat de burgemeester van Kampen zich ermee bemoeien en dan blijkt dat het een misverstand is. Hij mag met verlof van deur tot deur (van de tbs-kliniek naar zijn vriendin). Alleen de plaatsnaam is verkeerd: de vriendin woont in Coevorden, niet in kampen.

Bizar: precies in de tijd dat dit speelt wordt in Kampen een meisje van 17 jaar verkracht als ze om drie uur ’s nachts naar huis fietst. Dit keer is de dader wél een asielzoeker. Een 33-jarige bewoner van het azc.

I

maartje-pieck-stentor-1

In De Stentor van zaterdag 10 september 2016 vertelt Lotte Pieck, de zus van Maartje, over hoe het gezin met dit verdriet is omgegaan. 

In mijn vorig jaar verschenen boek Moordenaars in Nederland staat een hoofdstuk over de moord. Dat is dit.

moordenaars-cover-web

De vijftienjarige Maartje Pieck is een kleindochter van de beroemde kunstschilder, tekenaar en graficus Anton Pieck. Ze woont met haar ouders aan het Veenmos in de wijk Middenwetering in Kampen. Ze is net geslaagd voor het eindexamen mavo.

Voor de zomervakantie van 2000 heeft ze als vakantiebaantje: folders rondbrengen. In haar eigen wijk. Dat doet ze ook op 11 juli. Folders van Intertoys. Ze is net begonnen met dit werk, ze heeft nog geen vaste route. In het laatste huis van de straat woont Jan Berend H. Een man met een ‘zedenverleden,’ maar dat weet bijna niemand. Er zijn wel aangiften tegen hem gedaan. Door een stiefdochter; door een jonger zusje dat met een mes op de keel werd gedwongen tot seksuele handelingen en door een Engelse vrouw die na cafébezoek in Zandvoort door hem was aangerand. Maar geen van deze aangiften leidde tot veroordeling: gebrek aan bewijs. Nu woont hij sinds februari met een vriendin in een eengezinshuis in Kampen. Er is verder weinig over zijn verleden bekend. Of hij oorspronkelijk uit Kampen kwam, wat voor relaties hij had, wat voor werk.

In de categorie lustmoordenaars staat een man als Jan H. ongeveer op de laatste tree. Hij is geen predator, die als een roofdier loert op een kans en voor wie er geen weg terug is als hij eenmaal aan de jacht begonnen is. Ook geen ‘zwervende broeier’ zoals Jasper S., de moordenaar van Marianne Vaatstra, of een fietsende Hendrik F. die omdraaide toen een mooi meisje (Andrea Luten) zijn pad kruiste. Jan H. lijkt meer op Jan S., ‘het monster van Assen’. Mannen die zich met geweld seks toeëigenen, maakt niet uit met wie, het is maar wat er op het pad komt, en onder invloed van drank alle remmingen kwijt zijn.

Dat kan Maartje niet weten als ze een folder bij hem in de bus doet. Evenmin dat hij alleen thuis is: zijn vriendin is een nachtje weg. Jan H. heeft net in de bijkeuken een lege vieux-fles weggegooid als hij de brievenbus hoort klepperen. Ze moet langs de deur van de bijkeuken terug naar de weg. Als ze passeert bedenkt hij zich geen moment. Hij spreekt haar aan, trekt haar aan een arm en aan haar haren naar binnen en sleurt haar naar de zolder. “Toen ik haar zag ging er een knop om, ik móest en zóu haar hebben. Ik wilde haar zíen, vóelen.” Als de rechercheur vraagt waarom, is het antwoord: “Omdat ik het wil.”

Maartje staat bekend als een lief, serieus meisje. Soms wat stil en verlegen, een beetje afstandelijk naar vreemden. Ze heeft nog geen vriendje. Op zolder moet Maartje zich uitkleden. Ze moet op haar knieën gaan zitten. Hij betast haar van top tot teen, met zijn handen, waarbij hij handelingen pleegt die juridisch als verkrachting worden opgevat. Dan moet ze toekijken als hij zichzelf bevredigt. “Toen begon zij vreselijk te gillen. Zó intens… Ik was volledig in paniek. Het moest ophouden. Ik zag dat witte touwtje op de grond. Ik sloeg het om haar nek, trok het aan en knoopte het vast. Ze werd blauw. Ik schrok. Ik kon de knopen niet loskrijgen. Beneden haalde ik een broodmes. Ik sneed meteen het touw door. Maar het was te laat.”

Uit het buurtonderzoek blijkt dat zes mensen die avond “angstaanjagend gegil en doordringend gekrijs” hebben gehoord. Jan H. blijft een poosje bij Maartje zitten. “Ik heb gejankt. Gesmeekt of ze weer bij wou komen.” Dat gebeurt niet. Hij draagt haar in een hoeslaken naar zijn auto en gaat meteen daarna bij zijn buurman Richard Muilenburg op visite, alsof er niets is gebeurd. Daar merken ze niets aan hem. Later die avond brengt hij het lijk van Maartje weg naar het Roggebotsebos, achter het asielzoekerscentrum (azc). Weken later, als de zoektocht naar de dader in volle gang is, ontdoet hij zich van Maartjes kleren en van de overgebleven folders, die ze nog had moeten bezorgen. Dat gooit hij allemaal in een container langs de A50.

De politie laat zich vanaf het begin kinderlijk eenvoudig op het verkeerde been zetten. Het lichaam van Maartje wordt na twee dagen gevonden. Dat is niet zo moeilijk: hij heeft geen enkele moeite gedaan het te verbergen. De suggestie is duidelijk: asielzoekers hebben het gedaan. Uiteraard wordt er meteen buurtonderzoek gedaan, waarbij Jan H. ook wordt ondervraagd, maar zijn buurman Richard geeft hem een alibi. Jan was die avond bij hem op bezoek. Na diens arrestatie komt Richard uitgebreid in de krant, hij gelooft in de onschuld van de man met wie hij regelmatig vist: “Hij kan het bijna niet gedaan hebben. Op de avond dat Maartje verdween, zat hij bij mij thuis. Ik kan me niet voorstellen dat hij meer van de moord weet.”

Jan H. en zijn vriendin waren in februari naast hen komen wonen. “We gingen regelmatig met elkaar om. Vissen, met een paar andere buurmannen en hij dolde met mijn kinderen.” Ook tegen de politie vertelde hij dat de buurman tegen kwart over zeven bij hen was gekomen en tegen half tien nog even langs de snackbar wilde. Richard moest zelf ook een boodschap doen. Toen hij een kwartier later thuiskwam stond de auto van Jan H. alweer voor de deur. “Zo’n avond van een verdwijning onthoud je, die tijden weet ik nog vrij precies.” Er is in het begin verwarring over het tijdstip waarop Maartje nog gezien zou zijn. Er is een buurman die meent dat ze om acht uur nog een folder heeft bezorgd. In dat geval klopt het alibi van Jan H. helemaal. Later blijkt dat deze buurman zich heeft vergist. Of dat ook deze Richard is, en of die zich mogelijk een verkeerd tijdstip heeft laten influisteren door Jan H., is niet bekend.

Dat een gewone burger zich zo gemakkelijk in de luren laat leggen is te begrijpen: niemand kan zich voorstellen dat die aardige buurman of die goede kennis een moordenaar is. Maar de recherche laat zich hier wel heel simpel aftroeven en staart zich een hele tijd blind op het listig door Jan H. uitgezette spoor: een asielzoeker. Omdat het lichaam van Maartje daar in de buurt is gevonden, kan de politie er niet omheen het asielzoekerscentrum in het onderzoek te betrekken. Ze willen niet dezelfde fout maken als de Friese recherche die na de moord op Marianne Vaatstra het nabijgelegen azc in Kollum in eerste instantie wél buiten het onderzoek hield. Het lijkt bingo: in een auto van een asielzoeker wordt een oranjekleurige vezel gevonden. Op Maartje’s lichaam zat ook een oranje vezel. Pas veel later blijkt dat de vezel op Maartje afkomstig is van de overall van een medewerker aan het onderzoek. De zoveelste blunder.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Veenmos, Kampen

Het lijkt zo simpel: Maartje heeft huis-aan-huis folders bezorgd. Ze had weliswaar nog geen vaste route, maar het moet simpel na te gaan zijn waar ze is gestopt. Hij had nog wel een folder gekregen, de buren naast hem ook? Het buurtonderzoek lijkt een aaneenschakeling van amateurisme. Zes buurtbewoners hebben gegil gehoord, maar omdat één buurman een andere tijd noemt – die had een andere folderbezorger gezien – gaat men uit van een verkeerd tijdstip waarop Maartje verdween. Acht uur in plaats van zeven uur. Pas na weken speuren komt de politie tot de conclusie dat de laatste folder bij Jan H. moet zijn bezorgd. Die had wel een alibi, maar onderzoeksleider Visscher laat weten dat er nog wel wat ‘checkmomenten’ zijn. Er zijn niet veel details bekendgemaakt over het onderzoek, maar ze zullen hem ongetwijfeld hebben gevraagd in welke snackbar hij is geweest, toen hij om half tien tegen de buurman zei dat hij weg moest om te eten.

 

Tijdens het proces in Zwolle zegt de officier van justitie: “H. kent zijn grenzen ten aanzien van vrouwen niet.” Wat niet ter sprake komt: drank. Kon hij nog wel rijden? Hij had een vieux-fles weggegooid, maar had hij daar nog wat uit gedronken? En had hij bij de buurman nog gedronken, kon hij nog wel rijden? Hij zal niet heel dronken zijn geweest, dan was dit wel naar buiten gekomen. Toen hij, met het naakte lichaam van Maartje achterin de kofferbak, naar het Roggebotsebos reed, had hij nog wel de tegenwoordigheid van geest om bij een flitspaal vaart te minderen. Ook daarna merkte niemand iets aan hem: hij toonde zich een verontruste buurtbewoner, hielp mee bij het opstellen van een brief aan de gemeente, met het verzoek onveilig ogende bosschages in de buurt te snoeien. Tijdens het proces zegt hij daarover: “Zo ben ik nu eenmaal, liegend en ontkennend door het leven gaan.”

Op 18 september, ruim twee maanden na de moord, legt hij een bekentenis af. Een autobotsing met een ree, ruim drie maanden vóór de moord, levert een belangrijk bewijsstuk. De vriendin van Jan H. (38) had op 1 april een aanrijding met een ree, waarbij de gril van haar auto was gevallen. H. borg de gril op in de kofferbak van zijn Mercedes. Haren van zo’n hert zijn aangetroffen op het lichaam van Maartje.

Volgens het rapport van het Pieter Baan Centrum leed verdachte ten tijde van het plegen van het feit aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat het feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Hij lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. “De begrenzing van de narcistische component – welke zich kenmerkt door de behoefte van verdachte aan controle, beheersing en macht en de daarmee corresponderende grootheidsfantasieën – heeft geleid tot grote woede en een impulsieve doorbraak van razernij, zich manifesterend in de uitoefening van macht over een onmachtig slachtoffer, waarbij de slachtofferkeuze min of meer toevallig tot stand kwam.” In zijn slotwoord zegt Jan H.: “Als bekend wordt waar ik voor zit, breekt de hel los in het huis van bewaring.”

Hij wordt veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf en tbs. In 2008 wordt hij in forensisch psychiatrisch centrum Oostvaarderskliniek in Almere geplaatst, om te worden behandeld wegens antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen. Hij heeft de acht jaar in de gevangenis nuttig besteed: hij is bezig aan de laatste fase van een universitaire studie psychologie. Maar in de kliniek weten ze geen raad met hem. In 2011 constateert men daar dat er in de behandeling totaal geen progressie zit en de behandelaars hebben het idee dat hij zelf de regie in handen heeft: alleen onder zijn eigen voorwaarden doet hij mee aan therapieën. De recidivekans is onveranderd hoog. Er volgt overplaatsing naar de Pompekliniek in Nijmegen. De psycholoog van zijn nieuwe onderkomen laat weten dat de recidivekans zelfs nog hoger wordt ingeschat dan voordat Jan H. aan zijn behandeling begon: “We staan nog altijd aan het begin.” In Nijmegen zal opnieuw een delict-analyse worden gemaakt, de belangrijkste onderzoeksterreinen worden de seksuele beleving en de agressie. Tijdens de zitting waar over verlenging van de tbs en de overplaatsing wordt gesproken, klaagt Jan H. dat hij het gevoel heeft dat hij al anderhalf jaar stilstaat. “Ik ben nog geen stap verder.”

In maart 2015 wordt de tbs tegen de inmiddels 52-jarige Jan H. weer met twee jaar verlengd. Hij vond zelf dat hij toe was aan wonen buiten de kliniek en het Openbaar Ministerie leek daar wel oren naar te hebben en stelde verlenging met één jaar voor, maar volgens de rechtbank is H. nog lang niet uitbehandeld en kan hij zijn agressie en spanningen nog niet beheersen. Hij mag af en toe met twee begeleiders het terrein van de kliniek verlaten.

Het zou interessant zijn buurman Richard Muilenburg te spreken. Hoe hij zich zo kon vergissen in het tijdstip? En had Jan H. die avond, toen hij bij hem was, behoorlijk gedronken? Had hij het delict onder invloed gepleegd, en was het nog wel vertrouwd dat hij in de auto was gestapt? En had hij een folder in de bus gekregen? Op internet is hij nog wel met naam en telefoonnummer op het adres in Kampen te vinden, maar het lukt niet om contact te krijgen. Bij een bezoek aan Kampen blijkt dat hij daar al geruime tijd niet meer woont. Zijn bedrijf is failliet, niemand weet waar hij is gebleven. De woning is ontruimd en hij is met de noorderzon vertrokken.

Tot zover het hoofdstuk.

Ter afsluiting een stukje uit het interview met Lotte Pieck in De Stentor. Over het ‘foutje’ van het Openbaar Ministerie. In de brief stond dat Jan H. ‘van deur tot deur mocht in Kampen’. Hij mag van de deur van de tbs-kliniek rechtstreeks naar zijn vriendin op verlof. Dat betekent van deur tot deur. Maar in plaats van Kampen had er Coevorden moeten staan: daar woont zijn vriendin. Lotte Pieck:  “Ja, hij heeft een vriendin. Daar zeg ik niets over. Punt.”

Het verhaal in De Stentor is via Blendle te lezen.

 

Lucas van Delft: het verhoor

$
0
0

Lucas-van-Delft-OB

Woensdag 7 september: het verhoor van getuige Lucas van Delft, de zaaksofficier die het onderzoek tegen The Grass Company en Johan van Laarhoven leidde. Hij heeft een advocate bij zich.

Namens de Staat is er landsadvocate Ceciel Bitter. Verder: de officier van justitie die de zaak overnam van Van Delft, J.W.P. (‘Peter’) Snijders. Gerard Spong, Sydney Smeets en Tim Vis van Spong Advocaten en Mark van Weeren van Blenheim Advocaten (voor de civiel-rechterlijke kant van de zaak). Ook aanwezig: Frans van Laarhoven, broer van Johan. Toen rechter-commissaris D.R. Glass Van Delft de eed afnam en hij moest zeggen dat hij “niets dan de waarheid” moest vertellen, fluisterde Frans: “Dat zal dan de eerste keer in zijn leven zijn.”

Vooraf wordt het verzoek behandeld van een televisieploeg die gevraagd heeft het verhoor te mogen filmen. Daar heeft Van Delft bezwaar tegen gemaakt. Advocaat Smeets vindt dat merkwaardig: Van Delft heeft wel een interview gegeven aan NRC Handelsblad, kennelijk heeft hij geen problemen met publiciteit als hij zelf de regie voert. Maar de rechter-commissaris blijft bij zijn beslissing dat het niet wordt gefilmd, ook niet als Van Delft onherkenbaar wordt gemaakt.

laarhoven-advocaten-1-web

De advocaten van Johan van Laarhoven toen ze woensdag aan het eind van de middag de rechtbank in Den Haag verlieten. Links Gerard Spong. Achter hem Lisa, van het kantoor Blenheim dat de civielrechtelijke belangen behartigt. Links achter Lisa Sydney Smeets van Spong advocaten. In het midden achteraan: Tim Vis, van Spong advocaten. Naast hem, rechts: Frans van Laarhoven, broer van Johan. Rechts Marco de Jong, huidig bedrijfsleider van The Grass Company. Tussen hen in Mark van Weeren, van Blenheim advocaten.

Lucas Lodewijk van Delft, 44 jaar, woont in Breda.

Rechter: Beroep?

Van Delft: Officier van justitie.

Rechter: Op dit moment?

Van Delft: Ja. Maandag begin ik weer. Dat is wat gecompliceerd. Wel in de functie van officier van justitie, maar ik doe nog anderhalf jaar werkzaamheden op de achtergrond, met het oog op terugkeer. Ik werk een aantal dagen per week.

Rechter: Hoe is het om hier te zitten?

Van Delft: Voor mij is het niet ongewoon om als getuige gehoord te worden, wel ongewoon dat het in een civiele zaak gebeurt. Ik ben vaker gehoord als getuige.

Rechter: Weet u waarover het verhoor vandaag zal gaan?

Van Delft: Meneer Van Laarhoven en zijn raadslieden nemen de stelling in dat door het Openbaar Ministerie en de politie onjuiste informatie is verstrekt aan Thailand waardoor cliënten zijn vast komen te zitten en veroordeeld op verkeerde gronden, dat de Staat een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

Rechter: Heeft u zich voorbereid?

Van Delft: Nee. Ja, ik heb stukken, producties gelezen. Het verzoekschrift en de producties 1 tot en met 39.

Rechter: U kent alle stukken. Heeft u zich nog op een andere manier voorbereid?

Van Delft: Ik heb contact gehad met Snijders over praktische zaken. Wat toelaatbaar is, over veiligheid, over de vraag of ik als voormalig officier van justitie over de inhoud van de strafzaak kan spreken en overleg over het standpunt van opnames, audiovisueel. Of ik als officier van justitie over de inhoud van de strafzaak kan spreken. Dat is in principe niet gewoon, maar gezien het feit dat het onderzoek nagenoeg is afgerond, kan ik wel vragen beantwoorden. Maar dan alleen over de periode waarin ik als officier van justitie heb gefunctioneerd.

Rechter: Tot een bepaald moment bent u officier van justitie geweest. Wanneer is dat gestopt?

Van Delft: Op 8 december 2015.

Rechter: Daarna ook niet op de achtergrond?

Van Delft: Nadien, omdat Snijders de zaak van mij overnam, heb ik wel contact met hem gehad over de overdracht.

Rechter: Is er met andere personen contact geweest?

Van Delft: Nee.

Rechter: Heeft u kennis van de verklaring van maandag, van de eerste getuige? (Ben Olde Engberink, liaison officer)

Van Delft: Ik heb de mediaberichten gelezen.

Rechter: Kunt u een eerste reactie geven, dan weten we waar u in het verhoor staat.

Van Delft: Ik ben het niet eens met dat verwijt, ik vind dat ik naar eer en geweten heb gehandeld binnen de mogelijkheden die ik had, in overleg met leidinggevenden.

Rechter: Het onderzoek naar Van Laarhoven is in 2011 begonnen. Vanaf wanneer bent u als officier van justitie betrokken bij het onderzoek?

Van Delft: De exacte datum weet ik niet, het zal de tweede helft 2011 zijn geweest.

Rechter: Was dat ook de start van het onderzoek?

Van Delft: Ja.

Rechter: Weet u wat de aanleiding was?

Van Delft: Een anonieme melding die binnenkwam over hoeveelheden drugs die verborgen lagen in bepaalde locaties en bepaalde mensen die aan het werk waren die er niet uit konden.

Rechter: U was officier van justitie, van welke recherche-afdeling?

Van Delft: De bovenregionale recherche Zuid-Nederland en de personen Toon van Weerelt en Erik van Otterlo. Van Weerelt voor het commune (georganiseerde misdaad) gedeelte, Van Otterlo voor het financiële gedeelte.

Rechter: Bent u eerder betrokken geweest bij The Grass Company of Van Laarhoven?

Van Delft: Nee, dat was voor mij onbekend.

Rechter: Sinds wanneer bent u officier van justitie?

Van Delft: Sinds 2011.

Rechter: U had eerder ervaring met drugsgerelateerde zaken?

Van Delft: Ja.

Rechter: Wat was de insteek?

Van Delft: De verdenking was overtreding van de opiumwet, witwassen, deelname aan een criminele organisatie. Er was sprake van mensenhandel, gezien de melding. Die verdenking is er geweest, in een later stadium zijn daar geen aanwijzingen voor gevonden, die is op enig moment vervallen.

Rechter: Wanneer?

Van Delft: De eerste contacten met Thailand waren in 2012, ik weet niet of het ervoor was.

Rechter: Wist u dat TGC over gedoogvergunningen en exploitatievergunningen beschikte?

Van Delft: Uiteraard, zou ik zeggen, het is specifieke problematiek, het was bekend dat TGC over vergunningen beschikte. Daar had ik zeker wetenschap van.

Rechter: Wat was de reden van het niet aan de vergunningen voldoen?

Van Delft: Men hield vermoedelijk grote voorraden aan, er was een ondoorzichtige financiële structuur, vermoedelijk was er sprake van – in een later stadium – het voeren van een valse boekhouding en belastingontduiking, doordat inkoopsprijzen anders werden voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren. Die combinatie van verdenkingen, grote hoeveelheden drugsvoorraad, zowel in als buiten de shop, knoeien met boekhouden en belastingaangifte, uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat er een stevige verdenking is ontstaan en dat de coffeeshops niet voldeden aan de voorwaarden zoals in de vergunning stond.

Rechter: Het onderzoek lag een tijd stil in verband met een rechterlijke uitspraak.

Van Delft: Stilgelegen is in mijn optiek niet juist. In het begin waren er twee poten: een deel richtte zich op het in beeld brengen hoe de stroom aan drugs binnen de organisatie liep. Waar bevinden zich de voorraden, hoe groot zijn die?

Rechter: Aanvoer via de achterdeur?

Landsadvocate Ceciel Bitter: Dat is een interpretatie.

Van Delft: Het richtte zich op: hoe zit het met de stroom, met de logistiek en de aanvoer, hoe verhoudt zich dat met het gedoogbeleid. De andere stroming was het financiële onderzoek. Hoe is dat ingericht, wie zijn de rechtspersonen, wie er zeggenschap over had. Gezien de ontwikkelingen in het onderzoek: hoe krijgen we wel of niet in beeld hoe die stroom van drugs loopt. Onder invloed van de Checkpointzaak (uitspraak in een andere zaak met betrekking tot coffeeshops), de uitspraak van rechterlijke instanties, is destijds besloten de wijze waarop we onderzoek deden naar wijze van opslaan van drugs te parkeren, te stoppen. Mensen gaan aanhouden, doorzoekingen, er is besloten die stroom te parkeren, vanwege die uitspraak. En op dat moment kwamen we er in het onderzoek ook niet veel verder mee. We zijn zaken gaan afwerpen. Het financiële onderzoek dat op dat moment liep en waarvoor het rechtshulpverzoek aan Luxemburg was gestuurd, dat is doorgegaan, dat onderzoek heeft niet stilgelegen, dat is steeds aan de gang geweest.

Rechter: De nadruk lag meer op de financiële zaak.

Van Delft: Bij het afwerken van een aantal zaken die wij geconstateerd hadden bij het onderzoek naar drugs door verdachte, zijn door Van Zelst verklaringen afgelegd die aanleiding gaven die drugszaken er wel weer bij te doen. Uit de verklaring bleek dat er sprake was van gesjoemel met de inkoop van drugs.

Rechter: Verklaring van?

Van Delft: In de loop van 2013.

Rechter: Toen kreeg u dat deel van het onderzoek.

Van Delft: Ja, in combinatie met gegevens uit Luxemburg, gesjoemel met inkoopsprijzen, door de combinatie met drugs was dat ook belangrijker. Door de combinatie van verdenkingen was er in de visie van het OM wel degelijk een zaak tegen Van Laarhoven.

Rechter: Het rechtshulpverzoek aan Luxemburg: wanneer is dat gedaan? In de stukken staat: Luxemburg en andere Europese landen. En een rechtshulpverzoek aan Thailand.

Van Delft: Er zijn heel veel verzoeken gedaan. In de loop van het onderzoek op diverse momenten.

Rechter: Wat was het eerste contact met de Thaise autoriteiten?

Van Delft: Ik vermoed in 2012. Er zal een eerste kennismaking zijn geweest met de liaison, waarin een aantal vragen zijn gesteld over eventuele mogelijkheden voor onderzoek in Thailand.

Rechter: Bedoelt Olde Engberink?

Van Delft: Ja

Rechter: Weet u wie het contact heeft gelegd?

Van Delft: Van Weerelt of Van Otterlo.

Rechter: Was u daarbij betrokken?

Van Delft: Van Weerelt heeft mij wel op de hoogte gesteld dat hij contact had met Van Laarhoven, maar ik ben niet bij gesprekken geweest. Er is wel terugkoppeling geweest.

Rechter: Weet u of Van Weerelt bepaalde verzoek heeft gedaan, waarom er contact zou moeten komen met de Thai?

Van Delft: Nee, weet niet welk verzoek hij heeft gedaan

Rechter: Dat wordt niet met u afgestemd?

Van Delft: In die fase was het allemaal nog pril, we wisten dat hij in Thailand verbleef, het was aftasten of er mogelijkheden waren om samen te werken met Thailand. Blijft hij daar, waar, dat soort zaken. Van Laarhoven was hoofdverdachte in deze zaak. Een van de vragen was of Van Laarhoven bezittingen had in Thailand.

Rechter: Waarom was dat relevant?

Van Delft: Omdat er verdenking bestond dat Van Laarhoven onrechtmatig gelden had in Thailand en de beschikking over onroerend goed of andere goederen, met die gelden. Het was van belang of er bewijs is voor een strafzaak, en voor ontneming.

Rechter: Er is sprake van een powerpointpresentatie (PPP) in november 2013. Was dat het eerste contact, of was er eerder nog inhoudelijk contact?

Van Delft: Niet door mij. Van Weerelt heeft in die tijd aantal contacten gehad, hoeveel weet ik niet.

Rechter: Van Weerelt: ging dat altijd via Olde Engberink of waren er ook directe contacten?

Van Delft: Nee. Die liepen via Olde Engberink.

Rechter: U heeft geen contacten gehad. Ook geen sturing gegeven? U zegt: Van Weerelt met Olde Engberink, dat wekt de indruk alsof het langs u heen ging.

Van Delft: Tussen de teamleider is continu afstemming, er was contact met Van Weerelt over dit soort zaken, het is zeker niet zo dat hij dingen op eigen houtje heeft gedaan maar zeker ook niet zo dat ik zijn handje heb vastgehouden. Het ging in die contacten om: waar is hij, heeft hij bezittingen? In hoofdzaak zou het daarover gaan.

Rechter: Nog andere dingen?

Van Delft: Je zoekt mogelijkheden. Als je wat wil tappen, observeren.

Rechter: Zijn daar in dit geval contacten over geweest?

Van Delft: Niet dat ik weet.

Rechter: Is er vóór de PPP al informatie verstrekt aan de Thai? Schriftelijk of mondeling?

Van Delft: De contacten zijn verlopen via Van Weerelt en Olde Engberink, ik weet niet of hij schriftelijk informatie heeft verstrekt. Ik had geen direct contact met de Thai. Als ik contact had, was dat enkel over praktische zaken.

Advocaat Spong: U zei op de vraag over de voorbereiding op het verhoor dat u contact had gehad met Snijders over praktische zaken en veiligheid. Zijn er concrete redenen om te vrezen voor uw veiligheid?

 

(Van Delft raakte in opspraak doordat hij een valse melding zou hebben gedaan bij Misdaad Anoniem, dat hij werd bedreigd door criminelen. Dat was de reden dat hij werd geschorst)

 

Van Delft: Nee.

Spong: In het verleden wel?

Van Delft: Ja.

Spong: Hielden die verband met cliënt?

Van Delft: Nee.

Spong: U gaf aan dat er overleg was met andere leidinggevenden. Kunt u zeggen wie?

Van Delft: Dat waren verschillende, het onderzoek loopt al lange tijd. Officieren van justitie Hillenaar. Officier van justitie mevrouw Hoogendijk, die mij heeft opgevolgd; Van de Voort, die Hoogendijk heeft opgevolgd. Teamleider Van Aken, recherche-officier Valente. En meneer Van Dam, rechercheofficier.

Spong: Waren het steeds dezelfde of is er af en toe gewisseld tijdens de rit?

Van Delft: Hillenaar ging weg, Hoogendijk ging weg, Van der Voort kwam.

Spong: Even een sprong naar het laatste stukje, over de PPP. U heeft gezegd: uw heeft nauw overleg gehad over tactische zaken, en daar een paar van genoemd. Zoals het achterhalen van de verblijfplaats. Was het ook zo dat ook daaronder de vraag viel of Van Laarhoven in Thailand vervolgd zou kunnen worden?

Van Delft: Nee.

Spong: Dat is in geen enkel opzicht besproken?

Van Delft: Nee.

Spong: Is dat ook niet in PPP aan orde gekomen?

Advocaat Smeets: Er is net met de rechter-commissaris besproken wat de verdenking was ten opzichte van Van Laarhoven. Criminele organisatie, ook het punt van mensenhandel. Die verdenking is later op enig moment verdampt. Ik wil proberen te achterhalen of u een indicatie kunt geven op welk moment dat verdampt is.

Landsavocate Bitter: Wat is de relevantie van deze vraag?

Smeets: Dat kan ik precies uitleggen: is dat ook aan de Thai aangegeven in eerste instantie?

Van Delft: Kan ik me niet herinneren. Ik zou het niet durven zeggen.

Smeets: Dat moet wel! De Thai noemen dat in hun stukken!

Bitter: Dit is niet relevant!

Spong: Dat maken wij wel uit wat relevant is!

Rechter: U kun zich dat niet herinneren, ik sta de vraag wel toe.

Smeets: Of u op een of andere manier een indicatie kunt geven wanneer het verdampt is. Welk jaar?

Van Delft: Ik weet het niet.

Smeets: Kort na de start van het onderzoek?

Van Delft: Ik durf het niet met zekerheid te zeggen.

Smeets: De rechter-commissaris heeft het u ook al gevraagd. Als u het moet plaatsen: tussen de aanvang van het onderzoek en het eerste contact met Thailand, vanuit onderzoeksteam.

Van Delft: Ik zou het niet durven zeggen.

Smeets: We komen er straks op terug, bij het report crime, er is een slide en dan zult u zien dat er een aantal dingen wordt genoemd.

Rechter: Is dat verdampen ergens aan te relateren?

Van Delft: Gaandeweg het onderzoek, wat mij voor de geest staat: in mei 2014 was er een inval in de Valkenjachtstraat, Kooikerstraat, het hoofdkwartier van TGC, voor controle en bevindingen. Er was een doorzoeking van het pand. Er is geconstateerd hoe de omstandigheden waren van mensen die daar aan het werk waren. Met name Thaise mensen die in de kelder aan het werk waren. Hoewel niet aan alles werd voldaan, waren de omstandigheden niet zo dat het voeding gaf aan de verdenking van mensenhandel en ook overigens niet dat ze tegen hun zin werden vastgehouden.

Rechter: Er is niet op eerder moment zo’n constatering gedaan?

Van Delft: Toen in elk geval. Eerder weet ik niet.

Advocaat Tim Vis: Het contact met Thailand: hoe en waar ging dat en op welke wijze bent u op de hoogte geraakt?

Van Delft: Via contacten met Van Weerelt en Van Otterlo.

Vis: In welk stadium?

Van Delft: Dat zal 2012 zijn.

Vis: Was u op de hoogte van de gezinssamenstelling van Van Laarhoven en zijn partner?

Van Delft: Nee.

Vis: Was er aanleiding daarnaar te vragen?

Van Delft: Nee.

Vis: Toen duidelijk werd dat Van Laarhoven in Thailand verbleef, is toen op enig moment besproken hoe met dat gegeven om te gaan, in het licht van de Nederlandse verdenking?

Van Delft: In die fase niet.

Vis: Wanneer dan wel?

Van Delft: Het moment waarop – dan springen we heel eind verder in de tijd – dat rechtshulpverzoek van juli 2012 werd gedaan en het verzoek de uitvoering te bespoedigen. Bij die omstandigheid werd bekend dat hij een partner had en een of meer kinderen.

Vis: Is in 2012 besproken of het een optie was om Van Laarhoven naar Nederland te halen of uit te nodigen voor verhoor?

Van Delft: Nee, dat is in die fase niet besproken.

Rechter: De PPP was in 2013. Hoe is de dat voorbereid. Hoe is dat gegaan? Van die PPP zijn sheets bij de stukken. Wie heeft die opgesteld, is er overleg geweest?

Van Delft: Het onderzoeksteam heeft het opgesteld, ik heb het voorafgaand aan de presentatie in Nederland gezien. Ik was het eens met de inhoud.

Rechter: Er was niet op voorhand overleg: het team heeft het opgesteld, u heeft het bekeken.

Van Delft: Er was afgesproken dat Van Weerelt en Van Otterlo de presentatie zouden houden, Van Weerelt zou het commune deel doen en Van Otterlo zou over het financiële gedeelte toelichting geven. In de sheets staan de highlights.

Rechter: Was er nog een toelichting nog op schrift?

Van Delft: Nee.

Rechter: Er wel besproken wat er zou worden verteld aan de hand van de sheets?

Van Delft: Dat Van Weerelt en Van Otterlo de hoofdlijnen onderzoek zouden schetsen en de vermoedelijke relatie met Thailan. Niet heel specifiek.

Rechter: Had u een taak?

Van Delft: Voor ons was het de eerste kennismaking met de Thaise politie, DSI (Department Special Investigations), het was ook voor eerst dat ze bevindingen gepresenteerd kregen van het onderzoek in Nederland.

Rechter: Had u een rol?

Van Delft: Nee, het was vooral de presentatie van onderzoeksbevindingen. Ik zat er uiteraard bij en op moment als er vragen kwamen over het gedoogbeleid en juridische kwesties, zou ik antwoord kunnen geven. In Thailand is een sterke hiërarchie, je wordt als officier van justitie wel als hoofd gezien.

Rechter: De presentatie zelf. U was er, Van Weerelt, Van Otterlo en Olde Engberink. Nog andere Nederlanders?

Van Delft: Ik dacht parketsecretaris Van Oosterhout.

Rechter: En van de Thai?

Van Delft: Van de DSI, namen weet ik niet, een vrij grote groep politiemensen.

Rechter: Hoe lang heeft de PPP geduurd?

Van Delft: Het hele gesprek toch gauw een paar uur.

Rechter: Waren er vragen over het gedoogbeleid, is er over het Nederlandse gedoogbeleid gesproken?

Van Delft: Ja.

Rechter: Weet u wat er over is gezegd?

Van Delft: Dat er een systeem is dat we coffeeshops hebben met een vergunning, dat er voorwaarden aan verbonden zijn en dat dit onder gedoogbeleid valt.

Rechter: Wie heeft dat verteld?

Van Delft: Ik heb erover gesproken en Van Weerelt ook.

Rechter: Was dat een vast deel van de presentatie?

Van Delft: Ja. Van Weerelt is ermee begonnen. Omdat het een vrij lastig onderwerp is, ben ik erop ingesprongen.

Rechter: Meer specifiek?

Van Delft: De criteria waaraan een coffeeshop moet voldoen. Dat er niet meer dan vijf gram aan één persoon mag worden verkocht, dat er geen overlast mag zijn, geen harddrugs, dat ze geen reclame mogen maken. Dat is uitgelegd en dat naar onze visie de coffeeshops waar we het over hadden niet aan die voorwaarden voldeed.

Rechter: Is er expliciet gezegd dat die coffeeshops vergunning hadden voor exploitatie?

Van Delft: Ja.

Rechter: Door wie?

Van Delft: Ik zelf in elk geval, ik weet niet of Van Weerelt het ook heeft gezegd.

Rechter: Het stilliggen van het onderzoek: is ook die rechterlijke omgang aan de orde geweest, het Checkpoint-arrest?

Van Delft: Nee, omdat de situatie toen wel anders was dan nu. Na 2013 zijn er door een aantal hoven en rechtbanken uitspraken gedaan, er is een rechterlijk pardon uitgesproken. Voor die tijd was dat minder, van een bestendige lijn was naar mijn mening geen sprake, het had geen zin om daarop in te gaan. Daarnaast bestond de verdenking tegen TGC niet alleen uit het hebben van te grote hoeveelheden, maar ook uit financiële malversaties. Dat maakt TGC een beetje anders dan zaken waarin een rechterlijk pardon is uitgesproken. Daar waren rechttoe rechtaan te veel voorraden aangetroffen op een bepaalde plek.

Rechter: In welke taal was de PPP?

Van Delft: In het Engels en vanuit het Engels werd er in Thais vertaald.

Rechter: Heeft u vragen gekregen van de Thai over het gedoogbeleid?

Van Delft: Niet exact. Als er een deel verkocht wordt, hoe dat aangevuld moest worden, als het op was.

Rechter: Wat heeft u gezegd?

Van Delft: Vermoedelijk dat er tot 500 gram aangevoerd kan worden.

Rechter: Is er over het betalen van belasting gesproken? Dat TGC belasting betaalde?

Van Delft: In de presentatie is gesproken over inkoopsprijzen die vermoedelijk te hoog zouden worden voorgewend, op basis van verklaring van meneer van Zelst en andere stukken. Of het woord belasting specifiek is genoemd, durf ik niet te zeggen.

Rechter: Het gedoogbeleid. 500 gram. Is daar nog op doorgegaan? Hebben ze het begrepen?

Van Delft: Daar is echt over gesproken. Vraag en antwoord gegeven. Of ze het begrepen hebben, is moeilijk te zeggen. Uit de manier waarop vervolgvragen worden gesteld, kun je wel afleiden of iemand het begrepen heeft. Voor buitenlanders is het moeilijk om tot drie cijfers achter de komma ons gedoogbeled te begrijpen.

Rechter: Is er een verzoek gedaan om bijstand?

Van Delft: Niet dat ik mij herinner.

Rechter: Er is niet gevraagd: kunt u nagaan of Van Laarhoven daar woont?

Van Delft: Nee. Het was kennismaking en resultaat van bevindingen en verkenning van de mogelijkheden tot samenwerking.

Rechter: Ik snap dat pas het rechtshulpverzoek het formele verzoek was, maar is er aangekondigd wat Nederland zou vragen?

Van Delft: Ik kan me niet herinneren dat we daar concrete vragen hebben voorgelegd. Eerst moest helder worden of er mogelijkheden tot samenwerking waren. In die vergadering zijn er geen uitspraken over gedaan. Later op de dag of de dag erna was er een ontmoeting met het Thaise OM en daar was een deel van de politiemensen bij die bij de PPP waren geweest. Het gesprek met het OM ging meer over de juridische mogelijkheden, om op basis van het rechtshulpverzoek van Nederland actie te ondernemen.

Rechter: Is er een vervolgafspraak gemaakt?

Van Delft: De conclusie was dat Thailand wel mogelijkheden zag een rechtshulpverzoek uit te voeren, maar er was geen honderd procent garantie. Er was wel voldoende bereidheid er serieus naar te kijken.

Rechter: Was er ook het idee dat hij er leefde of woonde?

Van Delft: Nee, niet in die ontmoeting.

Spong: Wie kwam op het idee om zo’n presentatie te geven?

Van Delft: Van Weerelt of Van Otterlo.

Spong: Vond u dat direct een goed idee, of acht u: ‘Waar is dat nou voor nodig?’ We houden toch niet overal in de wereld een PPP?

Van Delft: Ik vond het een prima idee. Het is een gemakkelijke laagdrempelige manier.

Spong: U gaat ernaar toe, dan geeft u een PPP met zijn drietjes, het gedoogbeleid komt ter sprake. Is ook verteld dat als het gaat om coffeeshops die met vergunningen handelen, als de 500-gram grens is bereikt, dat de verkoop doorgaat? Heeft u uitgelegd dat een coffeeshop per dag tientallen, soms wel 20 tot 30 kilo kan verkopen?

Van Delft: Over dergelijke hoeveelheden is niet gesproken, wel dat het aangevuld word.

Spong: De Thai hebben niet gevraagd hoe vaak dat aangevuld wordt?

Heeft u verteld hoeveel coffeeshop er in Nederland zijn? Een stuk of 600?

Van Delft: Nee.

Spong: Waarom eigenlijk niet?

B: Ik maak bezwaar tegen deze vraag.

Spong: Ik wil weten waarom dit aan de Thai niet verteld is. Het aantal coffeeshops kan een derde tot de opvatting brengen: dat is hier normaal. Waarom is dit niet gevraagd?

Van Delft: Ik heb er geeen aanleiding toe gezien.

Spong: Is uitgelegd dat coffeeshops inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting betalen?

Van Delft: Nee.

Spong: Wat mij ontzettend intrigeerde – ik ben heel eerlijk – is dat Van Delft net zei: het Checkpointarrest is niet aan de orde gesteld, want op dat moment was er nog geen bestendige lijn in de jurisprudentie. Was u op de hoogte van het vonnis van 29 oktober 2013, even vóór de PPP, het rechterlijk pardon voor een van de coffeeshop van TGC?

Van Delft: Ja.

Spong: Heeft u dat gemeld?

Van Delft: Ik kende de uitspraak. Het is niet ter sprake geweest, om een goede reden. Omdat die zaak helemaal losstaat van het onderzoek BRZ408 (het betreffende onderzoek naar TGC). Omdat het niet te vergelijken is. Dat zou in mijn visie appels en peren vergelijken zijn.

Spong: In dat vonnis staat dat TGC op economisch verantwoorde wijze coffeeshops exploiteert.

Van Delft: Dat is een uitspraak van de rechtbank. Die laat ik aan de rechtbank.

Spong: Er staat dat het aanhouden van een behoorlijke voorraad van evident belang is.

Van Delft: Dat heb ik niet gemeld. Appels en peren.

Spong: Zijn er verder nog mededelingen gedaan over uitspraken van rechterlijke colleges?

Van Delft: U ben daar zelf bij geweest, bij behandeling van een bezwaarschrift, eind 2014. Toen heeft Spong bezwaar gemaakt tegen het beslag in een strafzaak. Daar is een raadkamerbehandeling van geweest. De uitspraak was: afgewezen. Gezien die uitspraak was er geen sprake van een bestendige lijn.

Spong: Nog één vraag: ik heb een beetje moeite met het vermijden van het woord achterdeur. Feitelijk komen ze via achterdeur binnen. Waarom werden de verdenkingen ten aanzien van de wijze waarop coffeeshops bevoorraad worden, weergegeven als vaststaande feiten? U doet in crimes of the past melding van een zaak van 27 mei 2008, waarbij 2,6 kilo in de kelder van de coffeeshop lag. Hebt u verteld dat die zaak geseponeerd is?

Advocaat Smeets: Die zaak is in februari 2014 geseponeerd. U gaf goedkeuring voor de PPP. Heeft u ten nog gecontroleerd wat stand van zaken was met die zaak uit 2008. Heeft u dat nog gecontroleerd?

Van Delft: Nee.

Spong: Tijdens de PPP rakelt u een stokoude zaak op. Waar de verdenkingen als vaststaande feiten worden gepresenteerd.

Smeets: U zegt: wij vonden dat niet relevant voor het onderzoek. Begrijp ik dat goed?

Van Delft: Voor het doel waarvoor wij daar waren, was de mededeling van stand van zaken niet van belang.

Smeets: Crimes of the past. Daar staat een zaak uit 2008 bij. U presenteert dit als een in het verleden gepleegde misdaad.

Van Delft: Het was een strafbaar feit.

Smeets: U weet wat onschuldpresumptie is? Dat iemand onschuldig is tot hij veroordeeld wordt door rechter. Is het dan niet van belang dat te melden?

Van Delft: Wij hebben de bevindingen uit het onderzoek op dat moment gepresenteerd. Voor de wederpartij was duidelijk wat de stand van zaken is.

Smeets: De volgende zaak: 8,5 kilo en joints, in een stash in Den Bosch. U vond het niet nodig over die zaak iets meer te zeggen?

Van Delft: Dat is hetzelfde verhaal.

Smeets: Op 29 oktober is daar uitspraak gedaan. Twee weken eerder deed de rechtbank uitspraak over het rechterlijk pardon. U heeft dat niet genoemd!

Van Delft: Daar heb ik al antwoord op gegeven. Het is appels met peren vergelijken. In een aantal zaken, waaronder deze, waar een rechterlijk pardon is uitgesproken, is er kaal sprake van een te grote handelsvoorraad. In de zaak tegen TGC gaat het om te grote voorraden zowel in als buiten de shop, vermoedens van knoeien met inkoopsprijzen, derhalve knoeien met boekhouding, vermoedens van witwassen, schijnconstructies en ingewikkelde structuren. Dat is een andere zaak dan die van de rechterlijke pardons.

Smeets: In de zaak op deze sheet heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Het gaat om dezelfde zaak!

Rechter: In de sheet gaat het om een concrete zaak.

Spong: Het gaat om dezelfde appel!

Van Delft: Nee.

Rechter: Helder is dat het niet is genoemd.

Spong: Als u het nu achteraf zo bekijkt, zoals in de sheet de zaak is afgedaan. Vindt u het niet misleidend?

Bitter: Hier maak ik bezwaar tegen.

Spong: Misleidend is een mening van een getuige. U weer net zo goed als ik dat de Hoge Raad bij het vragen naar meningen van getuigen heel rekbare grens trekt. Je kan een mening vragen aan een deskundige. Als er één deskundige is, is het meneer Van Delft wel!

Rechter: De vraag is: was het de bedoeling te misleiden?

Smeets: Heeft u bewust de uitspraak niet genoemd?

Van Delft: Eh, ik heb hem bewust niet genoemd, maar niet met de bedoeling te misleiden.

Vis: Aanwezigen aan Thaise zijde: u zegt politiemensen, van de DSI. Heeft u er zich voorafgaand aan van vergewist wat het DSI is?

Van Delft: Ik wist met wie we de afspraak hadden. De liaison had de afspraak gemaakt, hij is ervoor om te zorgen dat de juiste mensen aan tafel komen. Ik weet dat het een politiedienst is.

Vis: Wist u het verschil tussen de gewone politie en de DSI?

Van Delft: Nee.

Vis: U heeft zich er toen niet van vergewist.

Van Delft: Ik heb de liaison vertrouwd dat hij binnen politie en justitie weet welke partijen een rol spelen.

Vis: Over die bestendige lijn: was u wel bekend met uitspraken van rechtbanken en hoven en achterdeur? Met welke? Dat het bijvoorbeeld bij Checkpoint niet alleen ging om de opiumwet, maar ook om deelname aan criminele organisatie, en dat ook daar het rechterlijk pardon voor geldt?

Van Delft: Ik was bekend met Checkpoint.

Smeets: U vind dat appels met peren vergelijken? Dat ging ook om de achterdeur, witwassen en criminele organisatie.

Van Delft: Het zit hem in de duiding van strafbare feiten. Als er niet alleen sprake is van te grote voorraden, maar ook van financiële malversaties. Daar was bij Checkpoint geen sprake van. Daarom verschillen de zaken, de TGC was een kansrijkere zaak om tot bewezenverklaring te komen dan andere.

Vis: De verdampte verdenking inzake mensenhandel. Bent u bekend met uitkomst van het onderzoek van de IND (Immigratie- en Naturalisatie Dienst) daaromtrent?

Van Delft: Daar sla ik zo niet op aan.

Vis: Over de mensen die in TGC werkten. Dat was in 2013 afgerond. Over mensen die in dat hoofdkantoor werkten.

Van Delft: Daar herinner ik mij niets van.

Vis: Vandaag heeft u aangegeven dat u vragen over het gedoogbeleid heeft beantwoord. Maandag hebben we een andere getuige gehoord (Olde Engberink). Die zei dat er van uw zijde geen enkele inhoudelijke inbreng is geweest. Maakt dat uw antwoorden nog anders?

Van Delft: Of Olde Engberink dat heeft gezegd is niet voor mijn rekening. Tijdens de vergadering is meneer Olde Engberink een aantal keren weggelopen.

Vis: Is er gesproken over dwingend vervolgen?

Van Delft: Er is over gesproken, dat als ze zich aan regels houden, ze niet worden vervolgd. Kan me niet herinneren dat de aanwijzing opiumwet is genoemd.

Vis: Is ook over de handhaving van gemeenten iets uitgelegd aan de Thai?

Van Delft: Er is over gesproken dat een burgemeester, als er een overtreding wordt geconstateerd, een shop kan sluiten.

Vis: Is besproken of de burgemeester aanleiding had gezien de vergunning in te trekken?

Van Delft: Er is wel gesproken over de huidige situatie van de coffeeshops, en dat ze open waren.

Spong: Er is bij het gedoogbeleid ook aan de orde gekomen dat er bij coffeeshops, door gedoogde verkoop, in dat geval naar Nederlands recht niet meer gesproken wordt van door misdrijf afkomstig geld?

Van Delft: Niet zo specifiek. Er is gezegd dat als coffeeshops zich aan regels houden, ze niet vervolgd worden.

 

Rechter: Het rechtshulpverzoek aan Thailand is in de tweede helft van 2014 gedaan. Zijn er in die tijd ook andere rechtshulpverzoeken gedaan? Was dit samen met andere?

Van Delft: Er zijn ook andere uitgestuurd in die periode. Naar Spanje, Luxemburg, Zwitserland, meen ik.

Rechter: In het rechtshulpverzoek aan Thailand: wat is daar concreet gevraagd?

Van Delft: Er is gevraagd om telefoontaps, doorzoeking van de woning Van Laarhoven en de vraag om beslag te leggen op roerend en onroerend goed. Een getuigenverhoor van zijn vrouw of ex-vrouw, en in een algemene formulering om informatie.

Rechter: Andere rechtshulpverzoeken, daar maakte ook doorzoeking deel van uit?

Van Delft: Ja. In Spanje ging het om de woning Frans van Laarhoven. In Luxemburg ondermeer om doorzoeking van een Trust-Advocatenkantoor.

Rechter: Als een onderzoek dit vereist, is er een zeer sterke voorkeur dat dit tegelijk gebeurt. Was dat in verband ook? Dat mensen gealarmeerd worden. Was dat in deze zaak ook een element?

Van Delft: Het was de bedoeling op 2 en 4 juli (2014) doorzoekingen te laten plaatsvinden in diverse landen, zoveel mogelijk tegelijk. Op dezelfde dag. 2 juli was de dag voor de buitenlandse rechtshulpverzoeken en 4 juli voor de Nederland doorzoekingen.

Rechter: Weet u of de rechtshulpverzoeken tegelijk zijn aangeboden?

Van Delft: Dat verschilt per land. Spanje kan direct, Thailand is een ander verhaal.

Rechter: Weet u wanneer het Thaise rechtshulpverzoek het parket heeft verlaten?

Van Delft: De datum weet ik niet. Kort nadat ik het ondertekend heb.

Rechter: Een omstandigheid die speelt: de staatsgreep in Thailand, 22 mei 2014. Was u daarvan op de hoogte?

Van Delft: Ja.

Rechter: Had dat consequenties voor contacten met Thai?

Van Delft: Nee. Het rechtshulpverzoek gaat via de ministerie van Justitie en Buitenlandse Zaken. De normale gang van zaken is dat als land waar je een rechtshulpverzoek aan richt, als er beletsels zijn, dat zij dat aan ons kenbaar maken.

Rechter: Van het OM waren er geen instructies?

Van Delft: Ik heb geen instructies gehad, ik heb van geen belemmeringen gehoord, het rechtshulpverzoek is via normale kanalen verstuurd. Ik heb wel gehoord dat was doorgestuurd.

Rechter: De mensenrechtensituatie was veranderd. Was er bij u meer bekend over de impact?

Van Delft: Geen bijzonderheden.

Rechter: Voor uzelf heeft de staatsgreep geen invloed gehad op handelingen?

Van Delft: Nee. Het is via normale kanalen verstuurd.

Rechter: Door u zelf?

Van Delft: Het is opgesteld door het onderzoeksteam. Ik kreeg het concept toegestuurd en heb getekend. Er is op mijn verzoek wat meer nadruk gelegd op witwassen. Dat heb ik wat nadrukkelijker benoemd.

Rechter: Waarom?

Van Delft: In Thailand was er in hoofdzaak van verdenking van witwassen. Je kunt moeilijk een rechtshulpverzoek opstellen zonder over drugs te praten, maar ik wilde woord drugs wel zoveel mogelijk vermijden in verband met straf die daar in Thailand op staat. Er is afgesproken dat er een rechtshulpverzoek zou zijn dat zou gaan over witwassen. Toen het concept kwam heb ik een paar aanpassingen gedaan waardoor het er wat explicieter stond over witwassen. Dat stond ook in de kop van het rechtshulpverzoek. De insteek was dat het niet om drugsverdenking ging.

Rechter: In verband met straffen: zag u risico in voor Van Laarhoven?

Van Delft: Niet zozeer direct risico voor zijn leven, softdrugs staat geen doodstraf op. Dat heb ik via de liaison laten uitzoeken.

Rechter: Specifiek in deze zaak?

Van Delft: Ja. Bovendien was er geen aanwijzing dat Van Laarhoven in Thailand in drugs handelde.

Rechter: Wel een ander risico?

Van Delft: Niet dat ik me zo voor de geest haal.

Rechter: Het witwassen is meer benadrukt.

Van Delft: Er staan geen passages in waarin werd geduid op drugshandel van hem in Thailand.

Rechter: Heeft u over het rechtshulpverzoek contact gehad met Olde Engberink?

Van Delft: Eh.

Rechter: Is de normale duur van een rechtshulpverzoek besproken?

Van Delft: Dat kan ik me niet herinneren.

Rechter: Met andere mensen?

Van Delft: Ik ging er vanuit dat we ondanks de verzending rechtshulpverzoek vrij kort ervoor, dat gezien de contacten die we al hadden gehad, dat ze uitgevoerd zouden worden. Omdat we een goede verstandhouding hadden met de Thaise autoriteiten.

Rechter: Had u ervaring met Thaise autoriteiten?

Van Delft: Nee.

Rechter: Was u bekend met de ervaringen van collega’s? Maandag is meneer Olde Engberink gehoord. Die zei dat het wel laat was, dat het normaal een aantal maanden neemt.

Van Delft: Een maand van tevoren een rechtshulpverzoek indienen is niet ruim qua tijd, maar gezien de goede contacten gingen we ervan uit dat het op tijd zou zijn.

Rechter: Op 2 en 4 juli waren de acties in Europese landen. Heeft u daarvóór nog contact gehad, misschien via Olde Engberink: ‘Gaan de Thai die datum ook halen?’

Van Delft: Kan ik me niet herinneren.

Rechter: Heeft u de inhoud van het rechtshulpverzoek: nog met anderen besproken? Met het oog op de risico’s voor Van Laarhoven?

Van Delft: Kan ik me zo niet herinneren.

Smeets: Over de periode dat het rechtshulpverzoek is opgesteld en verstuurd. De PPP was in november 2013, het rechtshulpverzoek in juni 2014. Is er nog contact geweest tussen het onderzoeksteam en de Thaise autoriteiten?

Van Delft: Ik kan me geen specifiek contact voor de geest halen. Na 2013 is het rustig geweest, er was geen noodzaak om contact op te nemen, omdat het onderzoek hier verder ging.

Smeets: Die strafzaak uit 2008. Het sepot is van 4 februari 2014. Heeft dat sepot gemeld aan de Thai?

Van Delft: Ja, middels een schrijven van mij.

Bitter: Dit is niet de plek om het over dat schrijven te hebben.

Smeets: De vraag is waar dat stuk is.

Van Delft: Ik heb een brief geschreven. Ik heb de sepotbeslissing laten vertalen en een brief aan de Thaise autoriteiten geschreven en uitgelegd dat de zaak werd geseponeerd.

Rechter: Wat was de aanleiding daartoe?

Van Delft: Ik zou dat moment niet terug kunnen halen. Het zal in 2014 zijn geweest.

Rechter: U weet niet of die brief er nog is?

Van Delft: Nee, ik heb sinds december 2015 geen beschikking meer gehad over mijn stukken.

Smeets: Was het voor of na de aanhouding?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Smeets: Heeft u voorafgaand aan rechtshulpverzoek in juni 2014 stukken verstuurd aan Thailand?

Van Delft: Daar kan ik geen antwoord op geven, dat weet ik niet meer.

Smeets: Het sepot wel. Aan wie?

Van Delft: Aan de liaison met het verzoek dat door te sturen aan het Thaise OM.

Smeets: U zei net dat u vertrouwen had dat het rechtshulpverzoek zou worden uitgevoerd, vanwege de goede contacten. Welke?

Van Delft: Dat zullen telefonische contacten zijn geweest. Van mezelf kan ik geen momenten terughalen. Ik verwacht dat Van Weerelt gebeld heeft.

Smeets: Waarop was dat vertrouwen gebaseerd?

Van Delft: Op het gesprek in november 2013, de relatie was hetzelfde gebleven.

Smeets: Heeft u uw vermoeden geverifieerd?

Nee, ik niet.

Smeets: Waarop baseert u dat dan?

Van Delft: Dat het contact uit 2013 zich heeft voortgezet.

Smeets: Dat heeft u ook niet aan liaison gevraagd?

Van Delft: Kan ik me niet herinneren.

Smeets: Had u weleens vaker een PPP in het buitenland gegeven over strafzaken?

Van Delft: Ja.

Smeets: Welke opvolging is er dan aan gegeven?

Van Delft: Dat begrijp ik niet.

Smeets: Ik begrijp dat u wat geheugenproblemen heeft. Wat is er gebeurd tussen november 2013 en 2014?

Van Delft: Ik kan me geen contacten herinneren, Van Weerelt en Van Otterlo zullen contacten hebben gehad.

Smeets: Is het juist dat de rechtshulpverzoeken naar andere landen eerder zijn verstuurd dan naar Thailand?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Spong: Het gaat over die staatsgreep, daar bent u mee bekend geraakt. Wist u ook hoe het daarna met de rechtshandhaving geregeld werd?

Van Delft: Nee.

Spong: Kent u de instelling National Count of Peace and Order.

Wist u dat twee dagen na staatsgreep de rechterlijke macht direct onder de autoriteiten viel?

Van Delft: Nee.

Spong: U zegt: de toets vindt plaats op ministerieel niveau. Is het desalniettemin niet bij u opgekomen het zelfstandig met het ministerie over deze toets te hebben?

Van Delft: Nee.

Spong: Kent u de resolutie van 23 juni van de Raad van de Europese Unie, dat de contacten ‘suspended’ (uitgesteld) worden?

Van Delft: Op dat moment niet. Volgens mij is dat ook van na de datum van het rechtshulpverzoek.

Spong: Was het bedoeling dat er Nederlandse verbalisanten bij de doorzoeking op 2 juli aanwezig zouden zijn?

Van Delft: Er waren verbalisanten aanwezig, maar op dat moment nog niet.

Spong: Dat was wel de bedoeling?

Van Delft: Er zouden Nederlandse verbalisanten afreizen op het moment dat het rechtshulpverzoek zou worden uitgevoerd. Dat wordt in de regel verzocht.

Spong: U zegt: aan de ene kant had u goede contacten. Toen kwamen de militairen aan de macht. Er is binnen uw team overlegd, of gelet op staatgreep, het nog wel doorgang zou vinden?

Van Delft: Nee.

Spong: Hebt u zich rekenschap gegeven van de belangen van de heer en mevrouw Van Laarhoven door uitvoering van militairen van uw rechtshulpverzoek?

Van Delft: Het is de vraag of het rechtshulpverzoek uitgevoerd zou worden door militairen. Als je als officier van justitie een rechtshulpverzoek verstuurt met het verzoek bepaalde handelingen uit te voeren, geef je je altijd rekenschap van wat de consequenties zijn voor betrokkenen.

Spong: Over het rechtshulpverzoek zelf zegt u: daar heb ik de hand in gehad. U refereert aan afspraak dat het zou gaan over witwassen. Met wie?

Van Delft: Met het onderzoeksteam.

Spong: Ook met de Thaise autoriteiten?

Van Delft: Nee. Ik heb geen contact meer gehad met Thaise autoriteiten.

Spong: We hebben het over een afspraak tussen u en uw eigen teamgenoten. Er is dus een risicoafweging geweest. Op witwassen en niet op drugs. Is er informatie ingewonnen over de strafmaat in Thailand voor witwassen?

Van Delft: Ik meen mij te herinneren dat de straf voor witwassen en criminele organisatie 15 jaar is.

Spong: Wist u dat de Thai een cumulatieve samenloopregeling hebben?

Van Delft: Nee.

Spong: Wist u dat hij op basis van het rechtshulpverzoek 100 jaar gevangenisstraf zou kunnen krijgen?

Van Delft: Dit is een vraag waarop het antwoord een verkeerde indruk kan wekken. Van Laarhoven heeft 103 jaar gekregen, maar moet daar effectief 20 van uitzitten.

Spong: Wilt u zeggen dat dat een schijntje is?

Van Delft: Nee hoor.

Rechter: 100 jaar voor witwassen in Thailand?

Van Delft: De basis voor die feiten was 15 jaar, dat was bekend.

Spong: Heeft u rekening gehouden met de mogelijkheid dat het meer zou worden?

Van Delft: Puur op basis van het rechtshulpverzoek hoefde ik daar geen rekening mee te houden.

Rechter: Was u ervan op de hoogte dat er meer opgelegd kon worden?

Van Delft: Die situatie deed zich helemaal niet voor. De Thai zouden de resultaten aan ons doorgeven, die discussie speelde niet.

Spong: Hield u rekening me mogelijkheid dat Van Laarhoven met het rechtshulpverzoek 100 jaar gevangenisstraf zou kunnen krijgen?

Van Delft: Dat was niet aan de orde.

Rechter: Er was een afweging over drugs,

Van Delft: Er was geen zelfstandig onderzoek waardoor hij het risico zou lopen dat hij daar vervolgd en veroordeeld zou worden.

Rechter: Dat was er met drugs ook niet?

Van Delft: De Thai geven voor een kleine hoeveelheid drugs hele forse straffen, we wilden niet de indruk wekken dat hij zich in Thailand met drugs had beziggehouden.

Spong: Dat begrijp ik niet. Die PPP druipt van de drugs!

Van Delft: Toen het onderzoek vorderde is de keuze gemaakt het rechtshulpverzoek daarop te enten, die vrijheid was er.

Spong: U schildert hem wel af als een grote drugshandelaar. Heeft u er niet aan gedacht Van Laarhoven en partner in Nederland uit te nodigen?

Van Delft: Er is voor de strategie gekozen eerst het onderzoek zoveel mogelijk compleet te maken, inclusief doorzoekingen en met de resultaten van doorzoekingen. Daarin past niet een verdachte eerst uit te nodigen voor je een doorzoeking doet. Van tevoren uitnodigen zou in strijd zijn geweest met de tactische keuze.

Spong: Dat was dus een bewuste keuze.

Van Delft: Ja.

Spong: Bent u in het kader van het rechtshulpverzoek naar Thailand gereisd?

Van Delft: Niet in die periode. In november 2013, september 2014 en juni/juli 2015.

Vis: U zegt: er liep geen zelfstandig onderzoek in Thailand en we hadden bij een rechtshulpverzoek geen reden te denken dat er vervolging kwam. Wanneer heeft u zich dan laten informeren over de strafmaat voor drugs en over de doodstraf?

Van Delft: Logischerwijze zou dat voor het rechtshulpverzoek zijn geweest.

Vis: Is er een terugkoppeling geweest van die vragen door Olde Engberink?

Van Delft: Ja.

Vis: Was dat schriftelijk of mondeling?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Vis: U zegt: u hield geen rekening met vervolging in Thailand. Anderzijds liet u zich wel informeren over de strafmaat.

Van Delft: Op het moment dat je een rechtshulpverzoek verstuurt, staat daar informatie in. Die komt ter kennis van de autoriteiten daar. De mogelijkheid bestaat dat andere landen op basis van die informatie zelf een onderzoek beginnen en in dat kader is het zorgvuldig: wat zijn de eventuele consequenties?

Vis: U hield dus bij het doen van rechtshulpverzoek rekening met de mogelijkheid dat Van Laarhoven daar vervolgd zou kunnen worden?

Van Delft: Als landen dat doen, vragen ze toestemming aan het land dat de informatie ter beschikking stelt.

Vis: Olde Engberink had geen herinnering aan gesprekken over de strafmaat.

Van Delft: Ik verklaar naar eigen wetenschap.

Vis: Was u bekend met het moment waarop het rechtshulpverzoek de liaison bereikte in Thailand?

Van Delft: Nee.

Vis: Was u bekend met het moment waarop hij het heeft aangeboden aan de Thaise autoriteiten? Bent u bekend met de aanbiedingsbrief die Olde Engberink bij rechtshulpverzoek heeft gevoegd?

Van Delft: Nee.

Vis: Bent u ook niet betrokken geweest bij het opstellen van de aanbiedingsbrief?

Van Delft: Nee.

Vis: Hebt u uw vrees over het teveel noemen van drugs in het rechtshulpverzoek ooit met meneer Olde Engberink besproken?

Van Delft: Dat kan ik mij niet herinneren. Olde Engberink is liaison, die heeft een soort postbodefunctie.

Vis: U heeft het niet met Olde Engberink gehad over omzichtigheid met betrekking tot drugs?

Van Delft: Nee.

Vis: In het licht van terughoudendheid: er staat in die brief dat de opiumwetfeiten, de teelt en handel in hennep en hasjies, zich met name afspelen in Nederland. Weet u hoe die formulering tot stand is gekomen? Waarom dat ‘met name?

Van Delft: Nee. Het is overigens wel correct.

Vis: Wat verder opviel: op dezelfde pagina staat dat Van Laarhoven ervan wordt verdacht dat hij in Thailand schuldig is aan witwassen en criminele organisatie. Vlak daarboven staat omschreven: met als doel het plegen van drugsdelicten. Dat noemt u omzichtig?

Van Delft: Dan maakt u een sprong en combineert u zaken. Het onderzoek in Nederland richt zich op de feiten. Daar is niet per se uit af te leiden dat meneer Van Laarhoven zich in Thailand schuldig zou maken aan drugshandel.

Vis: Hebt u geverifieerd dat de Thai het ook zo zou lezen?

Van Delft: Ik heb geen signalen gehad dat ze het niet begrepen.

Rechter: U heeft geen aanleiding gezien het te verifiëren.

Van Delft: Uit het rechtshulpverzoek is duidelijk dat Van Laarhoven wordt verdacht van witwassen en dat het zich in hoofdzaak daarop richt.

Vis: U heeft niet geïnformeerd of de Thai het rechtshulpverzoek hadden begrepen.

Van Delft: Nee.

Spong: We hebben een grondfeit. Is dat meegedeeld?

Van Delft: In het rechtshulpverzoek wordt beschreven wat de herkomst is van de gelden. Dat zou moeilijk anders kunnen, omdat je anders een heel vaag stuk krijgt. Er staat ook: dat tot op heden geen sprake is van drugshandel in Thailand.

Vis: Waarom, in het licht van de omzichtigheid: tot op heden?

Van Delft: Omdat ik niet in de toekomst kan kijken. Het onderzoek was nog gaande.

Smeets: Dat is zoiets als wanneer ik zeg: ‘Ik ken meneer Van Delft als een officier van justitie die tot op heden geen moord heeft gepleegd?’ Waarom niet: er is niet gebleken van handel in drugs?

Vis: Aan de Thai is omschreven dat er een vermoeden bestaat dat de organisatie er onder meer op gericht is om producten binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Vindt u dat omzichtig? Heeft u zich rekenschap gegeven van potentiële gevolgen van die formulering?

Van Delft: Dit is overgenomen uit de opiumwet, maar niet met de bedoeling aan te geven dat Van Laarhoven drugs exporteert. Het is een duidelijke zin: er geen signalen bekend.

Advocaat Van Weeren: Over die PPP: heeft u als leider van het onderzoeksteam ervoor gezorgd dat er een goed verslag werd gemaakt van bijeenkomst?

Van Delft: Ik heb er niet specifiek op aangestuurd dat er verslag van werd gemaakt.

Van Weeren: Is dat er?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Rechter: Het volgende thema: de brief van 14 juli 2014. Over initiating criminal proceeding. Initiate criminal case, take all necessary etcetera. Heeft u die brief gezien?

Van Delft: Ik heb het concept gezien, ik heb de tekst gekregen, maar niet de aanhef en het onderste stuk.

Rechter: Die twee passages nie?

Van Delft: Ik was op vakantie toen dit ging spelen, ik heb van Olde Engberink of Van Weerelt via de mail de tekst gekregen, maar exclusief kop en kont.

Rechter: De brief bevat verder onderzoeksgegevens. Dat zat in het concept.

Van Delft: Ik heb de complete brief pas gezien toen ik terug was van vakantie, op kantoor. Eind augustus. Na de verzending van de brief.

Rechter: Hoe was die brief tot stand gekomen?

Van Delft: Het rechtshulpverzoek was verzonden, er was bericht dat de Thai dat niet op 2 en 4 juli konden uitvoeren, toen zijn kort na de actiedagen Van Weerelt en Van Otterlo naar Thailand gereisd, in afwachting van alsnog de uitvoering van het rechtshulpverzoek. In de periode tussen 2 juli en 14 juli is er met mij contact opgenomen. Het rechtshulpverzoek zat in de kanalen in Thailand, maar het nog niet op plek waar het uitgevoerd kon worden. Er is besproken dat de tijd begon te dringen.

Rechter: Tijd begon te dringen?

Van Delft: Op 2 en 4 juli waren er doorzoekingen. Aanvankelijk wilden we die allemaal op hetzelfde moment, maar dat lukte niet. Op 2 en 4 juli was er publiciteit. De verdachten kwamen ervan op de hoogte dat er onderzoeken tegen hen liepen. Er waren plaatsen in Thailand die niet doorzocht waren. Het risico was dat er stukken weggemaakt zouden worden, potentiële bewijsmiddelen, vermogens.

Rechter: De tijd begint te dringen. Dat moest dan toch daarvoor? Je moet er toch ook voor die tijd zijn geweest?

Van Delft: Daar hebben we zeker over gesproken, maar we konden niet vanuit Thailand de bevestiging krijgen over een datum. Onze strategie viel gedeeltelijk in duigen. Ik heb toen aan de liaison via Van Weerelt gevraagd of hij iets kon doen om uitvoering te bespoedigen.

Rechter: Dat had u niet voor 2 juli gedaan?

Van Delft: Nee. Het verzoek was gedaan, later was er opnieuw contact, toen heeft Olde Engberink aangegeven dat de uitvoering rechtshulpverzoek bespoedigd zou kunnen worden middels zelfstandig Thais onderzoek en dat ze daarin de handelingen zoals wij vroegen daarin zouden meenemen en dat ze de resultaten daarvan later zouden toesturen.

Rechter: Heeft u rechtstreeks met hem contact gehad?

Van Delft: Met hem of met Van Weerelt, ze waren daar allebei.

Rechter: U hoorde dat voorstel, wat was uw reactie?

Van Delft: Dat ik erover na moest denken en ruggenspraak zou houden. Ik heb het voorgelegd aan plaatsvervangend hoofdofficier Van Dam. Daarnaast heb ik telefonisch gesproken met parketsecretaris Van Oosterhout, om op mijn verzoek het Bureau Internationale Rechtszaken en de rechter-commissaris te informeren. Een aantal partijen heb ik zelf geraadpleegd of laten raadplegen. Uiteindelijk moet je een afweging maken, het is ja of nee en in die afweging spelen een aantal omstandigheden een rol. We hebben gekeken naar de ernst van de feiten waar hij van werd verdacht: drugshandel, witwassen, criminele organisatie. Er was een ernstige verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd gedurende een langere periode. Ik heb afgewogen dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie geen bezwaar heeft geuit, daar konden ze ermee instemmen. Ik heb geprobeerd te denken wat de gevolgen zouden kunnen zijn. Die waren moeilijk in te schatten. We zouden het verzoek kunnen doen aan de Thai zelfstandig onderzoek te doen. Of het tot vervolging zou leiden, was op dat moment niet of nauwelijks in te schatten. Alles bij elkaar was er noodzaak om het op die manier te doen. Dus heb ik ingestemd met het voorstel. De noodzaak: ‘Je komt in een situatie dat er op verschillende plaatsen al acties geweest, er is geen alternatief om in bezit te komen van dat bewijsmateriaal.

Rechter: Dat intern overleg: niemand gezegd: niet doen?

Nee.

Moeilijk in te schatten… Heeft u daar nog overleg over gehad met de Thai?

Van Delft: Nee. Niet omdat ik er niet aan gedacht heb, maar vanuit de gedachte dat de Thai informatie zouden krijgen die nog door hen onderzocht zou moeten worden, konden nog geen uitspraken worden gedaan over de eventuele consequenties.

Rechter: Op voorhand was er geen afspraak gemaakt. Geen contact met Thai om beter te kunnen inschatten?

Van Delft: Nee. Doel was wel uitdrukkelijk dat wij de handelingen die we vroegen, graag uitgevoerd wilden hebben. Het was niet gericht op meneer Van Laarhoven die per se veroordeeld moest worden.

Rechter: Was die noodzaak niet wat kleiner na die acties?

Van Delft: Het was zo kort na die actiedagen dat de kans dat alles al weg zou zijn, beperkt zou zijn. Onroerend goed kost de nodige tijd en moeite om dat op andermans naam te zetten, bijvoorbeeld. De kans was reëel dat we daar nog wat zouden aantreffen.

Rechter: Is er iets van op schrift gesteld, of was het alleen mondeling?

Van Delft: Alleen telefonisch. Dat is niet ongebruikelijk. In andere zaken wordt dat ook zo gedaan. De Thai hebben gezegd: de handelingen kunnen versneld worden, maar alleen in het kader van een zelfstandig Thais onderzoek.

Rechter: Over hoe onderzoek eruit zou zien is niks op schrift gezet?

Van Delft: Ik heb nooit de garantie gehad: dan gaan we dat ook 100 procent doen. Ik weet niet wanneer Olde Engberink het gesprek heeft gehad met de Thaise attorney general.

Rechter: U zegt dat dit een gebruikelijke gang van zaken was?

Van Delft: Het was niet ongebruikelijk.

Rechter: Heeft u dit eerder gedaan?

Van Delft: Ja.

Rechter: Was de procedure dan hetzelfde?

Van Delft: Ja. Met België bijvoorbeeld. Andersom ook.

Rechter: Worden er dan afspraken gemaakt, garanties bedongen?

Van Delft: Het doel was uitdrukkelijk: handelingen uit te voeren. Ik had het idee dat de Thai dat hebben begrepen. Dat was het enige. Ik heb de brief achteraf gelezen, in essentie staat erin hoe het was. Voor mij voldeed de brief.

Rechter: Is de vraag aan de orde geweest de brief niet te verzenden?

Van Delft: Nee.

Rechter: Rond deze tijd was er contact tussen u en de advocaten van Van Laarhoven. Om bepaalde praktische zaken te bespreken. Op 14 juli.

Van Delft: Dat was ten tijde van de aanhoudingen van 2 en 4 juli, via de mail en telefonisch is er contact geweest. Zij wilden een telefonisch onderhoud. Cliënten wilden meewerken aan onderzoek, wilden zich beschikbaar houden als ze zouden worden uitgenodigd voor verhoor. Dat was in ieder geval vóór 14 juli.

Spong: Uw herinnering is perfect.

Van Delft: De afspraak met kantoor Spong staat los van wat er later is gebeurd. Voor mij was niet voorzienbaar en we hebben er niet om gevraagd meneer Van Laarhoven aan te houden.

Rechter: U ging het alleen om het beslag?

Van Delft: Ja.

Spong: U zei dat het voor u niet voorzienbaar was. Had u navraag gedaan?

Van Delft: Nee.

Spong: Is de vraag wel intern besproken?

Smeets: Nee.

Spong: In de brief vraagt u de Thai to initiate a criminal case, conduct any relevant investigation in accordance with article 20 of the Thai Criminal Procedure Code and take all necessary proceeding against the said suspects under Thai related laws. Hebt u zich afgevraagd hoe de Thai het verzoek zouden hebben opgevat?

Smeets: Wat betekent ‘all necessary’. Valt daar ook toepassing van voorlopige hechtenis onder?

Van Delft: Ik blijf erbij…

Spong: Laten we elkaar geen malle pietje noemen. U heeft niet gedacht dat het vrijheidsontneming zou kunnen worden?

Van Delft: De Thai gaan bekijken: wat kunnen we met de info. Daar sta ik buiten.

Smeets: Ik sta daar buiten. U neemt geen verantwoordelijkheid. Maar wat er is gebeurd, is dat niet op uw verzoek?

Van Delft: De verantwoordelijkheid ligt bij het Thais OM.

Spong: Dan komt die aanhouding. Dat was voor u geen verrassing?

Van Delft: Jawel. Als ik het er niet eens ben, is dat met het feit dat hij op basis van het verzoek is aangehouden.

Spong: U hebt het concept gekregen. Dat had strakker gekund. U heeft gecommuniceerd met Olde Engberink: dat kan wel wat strakker?

Van Delft: Ik heb gekeken welke informatie we hadden.

Spong: Na uw vakantie kreeg u de brief onder ogen. Heeft u toen actie ondernomen om de Thais duidelijk te maken waar het u om ging?

Van Delft: Nee.

Smeets: In de tussentijd was er contact tussen u en ons kantoor en is gezegd dat hij bereid was mee te werken. Wat mij verbaast is dat in de brief staat dat Van Laarhoven zich in Thailand ophoudt om buiten de greep van de Nederlandse justitie te blijven. Van Laarhoven is residing in Thailand with the apparent aim to stay out of control of the Dutch authorities. Heeft u dat gecorrigeerd?

Van Delft: Er was geen aanleiding dat te corrigeren. Er was mee bedoeld dat Van Laarhoven in Thailand verblijft en structuren opzet om buiten het zicht van Nederland te blijven.

Vis: De brief is gebaseerd op een bepaalde grondslag. Bent u bekend met wat de Thaise wetgeving inhoudt? Bent u bekend met de inhoud van artikel 20?

Van Delft: Nee.

Spong: Als u daar niet mee bekend bent, waarom noemt u die dan?

Van Delft: Olde Engberink heeft dit opgesteld, ik vertrouwde op de kennis en kunde van Olde Engberink

Smeets: Olde Engberink zegt hier dat hij niks van de zaak weet. Dat hij een doorgeefluik was. U noemt hem een postbode. Hij had voor het verzenden van de brief uw toestemming. U geeft toestemming voor iets. U weet niet wat die criminal code inhoudt. Waarom geeft u goedkeuring voor brief waar dingen in staan waarvan u niet weet wat ze betekenen?

Van Delft: Ik vertrouwde op de kennis en kunde van Olde Engberink.

Spong: Toen brief werd verstuurd, is er toen met de Thaise autoriteiten contact geweest over de inhoud?

Van Delft: Niet door mij.

Spong: Iemand anders?

Van Delft: Dat kan ik mij niet herinneren.

Spong: Heeft u nog mails gewisseld met Olde Engberink over de noodzaak van het versturen van deze brief?

Van Delft: Nee.

Vis: Was u de hele periode met vakantie?

Van Delft: Ja.

Vis: Had u toegang tot dossiers?

Smeets: U heeft niet gedacht: ‘Als ik in mijn zwembroek lig, wat gebeurt er in die strafzaak?’

Van Delft: Ik voelde mij prima toegerust hier een beslissing op te nemen.

Vis: Had u toegang tot al uw stukken?

Van Delft: Ik was niet op kantoor, maar had de mogelijkheid wel.

Vis: His Thai wife may have involved, etc. Was dat onderdeel van het stuk dat u voorgehouden hebt gekregen?

Van Delft: Ja.

Vis: Als we dat vergelijken met de inhoud van het rechtshulpverzoek, dan wordt mevrouw (Tukta) getuige genoemd. Heeft u zich er rekenschap van gegeven dat in die brief van 14 juli staat: ‘May have involved’?

Van Delft: Ja, dat is mij opgevallen. Ten tijde van het opstellen van het rechtshulpverzoek waren we niet voornemens om mevrouw strafrechtelijk te vervolgen in Nederland. Ze was wel als verdachte aan te merken. Toen we het rechtshulpverzoek hebben gedaan, hebben we verzocht haar in zijn zaak als getuige te horen. Hoe dat nu zit, dat weet ik niet. De zaak is veranderd omdat het rechtshulpverzoek niet werd uitgevoerd. Je moet als Nederland de Thais wel iets bieden om een onderzoek te kunnen beginnen. Ze hadden gevraagd om een strafrechtelijk onderzoek. Daarom is ze als verdachte genoemd, om de Thai in staat te stellen een opsporingsonderzoek in te stellen.

Vis: U heeft die formulering geschreven?

Van Delft: Nee.

Smeets: Olde Engberink zegt: ‘Ik heb alleen samengevat wat in het rechtshulpverzoek staat.’ Daar staat ze als getuige, hier als verdachte. Hoe kan Olde Engberink dat nou zeggen?

Van Delft: Dat moet u aan Olde Engberink vragen.

Spong: U heeft het over detailed informations of this case. Op welke informatie slaat dit?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Vis: Die verandering in formulering. Van de risico’s daarvan, heeft u zich daarvan bij de Thai vergewist?

Van Delft: Hetzelfde als bij Van Laarhoven. Het gaat om verdenking van strafbare feiten.

Vis: Heeft u dat geverifieerd bij de Thai?

Van Delft: Nee.

Smeets: U zegt dat u toestemming had van de parketleiding. Is deze zinsnede specifiek besproken?

Van Delft: Nee.

Smeets: Met de waarnemer van de rechter-commissaris?

Van Delft: Nee.

Vis: Is er überhaupt enige concepttekst van 14 juli gepresenteerd?

Van Delft: Niet dat ik weet. Met de parketleiding, het ministerie en de rechter-commissaris is het plan besproken de Thai te verzoeken een eigen onderzoek in te stellen. Dan gaat het meer over strategie.

Spong: Was het ook strategie dat hij een hogere straf dan 20 jaar zou krijgen?

Van Delft: Nee. Het heeft ook meegespeeld wat er in het United Nations Verdrag staat.

Vis: Heeft u geverifieerd of dat verdrag ook geldt voor het in overweging geven van ‘to initiate a criminal case’?

Van Delft: In mijn ogen wel. Dat verdrag geeft die ruimte.

Rechter: Naar aanleiding van die brief zijn er Nederlandse politiemensen naar Thailand vertrokken.

Van Delft: Die waren er al. Die zijn gevraagd door de Thai om nadere duiding.

Rechter: Bent u daarbij betrokken geweest?

Van Delft: Ik heb daarover gesproken, maar ik ben niet bij de voorbereiding geweest. Ik heb met Van Weerelt gesproken en gezegd dat de Thai met hen wilde spreken, hen wilden verhoren naar aanleiding van de brief. Dat is afgestemd en ik heb gezegd dat ik dat goed vond en gezegd dat ze zich in essentie moesten houden aan de informatie zoals die in het rechtshulpverzoek was verstrekt. Dat is logisch. Het is een korte instructie geweest, in een telefoongesprek. Ik weet dat ze op 21 juli gehoord zijn. Daarna wilde de Thai hen nog een keer horen, toen heb ik gezegd dat ze er niet meer aan mee moesten werken, ik vond dat ze voldoende informatie hadden gehad.

Spong: Welke informatie wilden de Thai?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Smeets: Van Weerelt was al eerder in Thailand, Van Otterlo ook? Kort na actiedagen Nederland. Waarom eigenlijk?

Van Delft: Omdat wij de verwachting hadden dat het rechtshulpverzoek spoedig uitgevoerd zou worden.

Smeets: Dat was op 1 juli verstrekt, op 2 juli zou het al worden uitgevoerd?

Van Delft: Dat hoopten wij.

Smeets: Olde Engberink zegt: ‘Ik heb meteen gezegd dat het niet zo snel kon, dat het zes maanden ging duren.’

Van Delft: Dat weet ik niet.

Smeets: Heeft hij gezegd dat dat niet zo snel kon?

Van Delft: Dat kan ik mij niet herinneren.

Smeets: Heeft Olde Engberink überhaupt iets tegen u gezegd?

Van Delft: Dat het onbekend was.

Rechter: Dat er om nadere informatie wordt gevraagd, is dat gebruikelijk?

Van Delft: Het is niet ongebruikelijk.

Rechter: Heeft u verslagen van verhoren gezien?

Van Delft: Nee.

Rechter: Is de inhoud teruggekoppeld?

Van Delft: Ik heb Van Weerelt er wel over gesproken.

Smeets: Op 21 juli zijn Van Weerelt en Van Otterlo gehoord en Olde Engberink. Wist u dat, van Olde Engberink?

Van Delft: Ja.

Smeets: Heeft hij toestemming gevraagd?

Van Delft: Ik heb er met Van Weerelt over gesproken dat de Thai dat wilden. Ik heb mijn goedkeuring gegeven.

Smeets: Heeft u Olde Engberink toestemming gegeven?

Van Delft: Dat weet ik niet. Dat kan ik mij niet herinneren.

Smeets: Olde Engberink heeft gezegd dat hij toestemming van u had.

U zegt: Olde Engberink is postbode, die wist van niets en kwam van nergens.

Van Delft: Ik kon me voorstellen dat de Thai toelichting wilden over de routing van het rechtshulpverzoek en dat de Thai hem daarover wilden horen. Ik heb tegen Van Weerelt gezegd dat hij zich moest beperken tot de inhoud van het rechtshulpverzoek.

Vis: Is tevoren door u met Nederlandse betrokkenen dan wel Thaise betrokkenen besproken wat de gevolgen voor Van Laarhoven zouden zijn?

Van Delft: Nee.

Vis: U heeft geen aanleiding gezien: ik ga nu drie van mijn mensen verklaringen laten afleggen, dat kan gevolgen hebben voor Van Laarhoven en Tukta.

Van Delft: Middels een brief is verzocht om zelfstandig onderzoek in te stellen. De verhoren zie ik als een voortzetting, daar paste dat in. Specifiek met de verhoren van 21 juli heb ik me niet specifiek rekenschap gegeven van de gevolgen die het zou hebben voor Van Laarhoven en Tukta, behalve dat ze zich moesten beperken tot het rechtshulpverzoek dat ging over witwassen. Ze moesten zich in hoofdzaak beperken tot het witwassen.

Vis: De schade beperken. Uw doel was: het leggen van beslag. Wat voor schade moest worden beperkt?

Van Delft: De handelingen uit het rechtshulpverzoek kunnen ook tot schade leiden. Daar ik nog steeds achter. Als je als officier van justitie dit soort afwegingen maakt.

Vis: Het risico van vrijheidsbeneming?

Van Delft: Dat was moeilijk in te schatten. Dat was van veel factoren afhankelijk. De verhoren waren een voortzetting van de strategie.

Spong: Kunnen we in plaats van voortzetting ook ‘opwarmertje’ gebruiken?

Van Delft: Nee.

Smeets: Zijn er ook mensen geïnformeerd dat die drie verklaringen gingen afleggen? Is daar met iemand over gesproken?

Van Delft: Dat kan ik mij niet herinneren.

Smeets: U zegt: het komt vaker voor, Olde Engberink zegt: nooit. Komt het vaker voor dat Nederlandse agenten naar het buitenland afreizen om daar getuigenissen af te leggen in een strafzaak?

Van Delft: Ja. In Engeland, dat heb ik zelf meegemaakt.

 

Er volgt een pauze. Officier van justitie Snijders en Van Delft komen samen te laat terug, er moet op hen worden gewacht. De advocaten vinden dat verdacht: hadden ze soms iets te bespreken? Snijders, pissig: ‘Ik heb hem opgehaald in het gebouw en we hebben niet gesproken over de zaak.’

 

Spong: Op wiens advies was er overleg naar aanleiding van de brief over de vervolging van Van Laarhoven?

Van Delft: Wie wat ging doen, dat was op mijn initiatief. Er was een situatie waarin in Nederland een onderzoek liep en in Thailand een onderzoek tegen Van Laarhoven en hij was gedetineerd. Wie gaat wat doen? Dat hangt er vanaf hoe je het onderzoek verder inricht. Er is contact gezocht met Thailand, in september 2014. De opstelling van de attorney general was dat elk land zou vervolgen waarvoor ze wilden en op het moment dat er een veroordeling kwam, of niet, kijken voor welk feit hij al werd vervolgd, dan zou het andere land dat niet meer doen. Wie het eerste klaar is, slaat de slag, het andere land past zich aan. Dat was de insteek van de Thai. Ik was het daar niet mee eens, omdat het niet in lijn was met het rechtshulpverzoek om witwassen. De contouren van de schade voor Van Laarhoven werden duidelijk, naarmate hij langer in voorlopige hechtenis bleef. Er was een vorm van schadebeperking ten aanzien van Van Laarhoven en daarnaast was het nodig om op de in beslag genomen gelden en goederen de vervolging aan te passen. In Thailand was geld en onroerend goed, dat zij in beslag hadden genomen. Juridisch en praktisch was het doel om een afspraak te maken. De Thai zouden alleen het witwassen doen. Er is een vergadering op ambassade in Bangkok geweest, met politiemensen en Thaise officieren, waar alle opties zijn besproken. Aanvankelijk hebben wij verzocht de hele strafzaak over te dragen aan Nederland. Daar voelden ze niks voor, consequentie was dat ze het beslag dan terug zouden moeten geven, dat was niet bespreekbaar. De strafzaak van Nederland aan Thailand overgeven was voor mij niet bespreekbaar. Er werd gesproklen over een praktische oplossing wie wat zou doen. De Thai wilden ook nog vervolgen voor criminele organisatie en dan moesten wij al ons materiaal overdragen aan Thailand. We hebben het aanbod gedaan naar Nederland te komen en ons proces-dossier in te zien, zodat ze zelf een keuze konden maken uit het materiaal met betrekking tot het witwassen. Daar hebben ze nooit gebruik van gemaakt. Als ze zouden vervolgen voor criminele organisatie, zou een heel groot stuk Nederlands onderzoeksmateriaal die kant op gaan. Besloten is dat de Thai alleen zouden vervolgen voor witwassen. Een dag later zijn we naar het kantoor van de attorney-general gegaan, een aantal officieren van justitie was ook aanwezig. Toen wilde de attorney general de discussie over doen. Daar heb ik een stokje voor gestoken, de attorney general heeft daarmee ingestemd. Ik heb gezegd dat ik het als een voorlopige afspraak beschouwde, dat ik het in Nederland wilde bespreken. Er volgde overleg met mijn leidinggevenden, het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft ermee ingestemd. In januari 2015 is de attorney general gevraagd de afspraak te bekrachtigen.

Spong: Alle opties zijn besproken. Ook de te eisen straf?

Van Delft: Nee.

Spong: Daar was u niet nieuwsgierig naar?

Van Delft: Nee.

Spong: Voor Van Laarhoven was dat heel erg belangrijk. U zei: ik geen er spijt van dat ik het zo heb gedaan. Van Laarhoven kreeg inmiddels 103 jaar gevangenisstraf. Betreurt u dat? Uit menselijk oogpunt.

Van Delft: Daar wil ik geen antwoord op geven.

Spong: Heeft u op enige wijze getracht te verhinderen dat uw handelingen de grondslag zouden vormen voor een lange straf voor Van Laarhoven?

Van Delft: Ik ben van mening dat door de afspraken dat hij alleen vervolgd zou worden voor witwassen, er is bijgedragen aan een minder zware straf.

Spong: Minder zwaar dan 103 jaar? 200 zou mogelijk zijn?

Van Delft: Levenslang

Smeets: U dacht maximaal twintig jaar.

Spong: Voor u was niet voorzienbaar dat hij deze straf zou krijgen?

Van Delft: Nee.

Smeets: U had al iets bekeken over witwassen. U wilde hem een hogere straf besparen. Is besproken wat voor straf?

Van Delft: Nee. Het was logisch dat als hij ook voor criminele organisatie zou worden veroordeeld, hij meer straf zou hebben gekregen.

Spong: U bent allang blij dat hij ‘slechts’ 103 jaar heeft gekregen. Meneer betreurt in ieder geval zijn handelwijze niet.

Vis: 23 juli 2014 was de dag van de aanhouding. Op welk moment werd u duidelijk dat ze zouden worden aangehouden?

Van Delft: Dat heb ik pas na de aanhouding gehoord.

Vis: Heeft u getracht verdergaande vrijheidsbeneming te voorkomen?

Van Delft: Nee.

Vis: Heeft u de discrepantie tussen uw bedoeling en de verdere gang van zaken kenbaar gemaakt: ik heb de brief alleen maar gestuurd ter bespoediging rechtshulpverzoek?

Van Delft: Ik vind niet dat er sprake is van discrepantie. Kennelijk heeft de Thaise officier het nodig gevonden een onderzoek in te stellen. That’s it. Het viel niet in te schatten wat hetverloop zou zijn van het Thaise onderzoek.

Smeets: Olde Engberink zei: het rechtshulpverzoek bespoedigen kan alleen als ze een eigen onderzoek starten. Dat was het enige doel. Waarom is er niet gevraagd wat er gebeurd was, omdat men andere dingen ging doen? We hadden afgesproken…

Van Delft: Het doel van de brief was bespoediging van de uitvoering van de handelingen uit het rechtshulpverzoek. De Thai hebben aangegeven: door zelfstandig onderzoek te doen. Dat hebben ze gedaan en ze hebben het nodig geacht Van Laarhoven aan te houden. Het is niet aan mij om een Thaise officier aan te spreken op een handeling die hij uitvoert.

Smeets: Wanneer zijn die verzoeken uitgevoerd?

Van Delft: Gedurende een aantal maanden.

Smeets: Het eerste is dat ze Van Laarhoven hebben aangehouden. Waarom was er geen verbazing: ‘Luister, dit was niet de afspraak!’

Van Delft: Dat ben ik niet met u eens. Die uitvoering begon met het opsporingsverzoek door de Thaise autoriteiten. Ik weet niet wanneer ze daarmee begonnen zijn.

Smeets: Heeft u daar nooit naar gevraagd?

Van Delft: Nee.

Spong: Tussen het moment van aanhouding en de dag van vandaag heeft u geen enkele activiteit ondernomen om de invrijheidsstelling van meneer Van Laarhoven te bewerkstelligen?

Van Delft: Nee. In het overleg in september 2014 met de attorney general zijn we overeengekomen dat Thailand alleen voor witwassen zou vervolgen. De Thaise attorney general heeft aangegeven dat de consequentie zou zijn dat Van Laarhoven in oktober 2014 in vrijheid gesteld zou worden. Ik heb gezegd dat ik daar geen bezwaar tegen had. Kennelijk is het in Thailand anders gelopen.

Spong: Toen u na oktober zag dat het niet zo ging, heeft u toen niet de attorney general gebeld: ‘Je hebt me toen dat en dat verteld, het is anders gelopen.’

Van Delft: Hij heeft aangegeven dat het de mogelijke consequentie was, kennelijk was het anders gegaan.

Vis: De contouren van de schade voor Van Laarhoven zijn op enig moment duidelijk. Heeft u niet gedacht: ‘Ik ga niet meer meewerken aan vervolging van deze Nederlandse staatsburger in het buitenland?’

Van Delft: Nee.

Vis: De optie om strafvervolging aan Nederland over te dragen in verband met gelegde beslagen. Is er in de loop van die afspraken een deal gemaakt over hoe met beslag zou worden omgegaan?

Van Delft: Nee. Door ons is in Thailand geen beslag gelegd, ieder heeft zijn eigen beslag.

Vis: Uw bedoeling was beslag te leggen op het vermogen van Van Laarhoven in Thailand.

Van Delft: Dat was kennelijk niet mogelijk.

Vis: Dat doel van het rechtshulpverzoek is er dus niet van gekomen.

Van Delft: Kennelijk bestond die mogelijkheid niet.

Vis: Ook dat aspect was geen aanleiding om medewerking aan Thailand op te zeggen?

Van Delft: Nee.

Smeets: Er zijn twee brieven, van 25 september 2014, van de directeur generaal van de DSI aan de Nederlandse autoriteiten. Kent u die brief?

Van Delft: Ja.

Vis: Was dat van voor of na de bespreking?

Van Delft: Dat kan ik me niet herinneren.

Vis: Wanneer is op deze brief geantwoord?

Van Delft: Ik weet dat de rechtshulpverzoeken zijn verzonden, van het ministerie van justitie aan de politie-autoriteiten en dat die uitvoering heeft plaatsgevonden.

Smeets: De afstemming in september 2014. Dat was een voorlopige afspraak. In de brief gaat het over feiten waar de Thai hem van verdenken. Het gaat primair om onderzoek naar criminele zaken. Transnational criminal organisation.

Van Delft: Dat er verdenking is voor de coffeeshops: het maakt niet uit waarvoor iemand vervolgd wordt.

Smeets: De Thai beschikken niet over gegevens van het gedoogbeleid. Toen Van Laarhoven werd aangehouden, is er toen aan gedacht een aanwijzing van de opiumwet aan de Thais te verstrekken?

Van Delft: Nee. Iemand zit vast in het kader van de Thaise wet.

Smeets: Hij zat vast op basis van informatie die door u was verstrekt. Vond u het dan niet van belang om de aanwijzing opiumwet waarin het gedoogbeleid wordt geregeld aan de Thai te verstrekken?

Van Delft: Het is niet aan mij om hem ongevraagd informatie te verstrekken. Ik heb overlegd de informatie die beschikbaar was en die voor de Thai aanleiding kon zijn om het strafrechtelijk onderzoek te doen.

Smeets: U heeft concreet om reisbewegingen verzocht. Zijn die verstrekt?

Van Delft: Over het algemeen is er uitvoering gegeven aan het rechtshulpverzoek.

Smeets: U heeft de Thai niet uitgelegd dat Van Laarhoven niet veroordeeld was.

Van Delft: Nee.

Smeets: Het is bijzonder opmerkelijk dat hij niet meer weet. Specifiek over de schatting hoeveel drugs er elke dag legaal worden verkocht. Heeft u op dat punt aangegeven dat er geen illegale drugs verkocht worden?

Van Delft: Ik heb er geen herinnering aan wat er aan Thailand is verstrekt en ik deel niet uw mening dat het legaal is.

Smeets: Evidence should be in line with the statements already given by the Dutch officers. Hoe heeft u dit opgevat?

Van Delft: Daar heb ik geen specifieke herinnering aan.

Smeets: Dit was geen aanleiding om zorgen te hebben over hoe de Thais zouden omgaan met Van Laarhoven?

Van Delft: Daar heb ik geen herinnering aan.

Smeets: Heeft u getracht te verhinderen dat de informatie die u allemaal verstrekte en de antwoorden op deze vreemde vraag van de Thai, dat die zouden bijdragen aan langdurige vrijheidsontneming van Van Laarhoven?

Van Delft: Middels beperking van het rechtshulpverzoek tot witwassen en de afspraken die zijn gemaakt heb ik gepoogd binnen mijn mogelijkheid de schade te beperken.

Smeets: Op 8 oktober was er opnieuw een rechtshulpverzoek. Hoeveel zijn er door de Thai verstuurd?

Van Delft: Dat weet ik niet. Daar heb ik geen herinnering aan.

Smeets: Opmerkelijk.

Snijders: Wilt u dit achterwege laten!

Smeets: Ik heb het al gezegd.

Rechter: De verhoren in juli 2015 in Thailand. Weet u wat de aanleiding was?

Van Delft: Om die personen als getuige te horen. Dat was verzoek van Thailand. Over de bevindingen uit het Nederlands onderzoek.

Rechter: Bent u betrokken geweest bij de beoordeling?

Van Delft: Ik weet dat we erover gesproken hebben. Van Weerelt, Van Otterlo. Dat ze werden verzocht. Het ging over praktische aangelegenheden. Ik heb als officier van justitie geen beslissingsrecht gehad. Het ging om getuigen in een Thaise strafzaak, het zijn politiemensen uit het onderzoeksteam.

Rechter: Gaan ze wel of niet, dat is niet besproken?

Van Delft: Er is wel over gesproken. Gediscussieerd. Maar geen conclusie van wel of niet. De Thaise autoriteiten hebben vragen gesteld op schrift, aan getuigen. Aan Olde Engberink, Van Otterlo en Van Weerelt. Van Weerelt en Van Otterlo hebben schriftelijk vragen beantwoord, de antwoorden hebben ze naar mij gestuurd of ik die wilde lezen.

Rechter: Dat waren vragen die tijdens de zitting werden gesteld?

Van Delft: Ik ben niet in de zaal geweest, maar ik weet dat ze die vragen hebben gekregen.

Rechter: Die lijst met vragen. Kunt u zich die herinneren?

Van Delft: Het waren vragen over het onderzoek, wat hun bevindingen waren.

Rechter: Weet u wat er met die lijst is gebeurd?

Van Delft: Het was de bedoeling die door te sturen aan de Thaise autoriteiten. Volgens mij is dat ook gebeurd. Olde Engberink had ook zo’n vragenlijst gekregen en ingevuld, maar niet aan mij voorgelegd.

Rechter: U was niet bij de verhoren aanwezig. U was wel naar Thailand gegaan? Waarom?

Van Delft: Zij werden gehoord over het onderzoek. Ook in Nederland. Als het nodig was om met hen overleg te plegen, in het belang van het Nederlandse onderzoek, was ik op de achtergrond aanwezig. Ik kreeg een korte terugkoppeling.

Rechter: Was er een specifieke reden waarom u meeging? Had het niet per telefoon of fax gekund?

Van Delft: In dit soort gevallen werkt het prettiger om ter plaatse te zijn, dat maakt de communicatie gemakkelijker.

laarhoven-hilton-mj

Rechter: In het dossier zitten stukken, over een bepaald hotel. By Hilton. Met Van Weerelt, Van Otterlo, Van Oosterhout, Snijders en de Thais-Nederlandse tolk. Hoeveel dagen bent u daar geweest?

Van Delft: Verspreid over twee periodes twee keer vijf dagen.

Rechter: Nu wil het geval dat er melding van wordt gemaakt dat een persoon een brief zou hebben gestuurd aan journalist Korterink. Die persoon, Peter, wilde anoniem blijven. Peter was in hetzelfde hotel, in dezelfde tijd. Hij heeft gesprekken opgevangen tussen mensen van de Nederlandse delegatie. De conclusie was: hij heeft die getuigen gehoord. U heeft zelf gezien wat die brief inhoudt. Hij kon niet alles volgen, maar sommige uitspraken wel. ‘Schuldig of niet, hij gaat voor de bijl’; ‘Ze zijn toch alllmaal schuldig, hahaha. Daar is geen speld tussen te krijgen.’ Als ik u dat voorhoud, kunt u dat plaatsen?

Van Delft: Nee. Ik herken mij er totaal niet in.

Rechter: ‘Hij kan wel denken dat hij veilig is, niemand ontkomt aan de lange arm van de Taskforce.’ De man die met Toon wordt aangesproken, zegt: ‘Tien jaar cel, we drinken er nog één.’ Dat heeft u niet herkend?

Van Delft: Nee.

Rechter: Ook niet dat het in een informele setting weleens wat minder politiek correct toe kan gaan?

Van Delft: Dit soort uitspraken en taal staat ver van mij.

Rechter: Anderen ook niet?

Van Delft: Ik heb ze niet gehoord.

Spong: Op de vragenlijst, kwam daar ook de vraag voor of Van Weerelt en Van Otterlo het fenomeen gedoogbeleid kenden?

Van Delft: Ik weet niet precies wat erop stond. Het is te lang geleden.

Spong: Is die lijst er nog?

Van Delft: Weet ik niet.

Vis: Is er gesproken over de financiële consequenties voor Johan en Tukta van het afleggen van verklaringen?

Van Delft: Nee.

Vis: Door anderen?

Van Delft: Nee.

Vis: Heeft u zich daar rekenschap van gegeven?

Van Delft: Ik niet.

Vis: Peter refereert aan ‘de bespreking van gisteren met de Thai.’ Is er anders dan de gang naar de rechtbank een bespreking geweest met Thaise autoriteiten?

Van Delft: Er waren twee momenten van verhoor. Ik ben tussendoor naar Nederland geweest. Ik, Van Weerelt, Van Otterlo, Snijders en een tolk hebben een onderhoud gehad met de attorney general. Bij die ontmoeting waren wij aanwezig en politiemensen. We hebben ontmoetingen gehad en uit beleefdheid een kopje koffie gedronken.

Vis: Zijn door bij die gelegenheid de gevolgen van de strafzaak besproken?

Van Delft: Nee.

Vis: Door iemand anders?

Van Delft: Dat weet ik niet.

Vis: Wie waren er van Thaise kant bij? Kende u die?

Van Delft: Het was altijd weer een verrassing wie er waren.

Smeets: U sprak erover dat er bij uw eerste bezoek een aantal mensen aanwezig was. Wat is de voornaam van Van Weerelt?

Van Delft: Toon.

Smeets: Waren er anderen bij die Toon heetten?

Van Delft: Nee.

Spong: Ik heb een algemene vraag. Op 12 november 2015 is in Den Bosch de uitspraak over een werknemer van TGC. ‘Overwogen dat de TGC binnen Nederland’ etcetera. Is deze uitspraak met de Thaise autoreiteiten gedeeld?

Van Delft: Niet door mij. Na 8 december 2015 had ik geen betrokkenheid meer bij het onderzoek.

Vis: U heeft contactpersonen beschreven, maar toen de naam Snijders niet genoemd. Maar in juni/juli 2015 was Snijders al met u meegereisd. Wanneer is diens betrokkenheid bij de zaak ontstaan?

Van Delft: In de eerste helft van 2015.

Vis: Wat was de reden?

Van Delft: Dat het onderzoek naar TGC omvangrijk was, veel tijd kostte en veel publiciteit met zich meebracht. De hoofdofficier vond het verstandig er een tweede officier aan vast te plakken.

Smeets: U gaat binnenkort weer beginnen. U heeft te maken met geestelijke gezondheidsproblemen. Vanaf wanneer speelde dat?

Van Delft: Daar geen ik geen antwoord op.

Landsadvocate Bitter: Ik maak bezwaar tegen deze vraag!

Smeets: Dat meneer problemen had en overspannen was staat vast. Of dat ook speelde op moment dat het contact met de Thaise autoriteiten speelde kan van invloed zijn op de vraag hoe zorgvuldig en rechtmatig hij heeft gehandeld.

Bitter: Of er onzorgvuldig of onrechtmatig is gehandeld staat niet ter discussie.

Smeets: Als iemand overspannen is of bepaalde dingen doet die hij niet zou moeten doen, of dat invloed heeft op de contacten die hij in die periode nog heeft gehad. Meneer heeft bewust onjuiste informatie gegeven aan de politie en aan Misdaad Anoniem. Het is dus een gegeven dat hij kennelijk onder invloed van de situatie onjuiste informatie verstrekt aan de politie.

Snijders: Ik hoor de raadsman zeggen: dat staat vast. Dat staat niet vast.

Bitter: Ik zie niet wat voor aanvullende vragen daarover nog gesteld zouden kunnen worden. Dit is volstrekt niet relevant.

Rechter: Ik vind het ook een te ver verband.

Spong: Hoofdofficier van justitie Van der Voort heeft gezegd dat het nooit de bedoeling is geweest dat Van Laarhoven zou worden aangehouden en al helemaal niet in Thailand. ‘Dat betreur ik zeer.’ Onderschrijft u dat?

Van Delft: Ik heb daar geen antwoord op, het is zijn mening.

Het verhoor van Ben Olde Engberink van maandag 5 september staat hier

Zaak Van Laarhoven: getuige Van Otterlo

$
0
0

Bij de rechtbank in Den Haag werd maandag 12 september politieman Erik van Otterlo als getuige gehoord in de zaak van Johan van Laarhoven (zie eerder bericht hier)

Voorafgaand aan de zitting wordt het dictaat opgemaakt van de zitting van woensdag 7 september waarbij de getuige Van Delft werd gehoord. Dit gedeelte loopt behoorlijk uit waardoor de zitting die eigenlijk om 11.30 uur zou beginnen pas om 14.14 uur van start gaat.

Vandaag wordt gehoord Erik van Otterlo, die wordt bijgestaan door een advocaat. Namens Johan van Laarhoven zijn aanwezig Sydney Smeets en Tim Vis. Tegenover hen zitten namens de Staat officier van justitie Peter Snijders en landsadvocaat Ceciel  Bitter. Rechter-commissaris is Daan Glass. In de zaal zijn verder een handjevol belangstellenden.

Erik Jacobus Maria Van Otterlo – 53 jaar – Breda (domicilie van advocaat), beroep operationeel specialist B. Financieel taakgebied bij de dienst regionale recherche Zeeland West-Brabant

Rechter: U bent geen familie van meneer Van Laarhoven of in geen enkel verband met elkaar verbonden?

Van Otterlo: Nee.

Waarna Van Otterlo de eed af legt.

Rechter: U bent hier als getuige geroepen. Heeft u zich voorbereid?

Van Otterlo: Ik heb stukken ontvangen van onderzoekers. Doorgenomen de stukken die mij betreffen. Tot en met 39.

Rechter: Behalve met uw advocaat heeft u met andere personen nog overleg gehad?

Van Otterlo: Niet inhoudelijk. Wel overlegd natuurlijk met de officier in deze zaak, de heer Snijders.

Rechter: Overleg gehad?

Van Otterlo: Over mijn positie.

Rechter: Is er iets op voorhand wat u wilt zeggen?

Van Otterlo: Nee.

Rechter: Hoe lang werkt u bij de politie?

Van Otterlo: Sinds 1985.

Rechter: Sinds 1985. En in de functie die u nu bekleedt, bent u financieel rechercheur. Hoe lang doet u dat?

Van Otterlo: Zo rond 2000. Zo’n 16 jaar.

Rechter: Vanaf dat moment richt u zich met name op financiële onderzoeken. Heeft u misschien daarvoor ook ervaring gehad in de opsporing van drugsgerelateerde delicten?

Van Otterlo: Ja.

Rechter: In algemene recherche-ervaring als ik het zo begrijp?

Van Otterlo: Ja.

Rechter: Vanaf wanneer bent u betrokken geraakt bij het onderzoek naar Van Laarhoven? Vanaf het allereerste begin?

Van Otterlo: Vanaf het begin ja. BRZ 408. Dat is een beetje de afkorting.

Rechter: Vanaf het begin dus?

Van Otterlo: Ja.

Rechter: Wat was precies de onderzoeksopdracht? Wat werd uw taak? Want u werd teamleider, moet ik dat zo zien?

Van Otterlo: Nee, ik ben financieel specialist. Ik zou het financiële gedeelte onderzoeken. Waarheidsvinding in het kader van strafzaak en in eventuele ontneming.

Rechter: Wat betekent dat precies? Weet u precies wat er bedoelt wordt wat u gaat onderzoeken?

Van Otterlo: Dat ligt natuurlijk aan de zaak, in deze zaak was het vooral onderzoek doen naar structuren en eventuele geldstromen om vermogens te traceren.

Rechter: Structuren, bedoelt u dan vennootschapsstructuren?

Van Otterlo: Ja.

Rechter: Wie is bestuurder? Wie is aandeelhouder? Geldstromen. Wat zijn nog meer?

Van Otterlo: Ik doe vermogens traceren.

Rechter: Ik heb begrepen dat er ook een andere recherchedienst betrokken was bij dat onderzoek. Dan valt ook de naam van de meneer Van Weerelt.

Van Otterlo: Kunt u de vraag nog een keer herhalen?

Rechter: Ik heb begrepen dat er ook een ander rechercheonderdeel betrokken was bij het onderzoek.

Van Otterlo: Dat is niet de juiste term. Ik was gestationeerd bij de BRZN die tijd.

Rechter: Gestationeerd bij?

Van Otterlo: BRZN (Boven Regionaal Zuid Nederland). En de heer Van Weerelt was daar ook werkzaam, alleen in andere taak en functie.

Rechter: U zat bij elkaar op de gang?

Van Otterlo: Ja, we zaten bij elkaar in het gebouw.

Rechter: Dat onderzoek is gestart eind 2011?

Van Otterlo: Dat klopt.

Rechter: Wat is in uw beleving het eerste moment geweest dat er contact gezocht is met de Thai?

Van Otterlo: Durf ik u niet te zeggen, dat contact heb ik niet gezocht dus kan ik u niet exact noemen.

Rechter: We hebben gelezen in de stukken dat in november 2013 een powerpoint presentatie is gegeven in Thailand. Als u het daar aan af zet, was dat voor u het eerste moment dat de Thai in beeld kwamen of was dat al eerder?

Van Otterlo: Wat ik begrepen heb is dat er al eerder contact is geweest met de liaison. Je kunt daar niet in één keer op de stoep staan.

Rechter: als u dat punt even vasthoudt, november 2013, de powerpointpresentatie, periode daaraan voorafgaand onderzoek gedaan, ook financieel. Kunt u mij in grote lijnen vertellen: wat is er uit dat onderzoek gekomen tot die powerpointpresentatie? In globale zin? Vennootschapsonderzoeken waren gedaan. Wat uw financiële bevindingen waren op dat moment. Kunt u dat kort schetsen?

Van Otterlo: Wat betreft de geldstromen, kan ik zeggen dat wij geldstromen zagen naar het buitenland. Waaronder Luxemburg en Zwitserland. Wat de structuren betreft zagen wij vanuit Nederland dat er een structuur was op gezet naar Luxemburg en andere landen en vervolgens tijdens een bepaalde periode, dat de heer Van Laarhoven de official owner was van die structuur.

Rechter: Geldstromen, dat zijn betalingen?

Van Otterlo: Onder andere.

Rechter: Kunt u iets specifieker zijn.

Van Otterlo: Geboekt, kas gestort of overgemaakt, dat kan van alles zijn.

Rechter: Structuren naar Luxemburg en andere landen en de conclusie die u daaraan verbond was dat meneer Van Laarhoven de official owner was van?

Van Otterlo: in een bepaalde periode van uiteindelijk de coffeeshops.

Rechter: Kunt u kort aangeven waar dat laatste op gegrond was?

Van Otterlo: Uit documenten die wij hebben opgedaan vanuit Luxemburg, nagenoeg.

Rechter: Heeft u tot aan die eerste fase in het onderzoek tot aan november 2013 ook onderzoek gedaan naar belastingbetaling?

Van Otterlo: We hebben de belastinggegevens wel opgevraagd, we hebben wel belastinggegevens ontvangen.

Rechter: Van de Nederlandse belastingdienst.

Van Otterlo: Ja, die was zelfs enige tijd betrokken bij het onderzoek

Rechter: Dat betrof de gegevens van vennootschappen waar onderzoek naar werd gedaan. En misschien ook wel privépersonen.

Van Otterlo: Ja.

Rechter: Wat had dat onderzoek opgeleverd tot die powerpoint presentatie in die tijd, kunt u mij dat duidelijk maken?

Van Otterlo: Er was sprake van teveel drugs aan de ene kant. Aan de andere kant was er sprake van het vermoedelijke witwassen van geld.

Rechter: Ten aanzien van de belastingbetaling, was daar ook nog een verdenking?

Van Otterlo: Vermoeden was dat er niet de juiste aangiftes waren gedaan.

Rechter: Juiste aangifte van inkomsten uit verkoop ?

Van Otterlo: Nee, inkomsten van de hard drugs, of nee de soft drugs sorry. Er was een discrepantie tussen de opgegeven inkoopprijzen en de werkelijke inkoopprijzen, althans dat vermoeden had ik.

Rechter: Waar was dat vermoeden op gestoeld?

Van Otterlo: Op een verklaring van een van de verdachten die was gehoord. Ik dacht de heer van Zelst.

Rechter: En u zei nog iets?

Van Otterlo: En voor zover ik mij kan herinneren stukken uit Luxemburg.

Rechter: Die vennootschap structuur die u onderzocht heeft, voordat die powerpoint presentatie werd gegeven in 2013, wat concludeerde u daarvan? Ik heb stukken gezien waar vennootschappelijke structuren in beeld komen, was er een verdenking. Legt u dat uit?

Van Otterlo: Die structuur was een weergave van wat er daadwerkelijk was, van wat er feitelijk opgezet was in het buitenland. Die geldstromen liepen via die structuur.

Rechter: Een feitelijke weergave waarvan op zichzelf nog niet zoveel te zeggen valt, of was die structuur verdacht op zich zelf?

Van Otterlo: Dat is een mening. Het was fors voor zo’n coffeeshopketen. Daarom was er een vermoeden van witwassen, dat lag niet alleen aan de structuur, dat waren meer dingen.

Rechter: Het was een vrij forse structuur, zegt u voor een coffeeshop. Weet u nog waar het vermoeden op gestoeld was in 2013?

Van Otterlo: In de tijd kan ik het niet plaatsen. Dat vind ik nu heel lastig. Weet ik niet meer.

Rechter: En als ik de vraag in het algemeen stel, waar het vermoeden op gegrond was?

Van Otterlo: Op het feit dat wij behoorlijke contante stortingen zagen en stukken waar gesproken werd over afstortingen van geld.

Rechter: Wat voor stortingen zijn dat?

Van Otterlo: Bij een bank voor 1 of 2 ton. Ik noem maar een bedrag, ik weet ze niet uit mijn hoofd.

Rechter: Nederlandse banken?

Van Otterlo: Buitenland.

Rechter: U bent aanwezig geweest bij de powerpoint presentatie.

Van Otterlo: Ja klopt.

Rechter: Is er overleg geweest over wat daar zou worden gepresenteerd?

Van Otterlo: Ja.

Rechter: Met wie?

Van Otterlo: Met de officier van justitie, de heer Van Delft.

Rechter: Waren er nog andere personen?

Van Otterlo: De heer van Weerelt, die zou een gedeelte voor zijn rekening nemen. Ik zou het financiële gedeelte doen. De heer van Weerelt doet het eerste gedeelte. En voor zover ik mij kan herinneren heb ik het financiële gedeelte gedaan.

Rechter: Daar is over gesproken over de taakverdeling. En de Officier van Justitie?

Van Otterlo: Die was daar aanwezig en zou waar nodig interveniëren.

Rechter: Ik heb gezien dat er sheets van te voren zijn gemaakt? Wie heeft dat gedaan?

Van Otterlo: Gezamenlijk met Toon (van Weerelt) hebben we die gemaakt.

Rechter: is er ook op voorhand afgesproken wat er gezegd zou worden bij die sheets?

Van Otterlo: Nou, niet zo specifiek. Het zou een uitleg zijn van dat onderzoek wat in Nederland had plaatsgevonden, tot op dat moment.

Rechter: Is er gesproken over wat de doelstelling zou zijn ?

Van Otterlo: De doelstelling van het bezoek was om te kijken in hoeverre er mogelijkheden waren om op een later moment eventueel een rechtshulpverzoek te doen en wat de Thai zou kunnen betekenen. Voor zover ik het begrepen heb.

Rechter: Om later een rechtshulpverzoek te doen en wat de Thai?

Van Otterlo: Dat rechtshulpverzoek is misschien wel wat te vroeg, in eerste instantie voor mogelijkheden om te kijken, of er überhaupt mogelijkheden waren voor een samenwerking. Doel van de presentatie was om uitleg van het onderzoek te geven.

Rechter: Is er al bedacht om welke samenwerking het zou gaan van te voren?

Van Otterlo: Of zij eventueel nader onderzoek zouden kunnen doen. Dat was het doel.

Rechter: Nog niet specifiek naar bepaalde elementen?

Van Otterlo: Specifiek is niet naar gekeken. Maar naar eventuele structuren ook in Thailand.

Rechter: Dat was iets dat toen ook al speelde?

Van Otterlo: We zagen geldstromen die kant op gaan ja.

Rechter: Hoe lang heeft de powerpoint presentatie zelf geduurd?

Van Otterlo: Dat weet ik niet, dat durf ik niet te zeggen.

Rechter: Een middag, een ochtend, een aantal uren?

Van Otterlo: Een aantal uren denk ik ja. Dat weet ik niet helemaal meer.

Rechter: Herinnert u zich nog van de powerpoint presentatie zelf wat daar is verbeeld en naar voren gebracht?

Van Otterlo: De stand van zaken van het onderzoek. Maar exact weet ik niet.

Rechter: Weet u ook wat er over het Nederlandse gedoogbeleid is gesproken?

Van Otterlo: Ja. Maar ik weet niet precies wat.

Rechter: Heeft u daar zelf over gesproken?

Van Otterlo: Nee, mijn collega.

Rechter: En met mijn collega bedoelt u meneer Van Weerelt?

Van Otterlo: Ja die heeft die sheets gemaakt.

Rechter: Hebben anderen nog over het gedoogbeleid gesproken?

Van Otterlo: Dat weet ik niet.

Rechter: Weet u of gemeld is dat coffeeshops een gedoogvergunning hadden, dat de benodigde vergunningen er waren, of dat gemeld is in die presentatie?

Van Otterlo: Dat ze vanuit de gedoogde situatie werkten wel.

Rechter: En de vergunningen?

Van Otterlo: Vergunningen, dat woord is niet gevallen. Zo ver ik het nu terug kan halen, wel de gedoogde situatie. Exact weet ik het niet. Ik weet dat, als ik het nog terughaal dat we hebben aangegeven dat de ondernemer gewoon handelde in Nederland. Softdrugs vanuit een winkel. Exacte woorden weet ik niet meer. Maar ik weet dat er gezegd is dat er vanuit de winkels gewoon softdrugs is verkocht.

Rechter: U heeft over witwassen daar gesproken?

Van Otterlo: Over het vermoeden daarvan.

Rechter: is daar door u aan de orde gesteld wat voor geld dat was wat was witgewassen, met andere woorden opbrengsten van de coffeeshops?

Van Otterlo: Dat is vrij specifiek. Durf ik niet met zekerheid te zeggen. Ik weet niet of dat zo specifiek gezegd is.

Rechter: Heeft u nog over het belastingrechtelijke onderzoek gesproken?

Van Otterlo: Nee, dat zou ik moeten zien, ik vermoed dat we wel het vermoeden-van hebben besproken, maar met zekerheid is het niet te zeggen.

Rechter: bladzijde 17 van productie 16, staat een sheet.

(Pakken er allemaal een sheet bij).

Rechter: The main tax fraud. Kunt u aangeven wat u daar specifiek bij gezegd heeft?

Van Otterlo: Ik vermoed dat ik daarbij gezegd heb dat het gaat om een vermoedelijke verdenking van onjuiste aangifte.

Rechter: Wat zei u over de aangifte, dat er wel belasting werd betaald maar niet genoeg?

Van Otterlo: Ja, dat denk ik wel, op die manier. Maar ik weet het niet zeker hoe dat verwoord is.

Rechter: Wat heeft u over de vennootschapsstructuur gezegd?

Van Otterlo: Hoe die is opgebouwd en hoe die structuren uiteindelijk vanuit Nederland in het buitenland bij elkaar komen van de coffeeshops en de TGC.

Rechter: Heeft u daar een voorlopige conclusie aan verbonden of alleen geschetst?

Van Otterlo: Hoe ik het daar gezegd heb kan ik mij niet herinneren.

Rechter: Kreeg u vragen van de Thai naar aanleiding van uw verhaal? Weet u dat nog?

Van Otterlo: Nee, over die structuur en de geldstromen durf ik dat niet te zeggen.

Rechter: En als ik de vraag wat algemener stel, kunt u zich herinneren of er überhaupt vragen werden gesteld tijdens uw deel van presentatie?

Van Otterlo: Nee, dat durf ik niet te zeggen, dat weet ik niet.

Rechter: Oké, dan gaan wij naar de advocaten Van Laarhoven.

Vis: Nog even ten aanzien van de inleidende vragen. Daar stond bij ons nog even de vraag: heeft u kennis van de inhoud van de verhoren tot nu toe?

Van Otterlo: Op internet heb ik  wel het een en ander gelezen over de verhoren maar of dat juist is weet ik niet.

Smeets: U zegt op internet heb ik wel wat gelezen, maar of dat juist is weet ik niet? Heeft u er met uw advocaat over gesproken, over de inhoud van de verhoren?

Van Otterlo: Nee.

Vis: heeft u ooit een training gekregen over hoe op te treden als getuige?

Van Otterlo: Ja, heb ik gekregen.

Vis: Pas geleden?

Van Otterlo: Een week of 8 geleden, of 7, weet ik niet precies, heb ik een rechtbanktraining gehad.

Vis: Specifiek met oog op dit verhoor?

Van Otterlo: Niet op dit verhoor, maar wel op het feit dat ik hier moest komen.

Vis: Hebt u daar in uw eentje aan deelgenomen?

Van Otterlo: Nee.

Vis: Ook andere betrokkenen van deze zaak?

Van Otterlo: Ja.

Vis: Kunt u aangeven welke andere personen daar bij waren?

Van Otterlo: De heer van Weerelt was daarbij.

Vis: Buiten u om andere aanwezigen?

Van Otterlo: Degenen die de trainingen gaven.

Vis: Samen met Van Weerelt hier een training gehad om hier verhoor af te leggen.

Van Otterlo: Over het feit dat we hier moeten komen wat niet gewoon voor ons is.

Vis: Daar zullen we ongetwijfeld nog op terugkomen, want u heeft dat toch al twee keer eerder gedaan.

Smeets: Op wiens initiatief?

Van Otterlo: Van de leiding.

Smeets: Wie is uw leidinggevende?

Van Otterlo: De heer Ligtvoet.

Smeets: Kwam hij naar u toe?

Van Otterlo: We hebben overleg gehad dat ik hier moest getuigen en er is afgesproken dat ik rechtbanktraining zou krijgen.

Smeets: Was meneer Snijders daar nog bij betrokken?

Van Otterlo: Nee.

Vis: Is er tijdens de training op enigerlei wijze instructie gegeven op de wijze waarop u hier zou moeten antwoorden?

Van Otterlo: Niet inhoudelijk.

Vis: Wel anderszins?

Van Otterlo: Het is gewoon training.

Vis: Op enigerlei wijze zijn er casussen aan de orde gekomen?

Van Otterlo: Dat zijn gewoon standaardcasussen denk ik. Dat je weet van de gang van zaken in een rechtbank.

Vis: Had die casus enigerlei raakvlak met hetgeen wij vandaag behandelen.

Van Otterlo: Geen enkel.

Vis: Zijn er enigerlei beperkingen of restricties opgelegd met betrekking tot hetgeen u hier gaat verklaren?

Van Otterlo: Ik heb natuurlijk geheimhoudingsplicht.

Vis: Zijn er dingen die u tot nu toe vanwege geheimhoudingsplicht dingen achterwege heeft gelaten?

Van Otterlo: Tot nu toe niet.

Vis: Zou u dat willen aangeven?

Van Otterlo: Zal ik aangeven.

Vis: Met betrekking tot het onderzoek naar meneer van Laarhoven, u heeft al een aantal contactpersonen genoemd. Meneer van Weerelt, meneer Van Delft, verder nog contactpersonen?

Van Otterlo: Het onderzoeksteam.

Vis: Zijn deze contactpersonen nog gefluctueerd tijdens onderzoek?

Van Otterlo: Er zijn wel mensen uitgestroomd en ingestroomd gedurende de jaren.

Vis: Maar dan gaat het om betrokkenen bij het team?

Van Otterlo: Ja.

Vis: Zijn de doelstellingen gedurende de loop veranderd of ontwikkeld

Van Otterlo: Ja.

Vis: Kunt u dit schetsen?

Van Otterlo: Op enig moment is de nadruk meer gelegd op het financiële deel.

Vis: Specifiek met betrekking tot de stap nar Thailand, bent u op de hoogte geraakt en hoe dat meneer Van Laarhoven en zijn levenspartner in Thailand verbleven?

Van Otterlo: Op enig moment is mij dat bekend geworden, maar als u vraagt wanneer, dat weet ik niet.

Vis: Is het verblijf van Johan van Laarhoven en zijn levenspartner in Thailand onderwerp van gesprek geweest?

Van Otterlo: Ik weet niet goed wat u bedoelt.

Vis: Is er gesproken over hoe om te gaan met dat in ieder geval één verdachte in Thailand verbleef, is dat onderwerp van gesprek geweest?

Van Otterlo: Vast wel.

Vis: Op welke wijze?

Van Otterlo: Nee, misschien wel op meerdere momenten.

Vis: Kunt u zich herinneren of ooit is besproken hem naar Nederland te halen?

Van Otterlo: Dat weet ik niet.

Vis: Is op enig moment overwogen om meneer van Laarhoven en zijn levenspartner uit te nodigen voor een verhoor?

Van Otterlo: Voor zover mij bekend was dat nog niet ter sprake geweest. Voor zover ik mij kan herinneren niet.

Vis: Is in de vroege fase besproken om de Thaise justitie bij het onderzoek te betrekken? Kunt u zich dat herinneren?

Van Otterlo: We zijn daar geweest om te kijken of de Thai iets kon betekenen voor ons.

Vis: U zult niet in één keer poef in Thailand komen? Hoe is dat ter sprake gekomen?

Van Otterlo: Wanneer weet ik niet precies. Maar het zal vast te maken hebben gehad met geldstromen.

Smeets: Nog even over onderzoek voor u in Thailand beland bent. Is het waar dat een deel van het onderzoek tijdelijk is geparkeerd?

Van Otterlo: Het zou afgewerkt worden in een deel van het onderzoek en de nadruk zou meer op het financiële vlak komen.

Smeets: Kunt u zich herinneren wat daar de aanleiding voor was?

Van Otterlo: Dat kan ik mij niet herinneren.

Smeets: Kan het zijn dat de uitspraak in de Checkpoint zaak daar mede aanleiding voor was misschien?

Van Otterlo: Dat zou best kunnen. Er is vast wel over gesproken, maar u vraagt mij of ik mij dat precies kan herinneren. Dat weet ik niet. Ik weet het niet zeker.

Smeets: Toch nog heel even. U zegt een deel van het onderzoek is afgerond er is gesproken waarom dat zou zijn gebeurd, maar zegt u: ik kan mij niet herinneren wat daar is gezegd. Begrijp ik dat nou goed?

Van Otterlo: Ik heb gezegd: een deel van het onderzoek zou worden afgerond, met name met druggerelateerde feiten en financieel onderzoek zou voortgang vinden.

Smeets: Dus het onderdeel, drugsgerelateerde feiten, wij noemen dat De Achterdeur, dat zou worden afgerond?

Snijders: Dat is een suggestie.

Smeets: Nee, dat is een vraag.

Van Otterlo: De drugsgerelateerde feiten zouden worden afgerond.

Smeets: Waarom gaat het dan? Stashes?

Van Otterlo: Onder andere, stashes, er waren andere drugsgerelateerde feiten.

Smeets: Welke?

Van Otterlo: Er was nog een aanhouding verricht met een auto met drugs.

Smeets: Hoe zou dat worden afgerond?

Van Otterlo: Hoe exact was aan de teamleider.

Smeets: U heeft ook net iets verklaard. Nee, anders. Lastig want we moeten even terug in de tijd, de tijd voor november 2013, voor de powerpoint presentatie. Had u toen al meer onderzoeken naar coffeeshops gedaan?

Van Otterlo: Ik ben eerder betrokken geweest bij stashruimte.

Smeets: Dat was niet mijn vraag.

Rechter: Dit was het eerste onderzoek naar coffeeshops?

Van Otterlo: Stashruimte, van een coffeeshop, dan zit daar natuurlijk ook een coffeeshop bij.

Smeets: U zei dat de structuur nogal fors was voor een coffeeshoop, hoe kunt u dat bepalen als u nog nooit een onderzoek naar eenn coffeeshop was begonnen?

Van Otterlo: In mijn opinie was die fors.

Smeets: Waar baseert u dat op?

Van Otterlo: Op wat ik zie.

Smeets: Maar waar vergelijkt u dat dan mee?

Van Otterlo: Niet met andere coffeeshops.

Smeets: U heeft eigenlijk geen idee hoe de structuur van coffeeshops is.

Bitter: Bezwaar!

Smeets (verheft zijn stem): heeft u enig idee van structuren van coffeeshops?

Van Otterlo: In zijn algemeenheid?

Smeets: Ja.

Van Otterlo: Nou, geen.

Smeets: Geen idee.

Bitter: Ik vraag me werkelijk af wat de relevantie is.

Smeets: Dat lijkt me vrij evident.

Bitter: Ik vraag het me af.

Smeets: Dit is een goede vertragingstactiek.

Bitter: Nee, nee, nee, nee.

Rechter: U kunt er kort over toelichten en dan zal ik er over beslissen.

Smeets: Het is nogal van belang dat als iemand verklaart, niet alleen hier maar ook in Thailand, over een structuur die, dat zegt hij letterlijk: “er was een aanleiding om te vermoeden van witwassen gezien de forse structuur van de coffeeshop”. Dan is het nogal relevant waar hij die op baseert.

Rechter: Ja, die vraag sta ik toe.

Smeets: U heeft gezegd dat er een vermoeden was, onder andere vanwege de forse structuur? Heeft u de verdachten daar ooit in de gelegenheid van gebracht om iets van te vinden, van dat vermoeden?

Van Otterlo: Dat is niet mijn taak.

Smeets: Waarom niet, u heeft toch een vermoeden?

Van Otterlo: Het is niet gebeurd.

Smeets: Was er geen interesse binnen het team?

Van Otterlo: De stand van het onderzoek was nog niet zo ver.

Smeets: Maar dan begrijp ik het niet zo goed. Er was een vermoeden onder andere vanwege de forse structuur zonder dat u dat kon vergelijken en dan gaat u naar Thailand om dat uit te leggen. Zag u dan geen noodzaak om bij verdachten te vragen hoe de structuur was zoals die was?

Bitter: Is dat nou een vraag aan deze getuige?

Rechter: Het is niet gebeurd.

Smeets: Zag u de noodzaak?

Snijders: Ik wil dat u rekening houdt met dat hij onderdeel is van een team, en binnen dat team taken uitvoert. Meneer is fiscaal specialist, hij kan elk bedrijf in Nederland onderzoeken. Dus ik heb er echt moeite mee dat het op deze manier gaat.

Rechter: De vraag is of meneer bekend is met het feit waarom dat niet is gebeurd?

Smeets: Is de noodzaak besproken om dit te bespreken met verdachten?

Van Otterlo: Toen niet.

Smeets: Niet voorafgaand aan de reis naar Thailand. Nog een andere vraag. U heeft net iets gezegd over de powerpoint presentatie. Over alle vragen van de rechter zegt u dat weet ik niet meer, begrijp ik dat goed?

Van Otterlo: Klopt.

Smeets: Is dat op enigerlei wijze vastgelegd die powerpoint presentatie?

Van Otterlo: Niet door mij.

Smeets: Door anderen?

Van Otterlo: Weet ik niet.

Smeets: U heeft voorafgaand niets op papier gezet? Stond er nog niets anders op papier dan die sheets van de powerpoint presentatie?

Van Otterlo: Ik ga er vanuit dat ik aantekeningen had van wat ik zou gaan vertellen bij die sheets.

Smeets: Heeft u die aantekeningen nog?

Van Otterlo: Dat weet ik niet.

Smeets: Die aantekeningen die u ging bespreken, had u met niemand anders verder besproken?

Van Otterlo: Dat weet ik niet.

Rechter: U sluit niet uit dat er aantekeningen zijn gemaakt?

Van Otterlo: Nee, dat sluit ik niet uit.

Smeets: Ik wil best toelichten wat de Staat heeft gezegd wat er bij die powerpoint presentatie gepresenteerd zou zijn. Ik probeer te achterhalen waar ik dat op zou moeten baseren. Mijn andere vraag is: uit het feit had ik misschien aantekeningen of niet, we hebben niet besproken wat we gingen zeggen.U had op dat moment voldoende kennis om op basis van die sheets een presentatie te geven?

Van Otterlo: Wat betreft de structuren wel.

Smeets: Oké, bent u dat inmiddels vergeten?

Van Otterlo: Dat is geëvolueerd.

Smeets: En nu kunt u niet meer reconstrueren wat u toen gezegd heeft, aan de hand van uw eigen powerpoint presentatie?

Van Otterlo: Nee, ik kan niet zeggen wat ik toen gezegd heb.

Smeets: Is er iemand die ons daarmee kan helpen zo ver u weet? Ik wil het gewoon weten.

Rechter: Hij zegt dat hij niet weet of iemand aantekeningen heeft gemaakt.

Van Otterlo: Over wat er feitelijk gezegd is durf ik niet te zeggen.

Vis: Voorafgaand aan die presentatie is er een en ander besproken. Is er besproken van te voren wat er over het gedoogbeleid zou gezegd worden?

Van Otterlo: Nee, weet ik niet.

Vis: Was u bekend met de inhoud van het gedoogbeleid?

Van Otterlo: Niet specifiek, alle voorwaarden en dergelijke.

Vis: Is er binnen het onderzoeksteam gesproken over de aanvoer van cannabis aan de coffeeshops voorafgaand aan de powerpoint presentatie? Met van Weerelt, van Delft?

Van Otterlo: Het onderzoek wat ik gepresenteerd heb is besproken, dus ik neem aan dat het besproken is.

Vis: ik probeer te achterhalen of er gesproken is in de voorbereiding van de powerpoint presentatie van de achterdeur?

Snijders: Dat is uw conclusie?

Van Otterlo: Ik ga daarheen. Er zal wellicht gesproken zijn over drugs die vanuit bepaalde delen naar de coffeeshops is gegaan.

Rechter: Alleen als u zich kunt herinneren dat er daadwerkelijk iets is gebeurd.

Van Otterlo: Ik kan mij zo niet herinneren een datum, plaats en tijd dat het is besproken. Het is logisch dat het over  drugs gegaan is.

Vis: Het hoeft niet specifiek met datum, plaats, tijd, ik vraag me meer af of het is besproken.

Van Otterlo: Het kan niet anders dan dat wij daar over gesproken hebben ja.

Vis: Kunt u zich herinneren over de voorbereidingen? Of er  is gesproken over hoe rechters tegen de achterdeur aan kijken?

Van Otterlo: Ik denk wel dat we dat op enig moment hebben besproken.

Vis: Ik ben op zoek naar: is op enig moment besproken of die visie van rechters zou worden besproken in de powerpoint presentatie, kunt u zich daar iets van herinneren?

Van Otterlo: Nee. Dit is een andere type onderzoek dan alleen drugs. Dit is een onderzoek met meer facetten. Dit is veel uitgebreider.

Smeets: We hadden het net over Checkpoint, dat was volgens u een van de onderdelen waardoor delen van het onderzoek zouden worden afgerond.

(volgt discussie over wie wat precies gezegd heeft. Smeets haalt het proces verbaal aan, waarin deze zinsnede zou staan)

Smeets: Die Checkpoint-zaak, die kent u?

Van Otterlo: Ik heb er van gehoord.

Smeets: U weet ook wat daar ten laste werd gelegd?

Van Otterlo: Nee.

Smeets: Is het u bekend dat het in die zaak ging over de achterdeur, maar ook over witwassen en criminele organisatie.

Van Otterlo: Nee.

Smeets: Dat was u niet bekend. Was er een verschil tussen de tenlastelegging, wat was de verdenking ten aanzien van de The Grass Company toen u naar Thailand ging?

Bitter: Waarom wordt deze vraag aan deze getuige gesteld en wat is de relevantie?

Smeets: Het lijkt me vrij evident. Ik snap niet waarom ik dat steeds moet herhalen. Het is nogal simpel. Deze getuige heeft een verklaring afgelegd in Thailand. En hij zegt net dat hij op basis van jurisprudentie een zelfde soort zaak vindt, en dan wil ik graag weten wat het verschil is.

Bitter: Hij verklaart dat er over is gesproken. Hij heeft niet gezegd dat hij er zelf over heeft gesproken.

Smeets: Nee, maar meneer heeft net verklaard over de jurisprudentie, maar dit was een ander soort zaak. Wat was concreet de verdenking ten aanzien van The Grass Company toen u naar Thailand reisde?

Van Otterlo: Meer dan alleen de feiten als het aantreffen van teveel drugs in de stashes.

Smeets: Welke?

Van Otterlo: Witwassen, criminele organisatie.

Smeets: Bent u bekend met uitspraak van Den Bosch, van 29 oktober 2013 ten aanzien van The Gras Company.

Van Otterlo: Ik heb er weleens van gehoord.

Smeets: kende u die uitspraak toen u naar Thailand reisde?

Van Otterlo: Dat durf ik niet te zeggen.

Smeets: Dit was vlak voor u naar Thailand ging, en u kunt zich dat niet herinneren?

Van Otterlo: Ik weet het niet.

Smeets: Ik kan mij dat moeilijk voorstellen. Hier wil ik wat meer vragen over stellen. U gaat naar Thailand om een powerpoint presentatie te geven, daarbij wordt besproken te zien aan de sheets, welke strafbare feiten The Grass Company gepleegd zou hebben. En een van die zaken is waar de rechtbank op 29 oktober 2013 een uitspraak heeft gedaan. Is dat besproken door het team?

(geroezemoes)

Snijders: Dat is een stelling.

Smeets: Dat is geen stelling, dat is een feit meneer Snijders.

Rechter: Laten we even de vraag stellen.

Smeets: Mijn vraag is heel concreet: Er is een uitspraak gedaan door de rechter in de zaak die in de powerpoint presentatie wordt genoemd, ik wil graag weten, is dat besproken door het team?

Vis: Het gaat om sheet nummer ‘ Crimes of the past, zou gepleegd zijn’ 8,5 kg en een kleine 15.000 joints.

Smeets: Is besproken dat in die zaak die in de powerpoint presentatie, kort voor uw reis, uitspraak is gedaan door de rechter?

Van Otterlo: Voor zover ik mij kan herinneren, niet met mij.

Smeets: Heeft u ten aanzien van de informatie in de powerpoint presentatie gecontroleerd of die juist was voor u hem presenteerde?

Van Otterlo: Datgene wat in de powerpoint presentatie staat lijkt mij de juiste info op dat moment.

Smeets: Die zaak is niet aan de orde gekomen?

Van Otterlo: Niet dat ik mij kan herinneren.

Smeets: De zaak uit 2008 is die besproken?

Van Otterlo: Durf ik niet te zeggen, ik weet het niet.

Smeets: bijvoorbeeld dat er geen vervolging heeft plaats gevonden?

Van Otterlo: Volgens mij is er in die zaak wel iemand veroordeeld.

Smeets: Die zaak is geseponeerd.

Snijders: Getuige weet het niet meer.

Smeets: U kunt hem wel willen helpen, meneer Snijders.

Van Otterlo: Niet aan de orde geweest tijdens of voor de powerpoint presentatie, voor zover ik mij kan herinneren.

Vis: Ten aanzien van de inhoud van de powerpoint presentatie is op enig moment voorafgaand besproken wat de potentiële risico’s zouden zijn voor de heer Van Laarhoven en zijn levenspartner?

Van Otterlo: Niet door mij.

Vis: Ook niet met u.

Van Otterlo: Nee.

Rechter: Weet u of er na de powerpoint presentatie nog een vervolg afspraak is gemaakt met de Thai?

Van Otterlo: Een vervolgafspraak?

Rechter: Wat zou er gebeuren?

Van Otterlo: Op dat moment was nog niet duidelijk of daar een vervolg aan zou worden gegeven.

Smeets: Hoe is uw Engels?

Van Otterlo: Voldoende om de stukken te presenteren.

Smeets: Kunt u zich herinneren dat er in de rechtbank in Thailand een gedoe is ontstaan omtrent tolken toen u een verklaring moest geven.

Van Otterlo: Ik weet dat er gedoe is ontstaan.

Rechter: Op enig moment, 21 mei 2014, was er een staatsgreep, was u daarvan op de hoogte?

Van Otterlo: Op dat moment was ik wel op de hoogte.

Rechter: Heeft dat nog specifiek tot instructies geleid in het kader van dit onderzoek van meerderen?

Van Otterlo: Nee.

Rechter: Heeft u met mensen van het onderzoek naar aanleiding hiervan besproken of dit consequenties zou hebben, is er contact geweest met de Thai?

Van Otterlo: Wat ik mij nu kan herinneren is dat niet met mij besproken.

Rechter: Het is niet besproken, maar er zijn ook geen consequenties geweest?

Van Otterlo: Ik heb geen contact met de Thai.

Rechter: Voor zover u weet, u kunt niet bevestigen dat de staatsgreep invloed had op de gevolgen van het onderzoek?

Van Otterlo: Voor zover ik weet niet.

Rechter: Er is een rechtshulpverzoek gedaan. Nu zijn we bij juli 2014 aangekomen. Bent u betrokken geweest bij het opstellen?

Van Otterlo: Als u met opstellen, het typen van tekst bedoelt, wel ja.

Rechter: U heeft tekst aangeleverd?

Van Otterlo: Samen met andere mensen van het onderzoeksteam.

Rechter: Weet u nog concreet, een bepaald gedeelte?

Van Otterlo: Gegevens verzameld en aangeboden aan de officier.

Rechter: Heeft u nog de definitieve versie er van gezien.

Van Otterlo: Ik vermoed van wel.

Rechter: Dat heeft u dan nog bekeken en nagelezen om te kijken of wat u had aangeleverd correct is weergegeven.

Van Otterlo: Ja, dat denk ik wel, maar is wel erg lang geleden. Dus precies weet ik het niet.

Rechter: Was u er ook op de hoogte van dat er eerdere rechtshulpverzoeken waren gedaan aan andere landen? Spanje, Luxemburg?

Van Otterlo: Was ik van op de hoogte ja.

Rechter: Klopt het dat die gelijktijdig zouden worden uitgevoerd met wat aan de Thai gevraagd werd.

Van Otterlo: Of dat allemaal mogelijk was wisten we niet, maar we wilden in zo kort mogelijk tijdsbestek zoveel mogelijk uitvoeren.

Rechter: Ik heb gehoord over actiedagen?

Van Otterlo: Er zijn actiedagen geweest in Luxemburg en Spanje. Exacte data weet ik niet meer.

Rechter: 2 en 4 juli zijn genoemd. Zegt u dat iets?

Van Otterlo: Ja dat kan.

Rechter: Het was maar de vraag of alles tegelijk afgehandeld zou kunnen worden. Wanneer kwam aan de orde dat het misschien problematisch was?

Van Otterlo: Dat durf ik niet te zeggen precies.

Rechter: En iets minder precies.

Van Otterlo: We hebben van tevoren besproken dat we dat niet allemaal op één dag konden doen. Dat had te maken met personeel dat beschikbaar was.

Rechter: Is er een moment geweest dat de Thai niet op hetzelfde moment de gevraagde acties zou kunnen uitvoeren.

Van Otterlo: Ik heb daarover niet gecorrespondeerd.

Rechter: Nee, maar ik vraag of het besproken is bijvoorbeeld.

Van Otterlo: Ik heb wel begrepen dat de Thai niet op 2 en 4 juli een rechtshulpverzoek kon verrichten.

Rechter: Wanneer wist u dat?

Van Otterlo: Ergens tussen het begin van het rechtshulpverzoek en de actiedagen?

Rechter: Toen werd geconcludeerd dat de Thai niet 2 en 4 juli de actie uit kon voeren is dat nog besproken?

Van Otterlo: Niet met mij.

Rechter: Iets over opgevangen?

Van Otterlo: Nadien heb ik daar iets over opgevangen.

Rechter: Wat is nadien?

Van Otterlo: Wat is nadien? Durf ik niet te zeggen, ik weet niet wanneer dat precies was.

Rechter: Was dat voor of na de aanhouding van meneer Van Laarhoven? Is besproken hoe daar mee om te gaan? Het gaat mij om enigszins een idee te krijgen wanneer dat nadien was.

Van Otterlo: Dat durf ik niet te zeggen.

Rechter: Niets concreets waarvan u zegt daarvoor of daar achter?

Van Otterlo: Dan moet ik gokken.

Smeets: De getuige zegt wel heel vaak, dat weet ik allemaal niet. Hij zegt: dan moet ik gaan gokken en dat doe ik hier niet. Maar er is een verschil tussen gokken en een educated guess. Ik vind het wel eerlijk gezegd, dat is mijn mening, een beetje op het randje dat deze getuige zogenaamd niets meer weet.

Bitter: Laten wij proberen.

Smeets: Dat wil ik nou juist voorleggen aan de rechter commissaris.

Bitter: Ik wil graag dat wij het hier neutraal houden.

Smeets: Wij zijn hier om de waarheid boven tafel te halen en die waarheid komt niet boven water als iemand steeds zegt dat hij het niet weet.

Bitter: Een van de basisregels voor getuigen is dat als ze het niet meer weten, ze niet moeten gaan gokken.

Smeets: De vraag is of getuige het niet meer weet.

Rechter: Ik constateer dat getuige ook wel educated guesses geeft. Ik houd u voor, als u zich herinnert moet u dat verklaren. We hadden het over hoe om te gaan met het feit dat de Thai niet tegelijk zou kunnen opereren, u weet dat niet meer.

Van Otterlo: Daar hebben we het niet over gehad.

Rechter: Heeft iemand contact gehad met meneer Olde Engberink, op het moment dat duidelijk werd dat de Thai niet kon leveren?

Van Otterlo: Op dat moment niet, later heb ik begrepen dat dat is gebeurd.

Rechter: Weet u nog, Spanje hadden we net aan de orde en Luxemburg, bent u daar ook betrekken bij geweest, heeft u daar ook gegevens voor aangeleverd?

Van Otterlo: Ja.

Rechter: Weet u ook of die rechtshulpverzoeken eerder zijn opgeleverd of eerder aan geleverd?

Van Otterlo: Die informatie heb ik eerder aan geleverd. Vermoed ik.

Rechter: Weet u ongeveer hoe veel eerder dan aan de Thai?

Van Otterlo: Nee.

Rechter: Bij benadering?

Van Otterlo: Nee, maar die datum staat als het goed is in de rechtshulpverzoeken.

Rechter: Heeft u nog herinneringen aan na die actiedagen, of er nog gesproken is over hoe zit het met de Thai?

Van Otterlo: Er is contact geweest, wanneer die rechtshulpverzoeken wel uitgevoerd zouden worden.

Rechter: Is daar over gesproken hoe dat verder zou gaan?

Van Otterlo: Ik heb begrepen dat er op enig moment uitvoering aangegeven zou worden.

Rechter: De vraag is of u heeft gehoord of er na de actiedagen nog is verzocht aan de Thai of de heer Olde Engberink of het bespoedigd zou kunnen worden de uitvoering?

Van Otterlo: Ben ik niet bij betrokken geweest.

Rechter: Wat in deze zaak ook nog aan de orde is is een brief, ik neem aan dat u weet waar ik het over heb. Bent u daarbij op enigerlei wijze betrokken geweest bij de aanloop naar de brief.

Van Otterlo: Voor zover ik mij kan herinneren heb ik die brief nooit gezien.

Rechter: U heeft ook nooit een concept gezien?

Van Otterlo: Voor zover ik mij kan herinneren niet.

Rechter: Bent u betrokken geweest bij de aanvraag voor bespoediging, wat heeft geresulteerd in de brief van 14 juli?

Van Otterlo: Nee.

Rechter: Geen enkel gesprek bijgewoond om de Thai te bewegen om sneller te handelen. Probeert u zich dat te herinneren.

Van Otterlo: Voor zover ik mij dat kan herinneren niet. We hadden veel in beslag genomen.

Rechter: In die Europese actie?

Van Otterlo: Ja, dus er was veel werk te doen.

Vis: Even over de periode tussen het afleggen van de powerpoint presentatie en het uitvaren van het rechtshulpverzoek. Hebt u in die periode contact gehad met Olde Engberink of de Thaise autoriteiten?

Van Otterlo: Zou kunnen zijn dat ik een keer wat heb verstuurd naar de heer Olde Engberink. Maar exact weet ik dat niet.

Vis: Waar ging dat contact over eventueel?

Van Otterlo: Zou best kunnen zijn dat ik hem een keer aan de lijn heb gehad, maar dat durf ik zo niet te zeggen.

Vis: Kunt u zich herinneren dat er tussen die periode van de powerpoint presentatie en het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek op enig moment is besproken om meneer Van Laarhoven en zijn levenspartner naar Nederland uit te nodigen?

Van Otterlo: Niet met mij.

Vis: We hebben het al over de staatsgreep gehad van mei 2014. Kunt u zich nog herinneren hoe op de hoogte van staatsgreep?

Van Otterlo: Ik kijk ook media.

Vis: Uit de media, maar niet in overleg met het onderzoeksteam? Is die staatsgreep ter sprake geweest?

Van Otterlo: Er is gesproken dat je ziet dat er een staatsgreep is geweest. Maar dat is het dan ook. Zoals wel meer krantenberichten besproken worden.

Vis: Toen dat aan de orde was, is op enigerlei wijze ter sprake gekomen of die staatsgreep mogelijk consequenties zou hebben voor de zaak met Johan van Laarhoven.

Van Otterlo: Niet met mij.

Vis: Heeft u zelf ooit aanleiding gezien om dit aan de kaak te stellen bij het onderzoeksteam?

Van Otterlo: Ik heb dat niet ter sprake gebracht.

Vis: Was er een bijzondere reden waarom u dat niet ter sprake heeft gebracht?

Van Otterlo: Ik heb het niet ter sprake gebracht.

Rechter: U heeft het ook niet overwogen.

Van Otterlo: Ik heb het niet overwogen.

Vis: Is er op enig moment door u rekenschap aan gegeven dat als gevolge van die staatsgreep meneer van Laarhoven of zijn partner, mogelijk een wat minder mensenrechtelijke behandeling zouden krijgen?

Van Otterlo: De vraag nog een keer?

Vis: Misschien is het vragen naar de bekende weg. Is het bij u op enig moment opgekomen of ter sprake gebracht dat vanwege de staatsgreep meneer Van Laarhoven daar mogelijk met iets minder mensenrechtelijke waarborg een behandeling zouden krijgen?

Van Otterlo: Is door mij niet ter sprake gebracht.

Vis: Door iemand anders?

Van Otterlo: Niet waar ik bij was.

Vis: Even dat rechtshulpverzoek: als het opstellen moet bevatten dat ik daar aan heb bijgedragen dan wel, kunt u herinneren welke delen?

Van Otterlo: In principe het financiële deel, en mogelijk aan de lay-out.

Vis: Hebt u ten aanzien van het rechtshulpverzoek nog specifieke instructies gekregen wat er daar in moet staan?

Van Otterlo: Het is zo dat het rechtshulpverzoek in concept wordt opgesteld. Uiteindelijk wordt door de Officier van Justitie feitelijk besloten wat daar in staat.

Vis: Wie is er bijvoorbeeld op gekomen om de verzochte handelingen te vragen? Heeft u dat bedacht of de heer van Weerelt? Heeft meneer Van Weerelt gezegd, joh, vraag even of ze beslag willen leggen? Hoe moet ik me dat voorstellen.

Van Otterlo: Nee, nee, nee. Die zijn besproken met de teamleider en met de officier.

Vis: Vervolgens is dat in concept opgemaakt en heb ik nou goed begrepen dat dat concept door u is opgemaakt en Van Weerelt samen?

Van Otterlo: Nee, ik weet niet wie er allemaal exact aan gewerkt hebben. Maar binnen een team wordt dat concept uitgewerkt en ik heb daar mijn deel aan bijgedragen.

Vis: Dus er is wel overleg geweest met de teamleider en de Officier van Justitie, zijn daar verder nog instructies gegeven aan wat er wel en niet in moest komen te staan.

Van Otterlo: Ik heb de stukken geschreven, financieel, en ja, het is gelezen door de teamleiding, die heeft waarschijnlijk ook nog een stukje aan gedragen.

Vis: Is er op enig punt besproken of er een nadruk op werd gelegd op iets bepaalds?

Van Otterlo: Ja in principe specifiek het financiële gedeelte voor mij.

Smeets: Voor mijn beeldvorming, het is besproken en daarna naar de officier gegaan. Dat eerste bespreken, teamoverleg, hoe ziet dat eruit? Wie zijn daar bij? Wat wordt daar besproken?

Van Otterlo: Dat is lastig om zoveel jaar terug te gaan.

Smeets: ik hoop dat u zich kunt herinneren bij dat teamoverleg, was de Officier van Justitie daarbij?

Van Otterlo: Ja, die bepaalt daarover.

Smeets: Heeft de Officier van Justitie nog in een concreet geval gezegd ik wil die, die en die informatie hebben?

Van Otterlo: Ja.

Smeets: En heeft hij aangegeven: ik wil bepaalde informatie, die hoef ik niet te hebben?

Van Otterlo: Ik kan me niet herinneren dat hij dat gezegd heeft. Het was toegespitst op het financieel gebied, dat kan ik mij alleen herinneren.

Smeets: Iemand heeft dit samengesteld, begrijp ik dat goed?

Van Otterlo: Ja.

Smeets: Weet u nog wie dat was?

Van Otterlo: Durf ik niet te zeggen.

Smeets: Is ook niet zo heel belangrijk. Het is naar de Officier van Justitie gegaan en u zei eerder vandaag al, toen heeft u het teruggekregen en het nog eens bekeken.

Van Otterlo: Ik vermoed dat ik het nog heb nagekeken. Als dat zo is, in het financiële gedeelte is niets veranderd. Voor zover ik mij kan herinneren. Aan de voorzijde heeft de officier nog iets veranderd, en aan het eind heeft de rechter-commissaris nog iets opgenomen.

Rechter: Nog iets bijgevoegd?

Van Otterlo: Er kwam nog een zinsnede bij over de toestemming van de rechter-commissaris. Dat staat me bij.

Smeets: Er is net gesproken over, u zelf hield geen contact met de Thai of de heer Olde Engberink. Het kan zijn dat u een keer een briefje heeft gestuurd.

Van Otterlo: Ik ben inderdaad niet de contactpersoon.

Smeets: Wie was dat wel?

Van Otterlo: Vanuit het onderzoeksteam uit was dat de heer Van Weerelt en vanuit het Openbaar Ministerie de officier.

Smeets: Weet u of de heer van Weerelt ook daadwerkelijk contact heeft onderhouden in die periode tussen de powerpoint presentatie in november en juni toen dat rechtshulpverzoek werd ingediend?

Van Otterlo: Ongetwijfeld. Inhoudelijk ben ik daar niet iedere keer bij geweest, dus dat weet ik niet.

Vis: Tot de periode van het rechtshulpverzoek, toen heb ik u gevraagd of aan de orde is gekomen om meneer Van Laarhoven uit te nodigen naar Nederland te komen, is het in het kader van het rechtshulpverzoek besproken?

Van Otterlo: Voor zover ik mij kan herinneren niet. Althans niet met mij.

Vis: Is besproken of het doen van het rechtshulpverzoek en het geven van bepaalde informatie, dat dat mogelijk negatieve consequenties kon hebben voor meneer Van Laarhoven aldaar?

Van Otterlo: Durf ik niet te zeggen.

Vis: Hebt u het ter sprake gebracht?

Van Otterlo: Nee. Ik heb het niet ter sprake gebracht.

Smeets: Ik heb nog twee allerlaatste vragen. Nog even over de training getuigenverhoor, is u het advies gegeven dat u vragen met de opmerking dat u het zich niet kunt herinneren moet beantwoorden?

Van Otterlo: Nee.

Smeets: Heeft u last van geheugenproblemen?

Snijders: Dit is weer een … (speculeren?)

Smeets: Nee, dit is een vraag: heeft u last van geheugenproblemen?

Van Otterlo: Voor zover ik weet niet.

Smeets: Voor zover u zich kunt herinneren niet.

(het verhoor is nog niet afgelopen, het zal bij een volgende gelegenheid verder gaan) 

Verslag: Christiaan Korterink

 

Brabantse Bonny & Clyde: moord op de makelaar

$
0
0

 

tessa-proces-1-web

In oktober 2011 staat in het Belgische dorpje Weelde een huis te koop. De vraagprijs voor de woning in de buitenwijk Het Nonnenbos is 247.500 euro. 

Het loopt niet storm met kopers, maar aan makelaar Gunther Haagen ligt het niet. De 38-jarige vrijgezel woont bij zijn ouders in het nabijgelegen Poppel, een kwartiertje rijden, en draait er als het moet zijn hand niet voor om ook in de avonduren op pad te gaan om potentiële kopers rond te leiden.

Gunther Haagen

Gunther Haagen

Op woensdagavond 19 oktober heeft hij om zeven uur ’s avonds een bezichtiging met een jong stel uit het grensplaatsje Baarle-Hertog, 5 kilometer verderop. Haagen parkeert zijn glanzende Range Rover voor de deur en gaat vast naar binnen. Het begint al aardig te schemeren. De aspirant-kopers zijn Manuel van V. (25) en zijn vriendin Tessa van D. (23). Gunther kan niet bevroeden dat hij met een smoes in de val is gelokt: het is niet om het huis te doen, maar om zijn auto.

In september 2015 staan Tessa en Manuel, ‘de Brabantse Bonny & Clyde’, terecht in Antwerpen, in een assisenproces met een volksjury. De voorzitter van de rechtbank is Dirk Thys. Tijdens de ondervraging van de verdachten ontrolt zich het gruwelijke drama. Hoe de twee doelbewust op pad gingen, met messen, om de makelaar te vermoorden en er met zijn auto vandoor te gaan. Daarna probeerde Manuel samen met handlanger Marc nog de ouders van Gunther af te persen, door losgeld te eisen.

Het Assisenproces in Antwerpen, september 2015. Vooraan links advocate Esther Vroegh; midden Pol Vandemeulebroucke. Boven links Tessa, midden Manuel van V., rechts Marc van D.

Het Assisenproces in Antwerpen, september 2015. Vooraan links advocate Esther Vroegh; midden Pol Vandemeulebroucke. Boven links Manuel van V., midden Tessa van D., rechts Marc van D.

Rechter: Zijn er bijzondere dingen te vertellen over uw jeugd?

Manuel: De eerste twee jaar was alles normaal. Ik was vooral alleen met mijn moeder. Ik ben naar school gegaan, zonder gekkigheid. Vanaf mijn vijftiende is dat veranderd. Mijn moeder is verkracht geweest, toen ben ik ontspoord. Met spijbelen en stelen.

Rechter: Vader?

Manuel: Niemand. Erik van V. (wiens achternaam hij draagt) heeft een tijdje bij ons ingewoond. Met hem had ik sporadisch contact. Dat ging goed, van mijn dertiende tot mijn achttiende. Tot het moment van de feiten.

Rechter: Wat was het keerpunt?

Manuel: Ik wilde de daders zoeken en niemand had iets gedaan, mijn moeder zat in de psychiatrie, ik was alleen thuis. Ik voelde een extreme woede, iets wat ik nog nooit had gekend.

Rechter: U heeft een koksopleiding gevolgd, maar geen enkel diploma. Met zeventien bent u gestopt op school.

Manuel: Vanwege diefstal, uit winkels. Herhaaldelijk. Toen heb ik een taakstraf gekregen.

Rechter: Veranderde dat iets aan uw gedrag?

Manuel: Nee, dat heb ik tegen mijn moeder verzwegen.

Rechter: Uw ouders werden er toch van in kennis gesteld?

Manuel: Mijn moeder op een gegeven moment wel. Ik kwam met gestolen kleding thuis.

Rechter: Wat kan u ons vertellen over middelengebruik?

Manuel: Jointjes.

Rechter: U was niet meer welkom op school.

Manuel: Ik ging er effetjes tussenuit, ik was boos op moeder. Omdat ik ander leven leidde. Jointjes, rebels. Laat buiten blijven. Op mijn negentiende ging ik weg. Ik was aan het werk voor een entertainmentbedrijf, flyeren. Daar had ik inkomen van. Ik woonde bij mijn stiefvader. Bijna een jaar, toen ging ik terug naar moeder. De verstandhouding met mijn stiefvader was goed, hij liet mij vrij. Toen kreeg ik wat onenigheid met hem en heb ik het goedgemaakt met mijn moeder.

Rechter: U kwam in een verkeerd milieu. Hoe waren de jaren tot aan Tessa?

Manuel: Ik heb voor vals geld gezeten en oplichting. Twee weken, in Nederland. Ik wilde studeren; dat ging anderhalf jaar goed, toen nam ik weer drugs en alcohol. Ik wilde niet meer in de gevangenis. Reclassering Nederland hielp, die zorgde voor een huis en een baan.

Rechter: Waarom ging het dan toch fout, na die levensles?

Manuel: Ik zat een jaar in de gevangenis. Het ging lang goed. Ik had met studenten te maken. Drinken, drugs. Ik werd gekleineerd, ik moest moeder geld vragen, daar schaamde ik me voor. Toen was ik 24.

Rechter: Drugsgebruik?

Manuel: Flink. Speed, marihuana, alles wat drugs was.

Rechter: Dat kost ook geld.

Manuel: Eerst met werken, daarna met diefstal. Inbraken, overvallen en oplichtingen. Inbraak waarbij mensen thuis waren.

Rechter: Heeft u er nooit bij stilgestaan: als vijftienjarige is uw moeder in haar woning verkracht, is er ooit reflectie geweest: als ik een woning van mensen indring, wat daar het gevolg van kan zijn?

Manuel: Op dat moment dacht ik daar niet aan. Ik stond nergens bij stil.

Rechter: Hoe heeft u Tessa leren kennen?

Manuel: Ik werkte als kok en barman bij De Drie Gezusters, in 2009. We zijn snel gaan samenwonen. Er is nooit over gesproken wie wat financiert, dat deden we gezamenlijk.

Rechter: Wat was de klik?

Manuel: Het was een leuke meid. Toen het begon, met overvallen, waren we een koppel. De drugs kwamen later.

Rechter: Wist Tessa van de criminele activiteiten? Wat was de drijfveer om te gaan samenwonen?

Manuel: Geld.

Rechter: Twee jonge mensen. Was er geen mogelijkheid een gewone baan te vinden?

Manuel: Als we een weekend hadden gehad, drugs gebruikt, gezellig, dan wilden we dat zo snel mogelijk overdoen, criminaliteit is de enige uitweg.

Rechter: Dat deden jullie samen.

Manuel: Inderdaad.

Rechter: Samen op dievenpad, samen inbraken en overvallen?

Manuel: Ook wel met iemand anders erbij.

Rechter: U had allebei een actief aandeel?

Manuel: Ja.

Rechter: Met geweld, allebei?

Manuel: Ja, uiteindelijk wel.

Rechter: Wapens?

Manuel: Bedreiging met mes of pistool.

Rechter: Heeft u zelf mensen bedreigd?

Manuel: Ja.

Rechter: Heeft Tessa dat gedaan?

Manuel: Ja, ook.

Rechter: Met welke frequentie?

Manuel: Als het geld op was, na drie of vier dagen.

Rechter: Wat werd er gestolen?

Manuel: Geld, goud, apparatuur.

Rechter: Gebruikte Tessa drugs?

Manuel: Ja, dat deden we samen.

Rechter: Hoe zag het leven van alledag eruit?

Manuel: We stonden op. Drinken, een lijntje, aan het einde van de dag gingen we meestal uit. Feestje. En als het geld op was gingen we ’s avonds op dievenpad.

Rechter: Hoe lang heeft dat geduurd?

Manuel: Ongeveer twee, drie maanden, het drugsgebruik zes maanden. Dus ongeveer een half jaar vóór dit.

Rechter: Werkte Tessa?

Manuel: Ja, via een uitzendbureau.

Rechter: Hoe combineerde ze dat?

Manuel: Het was te combineren.

Rechter: Onder invloed, inbreken, waar blijft de tijd om te werken?

Manuel: Als je drugs gebruikt, denk je soms dat je helder bent terwijl je dat niet bent.

Rechter: Waar was meneer Van D. in dat plaatje

Manuel: Die kwam pas later. We kenden hem vanuit de discotheek.

Rechter: U had heel wat schulden.

Manuel: GSM, huur.

Rechter: U heeft geld geleend bij de ouders van Tessa.

Manuel: Uiteindelijk is dat een groot bedrag geworden.

Rechter: Hadden de ouders geen commentaar op uw levensstijl?

Manuel: Die hebben we voor hen verborgen gehouden.

Rechter: Met welke uitleg?

Manuel: Dat mijn salaris niet was gestort.

Rechter: Hadden jullie een goede relatie?

Manuel: In het begin wel, maar naarmate we meer drugs gebruikten, kwamen er ruzies en irritaties.

Rechter: U weet dat Tessa verklaart over geweld in de relatie. Dat zij wel terug ging slaan. Er zijn twee voorvallen waarbij een mes gebruikt is. Is dat zo?

Manuel: Dat is pure onzin. Dat is begonnen met de discussie over hekel aan mensen die vrouwen slaan.

Rechter: Vreemd voor iemand die daar afkeer van heeft, dat die dat wel doet. Vijftien keer. U heeft Tessa twee bedreigd met een mes, en gezegd haar voor de ogen van haar ouders te doden.

Manuel: Pure onzin.

Rechter: Kan het zijn dat die dingen gebeurd zijn, maar dat u zo ver van de realiteit verwijderd was dat u zich dat niet meer herinnert?

Manuel: Nee.

Rechter: U had veel gedronken.

Manuel: Ja, ook.

Rechter: Dat is meestal een excuus, hè? U had problemen met het huis, u ging naar camping De Kievit in Baarle-Nassau. U had geen legale inkomsten.

Manuel: Tessa liep stage. We huurden een chaletje. Dat was een maand daarvoor.

Rechter: Er waren ups en downs. Ook inbraken?

Manuel: Ja.

Rechter: Hoe werden de doelwitten uitgekozen?

Manuel: Soms was het een pure gok, soms via een tip van haar, als ze daar had gewerkt als schoonmaakster, via het uitzendbureau.

Rechter: Dat ging in overleg?

Manuel: Ja.

Rechter: Op welke manier kwam u in contact met Gunther Haagen?

Manuel: In de periode vóór de Kievit kwamen we een huis tegen op weg naar Poppel. We hebben het telefoonnummer gebeld dat op de ramen stond. Toen antwoordde hij. Dat was een huurwoning.

Rechter: Hoe kan dat als je geen inkomen hebt?

Manuel: We hadden geld geleend om naar De Kievit te komen. Voor anderhalve maand.

Rechter: U zegt: eigenlijk toevallig zagen we die woning die te huur was en kregen we contact met Gunther Haagen. Toen zijn we die gaan bezichtigen.

Manuel: Klopt.

Rechter: Met het idee hem te overvallen?

Manuel: Nee. Toen zaten we niet in geldnood. Maar het was te duur en te groot, er moest te veel betaald worden.

Rechter: Wanneer was er opnieuw contact?

Manuel: Anderhalve week voor de feiten.

Rechter: Waarom?

Manuel: Om een overval te plegen, omdat we op dat moment in geldnood zaten.

Rechter: Er zat niet veel tijd tussen het eerste en tweede contact. Waarom was hij doelwit?

Manuel: Omdat hij een mooie auto reed en we met de auto snel weg konden.

Rechter: Had u voordien al auto’s gestolen?

Manuel: Ja.

Rechter: Hoe?

Manuel: Met de sleutels, na inbraak.

Rechter: Dan ontstaat het idee die wagen te stelen. Van wie was het idee?

Manuel: Dat weet ik niet meer precies, we waren aan tafel aan het bedenken. Wie met het idee op de proppen kwam weet ik niet precies. Dat zou ik kunnen zijn, of Tessa.

Rechter: Wat was het plan?

Manuel: Kijken waar we het konden doen. Om een afspraak te maken, ik zou met hem mee, zij in een andere auto.

Rechter: Hoe?

Manuel: Daar dachten we niet aan.

Rechter: Je maakt een afspraak, er is een idee: we gaan een wagen van iemand stelen. Ik neem aan dat je dan een gedachte hebt hoe te gaan doen.

Manuel: Onder bedreiging, in eerste instantie.

Rechter: Het lijkt geen heel slim plan. Bij een onbekend iemand kun je hopen dat ze geen beschrijving kunnen geven, maar hoe zou dat gaan bij iemand die je kent.

Manuel: Daar dachten we op dat moment niet aan.

Rechter: Er zijn overal wel mensen met mooie wagens. Het was toch meer voor de hand liggend om iemand op straat te overvallen, sleutels af te pakken.

Manuel: Daar dachten we op dat moment niet aan, daar hadden we geen ervaring mee.

Rechter: U bent de hele tijd bezig met het plegen van ernstige delicten. 1: zo groot mogelijke buit, 2 zo gering mogelijk pakkans. Je wil niet naar de gevangenis. Dan vraag ik me af: waarom, op dat ogenblik, met dat plan? Het duurt twee minuten voordat de man de politie heeft gebeld.

Manuel: Het plan is bedacht onder invloed, we dachten alleen aan geld verdienen, niet aan de risico’s. Emoties nemen de overhand.

Rechter: Er is nooit over gepraat dat hij jullie kende en over het risico?

Manuel: Daar hebben we nooit aan gedacht.

Rechter: Tessa verklaart daar wat anders over. Dat het plan ontstaan is dat Gunther Haagen het niet zou overleven.

Manuel: Dat is wat zij zegt.

Rechter: We zijn nu al een stap verder. Wagen stelen en onder bedreiging. Dat is twee dagen van tevoren allemaal besproken. Een aantal aspecten is wel degelijk gepland. Ze zijn vooraf gaan kijken. Er was heel wat werk in de voorbereiding, er is niet nagedacht over de voor de hand liggende consequentie.

Manuel: Toch is het zo gegaan en dat ik de schuld op mij zou nemen.

Rechter: Het stelen van de wagen: dat was niet impulsief, het plan was er al anderhalve week.

Manuel: Wij waren bezig met verschillende dingen, op dat moment heb ik daar niet aan gedacht.

Rechter: Twee dagen ervoor ontstond het idee geweld te gaan gebruiken. Maandag 17 oktober. Hoe en waarom? U wilde niet gepakt worden. Het blijft een ontzettend dom plan, iemand overvallen en bedreigen, die jullie identiteit kent.

Manuel: Het was ook een dom plan.

Rechter: Twee dagen ervoor was het idee om geweld te gebruiken?

Manuel: Het idee kwam van haar.

Rechter: Wat had u dan in gedachten?

Manuel: Ik ben er gewoon in meegegaan. Onder bedreiging de auto afnemen en hem vastmaken.

Rechter: Waarom is het daar niet bij gebleven?

Manuel: Omdat verwonden ons het slimste leek.

Rechter: Verwonden door een steek te geven.

Manuel: Dat plan kwam van Tessa. Een steek in zijn been.

Rechter: Wie zou dat doen?

Manuel: Ikke.

Rechter: U zou hem eerst vastbinden. U neemt de sleutels en rijdt weg. Als je iemand met een mes in een been steekt, is hij sneller mobiel.

Manuel: Dat is niet waar je aan denkt. Met drugsgebruik en alles, dag in dag uit hetzelfde, logisch nadenken zit er niet tussen.

Rechter: U heeft wel nagedacht. Eerst vastbinden. Er is een keuze gemaakt.

Manuel: Dat klopt.

Rechter: Twee dagen ervoor was de ontmoeting met Gunther Haagen. Wie heeft dat geregeld?

Manuel: Ikke.

Rechter: Wat is er afgesproken?

Manuel: Om een aantal huizen te bekijken.

Rechter: U ben eerst op de website gaan kijken.

Manuel: Ja.

Rechter: Op basis waarvan?

Manuel: Of het afgelegen was.

Rechter: Dat lijkt me logisch nadenken.

Manuel: Klopt.

Rechter: Er is specifiek gevraagd naar die woningen. Was u al van plan bij de woning op 17 oktober de wagen te stelen?

Manuel: Op dat moment niet, maar als mogelijkheid was die er wel.

Rechter: U ziet die woning, waar heeft u hem voor nodig?

Manuel: Om interesse te wekken.

Rechter: Waarom twee keer?

Manuel: Daar heb ik geen antwoord op.

Rechter: U bent met hem, zij ging achter ons aanrijden, zegt u. Wist Gunther Haagen dat zij mee zou komen?

Manuel: Zij wilde de boel controleren, of het een goede buurt was.

Rechter: Waarom ging zij niet mee?

Manuel: Omdat het misschien de bedoeling was om hem te steken, als de mogelijkheid bestond.

Rechter: Had u maandag wel een wapen meegenomen?

Manuel: Nee.

Rechter: U gaat er dan naar toe zonder mes? Welk geweld zou u dan plegen?

Manuel: Met mijn handen.

Rechter: Waarom neemt u het mes dan niet mee?

Manuel: Dat was toen op dat moment niet van toepassing. We wilden gaan kijken waar we het konden doen.

Rechter: Dan stuurt u een sms: ‘Het wordt niks.’ Waarom?

Manuel: De huizen waar we waren geweest, waren bewoond.

Rechter: U bent toen ook naar de woning gereden waar het is gebeurd.

Manuel: Ja.

Rechter: Waarom is dat niet gebeurd?

Manuel: Omdat ik niet durfde.

Rechter: Waarom niet, plots? U pleegde al overvallen.

Manuel: Omdat ik al enige tijd met hem aan het rondrijden was.

Rechter: U had het er niet over dat hij u kende. Wat weerhoudt u dan concreet?

Manuel: Ik durfde het niet, ik was te lang met hem, ik kon het niet maken, zo voelde het. Dat is een hele omswitching. We waren al twee uur huizen aan het kijken.

Rechter: Dat werd dus niks. Wat vond Tessa daarvan?

Manuel: Ze was kwaad. We hebben gediscussieerd waarom ik het niet had gedaan. Dat er geen moment voor was.

Rechter: Goed, dat wordt dus niks, u heeft dringend geld nodig. Waarom niet de zoveelste anonieme overval gepleegd, zoals al zo dikwijls?

Manuel: Dat hebben we ook gedaan. Samen. Maar die brachten niet veel op.

Rechter: Wanneer kwam het idee Van D. erbij te betrekken?

Manuel: Vier dagen ervoor.

Rechter: Wist hij dat jullie op 17 oktober zouden gaan?

Manuel: Ik zou hem dat laten weten.

Rechter: Waarom hadden jullie hem nodig?

Manuel: Hij zou met me meerijden.

Rechter: Tessa had ook een wagen.

Manuel: We wilden de risico’s spreiden.

Rechter: Dus is erover nagedacht. Toch ook om de pakkans zo klein mogelijk te houden. Als u iemand anders erbij betrekt…

Manuel: Klopt.

Rechter: Waarom was er noodzaak de wagen met geweld te stelen? Waren er geen andere mogelijkheden?

Manuel: Op dat moment denk je daar niet aan.

Rechter: Er waren tal van mogelijkheden zonder contact, met veel minder pakkans.

Manuel: In dat opzicht waren we onervaren.

Rechter: Er zijn Tussen 17 en 19 oktober andere feiten gepleegd. Er is een nieuwe afspraak gemaakt. Door wie?

Manuel: Door mij.

Rechter: Wat was het plan?

Manuel: Om drie huizen te bekijken die leeg stonden. Het was de bedoeling dat ik hem zou verwonden, de autosleutels pakken en weggaan.

Rechter: Had u een mes meegenomen?

Manuel: Twee.

Rechter: Waarom twee?

Manuel: Eén voor haar en één voor mij.

Rechter: Waarom allebei?

Manuel: Voor als het fout liep.

Rechter: Welke twee messen waren dat?

Manuel: Eén keukenmes en één soort legermes.

Rechter: Dat mes, wie had dat gebruikelijk bij zich?

Manuel: Ikke.

Rechter: Bij andere feiten is er een pistool gebruikt.

Manuel: Dat was een luchtdrukpistool, dat waren we kwijtgeraakt.

Rechter: Afgepakt door de politie. Hoe zag het keukenmes eruit?

Manuel: Langwerpig.

Rechter: Hoe heeft ze dat meegenomen?

Manuel: In haar tas. Beide.

Rechter: Een van de messen zat in een doekje. Het keukenmes. Om het goed te kunnen vasthouden. Wiens idee was dat?

Manuel: Van mij.

Rechter: Wanneer zijn jullie vertrokken? Tessa moest niet gaan werken?

Manuel: Ik denk het wel.

Rechter: Had u drugs gebruikt?

Manuel: Ja. Door beiden. Cocaïne.

Rechter: U bent naar de afspraak gegaan, met de wagen van Tessa. Vijftien minuten van de camping. Bent u beiden binnen geweest in het makelaarskantoor?

Manuel: Tessa had de messen in haar tas. We zijn tien minuten binnen geweest, hij was bezig met een klant. We zijn in de auto van Gunther Haagen gegaan, dat was zijn voorstel.

Rechter: Waren de woningen afgelegen?

Manuel: Het waren drie huizen naast elkaar. Zij zat voor, ik op achterbank.

Rechter: Hoe was de sfeer?

Manuel: We probeerden het zo gezellig mogelijk te maken, dat we voor iets anders kwamen dan voor diefstal.

Rechter: Had u al enig idee wat er zou gebeuren erna?

Manuel: Het was de bedoeling de auto weg te brengen en te verkopen.

Rechter: Wist Mark van de afspraak. Was hij standby?

Manuel: Ja.

Rechter: Wie had dat tegen hem gezegd?

Manuel: Ikke. We hebben bij alle drie huizen gekeken. Ik had een mes bij mij. Dat had zij mij gegeven, net voor we het eerste huis binnen gingen. Een legermes. Ik durfde het niet echt. Het was behoorlijk donker. In de laatste woning was geen verlichting.

Rechter: Waarom durfde u niet?

Manuel: Het was hetzelfde als de eerste keer, ik kon het niet over mijn hart verkrijgen. Ik wilde het uitstellen.

Rechter: Bij de tweede woning was er een gesprek?

Manuel: Ze drong erop aan dat ik het zo snel mogelijk moest doen, de tijd ging dringen. Ik werd kwaad.

Rechter: Heeft Gunther Haagen daar niks van gemerkt?

Manuel: Ik denk het niet.

Rechter: Er zijn sms’en verstuurd.

Manuel: Dat was na het gesprek. Dat ik het moest doen. Dat ik het niet wilde waar zij bij was.

Rechter: Dat is een vreemd antwoord. U had haar wel meegenomen? Ze is er toch?

Manuel: Ik wilde het uitstellen, ik wilde het niet doen. Ik wilde me groot houden voor haar.

Rechter: Toen naar de derde woning.

Manuel: Daar hadden we uiteindelijk discussie. Hij liep een eindje voorop, wij liepen langzaam achter hem. Dat ik het nu moest doen. Ik heb gezegd: ik wilde het doen als we terug waren bij het kantoor.

Rechter: Dat lijkt mij niet de meest logische optie. Op het kantoor is er meer risico.

Manuel: Ik wilde het eigenlijk niet meer doen, ze bleef aandringen, dat het wel moest. Toen is het eigenlijk gebeurd. Heeft zij hem aangevallen. Zij is hem achterna gaan rennen en toen begon ze te steken. Ik heb de ruzie gezien. Ze stonden bijna in de hal.

Rechter: Op het moment dat ze hem stak, met het keukenmes, waar waren de steken?

Manuel: Boven op de rug. Een beweging van bovenaf.

Rechter: Hoe vaak?

Manuel: Ik dacht vier of vijf keer, achter elkaar. Toen is het lemmet gebroken, ze had een klap gekregen, toen ben ik er tussen gesprongen. Ze waren aan worstelen, hij was zich aan het afweren. Ze stonden allebei nog recht.

Rechter: Hij is vier keer van boven naar beneden in zijn rug gestoken. Heeft hij haar vastgehouden?

Manuel: Nee.

Rechter: Een afweergebaar. Welke? U ziet dat Tessa steekt. Heeft u gepoogd haar tegen te houden?

Manuel: Eerlijk gezegd niet, nee. Ze stonden in de gang, Gunther Haagen met zijn rug naar haar toe. Ik heb haar vier keer zien steken in de rug.

Rechter: Klopt.

Manuel: Het lemmet was gebroken.

Rechter: Klopt. Het is wel belangrijk om bij de les te blijven.

Manuel: Ik wil wel bij de les blijven, maar ik ben een beetje zenuwachtig.

Rechter: Daar heb ik alle begrip voor, maar toch: dit is belangrijk, het is hier geen quiz, ook belangrijk voor uzelf. U ziet dat Tessa hem vier keer in de rug steekt. Vier keer die beweging. Dan breekt het mes af.

Manuel: Hij was aan het zwaaien met zijn armen. Het gaat zo snel.

Rechter: Was er geen fysiek contact?

Manuel: Pas als het lemmet afgebroken is. Hij raakt haar met zijn elleboog in het gezicht. Zij vloog naar achteren, toen heb ik hem besprongen. Met een mes. Ik ben in het wilde weg gaan steken, in alle richtingen. Toen viel hij neer. Op zijn zij.

Rechter: Heeft hij nog iets gezegd? Leefde hij nog?

Manuel: Hij leefde nog, hij was aan het gorgelen. Toen hebben we hem versleept naar de woonkamer, omdat hij in het zicht lag. Toen leefde hij nog. Hij bewoog, tegenstribbelde. Toen hebben we gezocht naar de autosleutels. Eerst zij, toen ik. In zijn jas en broek.

Rechter: Hij leefde nog.

Manuel: Klopt.

Rechter: Lag hij op zijn rug?

Manuel: Toen we hem hadden versleept wel. Ik heb alle broekzakken doorzocht, zij boven.

Rechter: De broekzakken achter?

Manuel: We hebben hem op zijn zij gelegd. Zijn portemonnee en sleutels meegenomen. Ik de sleutels.

Rechter: Bent u daar zeker van?

Manuel: Ik denk het wel.

Rechter: In uw verklaring zegt u dat Tessa de sleutels had. ‘Hij had een ketting om zijn nek. Die heb ik uitgedaan, door hem los te trekken.’

Rechter: De man leefde nog.

Manuel: Ja.

Rechter: Vanwaar nu plots wel het lef en de durf?

Manuel: Iets van binnen nam het over. Woede.

Rechter: Waarom was u zo boos?

Manuel: Door alles wat er gebeurde. Het ging zo snel, ik weet niet meer wat er door mij heenging.

Rechter: Wat heeft u vervolgens gedaan?

Manuel: Ik ben in de auto gestapt en weggereden,

Rechter: Heeft hij nog iets gezegd?

Manuel: Ik was niet in staat te rijden, ik heb gevraagd of zij kon rijden, Tessa wilde dat niet.

Rechter: Is er gesproken over de financiële…

Manuel: We reden naar de camping, in de auto van Gunther Haagen. Tessa’s auto stond bij het kantoor.

Rechter: Is er veel gesproken?

Manuel: Hoe we ’t zouden doen als we zouden worden gepakt. Dat ik het op mij zou nemen en dat ik al eerder in de gevangenis had gezeten.

Rechter: U wist dat man het niet zou overleven.

Manuel: Dat ging wel door mij heen.

Rechter: Was er in de auto nog iets, een portefeuille.

Manuel: Die lag bij hem. Dat was een andere.

Rechter: Wie heeft die meegenomen?

Manuel: Dat weet ik niet.

Rechter: Heeft u die doorzocht? Geld gevonden?

Manuel: Ja, ik heb het geld aan haar gegeven.

Rechter: Jullie gingen naar de Kievit, samen. Wie was er het eerst?

Manuel: Ik denk zij.

Rechter: U heeft de kleren uitgedaan, gedoucht, schoongemaakt, u had allebei bloed op de kleren. Veel?

Manuel: Ja. Ik heb de kleren weggegooid toen ik werd achtervolgd. In Duitsland en Frankrijk. Het mes ook. In ieder geval een mes.

Rechter: Wie heeft dat opgeraapt?

Manuel: Allebei.

Rechter: De messen zijn in een vuilniszak, met kleren, weggegooid. Ik heb ergens gelezen dat het mes van Tessa, het kleine, in een apart tasje door is Tessa weggegooid. Hoe lang bent u daar geweest?

Manuel: Ongeveer een uur. Gedoucht.

Rechter: Schoongemaakt. De douche en de ingang, de tafel. Persoonlijke hygiëne. Nagels? Er waren sporen van bloed, bij beiden?

Manuel: Bij mij door de tas, denk ik.

Rechter: Als er ingrijpende dingen gebeuren in ons leven, is het zo dat je het beter onthoudt. Misschien was dit de eerste keer in uw leven dat er iemand is omgekomen bij een van uw acties.

Manuel: Klopt. We zijn naar Tilburg gereden, zij is eerder weggegaan, de kleding lag nog in de Kievit.

Rechter: Wat was het plan?

Manuel: Zij zou bij een vriendin gaan praten, ik zou met Marc een woningoverval doen.

Rechter: Van wie was dat plan?

Manuel: Van mij.

Rechter: U had gelezen op papieren waar hij woonde. U bent terug gegaan naar het makelaarskantoor.

Manuel: Toen zij naar Tilburg was.

Rechter: Om te kijken of daar wat te halen viel. Bent u binnen geweest?

Manuel: Ja, met de sleutels uit de auto.

Rechter: Wanneer is Marc gecontacteerd?

Manuel: Direct na de bezichtiging. Hij woonde in Tilburg.

Rechter: Tessa was bij een vriendin? Of bij haar ouders?

Manuel: Dat weet ik niet meer.

Rechter: U heeft elkaar terug gezien in Tilburg, bij de vriendin van Marc. Waarom moest Tessa daar naar toe komen?

Manuel: Ik had geen sleutel van het huis op de Kievit.

Rechter: Hoe was de sfeer daar?

Manuel: Hoe bedoelt u?

Rechter: Best gezellig?

Manuel: De vriendin van Marc was er, Harry van L., een vriend van Marc; er is binnen niks besproken. Pas toen we Tessa hadden afgezet.

Rechter: Is er toen nog gedronken of drugs gebruikt?

Manuel: Nee.

Rechter: Er was geen bedrukte sfeer?

Manuel: Nee, we probeerden het allebei te verbergen.

Rechter: Tessa is afgezet op het station, met Harry en Marc erbij. Er is gezegd dat er iemand was gegijzeld, of hij meewilde.

Manuel: Harry zei meteen nee, Marc wilde eigenlijk ook niet, maar die heb ik wel overgehaald. We hebben Harry afgezet, wij zijn naar de Kievit gereden om spullen te pakken. Een bivakmuts, de sleutel van de woning. Ik dacht dat er niemand thuis was. Dat heb ik ook tegen Marc gezegd. We zijn via de voordeur met de sleutel naar binnen gegaan. Toen we naar binnenliepen, stond de moeder op. Marc had wel een bivakmuts, ik niet. Ik dacht dat hij alleenstaande was.

Rechter: Had u licht zien branden?

Manuel: In eerste instantie was er de shock dat er überhaupt iemand was. Toen heb ik zelf, als Marc, verteld dat er iemand gegijzeld was. Dat hij schuld had. Die mensen waren geschrokken.

Rechter: Het losgeld voor Gunther was 25.000 euro. Heeft u de woning doorzocht?

Manuel: We hebben zijn portemonnee, geld en horloges meegenomen. We hebben met z’n tweeën gezocht, ik heb de spullen meegenomen. Er zat 2000 euro in zijn portemonnee.

Rechter: Hebben jullie gevraagd naar de kluis?

Manuel: We hebben de GSM van zijn moeder meegenomen, zodra het geld er was, zouden we bellen. We waren allebei met de auto. Ik ben met de Mercedes weggereden. Die hebben we gepikt. Hij heeft de garagedeur opengedaan. Marc is met de andere auto weggereden. We zijn naar Tilburg gereden, onderweg heb ik de telefoon weggegooid. Toen hebben we Harry van L. opgehaald, die was in Tilburg, thuis. Gewoon als gezelschap. We hebben de auto naar Duitsland gebracht, uit de buurt. Ik had de sleutel en de locatie.

Rechter: U bent op zoek gegaan naar prostituees?

Manuel: We zijn in Eilden uitgegaan, in die regio gaan kijken, maar we hebben niks gevonden. We zijn met de Mercedes naar Marc zijn huis gegaan, we hebben Harry afgezet en zijn een hotel gaan zoeken om de auto’s weg te brengen. We hebben nog wat eten gekocht, in de nacht drugs gebruikt, gesnoven. Dat was in Breda. De volgende dag waren we in Tilburg. We wachtten op de persoon die de auto wilde overnemen. Die zou bellen.

Rechter: Dat was al op voorhand geregeld?

Manuel: Ja, door mij. Niet voor tweede auto. We zijn even gaan rusten thuis, toen heb ik Marcel afgezet. Toen merkte ik dat ik werd achtervolgd. Ik dacht dat ik paranoia was door drugsgebruik, bij de Kievit zag ik dezelfde auto rijden. Ik heb met Tessa afgesproken. Verteld dat ik spullen in de auto had, dat ik contact zou opnemen en de schuld op mij zou nemen. Bij de Kievit heb ik een zak met spullen opgehaald en ben ik weggereden. Via Duitsland. We werden toch nog achtervolgd. Tot aan Frankrijk, en toen terug.

Aanvankelijk heeft Manuel tal van leugenachtige verklaringen afgelegd, uiteindelijk heeft hij een bekentenis afgelegd.

Rechter: Waarom?

Manuel: Ik was klaar met liegen. Ik had zestien verklaringen afgelegd waarbij ik hun beiden heb willen beschermen, ik heb nu ingezien dat dat niemand helpt. Mij niet, Gunther niet, niemand.

Rechter: De mensen hebben recht op de waarheid?

Manuel: Klopt. Ik heb vier jaar in de gevangenis gezeten, ik heb vier jaar gewacht op een moment om te kunnen spreken. Ik weet dat dit vreselijk is wat er is gebeurd, ik kan er niet veel aan toevoegen. Ik heb er enorm veel spijt van dat ik hun zoiets heb aan gedaan, nu hier, hoe moeilijk ik ook kan spreken, wil ik dat er rechtvaardigheid kan worden gedaan. Ik heb heel lang gelogen, om mijn enige familie in Europa. Dat is mijn moeder, die is erg religieus, ik was bang dat als ik zou zeggen dat ik gestoken heb, zij er niet meer voor mij zou zijn en ik heb het haar in kleine stapjes kunnen vertellen en toen pas de stap durven nemen om te zeggen wat ik nu heb gezegd.

VERHOOR VAN TESSA

tessa-van-dalen-portret

Over de achtergrond en jeugd van Tessa, tot twaalf jaar: ze is opgegroeid in een gezin met een broer, de ouders waren (en zijn) bij elkaar. Het was een liefdevol en warm gezin. Na de middelbare school heeft ze in Den Bosch een opleiding voor sociaal pedagogisch werk afgerond, daarna heeft ze anderhalf jaar gewerkt, op haar 21-ste is ze gestart met ode pleiding sociaal pedagogisch hulpverlener.

Rechter: Waren er in de eerste vijftien jaar bepaalde zaken die invloed hebben gehad?

Tessa: Op mijn vijftiende was er een moeilijke situatie toen ik erachter kwam dat mijn vader in behandeling was voor gegaan, alcoholverslaving, dat is me wel bijgebleven.

Rechter: Hoe was de verstandhouding met uw broer?

Tessa: Van jongsafaan heel goed, hij is twee jaar ouder, we zijn samen opgegroeid. Als gezin gingen we ieder jaar op vakantie, naar Frankrijk, drie weken, met familie mee. Tussen vader en moeder was de verstandhouding goed, het zijn hardwerkende mensen. Ik heb anderhalf jaar gewerkt als persoonlijk begeleider. Dat ging goed.

Rechter: Had u een relatie voordat u met Manuel was?

Tessa: Ik heb twee relaties gehad. Op mijn vijftiende, met Raymond G., een jaar, toen zijn we uit elkaar gegaan, we vonden elkaar niet meer leuk. Op mijn negentiende met Jeroen, anderhalf jaar, dat liep niet goed af.

Rechter: Bent u in uw jeugd slachtoffer geweest van fysiek geweld?

Tessa: Eén keer door een ex-vriendje, één keer geslagen. Niet ernstig. Hij had teveel gedronken en kon het met woorden niet af. Tot mijn 21-ste heb ik thuis gewoond. Toen ben ik op kamers gegaan in Tilburg, daar heb ik toen een tijdje gewoond. Met de opleiding, de eerste en de tweede, ging het goed.

Rechter: U was een mama’s kindje?

Tessa: Ik had een sterke band met moeder.

Rechter: Wie betaalde de kamer?

Tessa: Voor een deel studiefinanciering en voor het tekort: mijn ouders. Ik kreeg 260 euro studiefinanciering, de kamer kostte 300 euro.

Rechter: Had u toen een relatie?

Tessa: Nee. Ik heb Manuel leren kennen in De Drie Gezusters, een kleine discotheek in Tilburg. Daar werkte mijn broer als barman. Ik raakte met hem aan de praat.

Rechter: Was u ooit in aanraking geweest met drugs?

Tessa: Ik had weleens een jointje gerookt. Eén keer op mijn vijftiende, met een vriendin.

Rechter: Wat maakte Manuel van V. zo bijzonder?

Tessa: Het leek een charmante jongen, dat sprak me aan, ik wist niet veel van zijn verleden.

Rechter: Wanneer was die ontmoeting?

Tessa: Ik denk in oktober 2009. We zijn een aantal keer samen uit geweest, we waren vrij snel een koppel, binnen één of twee weken zijn we gaan samenwonen. Ik heb mijn kamer opgezegd, ik was veel bij hem.

Rechter: Wat vonden uw ouders ervan?

Tessa: In eerste instantie goed, het was een charmante en aangename jongen. De financiële problemen kwamen later, toen ik al bij hem woonde. Hij had de huur niet kunnen betalen, ik heb toen betaald. Manuel is gaan werken bij een bedrijf in Breda. Ik had geen geldproblemen, hij had wel een beetje geldtekort.

Rechter: Hoe was het uitgaan?

Tessa: Als we uitgingen, dronken we wel wat.

Rechter: Wanneer heeft u gemerkt dat de relatie niet is wat u had gedroomd?

Tessa: De eerste zes maanden was het fijn. Met vakantie in Spanje is het flink uit de hand gelopen, in de zomer van 2010. We hebben ruzie gekregen, met fysiek geweld. Hij dacht dat ik was vreemdgegaan. Daar was geen aanleiding voor. Ik heb hem gekrabd, mijn kies was gebroken, mijn armen en benen lagen open. We hebben een lang gesprek gehad, hij heeft zijn excuus aangeboden, in tranen, hij was bedroefd, in zekere zin is het weer goed gekomen. We liepen door de stad, toen hebben we een mes gekocht. Dat is achtergebleven bij andere spullen. Het hotel kon niet betaald worden, de rekening was geblokkeerd, toen zouden we terug naar Nederland. De spullen zijn daar gebleven, het mes ook.

Rechter: Problemen, op vakantie, niet kunnen betalen?

Tessa: We hadden wel geld, maar dat was in Spanje geblokkeerd geld. Mijn ouders hebben toen geld overgemaakt, maar dat was niet voldoende.

Rechter: Hoe ging het verder met de relatie?

Tessa: Er kwamen meer geldproblemen, meer ruzie. Manuel had een bedrijf opgericht. Dat was failliet gegaan. Hij had een investering gedaan, er was een flinke schuld, daarmee is het begonnen. De huur kon niet meer worden betaald. Ik heb contact met mijn ouders opgenomen. Die betaalden gas, water en licht en huur, maar het was niet genoeg.

Rechter: Op welk moment hoorde u dat hij in België in de gevangenis heeft gezeten?

Tessa: Dat heb ik nooit geweten. Wel dat hij in Nederland in de gevangenis had gezeten.

Rechter: Wisten uw ouders over de ups en downs in de relatie? Mama’s kindje…

Tessa: Over relationele problemen heb ik met mijn ouders nooit gesproken, dat kwam voort uit schaamte.

Rechter: Waren zij niet bezorgd?

Tessa: Mijn moeder ging vragen stellen wat er aan de hand was. Ik vertelde de ene leugen na de andere om het te verbloemen. In het najaar van 2010 begon Manuel depressief te worden. Gokken, bier drinken, er was irritatie bij mij, er waren meer ruzies, ook met fysiek geweld. Er waren ook momenten die fijn waren.

Rechter: U bent twee keer met een mes bedreigd door Manuel? Hij zegt: ‘Nonsens.’  Hij heeft één keer verklaard dat hij u bedreigd heeft met een mes, tijdens een ruzie; een andere keer heeft hij u meegenomen in de auto, op weg naar uw ouders, en wilde hij uw ouders iets aandoen. Die nacht is hij opgepakt door de politie. Er lag een luchtdrukpistool in auto. Hij wist niet dat het in de auto lag, op het politiebureau werd u daarmee geconfronteerd. Hoe was het toen met het drugsgebruik?

Tessa: Dat is ongeveer zes maanden voor de feiten begonnen. We gingen in Tilburg uit, daar leerden we twee mensen kennen, een man en een vrouw. We werden uitgenodigd bij hun thuis. Toen hebben we het over drugsgebruik gehad en het daar voor het eerst geprobeerd. In begin alleen in de weekenden. Dat was de eerste drie maanden. Daarna werd het steeds meer en meer, bijna dagelijks.

Rechter: Met xtc, alles, volledig.

Tessa: Ja.

Rechter: Dat kost wel wat, voor twee mensen. Hoe werd dat betaald?

Tessa: Iedere keer als we geld van iemand geleend hadden, van werken, of studiefinanciering, of ouders, uiteindelijk raakte alles op, toen zijn er ook andere criminele feiten gepleegd. Rechter: Dit speelt in de weken vóór de arrestatie. Volgens Manuel ging het om diefstal, inbraken en overvallen.

Tessa: Ik heb bij vier of vijf een rol gespeeld, dat is bekend bij de politie.

Rechter: In overleg gepleegd?

Tessa: Ja.

Rechter: Is er geweld gebruikt?

Tessa: Ik ben aanwezig geweest, maar niet in huis, toen heb ik in de auto gezeten. Ik weet wel dat er geweld gebruikt is.

Rechter: Jullie leefden in een wereld van drank, drugs, feesten en misdrijf. Was er contact met de ouders?

Tessa: Ja, maar niet meer zoveel. Ik probeerde afstand te houden.

Rechter: Wie is Canona?

Tessa: Een meisje dat ik het laatste half jaar had leren kennen.

Rechter: Een vriendin? Samen goud verkocht?

Tessa: We zijn een keer samen met mijn oorbellen ergens geweest.

Rechter: Mark is iemand die u vijf of zes maanden ervoor leren had kennen. Zorgde hij voor drugs?

Tessa: Hij was een drugsgebruiker. In het begin hadden we niet veel contact, later werd het meer.

Rechter: Bij de stage hebben ze nooit wat gemerkt?

Tessa: Wel dat het slechter ging, ik werkte geen vier dagen meer maar drie. De laatste weken had ik me ziek gemeld. Ik werkte met kinderen met autisme als verstandelijke beperking. Een groep met zes kinderen.

Rechter: De camping?

Tessa: Dat was een plaats om te slapen, daar hebben we een maand gewoond, ongeveer. Mijn ouders zijn er drie keer geweest. Mijn moeder vond het heel ver weg.

Rechter: Gunther Haagen?

Tessa: Iets voor de feiten heb ik hem voor het eerst gezien. Wij reden van Poppel naar Tilburg, langs de weg stonden huizen met borden: te huur. Met telefoonnummer. Manuel heeft die man gebeld.

Rechter: Was er toen al iets van denken aan een overval?

Tessa: Nee.

Rechter: Als twee mensen in financiële nood zitten, is het niet zo erg logisch dat je heel grote woning van een makelaar wil, waarom zou je daar gaan kijken?

Tessa: Op dat moment waren we ook effectief op zoek.

Rechter: Maar het was ver buiten bereik?

Tessa: Bij de tweede woning hebben we pas echt over de auto gesproken, niet bij de eerste. Gunther Haagen belde hem op, ik had zijn auto en horloge opgemerkt. Ik heb het niet als eerste gezegd, maar ook niet tegengesproken.

Rechter: Om welke reden verzin je zo’n verhaal?

Tessa: We kwamen kijken, het was een groot huis, we wilden een stuk indruk maken.

Rechter: U heeft opgemerkt dat hij een dure wagen had en een horloge. Is daar dezelfde dag over gesproken?

Tessa: Wel over de dure auto en het horloge. In het weekend voor de feiten zijn we er echt over begonnen te praten, dat het een auto is die veel kan opleveren. Manuel kende iemand die hem zonder papieren in Spanje kon brengen, die wist waar hij moest zijn.

Rechter: Manuel had een afspraak met Gunther Haagen gemaakt voor maandag. Niet om naar de woning te kijken, maar om de misdaad te plegen?

Tessa: Ja.

Rechter: Was er vooraf gekeken naar afgelegen woningen?

Tessa: Ik heb niet met hem naar de sites gekeken.

Rechter: Wat was het plan?

Tessa: Wij hadden tevoren afgesproken dat omdat Gunther Haagen ons kende, en we de auto zouden stelen, gaf Manuel aan dat Gunther Haagen niet kon blijven leven (huilt). Ik heb ermee ingestemd. Op maandag was de eerste afspraak met Gunther, ik ben mee geweest naar zijn kantoor. Ik had de auto op de parkeerplaats gezet, zodat Gunther mij niet zou zien. Manuel is naar binnen gegaan en met Gunther in de auto weggereden. Ik heb gewacht op de parkeerplaats, tot ze terugkwamen. Na een tijd wachten hoorde ik van Manuel dat het niet gelukt was.

Rechter: Vóór maandag: wie kwam volgens u met idee: die man zal om het leven komen.

Tessa: Manuel had dat tegen mij gezegd, omdat Gunther ons kende, dat hij niet kon blijven leven. Ik heb daarmee ingestemd, ik heb het niet tegengesproken, ik ben meegegaan.

Rechter: Is gezegd hoe dat zou gebeuren? Als je een plan maakt, hoe?

Tessa: We hadden het erover gehad dat het in een leegstaand gebouw moest en ja, dat was er ook afgesproken.

Rechter: Waarom was uw aanwezigheid gewenst?

Tessa: Op maandag niet. Dat was alleen om hem af te zetten. Daar heb ik gewacht.

Rechter: Op maandag komt er bericht dat het niet lukte. U bent teruggekomen, er is een nieuwe afspraak gemaakt voor woensdag. Waarom ging u wel mee met het stelen van de wagen, waarom niet mee naar Spanje?

Tessa: Omdat ik voordien al had afgesproken met ouders, hij wilde niet dat ik meeging.

Rechter: Wist Mark dat de wagen gestolen zou worden?

Tessa: Ik denk het wel, dat weet ik niet zeker.

Rechter: Dat er iemand om het leven zou komen?

Tessa: Nee.

Rechter: Hoe is het gegaan?

Tessa: Ik ben op stage geweest tot vier uur. Toen naar De Kievit. Alles klaargemaakt. We hadden om zes uur de afspraak met Gunther Haagen, maar we waren te laat vertrokken, we zijn pas om half zeven aangekomen. We hadden een mes meegenomen. Een keukenmes. Met een zwart handvat.

Rechter: Hoe is dat meegenomen?

Tessa: In de auto op de achterbank. Bij het kantoor in Poppel heeft hij dat achter in zijn zak gestopt.

Rechter: Hij zegt: in de handtas van Tessa. U zegt: nee. Hoe gaat dat?

Tessa: In de rand van zijn broek.

Rechter: Zo’n groot mes? 30 centimeter. U bent u kantoor binnengegaan, beiden?

Tessa: Vijf of tien minuten.

Rechter: Toen in de auto. Jij voorin?

Tessa: Dat klopt.

Rechter: Manuel zegt dat hij toen het mes uit de handtas kreeg.

Tessa: Hij had het al. Bij de tweede woning hadden Manuel en ik op zolder een gesprek over het stelen van de auto. Of we het gingen doen, of het ging gebeuren. Ik heb een sms’je gestuurd.

Rechter: Hij zegt: ik wilde het afblazen.

Tessa: Dat heeft hij niet aan mij laten merken.

Rechter: U stuurde twee sms’jes: ‘Nu doen we het’.

Tessa: Dat was een reactie op het gesprek. Over het stelen van de auto, wetend dat G.

Rechter: Waarom zou u dat versturen, als hij er niet van zou willen afzien?

Tessa: Ik heb hem gevraagd of het ging gebeuren. Hij gaf geen antwoord, daarna heb ik die sms verstuurd.

Rechter: Omdat u wilde dat hij zou uitvoeren wat was afgesproken? Waarom? Twijfelde u dat hij zou gaan doen?

Tessa huilt.

Rechter: U stuurt beide sms’en met de bedoeling dat hij het gaat uitvoeren.

Tessa: Ja.

Rechter: Wat maakte de geldnood zo acuut dat de beslissing genomen werd dat iemand het leven moest laten?

Tessa: Ik… (huilt).

Rechter: Langer dan een week lopen jullie rond met dit plan. Is er nooit gedacht om een andere wagen te stelen van iemand die jullie niet kenden? Waarom specifiek deze?

Tessa: Daar hebben we niet over nagedacht. Na de sms zijn we naar de derde woning gelopen. Daar hebben Gunther en Manuel in de hal staan praten. Manuel had gezegd dat ik uit de buurt moest blijven. Ik ben naar de keuken gelopen. Toen ik terugkwam, stond Gunther in de hal, met zijn rug naar Manuel.

Rechter: Heeft hij het zien aankomen?

Tessa: Hij is boven in de rug gestoken. Ik heb het eenmaal gezien. Hij was Gunther zo hard aan het schoppen en aan het schreeuwen. Ik heb mij tegen de muur gezet, met mijn hand boven het hoofd. Gewacht.

Rechter: U weet dat iemand om het leven gebracht zal worden, wat had u gedacht?

Tessa: Het heeft niet lang geduurd, een aantal minuten. Er was een beetje licht van buiten, een beetje licht van mobieltjes. Ik ben naar buiten gegaan. Manuel heeft hem omgedraaid om de sleutels op te rapen, die lagen naast zijn lichaam op de grond. Op het eind van de oprit heb gewacht. Daarna is Manuel gekomen, hij is om het huis heengelopen, naar mij gekomen en naar de auto gegaan. Hij is enkele minuten alleen binnen geweest.

Rechter: Gunther Haagen leefde nog?

Tessa: Dat heb ik niet gezien.

Rechter: Er lag naast zijn lichaam een portemonnee, op de grond. Heeft u gezien dat Manuel zijn zakken doorzocht?

Tessa: Nee.

Rechter: Is het lichaam verplaatst?

Tessa: Nee meneer.

Rechter: Heeft u zelf zakken doorzocht?

Tessa: Nee meneer.

Rechter: Heeft Manuel verteld dat hij het lichaam heeft verplaatst?

Tessa: Nee. Manuel wilde eerst dat ik zou rijden, toen heeft hij gereden.

Rechter: Heeft u in de wagen al geld verdeeld?

Tessa: Uit de portemonnee in het dashboard. Die heb ik gepakt. Ik heb Manuel gevraagd of Gunther dood was. Hij dacht van wel. We zijn naar het kantoor in Poppel gegaan, ik ben in mijn auto gestapt en naar de camping gegaan. Hij was er iets eerder dan ik. Ik ben eerst gaan douchen, heb mijn kleren uitgedaan en in een vuilniszak gestopt. Daarna is Manuel gaan douchen. Hij deed zijn kleren ook in de vuilniszak. Mijn kleren hadden geen bloed, die van Manuel wel.

Rechter: Was het lemmet van het mes afgebroken?

Tessa: Nee.

Rechter: Heeft Gunther Haagen nog iets gezegd?

Tessa: Hij heeft heel hard om (hulp?) geroepen.

Tessa heeft afgesproken die avond naar haar ouders te gaan. Haar broer brengt haar van de camping in Baarle Nassau naar de woning van Mark in Tilburg.

Tessa: Harry en Mark waren daar binnen, later kwam Manuel.

Rechter: Hoe was de sfeer?

Tessa: Best gezellig. Wij deden precies of er niks aan de hand was. Toen Manuel binnenkwam, zijn wij direct vertrokken, ik moest de trein van kwart over tien halen.

Rechter: Is er onderweg nog gesproken?

Tessa: Nee.

Rechter: U nam de trein naar Zaltbommel.

Tessa: Dat is het dichstbijzijnde station bij het dorpje Brakel.

Rechter: Heeft uw moeder iets gemerkt?

Tessa: Nee.

Rechter: Is er telefonisch contact geweest?

Tessa: Ja, maar ik weet niet precies wat.

Rechter: Daags nadien ook. Er is gevraagd of u goed geslapen had. U heeft geantwoord: ja.

Tessa: Hij zou met Mark de auto gaan wegbrengen. Ik ben met moeder naar Tilburg geweest. Ik heb contact met Manuel gehad, ik heb hem in Tilburg gezien, op een terras. Manuel gaf aan dat hij het gevoel had dat hij gevolgd werd. Hij vroeg of ik mee wou, dat wilde ik niet, ik was met moeder. Daarna heb ik hem niet meer gezien.

Rechter: Wat waren de plannen?

Tessa: Zij zouden de auto naar Spanje brengen, ik zou naar mijn ouders en een vriendin gaan. We zouden elkaar ontmoeten als hij terugkwam.

Rechter: Wanneer wist u dat hij was opgepakt?

Tessa: Toen hij niet reageerde. Iets later kwam de politie aan de deur.

Rechter: U had toen nog niet beslist om te breken met Manuel.

Tessa: Nee.

Rechter: Hoe is de verstandhouding tussen jullie beiden?

Tessa: We hebben geen contact.

Rechter: U heeft brieven ontvangen. Wat was de bedoeling?

Tessa: Waarschijnlijk om contact te maken, maar ik wilde dat niet meer. Ik zou graag tegen de familie van Gunther Haagen willen zeggen hoeveel het me spijt.

Rechter: Het is belangrijk dat ouders weten wat er gebeurd is. Weten zij dat nu?

Tessa: Ja, van wat ik ervan weet.

Rechter: U heeft de verklaringen van Manuel gehoord. Zijn die correct?

Tessa: Ik vind van niet.

Rechter: Meneer Van V., u hebt de verklaring gehoord, bent u het ermee eens?

Manuel: Ik blijf bij mijn verklaring, het zijn een hele hoop leugens die ik zojuist heb gehoord.

MORALITEIT

Na de verhoren van de verdachten is het de volgende dat tijd voor de moraliteitsgetuigen. Familieleden, vrienden en kennissen die worden ondervraagd over slachtoffer en daders, om een beeld te krijgen van hun persoon. In België ben je verplicht te verschijnen. Als je niet komt, word je dezelfde dag nog door de politie van huis gehaald. Tal van Nederlandse getuigen hadden – al dan niet met kennisgeving – ervoor gekozen niet te komen. Het was praktisch onmogelijk hen op te komen halen, vandaar dat de voorzitter van de rechtbank, Dirk Thys, hun bij de politie afgelegde verklaringen in ijltempo, grotendeels onverstaanbaar, afraffelde.

VASTGEBONDEN

Harry van L., bijvoorbeeld, had Manuel getroffen op de dag van de moord. Manuel was met de gestolen Range Rover. Hij vertelde Harry dat de man niet wilde betalen, dat hij hem een klap had gegeven en dat hij vastgebonden in woning zat. Met z’n drieën hadden ze 60.000 euro te verdelen. De auto moest naar Duitsland gebracht worden. Of Harry mee wilde. Dat wilde hij toch maar niet. Marc van D. was daar ook bij. Harry had tegen Marc gezegd dat hij beter ook niet mee kon gaan, maar dat deed Marc wel.

GUNTHERTJE’

Harry ging naar huis om te douchen, een half uur later werd hij door Manuel en Marc in opgehaald. Met de Range Rover en ze hadden ook de Mercedes AMG van de ouders van Gunther bij zich. “Ze hadden een plastic zak bij zich, daar zaten verschillende spullen in; twee magazijnen van een pistool en het rijbewijs van Gunther in een doosje. Nadat ze mij opgehaald hadden, hebben we in Tilburg cocaïne gebruikt. Overdag hadden Marc en ik al wat jointjes gerookt. Met zijn drieën zijn we naar Duitsland gereden. Manuel vertelde dat er mensen in de woning waren geweest, wat hij niet had verwacht. Ze hadden gezocht naar 60.000 euro. Hij deed laconiek, gedroeg zich normaal. Hij maakte er grapjes over. De ouders hadden geroepen: ‘Waar is mijn Gunthertje?’ Manuel zei dat ze hem hadden vastgebonden, en zei dat hij wel los zou komen.”

VLIEGVELD

Op het vliegveld van Dusseldorf of Duisburg parkeerde Manuel de Range Rover op longstay. Daarna reden ze met de Range Rover terug. Om kwart voor vijf waren ze terug in Tilburg. “Ik ben gaan slapen. Ik moest nog wel denken aan de vastgebonden makelaar, maar Manuel zei dat hij wel los zou komen.”

TOFFE GAST

Harry kende Manuel sinds een half jaar, door Marc en diens vriendin Angelique. In het uitgaansleven van Tilburg hadden ze hem, en Tessa, leren kennen. Hij vond Manuel “een normale toffe gast” die een “normale relatie” had met Tess (zoals ze werd genoemd). Hij had Manuel na zijn aanhouding twee keer telefonisch gesproken. Manuel had gezegd dat hij alles eerlijk had verteld. Hij was niet bij hem op bezoek geweest in de gevangenis. Dat kan niet, “omdat ik nergens sta ingeschreven.”

FAILLIET

Een andere vriend, Marc K., was ook niet komen opdagen. Hij had in april 2011 Manuel en Tessa leren kennen in het uitgaansleven van Tilburg. Zijn vriendin Natasja van H. was close geworden met Tessa. Manuel woonde toen bij het Wilhelminapark in Tilburg. Hij had verteld dat zijn zaak failliet was gegaan nadat hij in zee was gegaan met De Graafschap als sponsor. Om de dag zagen ze elkaar bij Manuel thuis, bij Marc thuis of bij Natasja. Marc werkte bij de Shell. In de nacht na de moord, rond half vijf, was Manuel ’s nachts sigaretten wezen halen. Hij was toen op stap samen met Marc van D.; ze reden in een grijze Mercedes. Hij zei dat hij die had gehuurd. Er was hem verder niets aan Manuel opgevallen, hij was heel relaxed.

ANNA WEG

Hij weet dat Manuel in verband is gebracht met de vermissing van een twaalfjarig meisje. Ze heette Anna. Harry had zichzelf bij de politie gemeld. Hij werkt inmiddels niet meer bij Shell, dat heeft te maken met zijn relatie met Natasja. Natasja had een bericht gezien op Omroep Brabant, over Tessa/Teuna.

GROOTVERBRUIKER

Ze zagen elkaar veel, gingen vaak bij elkaar op bezoek, eten, en op stap. Hij praatte veel met Manuel over zijn werk en bedrijf. Manuel vertelde dat hij een shirtcontract had met De Graafschap, daar had hij in geïnvesteerd, maar zijn compagnon had zich teruggetrokken. Hij zei dat hij een hoge functie had bij IBC. “Hij was heel royaal, haalde meteen voor 100 euro aan eten, had dure kleding, gaf veel geld – honderden euro’s – uit aan drank. Tess studeerde, geld kwam van Manuel. Door ons allemaal werden drugs gebruikt. Ik speed en cocaïne. Tess was een soort grootverbruiker, die kon er geen genoeg van krijgen. Manuel gebruikte minder dan Tess. Later werd de relatie minder, Manuel werd dominanter en bazig. Na zijn aanhouding vertelde Natasje er meer over. Dat Tessa in Spanje in elkaar was geslagen. Ze had met een andere jongen gepraat, toen had Manuel haar een hoek gegeven.”

HOTEL

De dames hadden onderling ruzie omdat Carola er tussen zat. Zij was de vriendin van Natasja en met z’n drieën ging het niet. Manuel is ook een keer besproken in het programma van Peter R. De Vries misdaadverslaggever, maar Marc weet niet waar het over ging. Toen Manuel en Marc van D. sigaretten bij hem hadden gekocht, zeiden ze dat ze een hotel zochten.

Om 5.55 uur kreeg Marc een appje van Manuel of hij zin had te komen chillen in het hotel tegenover Holland Casino in Breda, “maar ik had geen geld om te tanken. Manuel zou mij geld geven. Manuel wilde mij iets bekennen. Natasje heeft zoon van vijftien; die was gek op een meisje, Anna. Dat was in september. Dat meisje was een nacht vermist. Melvin en Gino waren bij Manuel geweest om te chillen. Anna was toen een nacht alleen bij Manuel gebleven, Manuel ontkende. “Ik werd door de politie benaderd, of ik wist waar Manuel was. Manuel vertelde dat hij Melvin hasj had verkocht. Daar voelde hij zich schuldig over en hij wilde mij dat opbiechten. Hij heeft de hele avond lopen janken.”

Tot zover de getuigen. Dan is het de beurt aan de advocaten.  

Esther Vroegh (voor Tessa):  “Het is een hartverscheurend drama. De mooiste jaren van haar leven zit een jonge vrouw in zo’n ellendige gevangenis. Eigenlijk alleen omdat ze zich gek heeft laten maken door zo’n foute man. Natuurlijk is ze verantwoordelijk voor wat ze gedaan heeft en het is logisch dat ze straf krijgt, maar dat zou mijns inziens een zeer beperkte straf moeten zijn. Ze was psychisch helemaal afhankelijk gemaakt van die Manuel. In mijn ogen is ze veel meer slachtoff er dan dader.”

Haar ouders konden Tessa geestelijk niet meer bereiken: ze was een haast willoos slachtoffer geworden. De ‘lieve’ Manuel had zich ontpopt als een jaloerse, bezitterige tiran, die probeerde al haar normale contacten kapot te maken. Hij wilde haar – in de beste traditie van de loverboy – helemaal voor zichzelf. Ze moest onaantrekkelijk worden voor andere mannen, hij zorgde ervoor dat ze zich volpropte tot niemand haar meer herkende als de mooie vrolijke slanke Tessa.”

De jury gaat er niet in mee. Manuel wordt veroordeeld tot levenslang, Tessa tot 28 jaar. Levenslang betekent in België effectief ongeveer 20 jaar. Tessa zit inmiddels haar straf uit in de vrouwengevangenis Terpeel in Evertsoord. Haar straf is omgezet naar Nederlandse maatstaven en bepaald op 23 jaar. Daar zal in principe een derde van afgaan.

PROCES IN NEDERLAND

In september 2016 moeten beiden zich verantwoorden voor een serie gewelddadige overvallen in Nederland, voorafgaand aan de moord op Gunther Haagen. Dat proces vindt plaats in Den Bosch. Het verslag daarvan wordt nog uitgewerkt. Hier wel vast een kort bericht over de zitting van die dag. 

Of het verweer van Manuel’s advocaat Arthur van der Biezen wordt gehonoreerd is de vraag die over twee weken wordt beantwoord, maar dat er iets wringt is duidelijk. 

De officier van justitie eiste tien jaar celstraf tegen Manuel. Dus als hij zijn levenslang in België heeft uitgezeten, moet hij nog pakweg zes jaar in Nederland brommen. Levenslang is in België geen levenslang zoals bij ons, in de praktijk komt het neer op twintig jaar. In die zin is het geen onzin-eis. En dat hij voor de Nederlandse feiten een straf zou krijgen van, laten we zeggen, acht jaar: daar zal ook niemand van opkijken, zo ernstig waren die feiten wel.

Maar normaal gesproken worden zulke delicten in één strafzaak behandeld. Het gaat om een serie geweldsmisdrijven, met als dieptepunt de moord. De straf in België zou niet hoger zijn geweest als die zaken waren gevoegd. Nu wel, door ze los te koppelen. Een trucje, vindt Van der Biezen, en in strijd met het Europees recht. De uitspraak volgt op 26 september.

 

De pleiter en de kraai: een gil aan de kade

$
0
0

maassluis-spong-1

Op 21 november 1995 reed uitvaartverzorger Dirk V. uit Maassluis samen met zijn ex-vrouw Thea van der Mast naar de Govert van Wijnkade in Maassluis. Hij stapte uit, zij bleef in de auto, die kort daarop in de Buitenhaven belandde en binnen enkele seconden onder water verdween.

De deuren van de auto bleken automatisch te zijn vergrendeld. De vrouw slaagde er niet in de auto te verlaten en verdronk. Dirk had al vijftien jaar lang ruzie met zijn ex over geldzaken, maar hij ontkent dat hij haar om het leven heeft willen brengen. Hij heeft steeds verklaard dat hij niet heeft gezien dat de auto de kade af reed, maar een getuige die onder hypnose door de politie was gehoord, verklaarde dat Dirk roerloos had staan kijken hoe de Fort Escort in het water verdween.

Dirk werd in 1997 tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld voor de moord op zijn ex-vrouw. Advocaat Gerard Spong wist herziening van de zaak te bewerkstelligen door de verklaring die onder hypnose was afgelegd aan te vechten. Met succes: na een nieuw proces kwam Dirk V. vrij. Spong schreef er een boek over. Officieel is het een roman, de verdachte heeft in het boek een andere naam, net als de advocaat zelf: Charles Spinning. “Maar dat ben ik gewoon,” zegt Spong. “Er zit wel wat fictie in het boek, daarom heb ik de namen van de hoofdpersonen ook maar aangepast. Maar het is grotendeels zoals de zaak echt gegaan is.”

Spong-boek-bol

Op een koude donderdagavond in november 1995 staat op de Govert van Wijnkade in Maassluis ter hoogte van nummer 11 een Ford Escort geparkeerd op de kadestrook bij het water. Het is even na halftien en het miezert. De winkels zijn gesloten. Rond de oude haven, waar het overdag behoorlijk druk kan zijn, is het nu rustig en donker. Er zijn nauwelijks nog mensen op de been.

Dan gebeurt er plotseling iets huiveringwekkends, wat door slechts één ooggetuige wordt gezien. Die ooggetuige wordt een paar weken later onder hypnose gehoord door een klinisch psycholoog. De getuige vertelt dat hij zijn auto parkeert bij café De Moriaan. Hij ziet aan de overkant een auto met de lichten aan. “Die rolt heel langzaam naar voren en hij valt d’r in.” Links naast de auto ziet hij iemand staan, aan de bestuurderskant. Dan ziet hij dat de auto valt. De persoon blijft op dezelfde plek. “Ik hoor een plons. Ik vraag of ie gek is.”

Ondervrager: “Ja. Je roept tegen hem.”

Getuige: “Ja. Ben je gek of zo? Dat doe je toch niet?”

O: “Mmm.”

G: “En toen maakte hij een gebaar.”

O: “Mmm.”

G: “Dus… eh, schouders ophalen.”

O: “Ja.”

G: “En toen begon ie… eh hysterisch te gillen.”

O: “Mmm.”

G: “En ik liep naar binnen. Om te zeggen wat er was gebeurd. Toen ik weer buiten kwam, was ie weer weg.”

Wat de getuige aan de overkant van het water niet weet, is dat op de achterbank van de auto een zwaarlijvige vrouw zit: Thea van der Mast. Dirk is niet in staat ook maar iets te doen. Hij denkt er zelfs niet aan of hij als tengere man zijn vrouw überhaupt uit het koude water zou kunnen redden. Hij springt de haven niet in en hij weet in feite zelf ook niet waarom. Hij staat maar te staan, gilt hysterisch iets onverstaanbaars en schokt met zijn schouders.

Aan de overkant hoort hij iemand naar hem schreeuwen. Hij rent naar een woning, 25 meter verderop. De vrouw die daar woont heeft het geschreeuw gehoord en belt de politie. Niet lang daarna arriveren twee politieagenten op de Govert van Wijnkade. Die weten niet wat er allemaal gebeurd is en zien alleen een wild gebarende, verwarde man die rondjes loopt op straat. Ze spreken hem aan. Dirk kan niet veel méér uitbrengen dan: “Thea, daar! Thea daar!”

maassluis-spong-2

Hij zegt niets over zijn auto en is zo overstuur dat hij er niet in slaagt de agenten ook maar iets duidelijk te maken. Ze nemen hem mee naar het politiebureau, zodat hij daar kan kalmeren. Ook daar blijft hij ‘Thea’ roepen. Ze denken dat hij thee wil. Dan komt er een melding binnen van een getuige die zegt dat er een auto te water is gegaan aan de Govert van Wijnkade. Het is een beruchte kade. Het is niet de eerste keer dat er een auto te water raakt: de kade loopt schuin af en er staan geen palen of afrastering.

Op het politiebureau vertelt Dirk dat hij ’s avonds met zijn vrouw naar Maassluis was gereden om te gaan winkelen. Dat vindt de brigadier merkwaardig, want de winkels in Maassluis gaan op donderdag al om zes uur dicht. Als later die avond duikers van de brandweer de auto boven water halen, doen ze een lugubere vondst: er ligt een lijk in de Ford Escort. Als ook nog duidelijk wordt dat Dirk en zijn ex al jarenlang in onmin met elkaar leefden en er sprake is geweest van bedreigingen, wordt besloten Dirk aan te houden als verdachte.

Dirk is op dat moment vijftig jaar. Hij werkt al meer dan dertig jaar bij een uitvaartonderneming. Hij is als lijkwagenchauffeur begonnen en opgeklommen tot uitvaartverzorger. Hij leerde Thea kennen toen hij twintig was. Zij werkte bij de uitvaartonderneming op kantoor. Van Dirks kant was het geen liefde op het eerste gezicht: hij had tot dan toe alleen af en toe seks met mannen. Puur voor het genot: hij is nooit verliefd geworden op een man. Dat was hij ook niet op Thea, maar zij was vasthoudend en wist hem te bewegen te gaan samenwonen. Hij had verteld hij weleens homoseksuele contacten had, maar dat vond zij geen bezwaar. Ze was de eerste vrouw met wie hij naar bed ging.

Ze trouwden toen Dirk zevenentwintig was. Er kwamen vier kinderen. Ze woonden in Rotterdam. Na de geboorte van het derde kind kwam er een omslag in de relatie. De beperkte financiële middelen van het gezin maakten Thea radeloos en ze vond Dirk thuis te dominant en in het geloof te fanatiek. Ze had steeds minder zin in seks en was vaak lusteloos en moe. Soms hadden ze een halfjaar geen seks. Thea kreeg weerzin tegen Dirks steeds kinkyer seksuele verlangens.

Dirk vond haar zwaarlijvigheid geen probleem, Thea had er zelf wel last van. Met haar 1 meter 72 en 125 kilo kon ze zich maar moeizaam bewegen. In 1995 besloot Thea dat ze wilde scheiden. Ze vond andere woonruimte. In die periode vroeg ze steeds vaker om geld, hoewel ze wist dat Dirk een schuld had van zo’n 30.000 euro. Uiteindelijk kreeg zij het meestal wel. Dirk belandde in de Ziektewet.

Door gepieker over de echtscheiding, die op 25 november 1995 officieel zou worden, kon hij zich niet concentreren op zijn werk en sliep hij slecht. In de loop van november hadden ze geregeld contact en gingen ze op pad om naar nieuwe spullen voor de kinderen en henzelf uit te kijken en spraken ze onderwijl over de scheiding. Zo waren ze volgens Dirk op deze bewuste donderdagavond in november ook in Maassluis beland. Eerst waren ze die avond in het centrum van Rotterdam geweest voor nieuwe bedden. Thea wilde daarna naar een schoenenwinkel in Schiedam, want ze had een folder gezien met aanbiedingen. Later reden ze naar Maassluis om bij een meubelzaak te gaan kijken, niet ver van het centrum. Dirk parkeerde op de Govert van Wijnkade.

In de auto kregen ze ruzie, waardoor Thea niet langer naast Dirk wilde zitten. Ze stapte uit, liep om de auto heen en stapte via het linkerportier weer in om plaats te nemen achter de bestuurdersstoel. Een fatale beslissing: kort daarna begon de auto richting het water te rollen. Dirk was uitgestapt om te gaan plassen. Toen Thea merkte dat de auto over de kaderand schuurde en in het water dreigde te vallen, gilde ze het uit. Tevergeefs. De Ford Escort viel de haven in. Met borrelend geluid zonk de auto binnen luttele seconden. Nog even waren de achterlichten zichtbaar, maar toen verdwenen ook die in het troebele water.

maassluis-spong-3

In het boek beschrijft Spong hoe hij eerst de kroongetuige (die onder hypnose was gehoord) genadeloos onderuithaalt. Hij komt daarna met een pleidooi dat zijn cliënt rechtstreeks naar de vrijheid loodst. Zelf zegt hij daarover: “Het was een juweel van een verweer, als ik zo onbescheiden mag zijn.”

In het pleidooi, dat in het boek is opgenomen, gaat hij in op ‘vraagtekens’. Het Hof had laten blijken het onbegrijpelijk te vinden dat twee mensen ’s avonds na sluitingstijd van de winkels een halfuur rijden om in etalages naar schoenen en meubels te kijken. “Op zich is het bekijken van etalages na sluitingstijd voor de gemiddelde Nederlander geen unicum. De vraag of diezelfde gemiddelde Nederlander bereid is daarvoor een ommetje van vijftien minuten of een halfuur te maken, valt moeilijk te beantwoorden. Het zal, naar het de verdediging voorkomt, afhangen van de mate waarin de gewilde objecten worden begeerd. Cliënt heeft verklaard dat hij op dit vlak vooral aan de verzoeken van zijn vrouw tegemoet heeft willen komen.”

Ook dat Dirk V. tot in detail de uitvaartplechtigheden had geregeld, met een op schrift gestelde toespraak voor de kinderen “mogen even bizar als onbegrijpelijk voorkomen, voor een uitvaartverzorger die wellicht een beetje beroepsgedeformeerd is, is het pijnlijk precies regelen van iets waarvoor veel mensen de ogen sluiten veel minder vreemd.”

Ook zijn morbide actie om met een overlijdensbericht aan de gespreksgroep zijn vrouw aan het schrikken te brengen, is “wellicht moeilijk te begrijpen. Er zijn echter zoveel dingen in het leven die u en ik niet begrijpen, zoals, naar ik aanneem, uw hof evenmin als de verdediging aanstonds zal begrijpen wat mensen ertoe brengt om in een televisieprogramma hun seksuele prestaties te etaleren. Zo zijn er natuurlijk nog vele andere onbegrijpelijke mensenwensen te noemen.”

Het feit dat het slachtoffer tegen haar gewoonte in achterin zat geeft aan dat er van voorbedachte raad geen sprake kan zijn. “En als zijn vrouw voorin was blijven zitten, zou voorbedachte raad nog minder voor de hand liggen, omdat zij dan direct toegang had tot het niet-afgesloten rechterportier.”

mm2016-36-maassluis-cover

De Ford Escort waarin Thea van der Mast verdronk, was een automaat. Hoe kan het dat de auto uit zichzelf ging rijden en in het water verdween?

Dat kan alleen als versnellingsbak in de N-stand (Neutraal) stond. Normaal gesproken staat een automaat waarvan de motor is uitgezet in de P-stand (Parkeer) en zijn er twee wielen geblokkeerd. De auto stond wel op een lichte helling, maar niet zodanig dat hij in de P-stand kon gaan rijden. Een week na het drama is een reconstructie gehouden. Dirk was er, met de handen geboeid, ook bij.

Hij laat zien hij voorafgaand aan het voorval deed. Hij gaat in de auto zitten en sluit het linkerportier. Hij stapt uit, laat het linkerportier openstaan en voert een denkbeeldig gesprek met Thea. Dan schuift hij de knop aan de linkerzijde van de bestuurdersstoel omhoog. Daarna loopt hij langs de auto naar de linkerachterzijde. Daar hoort hij denkbeeldig een gil van Thea. Hij kijkt achterom en ziet dat de auto naar voren rolt en verdwijnt.

De auto stond ongeveer vier meter met de voorwielen van de kaderand vandaan. Op de achterbank waren zandzakken gezet met een contragewicht van 125,6 kilo. Dat komt overeen met Thea’s lichaamsgewicht.

Dirk had verklaard dat hij de auto in de P-stand had gezet. In die stand komt hij niet in beweging, in de N-stand wel. Kan Thea vanaf de achterbank de hendel hebben vastgepakt? Zij had naar voren geleund om wc-papier te pakken uit het dashboardkastje. Hoeveel kracht was er eigenlijk nodig voor het veranderen van de stand van de versnellingsbak? Volstond een lichte aanraking? In mei 1996 zou door middel van een tweede reconstructie, dit keer met een figurante, een poging worden gedaan een aantal van deze vragen te beantwoorden.

Maar de politie legt op 30 november 1995 een formulier aan Dirk voor om ter vernietiging afstand te doen van zijn auto. Dirk tekent, waarna de auto op 11 januari 1996 wordt vernietigd. Spong noemt het “de krankzinnige vernietiging van het veronderstelde moordwapen: hoe bestaat het dat justitie in een moordzaak nog voor de afronding van het voorbereidend onderzoek het veronderstelde moordwapen heeft vernietigd?”

Het gerechtshof dat Dirk vrijspreekt, legt niet uit op welke gronden, alleen dat het wettig en overtuigend bewijs niet is geleverd. Spong vindt dat “opmerkelijk, omdat de wetgever heeft bepaald dat niet alleen een bewezenverklaring, maar ook een vrijspraak gemotiveerd moet worden. De gedachte is dat de rechter aan alle procesdeelnemers uitlegt waarom bepaalde door hen ingenomen standpunten niet worden gevolgd. Zeker in een moordzaak waarin het Openbaar Ministerie en de verdediging elkaar op het scherpst van de snede hebben bestreden, ligt een uitvoerige motivering van een vrijspraak voor de hand.”

DE DOOD VAN VIVICA SPONG

vivica-spong

Zullen de nabestaanden van Thea van der Mast (familie, vrienden, kinderen) zich net zo beroerd hebben gevoeld na de vrijspraak als advocaat Gerard Spong, toen de verdachte van de moord op zijn nichtje Vivica (31) werd vrijgesproken?

Op 2 juli 2012 vonden agenten het levenloze lichaam van Vivica onderaan de trap in het huis in Utrecht waar ze woonde met haar vriend, de 44-jarige Mark van D. Ook haar nog ongeboren kind was overleden. In een interview in het Algemeen Dagblad vertelt Spong over hoe hij als nabestaande dat proces heeft ervaren. Toen een patholoog-anatoom sprak over de vraag of Vivica was gestorven door verwurging noemde hij één van de aanwijzingen daarvoor ‘zwak’. “Meteen zag ik een van de drie rechters naar voren schuiven, en een ander begon te schrijven. Toen dacht ik: jij schrijft nu ‘zwak’ op. Daar gaan we.”

Dat bleek te kloppen. Mark van D. werd vrijgesproken. Ondanks dat hij op internet had gezocht hoe je een moord kunt plegen zonder sporen achter te laten, bloedvlekken had weggepoetst en alles bij elkaar had gelogen over zijn alibi. Spong, in een interview met het Algemeen Dagblad: “Het is me een raadsel waarom zijn leugens uiteindelijk niet meer gewicht in de schaal hebben gelegd. Er was een vracht aan bewijs.”

 

Volgens Spong waren er in de zaak van zijn nichtje een uitstekende officier van justitie en advocaat-generaal volledig overtuigd van hun zaak. Maar de rechters besloten anders. “Wat gebeurt daar in die hoofden? Dat blijft voor mij een mysterie, ook na veertig jaar strafrecht. En dat raadsel is door de zaak van mijn nichtje alleen maar groter geworden.”

De familie beraadt zich op een civielrechtelijke zaak waarin ze Mark van D. niet aanpakken voor moord, maar voor zijn leugens in de rechtbank. Spong: “Je hebt als verdachte het recht om te zwijgen, maar niet om te liegen. Dat is een onrechtmatige daad tegen de nabestaanden en we overwegen hem daarvoor aan te pakken. Het is bij mijn weten nog nooit gebeurd in Nederland, maar we denken dat het kan.”

Spong-boek-bol

Saskia van Kessel (Geldermalsen): de klappen, de doofpot

$
0
0

cuijk-agenten-slaan

Op woensdagavond 16 december 2015 raakt makelaar Saskia van Kessel (39) uit Geldermalsen ernstig gewond als ze door een lid van de AE (politie aanhoudings eenheid) op haar hoofd wordt geslagen.

Er waren rellen bij het gemeentehuis, vanwege protest tegen de komst van een aszielzoekerscentrum. Saskia,  oud-voorzitter van de ondernemersvereniging in Geldermalsen, was aanwezig bij het protest voor het gemeentehuis, maar had zich niet  gemengd in de rellen.

Onderweg naar haar huis op het Marktplein passeerden zij en haar partner Sjors een café waar de AE op dat moment arriveerde en  bezoekers aan het wegjagen was.  Saskia zei tegen de AE dat ze onderweg was naar huis en deed haar rechterarm naar achteren: dáár woonde ze.

Haar advocate Esther Vroegh:  “Maar er was geen enkele vorm van communicatie mogelijk met de agenten. Een AE’er gaf haar een duw waardoor ze op de grond viel, direct daarna volgde er een harde klap op het hoofd.”

Zodra ze weer bij haar positieven was liet Saskia weten het er niet bij te laten zitten, maar pogingen om de betreffende agent, G., te laten vervolgen, liepen op niets uit. Op 1 juli 2016 maakte de officier van justitie bekend dat de agent vrijuit gaat.

Saskia en haar advocaat nemen daar geen genoegen mee. Ze zijn nu bezig met een zogenaamde artikel-12-procedure. In dat kader is door Selma Eikelenboom van het bureau Independent Forensic Services een rapport opgemaakt, waarin verklaringen van betrokkenen en een filmpje van de gebeurtenissen nauwkeurig zijn bestudeerd.  

Dat de politie er alles aan heeft gedaan een ander beeld te schetsen van de gang van zaken, blijkt onder meer uit het monddood proberen te maken van een getuige. Een vrouw die het allemaal vanuit haar woonkamerraam heeft zien gebeuren. Zij heeft op vrijdag 18 december 2015 al een verklaring afgelegd, voordat ze iets had gezien van videobeelden en foto’s. Toen ze die wel onder ogen kreeg, zag ze dat het zich direct onder haar woonkamerraam had afgespeeld. Vanuit dat raam had ze goed zicht op de locatie.

Op woensdag 8 juni 2016 werd ze gebeld door een politieman. “Dit leek op een verhoor. Hij lie duidelijk en dwingend blijken dat hij zijn twijfels had over mijn verklaring, aangezien mijn voordeur aan de Rijksstraatweg zat en niet aan het Marktplein. Ik heb aangegeven dat dat klopt, maar dat mijn woonkamerraam uitzicht heeft op het Marktplein, zoals zijn collega’s ook ter plaatse in december hebben waargenomen. Ik heb alsnog specifiek uitleg gegeven, maar het gesprek, de toon en de vraagstelling kwamen op mij over alsof hij mij niet geloofde.”

Ook opvallend: een buurtbewoner die het allemaal filmde en dat filmpje later ter beschikking stelde, gaf als commentaar bij wat hij zag:

“Zo… goed gedaan meier…. slaat gewoon een meisje neer, joh, mietje…, heb je goed gedaan jongen, meisjes slaan….en toen was het leeg….meiers in burger slaan gewoon effe mensen neer, zo doe je dat….lekker dan, goed gedaan jongen, meisjes slaan….echt fantastisch.”

Toen deze getuige door de politie werd gehoord, was er van dit commentaar in het proces-verbaal geheel niets terug te vinden. Waarom niet? Wilden de verbalisanten dit liever niet opnemen?

Voor het rapport kreeg het IFS de beschikking over een brief van officier van justitie mr. A. Nettenbreijers van 1 juli 2016, over videobeelden van de mobiele telefoon, een bodycam-opname en camera-opnames gemaakt door de politie. Verder over getuigenverklaringen, het medische dossier van Saskia en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) over haar letsel.

Het videofilmpje is  hier te zien.

Op het filmpje, gemaakt door een buurtbewoner met zijn mobiele telefoon, is te zien hoe Saskia door een agent wordt geduwd en achterover valt, waarna er door anderen, vermoedelijk eveneens agenten van de AE, slaande bewegingen met de wapenstok in haar richting zijn gemaakt.

Saskia gaf aan dat ze was geduwd, gevallen en herhaaldelijk geslagen. Kort daarna kreeg ze hoofdpijn, werd ze misselijk, moest ze braken en zag ze wazig. Ze werd per ambulance afgevoerd, er werd een CT-scan gemaakt en ze bleek een bloeding onder het zachte hersenvlies te hebben.

Saskia deed aangifte wegens poging doodslag, zware mishandeling, dan wel openlijke geweldpleging en heeft het Openbaar Ministerie verzocht een onderzoek door de rijksrecherche te laten uitvoeren, samen met een andere officier van justitie, en om politieman G. als verdachte te laten aanmerken. 

Per brief van 1 juli 2016 deelde officier van justitie Nettenbreijers mee op geen van de verzoeken in te gaan.

cuijk-agent-duwt-saskia

In het rapport analyseert Selma Eikelenboom de beelden van het videofilmpje nauwgezet. Ze komt tot nogal andere conclusies dan de officier van justitie. Volgens de officier zijn de beelden op de video “relatief rustig” en worden er geen charges  uitgevoerd. Ook wordt er niet gerend door politieambtenaren of burgers en op de door de politie zelf gemaakte beelden in en rond het café is geen spoor van oproer te bekennen.

Maar: op het filmpje is duidelijk te horen dat een politieman dreigend roept: “Allemaal oprotten nu!” Er lopen mensen meteen weg, maar tien seconden later is te zien dat er mensen hard worden geduwd en over fietsen heen worden gegooid. Volgens de officier is dat “gepaste drang.”

Sjors is de partner van Saskia. Volgens de officier is op het  filmpje te zien dat hij op de grond valt. Dat klopt niet. Hij krijgt wel een duw, maar hij valt niet. Waarom wil de officier dit kennelijk graag zien?

Het is wat je wil zien: volgens de officier kwam Saskia “met versnelde pas” op de verbalisant aflopen en maakte zij een zijdelingse beweging met haar rechterarm, die zij naar achter en weer naar voren bewoog. “Daarna krijgt zij een duw van de heer G.”, zo stelt de officier. De heer G. is de betrokken agent.

Als je het zo leest, kun je het zien als dat Saskia door de agent als een bedreiging wordt gezien en dat hij dus het recht heeft haar hard aan te pakken.

Op de video is te zien dat Saskia tweeëneenhalf stapje neemt en dan stilstaat voor de agent, terwijl ze met haar arm naar haar huis wijst en zegt: “Ik woon dáár.”

Advocate Esther Vroegh: “Vervolgens kreeg ze meteen een duw van die agent. Ze vloog door de lucht, recht naar achteren, met haar handen omhoog en belandde op haar rug. Dat was geen “gepaste drang”. Dat blijkt ook wel uit wat de maker van het filmpje roept: ‘Hij slaat gewoon een meisje neer, joh, mietje, heb je goed gedaan jongen, meisjes slaan.’ Je kunt op z’n minst de conclusie trekken dat die agent blijkbaar niet in staat is  onderscheid te maken tussen een relschopper en een vrouw die probeert uit te leggen dat zij en haar vriend thuis proberen te komen. De officier van justitie heeft dit element helemaal weggelaten, terwijl dit cruciale informatie is: Saskia had een goede reden om daar te zijn.”

.cuijk-agenten-slaan

Volgens de officier is te zien dat de agent zijn wapenstok omhoog brengt, maar niet slaat: hij doet de wapenstok weer omlaag en maakt een stap in de richting van Saskia, die hij, samen met een ander persoon, weer op de been helpt en die daarna naar haar voordeur loopt.

Esther Vroegh: “Wat er werkelijk gebeurde is dit. Nadat Saskia op de grond was gevallen, maakte de agent zich op voor het toedienen van een krachtige slag. Hij zette zich schrap, deed zijn stok omhoog en nam met geheven stok een stap voorwaarts, en trok zich toen terug. Dat is heel duidelijk te zien. Volgens de officier lagen Saskia en haar partner Sjors op de grond en vond er toen “een slaande beweging plaats” maar niet in de richting van Saskia, maar in die van Sjors. Maar Sjors lag helemaal niet op de grond. In het rapport concludeert Selma Eikelenboom dat er een andere persoon bij betrokken moet zijn geweest, vermoedelijk een andere agent, die razendsnel vooruit was gesprongen en die twee klappen uitdeelde aan Saskia. Bij de eerste klap boog hij zich voorover en kon je een deel van de wapenstok tussen de verkeersborden zien. Na de tweede klap liep hij direct door.”

De officier heeft het in zijn beschrijving niet over een wapenstok, alleen over een slaande beweging. Esther Vroegh: “De officier vergist zich. Op de beelden is duidelijk te zien dat er niemand anders op de grond ligt. Sjors droeg kleding die opvallend wit oplichtte, als hij daar gelegen had was dat duidelijk te zien geweest.”

Ook de verklaring van agent G. klopt niet met de beelden. Volgens hem was Saskia met versnelde pas aan komen lopen en bleef ze doorlopen terwijl hij riep: “Politie! Afstand houden!”. Hij zag haar daarna nog steeds doorlopen en wijzen naar “de man met het witte shirt.” Hij concludeerde vervolgens dat zij de confrontatie met hem wilde aangaan, maar hij vertelt niet dat ze zei: “Ik woon dáár!”

Esther Vroegh: “Waarom vertelt hij dat niet? Hij geeft Saskia de schuld en verklaart het door hem gebruikte geweld door te zeggen dat het haar voorwaartse snelheid was waardoor de duw zo groot was. Hij geeft dus toe dat het geen ‘corrigerend duwtje’ was. Hij verklaart dat hij na die duw stil was blijven staan. Klopt niet. Het is duidelijk te zien dat hij aanstalten maakte om haar met de wapenstok een klap te geven. Maar waarom doet hij dat niet? Hij staat naast Saskia. Waarschijnlijk is het een collega die naast hem staat die Saskia enkele klappen geeft. Maar daarover zegt hij niks. Terwijl de officier toegeeft dat er minstens één slag is uitgedeeld. Meteen na die klap maakte die collega zich uit de voeten. Dit hele stuk ontbreekt in de verklaring van agent G., die zegt dat ‘de vrouw niet direct wilde opstaan’ en haar samen met collega De R. heeft hij geholpen om op te staan.”

Opvallend is dat agent G. wel de naam van collega De R. weet, maar dat hij niet aangeeft wie de klappen heeft uitgedeeld. Een andere agent verklaart dat zijn collega G. en hij deel uitmaakten van ‘de linie’ en één of twee meter van hem af stond en dat hij op een afstand van drie meter Saskia zag staan en zijn collega twee keer hoorde roepen: ‘Politie! Afstand houden!’ en dat zij toch stevig bleef doorlopen.

Esther Vroegh: “Dat komt natuurlijk helemaal niet overeen met de feitelijke gang van zaken. Eén keer ‘Politie! Afstand houden!’ duurt al langer dan de iets meer dan één seconde die het op het filmpje duurt voor ze die tweeënhalve passen heeft afgelegd.”

cuijk-saskia-wond

Volgens de agent was het geen duw ‘met een krachtsoverdracht’ en was het Saskia’s eigen schuld dat ze tegen zijn gestrekte arm aanliep, “maar op het filmpje is duidelijk te zien dat zij al stilstaat als hij zijn arm strekt en haar duwt.” Hij vertelt ook niet wie voor de slag verantwoordelijk was, volgens hem ging het allemaal ‘gemoedelijk’ toe.”

Uit het rapport van IFC blijkt duidelijk dat de agenten niet de waarheid spreken. “Het is opmerkelijk dat de officier aangeeft dat er een slaande beweging is gemaakt, maar dat hij vervolgens geen onderzoek uitvoert om te achterhalen waarom deze agenten dat ontkennen of er niets over melden.”

De officier van justitie voert de getuige op die het filmpje heeft gemaakt. Volgens de officier verklaart deze getuige nagenoeg volledig in overeenstemming met wat op de beelden te zien is. Opmerkelijk aan deze verklaring: die komt totaal niet overeen met zijn eerste reactie, toen hij het aan het opnemen was. Dan is te horen: “Zo… goed gedaan meier…. slaat gewoon een meisje neer, joh, mietje…, heb je goed gedaan jongen, meisjes slaan….en toen was het leeg….meiers in burger slaan gewoon effe mensen neer, zo doe je dat….lekker dan, goed gedaan jongen, meisjes slaan….echt fantastisch.”

De verontwaardiging en het sarcasme druipt eraf. Hij heeft het niet over duwen, maar over slaan.

Esther Vroegh: “De vraag is niet of hij heeft gezien dat er geslagen is, de vraag die de officier had moeten beantwoorden is waarom hij dat niet in zijn verklaring heeft gezegd.”

De officier probeert de verklaring van Saskia’s partner Sjors in diskrediet te brengen. Volgens hem komt die verklaring helemaal niet overeen met wat er op de beelden te zien is. “Onzin,” zegt Esther Vroegh, “op het filmpje is te zien dat de zaken uit de hand lopen op het moment dat Sjors, die duidelijk herkenbaar is aan zijn lichte kleding en witte plastic tasje, herkenbaar is. Sjors wordt weggeduwd en op het moment dat Saskia wordt geduwd, staan er meerdere mensen om haar heen. Terwijl Saskia valt, duikt er iemand op haar die haar één of meer klappen geeft. Dat is precies wat Sjors beschrijft. Dat de politiemensen hier niks over zeggen, doet niets af aan deze feiten.”

De officier stelt dat toen Saskia viel, agent G. de enige was die bij haar stond. Esther Vroegh: “Dat kan hij alleen zeggen als hij de beelden niet goed heeft bekeken. Je kunt duidelijk zien dat er iemand naast hen staat en uit de beelden en de verklaringen van de andere agenten blijkt er een hele groep AE-ers getuige was van wat zich daar heeft afgespeeld.”

 

 

Ook opvallend: de poging van de officier om de verklaring van NN (de ooggetuige die het vanuit haar woonkamer heeft zien gebeuren) onderuit te halen. Hij citeert uit haar verklaring: “Toen ik het raam opende, kon ik naar links kijken, daar is de deur van de woning van Saskia.” Daaruit trekt hij de conclusie dat NN stelt dat zij de voordeur van de woning van Saskia vanuit haar woonkamerraam kan zien. De officier vindt dat haar verklaring “ernstig in twijfel” moet worden getrokken, mede omdat op de video niet is te zien dat er een raam wordt geopend.

Esther Vroegh: “Hij vergeet erbij te zeggen dat de woning van die getuige niet op ieder beeld is te zien en zet haar ten onrechte in een kwaad daglicht. Op een ander filmpje is wél te zien dat iemand zich uit het raam van die woning buigt. Dat filmpje is  waarschijnlijk afkomstig van de bodycam van de politie. Dan vraag je je toch af waarom de officier dat niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.”

Uit alles blijkt dat agent G. en agent X enige tijd naast elkaar hebben gelopen. Beiden liepen ‘in de linie’.

Esther Vroegh: “Het is moeilijk voor te stellen dat G. niet zou weten wie deze collega van hem is.”

Minstens zo opmerkelijk is dat de andere agenten in de linie niks van het toedienen van de klappen hebben gezien en dat ze uit hun verklaring weglaten dat er een collega direct naast G. stond.

Esther Vroegh: “Ze weten wél zeker dat G. niet heeft geslagen. Ze hebben hem dus gezien. Dan moeten ze ook weten wie de collega was die naast hem stond. Uit de verklaring van de officier blijkt dat hij geen enkele poging heeft gedaan bij deze agenten te achterhalen wie die collega was.”

Terwijl dat op basis van het voorhanden zijnde materiaal misschien helemaal niet zo moeilijk was. Even voordat dit incident zich afspeelde, was er nog een voorval. Bij de fietsen die voor het café stonden. Op beelden is agent X duidelijk te zien en te volgen als hij op een persoon afvliegt, bij hem op de rug springt en hem met grote kracht tussen de fietsen gooit.  Deze persoon, vermoedelijk een man, verzet zich niet, maar wordt zo hard tussen de fietsen gesmeten dat die omvallen, met hem ertussen. Het wordt overduidelijk met hoeveel agressie en  machtsvertoon de politie het publiek benaderde.

Een vorig bericht staat hier

In Hart van Nederland is Selma Eikelenboom te zien over het onderzoek (zie hier)

 

 

Moederliefde: ook als de zoon een moordenaar is

$
0
0

Op 1 oktober 2002 schiet Pascal F. (28) in Utrecht zijn kamerhuurster Nadia van de Ven (25) dood, met hetzelfde wapen waarmee in 1995 verzekeringsagent Anton Bussing (31) in Ede is vermoord. De rechtbank veroordeelt hem tot levenslang, in hoger beroep wordt het twintig jaar plus tbs. Twee slachtoffers, van wie de één iets willekeuriger dan de ander. Bussing zat in de auto de krant te lezen, wachtend op zijn dochter die hij van de sportschool zou halen. Het enige motief om hem dood te schieten lijkt: omdat het kon. Verder niks. Bij Nadia speelde iets anders, maar niet veel meer dan wat irritatie.

In het in 2015 verschenen boek Moordenaars in Nederland is een hoofdstuk opgenomen over deze moord, die door de jaren heen veel publiciteit heeft gekregen. Vanwege de moord op Nadia, maar ook door de persoon van de dader en zijn ouders. Vanaf het begin hebben zijn ouders er alles aan gedaan hem zijn straf te laten ontlopen. Bij moordzaken spelen de ouders van de slachtoffers doorgaans een prominente rol. Sommige kiezen ervoor buiten de publiciteit te blijven, andere staan er wel open voor. Zolang de dader niet gevonden is, is er hoop dat aandacht in de media helpt. Dat is in de praktijk zelden het geval. Er wordt nogal eens misbruik gemaakt van het verdriet van familieleden. Het zijn gemakkelijke verhalen die het vooral op televisie goed doen. Als je aandacht wil besteden aan een gruwelijke en sensationele moord heb je bewegend beeld en pratende mensen nodig. Het enige positieve effect van blijvende media-aandacht is dat politie en justitie door blijven gaan met onderzoek. Zonder die aanhoudende publiciteit waren de Puttense moordzaak en de moord op Marianne Vaatstra niet opgelost.

Het is niet aardig om te zeggen, maar de verhalen van de nabestaanden zijn inhoudelijk zelden interessant. Natuurlijk, er is verdriet en: hoe verwerk je dat. Door het slachtoffer als het ware tot leven te brengen leef je mee met het gemis en besef je wat zo’n moordenaar heeft aangericht. Het voelt anders dan wanneer je een kind verliest door een ongeluk. Ook omdat de laatste uren – soms dagen – van het slachtoffer van moord soms onvoorstelbaar gruwelijk zijn geweest, en je de woede en het verdriet kunt projecteren op een dader. Maar omdat er vooraf geen band was met de dader, is het slachtoffer psychologisch gezien niet interessant: het had iedereen kunnen zijn.

In onopgeloste zaken – die heel veel publiciteit genereren – denken ouders dat als de dader eenmaal bekend is, ze aan het verwerken kunnen beginnen. Dat blijkt in de praktijk nogal eens tegen te vallen. Soms staat hun leven al zo lang in het teken van wat er is gebeurd, zijn ze door de aandacht in de media een soort ‘bekende Nederlanders’ geworden, dat de rest van hun bestaan in het teken staat van het verloren kind.

De ouders van de dader zijn psychologisch gezien en met betrekking tot het delict interessanter: valt hen iets te verwijten? Hoe kan het dat hun andere kinderen wel goed terecht zijn gekomen en dit ene zwarte schaap niet? Bij een figuur als Willem-Jan van der S. (moord op Lucia Burgdorffer)  krijg je de neiging de ouders van de dader ter verantwoording te roepen. Je kinderen misbruiken en aanbieden voor prostitutie: daar zou je ze nog graag even op aanspreken.

Voor gegevens over de ouders en de jeugd ben je doorgaans aangewezen op de rapporten van het Pieter Baan Centrum en andere ingeschakelde deskundigen. Er zijn weinig ouders die met een journalist willen praten. Ze schamen zich en elke vorm van publiciteit werkt averechts. Ik heb ook maar een paar ouders van daders gesproken. Die van Michel Stockx in België; de moeder van Duncan van B.; de moeder van Rayan P. op Bonaire. In het criminele circuit ken ik heel wat mensen die bloed aan hun handen hebben en daar openlijk over vertellen, bij lustmoordenaars ligt dat heel anders. De enige dader in dit boek die ik heb gesproken is Duncan van B.

Seriemoordenaars spreken tot de verbeelding. In films en politieseries zijn ze niet weg te slaan. Ik heb er zelf veel over geschreven en veel over gelezen. De meeste ‘echte seriemoordenaars’ zijn te vinden in grote landen, waar een dader lang onopgemerkt kan blijven. In Nederland komt een potentiële seriemoordenaar meestal niet verder dan één, twee of hooguit drie. Alleen in België slaagde Marc Dutroux erin lang buiten beeld te blijven. Het ‘verdriet van België’ (de tweetaligheid met als gevolg de beroerde samenwerking tussen verschillende politiediensten) was daar debet aan.

Wat opvalt als je je verdiept in de levensloop van al die seriemoordenaars, is het grote aantal stereotypen. Als kind al anders dan de anderen. Brandstichting. Dierenmishandeling. Een paar globale kenmerken van seriemoordenaars:

– geen spijt, geen geweten, geen vermogen zich te verplaatsen in de angst en pijn van anderen;

– het geweld heeft een seksueel karakter.

– de dader is als kind vaak in bizarre seksuele situaties betrokken geweest en ontwikkelde later problemen met bi-seksualiteit of impotentie.

– de moorden hebben een ritueel karakter: aan de manier waarop de moord is gepleegd en vaak aan opzettelijk nagelaten sporen is duidelijk te zien dat het hier om een en dezelfde man gaat.

– vrijwel alle seriemoordenaars zijn van het mannelijk geslacht, blank en pleegden tussen hun twintigste en dertigste hun eerste zware zedenmisdrijf.

In Nederland kennen we behalve Koos Hertogs geen ‘echte seriemoordenaars’. Willem van Eyk (‘het beest van Harkstede’) en Michel Stockx komen in de buurt, maar bij hen is er niet die morbide drive die we kennen van Amerikaanse seriemoordenaars, met martelen, verminken en het bewaren van lichaamsdelen of complete lijken.

De meeste moordenaars die in Moordenaars in Nederland aan de orde komen, vertonen veel trekken van psychopaten: een slecht ontwikkelde gewetensfunctie, geen echte spijt of wroeging, de schuld bij anderen leggen. Dat zijn typerende kenmerken voor seriemoordenaars. Niet te verwarren met massamoordenaars: die in één keer uitbarsten en een bloedbad aanrichten. In Nederland kennen we Cevdet Y. van ’t Koetsiertje in Delft, Tristan van der V. in Alphen aan den Rijn, Karst T. in Apeldoorn. De grootste recente buitenlandse: de Noor Anders Brejvik. Dat zijn doorgaans overgevoelige, psychotische types. Bij massamoordenaars wordt van de dader meestal gezegd dat hij handelde in een psychose, in een toestand met vernauwd bewustzijn.

Hoe ‘bewust’ zijn de moordenaars in dit boek zich van wat te werk gegaan? Bij sommige heb je ’t idee dat er geen plan was, maar dat de gelegenheid zich voordeed. Wanneer is er sprake van voorbedachte rade, verminderde toerekenbaarheid, vernauwd bewustzijn? Ik heb er veel over gesproken met de Haagse zenuwarts wijlen dr. Michael Zeegers. Op zich is een vernauwd bewustzijn niks bijzonders.

Dr. Zeegers: “Iedereen kent die verhalen over verstrooide professors; mensen zijn zo geconcentreerd met één ding bezig dat ze niet op de andere dingen om hen heen letten. Ik vergelijk het wel eens met een zoeklicht, of het kijken door een nauwe koker: je ziet maar een klein stukje van de werkelijkheid. Er zijn een heleboel voorbeelden van automobilisten die opeens tot de ontdekking komen dat ze al heel lang op een verkeerde weg rijden.” Er zijn twee hoofdoorzaken: een hersenstoornis (bijvoorbeeld epilepsie of een te laag bloedsuikergehalte) of psychische druk.

Dr. Zeegers: “Ik heb hier een man gehad die zedendelicten pleegde. Het merkwaardige is dat het drie keer gebeurde toen er ingrijpende dingen in zijn leven voorvielen: de eerste keer lag zijn vrouw op sterven; de tweede keer was vlak na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in mei 1945 en de derde keer vlak nadat zijn moeder was overleden. Direct nadat ik het gedaan heb, weet ik het al niet meer, zei hij. Hij was zelf verbaasd en ongerust.”

Bij massamoordenaars valt vrijwel altijd de term schizofrenie: een gespleten persoonlijkheid. Kenmerkend is dat in deze categorie vaak sprake is van een gestoorde band met hun moeder. Het kind heeft te weinig aandacht gekregen, of – en dat komt nog meer voor: te veel. Psychiaters noemen dat ‘de beschermende moederkloek’ die zo dicht op het kind zit dat het zich niet zelfstandig ontwikkelt. Dr. Zeegers: “De moeder kan het kind toch niet zo beschermen en liefhebben als het kind gedacht had. De teleurstelling daarover vertaalt zich in haatgevoelens.”

De meeste moorden die in het boek aan de orde komen, vertonen veel meer kenmerken van seriemoordenaars dan van massamoordenaars. De meeste delicten zijn niet gepleegd in een psychose en met een vernauwd bewustzijn. Maar sommige lijken aardig dicht in de buurt te komen. Noël H., in Schinveld, bijvoorbeeld, maar het zou ook interessant zijn dieper in te gaan op Jasper S., bij de moord op Marianne Vaatstra. Uit de rapportage komt hij niet naar voren als een gewetenloos persoon. Hij was zwaar gefrustreerd in zijn huwelijksrelatie, hij leefde onder grote psychische druk. De deskundigen achtten hem volledig toerekeningsvatbaar omdat er geen stoornis was. In de rechtszaal werd daar een interessante discussie over gevoerd tussen advocaat Jan Vlug en de psycholoog van het Pieter Baan Centrum. Na de verkrachting was Jasper volgens de psycholoog in ‘existentiële paniek’ geraakt. Dat zien we in veel meer van deze zaken: de pleger van het zedendelict beseft dat hij alles kwijtraakt als dit uitkomt. Bij criminelen en veelplegers ligt het anders: zij hebben niet veel meer te verliezen dan hun vrijheid, maar bij first offenders met een normaal burgerbestaan staat hun hele leven op het spel. De schande; gezin, werk, woning: alles kwijt. In dat besef en in die paniek gaan ze over tot een onvoorstelbare daad: moord. “Op de automatische piloot,” zoals de psycholoog het bij Jasper S. noemde. Hoe ‘normaal’ en toerekeningsvatbaar is dat? Is daar dan geen sprake van een psychose? Jasper S. had er weinig belang bij dit op de spits te drijven: als er na meer onderzoek uit de rapportage de conclusie zou worden getrokken dat er wel sprake was van een psychose en sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou de kans aanwezig zijn dat hij tbs zou krijgen. Met het risico dat hij veel langer binnen zou moeten blijven.

Gewetenloos, schizofreen, psychotisch of psychopaat: voor de meeste moordenaars in dit boek geldt dat ze een bijzondere band met hun ouders hebben. Veel verwaarlozing, gebroken gezinnen, mishandeling, gebrek aan liefde. Niet bij allemaal. De betrokkenheid van Joran van der Sloot bij de dood van Natalee Holloway op Aruba (2005) en de moord op Stephany Flores in Peru (2010) laat ik hier verder buiten beschouwing, maar interessant is de overeenkomst tussen Joran en Pascal F. over de band met hun ouders.

pascal-2-225

Pascal.

In de vroege ochtend van dinsdag 1 oktober 2002 schiet Pascal F. in een pand aan de Weerdsingel in Utrecht Nadia van de Ven dood. Hij vindt haar lastig; er is de afgelopen weken wat onenigheid geweest over de wasmachine en de droger. Wat er die ochtend in de gang precies is gebeurd, kan alleen Pascal vertellen, maar hij doet het niet: hij zegt aan totaal geheugenverlies te lijden voor die dag. Was hij al van plan zijn huurster deze ochtend aan te spreken over de wasmachine, of kwamen ze elkaar op het verkeerde moment tegen? Hij weet niks meer.

Om half negen die ochtend is Nadia aan het bellen met een van haar beste vriendinnen. Het gesprek duurt lang; op een gegeven moment zegt Nadia: “Ik doe even een oortje in, ik ga de was uit de droger halen, dan heb ik mijn handen vrij.” Al telefonerend loopt ze de trap af. Om 7 minuten voor 9 wordt het gesprek op een vreemde manier onderbroken. De vriendin hoort Nadia zeggen: “Goedemorgen.” Ze hoort zes of zeven keer een gil, gestommel, geritsel, dan wordt de telefoon uitgezet. De politie gaat ervan uit dat dit het moment was dat het ophield met Nadia.

Pascal is er meteen vandoor gegaan, in de auto van Nadia. Vermoedelijk als gevolg van een lekke band raakt hij de macht over het stuur kwijt en schiet hij op de A27 richting Amersfoort van de weg. Hij zwerft een nacht door het bos, gaat lopend terug naar Utrecht, stapt daar op de trein en klopt aan bij zijn ouders in Leusden. Zijn vader zegt dat de politie heeft gebeld. Er is een huurster vermoord en hij is de hoofdverdachte. Hij krijgt 1000 euro mee om te kunnen vluchten. Pascal heeft dankzij een inschrijving bij een relatiebemiddelingsbureau een aantal adressen in Polen waar hij naar toe kan.

Zijn ouders doen er alles aan om hem uit de handen van justitie te houden, maar niet alleen dat: ze werken later ook mee aan allerlei constructies die moeten voorkomen dat Pascal ook maar één cent van de toegekende schadevergoeding hoeft te betalen. “Bij die familie draait alles om geld,” zegt Minke van de Ven, de moeder van Nadia. “Officieel huurde Nadia de kamer van de ouders. De 800 euro borgsom die ze moest betalen, weigeren ze terug te geven: er was een opzegtermijn van twee maanden, daar had Nadia zich niet aan gehouden. En ze hadden inkomstenderving.”

De rechtbank veroordeelde Pascal tot het betalen van de begrafeniskosten, een claim van 12.218 euro. Het pand aan de Weerdsingel in Utrecht was door Hans F., de vader van Pascal, aangekocht voor rond de 230.000 gulden. Zoon Pascal en hun dochter waren op papier mede-eigenaar, allebei voor één procent. Na de dood van Nadia en het vertrek van Pascal werd het pand verkocht met een schone winst van ruim 400.000 euro. Eén procent daarvan zou een mooi begin zijn van de schadeclaim. Daarnaast bezat Pascal een pand met een waarde van 200.000 euro. Ruimschoots voldoende om de héle claim te betalen. Maar de ouders staken er een stokje voor. Op het moment dat Pascal in het Pieter Baan Centrum in Utrecht psychiatrisch werd onderzocht, werden alle eigendomsrechten van Pascal overgeschreven, zodat hij op papier niets meer bezat.

Pascal was na de moord naar Polen gevlucht. De politie plaatste een peilzender in de auto van zijn vader en constateerde dat de ouders in drie maanden tijd drie of vier keer naar Duitsland reden. Ongetwijfeld om hem geld te brengen. De politie wilde hem graag in Nederland aanhouden, om allerlei rompslomp met uitlevering te voorkomen. Dat lukte pas in januari 2003 toen ze uit de telefoontaps opmaakten dat Pascal naar het gemeentehuis in Gouda moest voor een uittreksel van zijn geboortebewijs. Hij wilde in Polen trouwen, daarvoor had hij dat papiertje nodig. Daarna had hij nog een afspraak met de notaris om bezittingen op zijn naam te zetten zodat hij in Polen onbekommerd kon leven zonder te hoeven werken. Minke van de Ven: “Een arrestatieteam heeft Pascal aangehouden bij het gemeentehuis in Gouda. Hij zat bij zijn vader in de auto. Het eerste dat zijn vader tegen de politie zei was: ‘We dachten dat Nadia al vergeten was.’ Toen ze gepakt waren, moest vader naar huis bellen om te vertellen dat ze op het politiebureau zaten. Ik hoorde dat zijn vrouw vreselijk tekeer was gegaan omdat ze waren gepakt.”

nadia-portret

Terwijl Pascal toch echt niet het ideale zoontje was: in Leusden had hij een straatverbod gekregen, hij mocht niet meer in de buurt van het ouderlijk huis komen. Reden: hij had zijn moeder en zus bijna vermoord. Zijn zus had hij met zijn legerschoenen in het gezicht getrapt. Dat was niet het enige: in het pand aan de Weerdsingel had hij zijn moeder ook al een keer bijna gewurgd, met een theedoek.

Dat aan Pascal F. een steekje loszit, is wel duidelijk. Als kind was hij al vreemd, maar na zijn verblijf als militair in Bosnië is het helemaal fout gegaan. In 1995 is verzekeringsagent Anton Bussing vermoedelijk zijn eerste slachtoffer. De man zit ’s avonds in Ede in zijn auto te wachten om zijn dochter op te halen, als hij dwars door het portierraam wordt doodgeschoten. Van de dader geen spoor, maar als Nadia van de Ven is vermoord, is er een verrassende match: beiden zijn doodgeschoten met hetzelfde wapen, een uit een kazerne in Ede gestolen Uzi.

Pascal liegt veel. Dat heeft hij niet van een vreemde. Zijn moeder ontkent dat ze, vóór het proces, de politie een brief heeft geschreven, maar ze heeft wél antwoord op die brief gekregen. Moeder wil van de prins geen kwaad weten. In de brief aan de politie schrijft ze dat Pascal ook slachtoffer is, dat Nadia hem heeft geprovoceerd en dat hij niet tegen haar op kon. Pascal had last van een ochtendhumeur en was Nadia op de verkeerde tijd op de verkeerde plek tegengekomen.

Als kind was Pascal gepest, vanwege een huidaandoening. In de vierde klas van de basisschool werd al geadviseerd een onderzoek naar hem in te stellen: het was een erg vreemde jongen. Zus Yvette zegt, na de moord, in een afgeluisterd telefoongesprek dat ze hem veel eerder hadden moeten laten behandelen.

Voor de nabestaanden is dit allemaal moeilijk te verkroppen, met name voor Nadia’s zus en haar moeder. De vader van Nadia is in 2003 overleden. Weliswaar aan een ernstige ziekte, maar zijn levensvreugde was na de dood van zijn dochter goeddeels verdwenen. Hij ligt samen met Nadia begraven in Sint-Johannesga in Friesland, waar de familie oorspronkelijk vandaan komt. Minke van de Ven: “Ik wil niet de rest van mijn leven alleen nog bezig zijn met het verdriet om Nadia, maar ik gun die Pascal en zijn ouders niet het plezier dat ze de toegewezen schadeclaim niet hoeven betalen.”

Toen Pascal F. bij de rechtbank in Utrecht hoorde dat de officier van justitie levenslang tegen hem eiste, was zijn eerste reactie: “Die vent is gek.” Hoe gek hij zelf is, wilde hij niet laten onderzoeken, hij heeft zich systematisch verzet tegen psychiatrisch onderzoek. Zeven weken lang was hij in het Pieter Baan Centrum geobserveerd, maar hij weigerde elke medewerking. Bij temperaturen van 30 graden lag hij ongewassen en gekleed, in steeds dezelfde kleren, onder twee dekens als de psychiater en een psychologe met hem wilden praten. “Hij trok een reukgordijn om zich heen,” concludeerde psychiater Janssen. Van onder de deken kwamen geluiden als ‘toef toef’ en geneurie. “Op advies van mijn advocaat,” zei Pascal. De rechter vatte de conclusie van de deskundigen kort samen: “Eigenlijk zeggen ze: die vent is knettergek.”

In hoger beroep wordt Pascal veroordeeld tot twintig jaar plus tbs voor de moord op Nadia van de Ven. De moord op Anton Bussing is wel ten laste gelegd, maar die acht men niet bewezen. Het argument om geen levenslang op te leggen is dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd en dat hij niet eerder is veroordeeld voor een levensdelict.

Ouders die hun kind de hand boven het hoofd houden, tegen beter weten in: bij Joran van der Sloot was het niet anders. Hier was het name vader Paul van der Sloot die er vanaf het begin – ook met juridische trucjes – alles aan deed om zijn zoon uit handen van justitie te krijgen. Wat niet lukte. Ernstiger is de verdenking dat hij zelf bij het wegwerken van het lichaam van Natalee betrokken zou zijn geweest. Joran bekent bij een undercoveractie van het programma van Peter R. de Vries dat Natalee op het strand is overleden en dat hij haar samen met ‘een derde’ heeft laten verdwijnen. Die naam heeft hij nooit genoemd, maar er is een sterk vermoeden dat hij zijn vader bedoelde.

De vader kwam geregeld in de publiciteit als spreekbuis die rotsvast in zijn zoons onschuld geloofde. Ook de moeder van Joran, Anita van der Sloot, blijft hem door dik en dun steunen en zijn daden vergoelijken. Als hij in 2010 in Peru Stephany Flores vermoordt, zegt ze in een interview dat Joran psychisch zwaar in de war is geraakt door het onverwachte overlijden van zijn vader, in februari 2010. Ze stond al die tijd achter hem. “Ik geloofde Joran. Ondanks zijn vele leugens. Ik voelde dat hij niets met de verdwijning van Natalee Holloway had te maken in 2005. Hij had haar achtergelaten op het strand. Dat geloof ik nog steeds.” In een interview met De Telegraaf zegt ze dat ze hem niet goed wil praten. “Juist niet. Hij loog zoveel, dat we er wanhopig van werden. Hij zei ook tegen me: ‘Mama, ik weet soms zelf niet meer of iets een leugen is of de waarheid’. Joran is ziek in zijn hoofd, maar hij wilde geen hulp.”

Wie een misdaad pleegt, moet boeten, dat vindt zij ook. Maar: “Hij blijft wel mijn zoon, hoe erg ook wat hij heeft gedaan. Dit is het enige wat ik nog kan. Ik heb mijn zoons goed willen opvoeden. Twee doen het heel goed, één raakte in de problemen. Mijn wens is dat hij toch menselijk wordt behandeld en dat hij psychische hulp krijgt.”

(dit is een enigszins bewerkt hoofdstuk uit het in 2015 verschenen ‘Moordenaars in Nederland’. Een actueel bericht staat hier)

moordenaars-bol

 


Wie is hier de psychopaat? De vragenlijst

$
0
0

Marc Dutroux werd tijdens het proces in Arlon ‘de perfecte psychopaat’ genoemd. Van de zware criminelen is één op de vijf psychopaat. Maar lang niet alle psychopaten vertonen crimineel gedrag: 1 op de 1000 Nederlanders valt in de categorie psychopaat.

Dat betekent dus dat haast iedereen er wel één of meer kent. Het gaat hoofdzakelijk om mannen. Hoewel ze misschien geen delicten plegen, laten ze wel een spoor van verwoesting achter in hun privéleven en op de werkplek.

Vaak worden ze niet als zodanig ontmaskerd, omdat veel mensen of bang voor hen zijn of omdat het zulke charmante personen zijn. Een algemene overeenkomst tussen psychopaten is dat ze grote problemen hebben met hun gevoelens ten opzichte van andere mensen en met relaties.

De Canadese psycholoog dr. Robert Hare ontwikkelde de psychopathology checklist-revised, aan de hand waarvan men vast kan stellen of iemand psychopaat is.

De checklist is een uitvoerige handleiding waarin ruim honderd ‘aandachtspunten’ aan de orde komen. Verschillende deskundigen buigen zich over één individu en proberen een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld te geven van de persoon, waarbij ze vooral gebruikmaken van informatie die niet van de persoon zelf afkomstig is.

Niet-deskundigen kunnen niet veel met de checklist, en zeker niet de diagnose ‘psychopaat’ stellen, maar er is wel een populaire vragenlijst te maken die gebaseerd is op de punten die in de checklist aan de orde komen. Níet wetenschappelijk, wél herkenbaar. En wie meer dan driekwart van de vragen met ‘ja’ moet beantwoorden, mag zich enige zorgen maken.

DE KLEMMENDE VRAGEN

Vind je het leuk om mensen pijn te doen?

Wil je altijd winnen?

Heb je voortdurend spanning nodig?

Ben je oppervlakkig in het contact met anderen?

Vertel je vaak sterke verhalen?

Probeer je je beter voor te doen dan je bent?

Ben je een opschepper?

Heb je een veel te positieve inschatting van je talent?

Beloof je vaak meer dan je waar kunt maken?

Ben je een pathologische leugenaar? (Nee…)

Heb je er geen moeite mee als je wordt betrapt op een leugen?

Heb je overal een excuus of reden voor?

Beloof je vaak iets ‘op erewoord’ en blijkt dat erewoord niks waard te zijn?

Heb je geen schuldgevoelens of spijt over wat je anderen aandoet?

Denk je: het slachtoffer verdiende het?

Denk je: het slachtoffer is eigenlijk niets bijzonders aangedaan?

Ben je niet in staat of bereid om de verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen gedrag?

Zijn het altijd anderen die de schuld krijgen?

Weet je altijd wel een smoes te vinden waardoor de schuld niet bij jou ligt?

Manipuleer en bedrieg je anderen en interesseert het je niet wat dat voor hen betekent?

Pleeg je fraude of diefstal?

Pleeg je overspel?

Leen je vaak geld van familieleden zonder het terug te betalen?

Kom je op anderen over als koud en ongevoelig?

Zijn je ‘emoties’ dramatisch, kortstondig en onecht?

Heb je weinig respect voor de rechten, gevoelens en het welzijn van anderen?

Beschouw je andere mensen als potentiële slachtoffers die te manipuleren zijn?

Beschouw je jezelf als de belangrijkste persoon die er is?

Heb je een zeer sterke behoefte aan spanning en prikkels?

Heb je een ongebruikelijk sterke afkeer van verveling?

Leid je een snel leven met veel risicogedrag?

Experimenteer je met drugs?

Vind je school, werk en langdurende relaties saai en vervelend?

Teer je als het even kan op de zak van de familie, partner of vrienden?

Vermijd je het hebben van een vaste baan?

Ben je opvliegend van aard?

Kun je je vaak slecht beheersen?

Reageer je op mislukkingen, kritiek en frustraties met geweld, scheldpartijen of bedreigingen?

Ben je een driftbui of uitbarsting snel vergeten?

Gedraag je je vaak impulsief, zonder stil te staan bij de gevolgen?

Beëindig je relaties abrupt, zonder goed gesprek?

Zeg je vaak zomaar je baan op?

Verhuis je zonder anderen daarover te informeren?

Heb je geen verantwoordelijkheidsgevoel of loyaliteit ten opzichte van familie, vrienden, werkgevers, huisbazen of anderen?

Kun je slecht met geld omgaan, heb je vaak schulden?

Ga je slecht om met zakenrelaties?

Ben je je familie vaak tot last?

Heb je geen plannen of doelen voor de lange termijn?

Leef je van dag tot dag en veranderen je plannen continu?

Stoor je je er niet aan dat je leven vrij inhoudsloos is?

Kenmerkten je kinderjaren zich door problemen als liegen, vechtpartijen, diefstalletjes, beroving en brandstichting?

Heb je in je jeugd vaak geweld gebruikt tegen mens en dier?

Stond je al vroeg bekend als het zwarte schaap van de familie?

Heb je in je tienertijd met arrestaties en veroordelingen te maken gehad?

Heb je als volwassen gedetineerde ontsnappingspogingen gedaan?

Ben je als volwassen gedetineerde niet teruggekeerd van proefverlof?

Heb je, als volwassen gedetineerde, delicten begaan tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling en hou je je niet aan de voorwaarden van de voorwaardelijke gevangenisstraf?

Heb je een verleden met veel huwelijken en/of samenwoonrelaties?

Heb je een strafblad met veel verschillende soorten delicten?

 

TOPMAN OF PSYCHOPAAT

Op het werk is een psychopaat typisch iemand van: likken naar boven, trappen naar beneden. Als hij ergens begint, probeert hij het vertrouwen te winnen van iemand die hij goed denkt te kunnen gebruiken. Is dat vertrouwen eenmaal gewonnen, dan laat hij het slachtoffer het werk opknappen en probeert zelf met de eer te gaan strijken.

Dat lukt hem meestal, omdat hij een vlotte babbel heeft en al snel een wit voetje weet te halen bij de hoogste baas. Daarmee is hij ook meteen ingedekt tegen klachten ‘van onderaf’: op het moment dat de collega’s doorhebben dat ze met een nietsnut te maken hebben, is het al te laat. Klachten daarover worden door de baas afgedaan als jaloezie.

Promotie

Chefs die niet op tijd in de gaten hebben dat ze met zo iemand te maken hebben, moeten niet vreemd opkijken als hun baan wordt ingepikt door de psychopaat, die ze eerst zelf zo goed op weg hebben geholpen. Psychopaten maken vaak snel promotie en worden soms al heel benoemd in een leidinggevende functie. Daar gaat het meestal niet lang goed: na een paar jaar blijkt dat ze een gerenommeerd miljoenenbedrijf aan de rand van de afgrond hebben gebracht.

Dat dit soort figuren zo snel carrière kunnen maken, komt doordat de eigenschappen die aan goede leiders worden toegeschreven veel lijken op psychopathische kenmerken: emoties onder controle houden, harde beslissingen nemen, mensen ontslaan. Een psychopaat kickt er juist op mensen pijn te doen. En een goede leider moet mensen kunnen motiveren. Dat lijkt veel op het manipuleren waar een psychopaat heer en meester in is.

Leegloop

Wat kun je doen als je ontdekt dat er in je bedrijf een psychopaat werkt? Vooral niet: naar de directie stappen, dat werkt averechts. Bovendien kan men iemand niet ontslaan louter omdat hij psychopaat is. In de praktijk betekent het vaak een leegloop van ‘goede’ mensen en een bedrijf of een afdeling die ten dode is opgeschreven. Het enige dat je zelf kunt doen is: zoveel mogelijk afstand bewaren en hopen dat hij vertrekt. Of zelf vertrekken.

Riskante werkvloeren

Psychopaten gedijen overigens het best in bedrijven waar weinig orde, regelmaat en controle is en veel verloop is onder het personeel. Riskante ‘werkvloeren’: de medische wereld, personeelsafdelingen in het algemeen, verkoop- en onderzoeksafdelingen en de aandelensector. Niet-riskant: de ambtenarij en bureaucratische ondernemingen of instellingen in het algemeen.

PSYCHOPATEN: VOER VOOR FILM

In een film is er niks spannender dan de jacht op een psychopathische moordenaar, meestal een briljante charmeur die iedereen te slim af is. De klassiekers ‘Psycho'(1960) en ‘The silence of the lambs'(1991) zijn zelfs allebei gebaseerd op het leven van een seriemoordenaar, de Amerikaanse vrijgezelle boer Edward Gein.

In de werkelijkheid was er aan Gein weinig briljants te bespeuren: hij was een sociaal gehandicapte sukkel, een zielenpoot die bij zijn moeder woonde. Voor de kenners was het even verwarrend, toen die film uitkwam. Moest het niet zijn: The silence of the lamps, in plaats van lambs? Het ging toch over lampenkappen, niet over lammetjes? Of het een onbewuste woordspeling is of dat de bedenker van de titel zijn criminele klassieken kende, is nog altijd niet duidelijk.

Vast staat wel dat de films met Anthony Hopkins als Hannibal (Lector) the Cannibal gebaseerd zijn op het leven van Edward Gein, een Amerikaanse boer die geschiedenis maakte met macabere seriemoorden.

Psycho

Eerder al vond Alfred Hitchcock hier de inspiratie voor zijn ‘Psycho'(1960), met de beroemde douchescène. De werkelijkheid is het platteland van Wisconsin, in de jaren vijftig. Op de familieboerderij in Plains wonen Edward Gein en zijn broer bij hun zeer dominante moeder. Zij zorgt ervoor dat haar zonen zich uit de naad werken en geen contacten kunnen leggen met vrouwen.

Als zijn moeder en zijn broer kort na elkaar overlijden, raken er bij Ed wat draadjes in de war. Hij verzegelt de kamer van zijn moeder hermetisch en sluit zich op in een kleine kamer in de boerderij. Hij verwaarloost het werk en gaat boeken over het menselijk lichaam lezen, waarbij hij een morbide interesse ontwikkelt voor de vrouwelijke anatomie.

Grafrover

Vervolgens gaat hij die van dichtbij bestuderen door bij nacht en ontij lijken van vrouwen uit afgelegen graven te roven. Het is maar een kleine stap naar de volgende fase: om aan ‘vers materiaal’ te komen, vermoordt hij willekeurige vrouwen. Zijn eerste slachtoffer, in 1954, is een 51-jarige boerenvrouw, die hij doodschiet en meeneemt naar zijn boerderij voor nader onder-zoek. Hij vilt zijn slachtoffers en maakt kledingstukken en lampenkappen van de huid.

Macaber

De schattingen over het totaal aantal slachtoffers lopen uiteen van negen tot vijftien. In 1957 wordt hij aangehouden. De politiemensen kijken hun ogen uit. Aan de hanenbalken hangen de gevilde lijken en in de boerderij worden tal van macabere accessoires aangetroffen: armbanden van mensenhuid, een tam-tam bespannen met huid, een soepkom van een afgezaagde schedel en een ijskast volgepropt met menselijke organen. Kannibaal Gein blijkt zowel necrofiel als een kannibaal te zijn. Na dertig jaar in psychiatrische inrichtingen te hebben doorgebracht, werkend als timmerman en zich gedragend als een modelgevangene, sterft hij in 1984.

Zwakke figuren

In de periode voor zijn dood is hij nog uitvoerig ondervraagd door FBI-agenten die zijn case gebruiken om informatie te krijgen over de denk- en werkwijze van seriemoordenaars. Brian Masters, een Britse auteur die ook boeken schreef over seriemoordenaars, zei naar aanleiding van het succes van ‘The Silence of the lambs’ dat de werkelijkheid in dit soort films wel erg veel geweld aan wordt gedaan. “Hannibal Lector wordt neergezet als een enorm intelligente en zelfs bewonderenswaardige figuur. Maar dit soort mensen zijn gewoonlijk juist heel zwakke figuren. Iedereen die door moordenaars wordt gefascineerd is rijp voor de psychiater.”

Narcistisch

De donkere kant van de menselijke ziel is voor filmmakers een stuk interessanter dan de zonzijde. Psychopaat Alex is verreweg de meest interessante figuur uit Stanley Kubrick’s klassieker ‘A Clockwork Orange’: hij is tegelijk aantrekkelijk en afstotend. Aan de ene kant briljant, grappig, knap, vol zelfvertrouwen, dapper, avontuurlijk, muzikaal, en met gevoel voor schoonheid.

Aan de andere kant heeft hij totaal geen empathisch vermogen, geen morele grenzen, geen geweten, hij is sadistisch, narcistisch, seksueel onverzadigbaar, een leugenaar en oplichter en hij wordt gedreven door fantasieën over macht en dominantie. De slachtoffers die Alex en de onder zijn invloed verkerende vrienden maken, worden willekeurig gekozen, ze dienen slechts als vermaak en worden voor de grap beroofd, verkracht en in elkaar getrapt, met op de achtergrond een vrolijk deuntje van Gene Kelly (“Singing in the rain”).

Beethoven

We zien hoe Alex, nadat hij een vrouw in haar eigen huis heeft verkracht en haar man invalide heeft geschopt, een horloge en geld van het slachtoffer meeneemt en thuis in zijn nachtkastje legt, bij de honderden horloges van vorige slachtoffers. Dan zegt hij: “Het was een mooie avond die ik niet beter kan afronden dan met een muziekje van de oude Ludwig.” Toen Kubrick eens werd gevraagd hoe zo’n aardige Joodse jongen uit de Bronx zo’n donkere kijk op de mensheid kan hebben, zei hij: “Door observatie, kijken naar de mensen om me heen en naar wat er in de wereld gebeurt.”

 

Posbankmoord: zijn de verdachten uit Erp ‘de Slavisch ogende types’?

$
0
0

Wordt de moord op Alex Wiegmink (44), de huisschilder uit Doetinchem die in januari 2003 ging hardlopen op de Posbank en werd vermoord, alsnog opgelost?  Het coldcase-team van de politie Oost-Nederland denkt nieuw technisch bewijs te hebben. Dat meldt Peter R. de Vries, die nauw contact heeft met het politieteam.  Een van de conclusies is dat de moordenaars waarschijnlijk uit het Brabantse Erp of de omgeving komen. Dat zou gebleken zijn uit telecomonderzoek.

Dat is wat al lang werd vermoed. Wiegmink was huisschilder en ging na zijn werk geregeld hardlopen op de Posbank. Daar kwam hij langs onderweg naar huis. Op de parkeerplaats liep hij criminelen tegen het lijf. Autokrakers? Die vermoordden hem waarschijnlijk ter plekke en reden daarna weg, met het lijk in zijn eigen auto. De auto werd later die avond uitgebrand teruggevonden in het Brabantse Erp.

Voor het inmiddels niet meer bestaande weekblad Aktueel maakte ik een reportage over deze zaak, in december 2008. Aanleiding was een tip die bij Peter de Vries was binnengekomen over de toen 47-jarige Arnhemmer Bernard K.; die werd opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij de moord . Hij werd in korte tijd twee keer vrijgelaten en weer aangehouden.

Tot verbijstering van zijn familie. Uit  de gegevens die Bernard in de gevangenis wist te achterhalen blijkt dat hij er niets mee te maken heeft en dat de politie de echte daders kent: er zijn zelfs compositietekeningen van hen, er is dna-materiaal en er is een getuige die twee van de drie mannen recht in het gezicht heeft gekeken en hen zeer zeker zou herkennen. Ook heeft een getuige precies gezien hoe Wiegmink is vermoord en ook hij zag de daders. Dit was in januari 2003 allemaal al bekend, maar de politie heeft nooit moeite gedaan de identiteit via een gerichte actie in de media te achterhalen. Maar als een labiele vrouw uit wraak haar eigen broer tipt bij de politie (“Zen eige suster hep m veraije”) moet hij drie maanden de cel in.

wiegm-5

Op maandagmiddag 20 januari 2003 gaat huisschilder Alex Wiegmink (44) uit Drempt, bij Doesburg, nog even hardlopen op de Posbank, voor hij naar huis gaat. Hij was tot drie uur in Arnhem aan het werk geweest. Tot zover niks bijzonders, maar deze middag verloopt anders. Hij komt in conflict met drie op het eerste gezicht Oost-Europese mannen, in de buurt van zijn auto. De aanleiding is onduidelijk, mogelijk had Wiegmink hen betrapt bij een autokraak. Een mountainbiker ziet van enige afstand wat er gebeurt, ook hoe Wiegmink wordt vermoord en in de kofferbak van zijn eigen Opel Omega wordt gelegd.

Deze getuige beschrijft de twee mannen als ‘Turks-Marokkaans’. De donkergroene Opel Omega station van Wiegmink is opvallend door de kanobeugels op het dak. De auto wordt diezelfde avond even na acht uur in de bossen bij het Brabantse Erp uitgebrand aangetroffen met daarin het lichaam van Wiegmink, die enkele uren daarvoor als vermist was opgegeven.

Het is voor de politie direct al vrij duidelijk hoe het ongeveer gegaan moet zijn. In een uitzending van Opsporing Verzocht worden getuigen opgeroepen en tien dagen later zijn er verklaringen van drie mensen die de auto van Wiegmink die avond hebben zien rijden. De auto is bij de Posbank vandaan via Nijmegen over de A50 richting Den Bosch gereden. Twee vrouwen komen van de kant van Nijmegen, over de A15, en zien dan direct in het begin, als ze net op de A50 rijden, de Opel Omega met de kanobeugels. Zij menen dat er een auto achteraan rijdt die erbij hoort, maar daar hebben ze geen details van onthouden, behalve dat er één man in zat. De inzittenden van de Opel hebben ze niet goed kunnen zien.

wiegmink-auto

Dat heeft een andere getuige wél: het gaat om een vrouw die van Arnhem naar Eindhoven rijdt. De A50 is dan nog niet helemaal snelweg, van de afslag Oss-Oost/Uden tot aan Den Bosch staan stoplichten. Ongeveer drie kilometer vóór dit punt wordt ze ingehaald door de Opel Omega, die meteen haar aandacht trekt: haar schoonvader heeft precies zo’n auto, maar dan zonder die rare beugels. Ze vraagt zich af: wat voor mensen zijn dat, die met zo’n beugel op het dak rondrijden?

Ze krijgt alle kans dat goed te bekijken. Het is filerijden op het stoplichtentraject van wat dan nog de N50 heet. De vrouw komt er dagelijks langs en weet dat de rechterrijstrook meestal sneller gaat dan de linker. Drie keer haalt de Opel haar in, drie keer komt zij weer langsrijden, stapvoets. Ze concludeert dat de chauffeur hier niet bekend is, omdat hij op de linkerbaan blijft rijden. In de Opel brandt het lampje van de binnenverlichting, waardoor ze alle gelegenheid heeft de inzittenden goed te observeren. De chauffeur is ongeveer 50 jaar, heeft bebop-haar (kort aan de zijkant, langer bovenop) met grijsblonde plukken, blauwe ogen en rookt een sigaret. De leeftijd van de bijrijder kan ze moeilijk schatten: ergens de 45 en 55. Hij heeft een dunne snor. Beide mannen maken op haar ‘een Slavische indruk’ en ze vertelt de politie: “Als ik 100 jaar word, zal ik ze nog herkennen.”

De vrouw let altijd goed op de auto’s in de andere rij, om te kijken welke rij het snelst gaat. Het is tussen kwart voor en zeven uur. Ze ziet dat de schermen van de laadruimte niet helemaal dichtgetrokken zijn. De bestuurder heeft ze één keer naar rechts zien kijken, recht in haar gezicht. Hij had blauwe ogen. Aan de ruimte tussen zijn hoofd en het dak schat zij de  lengte van de bestuurder op ongeveer één meter tachtig. Hij draagt een blauwe jas. De bijrijder draagt een sportieve zwarte jas met gele band, een soort ski-jas. Hij heeft zwart haar met lichtgrijze puntjes, in een bepaald coupe. Hij maakt een verzorgde indruk. Hij heeft een scheiding links, een beetje zoals premier Balkenende, maar dan met korter haar. Over de dunne snor van de man valt haar op dat het veel werk moet zijn om deze zo bij te houden. Ook de bijrijder kijkt ze recht in het gezicht, zo van: “Zo, staan we weer in de file.” Ook hij heeft blauwe ogen. Opvallend is dat zijn rechter ooglid een beetje hangt. Hij maakt op haar de indruk van “een man die weet wat er in het leven te koop is,” het is iemand “met een wereldse blik in de ogen”.

wiegm-1a-180

Dat is nog niet alles: er zijn ook dna-sporen van de daders achtergebleven, op vier verschillende voorwerpen, ondermeer op onderdelen van de auto. Waarom de politie niet meteen via televisie een oproep heeft gedaan om de mannen aan de hand van compositietekeningen te achterhalen, is een raadsel. De kans dat deze drie op die maandag toevallig voor het eerst van hun leven in Nederland waren, lijkt niet al te groot. Minstens zo twijfelachtig is het feit dat Bernard K. zo lang wordt vastgehouden op basis van een tip, terwijl binnen drie dagen gemakkelijk had kunnen worden geconstateerd dat de kans dat hij er werkelijk iets mee te maken heeft nagenoeg nihil is.

 

Hoe kwam Bernard K. in beeld?

 

De politie ging er in 2003 meteen al vanuit dat er een grote kans was dat de daders autokrakers waren. Dat was de reden dat alle bekende autokrakers uit de wijde omgeving van Arnhem op het matje werden geroepen. De familie maakt er geen geheim van dat Bernard K. een autokraker was en in bepaalde kringen als zodanig bekend staat. Hij meldt zich dan ook op het politiebureau. Er is weinig onduidelijkheid over zijn alibi op die maandagmiddag: ze eten altijd om kwart over vier omdat zijn vrouw van half zes tot half acht werkt, dan past Bernard op hun jongste dochter. Hun oudste dochter, van 18, komt om half zeven thuis en treft haar vader dan met haar zusje aan. Niks bijzonders. Het is uitgesloten dat Bernard die middag van de Posbank naar Erp is gereden. Bernard biedt de politie aan dna af te staan, maar dat hoeft niet, hij is geen verdachte en hoort er verder nooit meer iets van.

 

In januari 2008 heeft Bernard een hooglopend conflict met zijn zus Willy. Het gaat slecht met haar. Ze is verslaafd aan drugs en alcohol. Haar grote wens is, als ze overlijdt, in het graf bij haar moeder te worden bijgezet. Broer Bernard heeft het graf op zijn naam staan en hij zegt: over mijn lijk! Als ik naar het graf van mijn moeder ga, wil ik niet naar het graf van een junk. In de Gelderlander leest Willy een berichtje over Peter de Vries die getuigen oproept in de zaak-Wiegmink en er is sprake van een beloning. Het is goed mogelijk dat Willy inderdaad denkt dat Bernard er iets mee te maken heeft gehad, het was bekend dat hij op het politiebureau was geweest als autokraker, om te worden gehoord. Verder weet zij er niks van, maar nu het zo uitkomt herinnert ze zich wel dat er iets was met Bernard en die zaak.

Ze neemt contact op met Peter de Vries, die uiteraard zeer geïnteresseerd is. Er wordt zelfs een poging gedaan tot een undercoveractie, met de ex van een andere zus. Hij komt ‘geprepareerd en wel’ op bezoek bij Bernard, maar de apparatuur is niet aangesloten, hij wil eerst proefdraaien. Hij staat stijf van de zenuwen, dat herinneren de aanwezigen zich achteraf, en besluit hier niet mee door te gaan.

 

In maart 2008 speelt De Vries de tip door aan de politie, die de zaak serieus oppakt en er een kernteam opzet onder de naam Kemphaan. De telefoons van de familie worden getapt, Bernard wordt geobserveerd en op 17 oktober wordt hij door de politie klemgereden, geboeid en geblinddoekt afgevoerd naar het politiebureau in Arnhem. Daar krijgt hij te horen dat hij wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord op Alex Wiegmink. In het geruchtencircuit doet al snel de ronde hoe hij in beeld is gekomen: op de website van dagblad de Gelderlander meldt iemand in een anonieme reactie: “Zen eige suster hep m veraije”.

 

De grote vraag is meteen al: waar zijn de mededaders? Het staat wel vast dat de moord op Wiegmink nooit door één man kan zijn gepleegd, nog afgezien van het feit dat er getuigen zijn die ondubbelzinnig verklaren over de betrokkenheid van minstens twee daders. Uit niets blijkt ook maar enig verband tussen de ‘Zuid- of Oost-Europeanen’ en Bernard K. Het is dan ook weinig verbazingwekkend dat Bernard op donderdag 4 december uit voorlopige hechtenis wordt ontslagen en in afwachting van de rechtszaak op vrije voeten komt. Zeer tegen de zin van de betrokken officier van justitie, die Bernard meteen weer laat oppakken voor een oude zaak, over witwassen.

 

Het is wel een primeur: hij is de eerste gedetineerde die niet meer in de gevangenis zelf mag worden aangehouden, dat is in november juist veranderd door een uitspraak van de Hoge Raad, tegen een van de verdachten uit het Amsterdamse liquidatiesproces. De taxi waarmee Bernard van de Bijlmerbajes op weg is naar huis, wordt bij Wolfheze klemgereden door een arrestatieteam, maar de rechter-commissaris besluit de volgende morgen dat de officier van justitie zijn boekje te buiten is gegaan en laat Bernard alsnog vrij. De officier was in beroep gegaan tegen de vrijlating. Dat wordt behandeld op woensdag 10 december.

 

De uitspraak valt Bernard rauw op het dak: hij moet toch binnenblijven tot het proces en wordt die ochtend opnieuw aangehouden. Volgens zijn advocaat is die beroepsprocedure niet correct verlopen, dinsdag 16 december wordt een klacht hierover behandeld, maar de kans dat die wordt gehonoreerd lijkt vrij klein. Pas in februari 2009, tijdens het proces, zal Bernard de kans krijgen zijn onschuld aan te tonen, hoe graag hij dat ook eerder van de daken zou willen schreeuwen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis kon hij zijn verhaal niet kwijt: als zeer unieke schorsingsvoorwaarde was opgelegd dat hij géén contact met hebben met de pers. Zus Willy is inmiddels op het politiebureau geweest om te verklaren dat ze alles gelogen had om haar broer een hak te zetten, uit wraak over het graf, maar dat zet geen zoden aan de dijk: wie gelooft er nou een junk?

 

Aldus de reportage in 2008. Naderhand zijn er nog tal van verhalen geweest over de zaak, waarvan de meeste kant noch wal raakten. Met als dieptepunt dat het om een homo-gerelateerde moord zou gaan. Met als enig ‘aanknopingspunt’ dat Wiegmink enige gelijkenis vertoont met Freddy Mercury, de zanger van Queen.

De getuigen van toen beschreven de daders als ‘oost-Europees’ of ‘Slavisch’. Zigeunerachtige types. Maar dat kunnen dus ook in Nederland wonende mensen zijn geweest. De grote vraag is of de politie voldoende bewijs heeft weten te verzamelen om de verdachten serieus te kunnen vervolgen. 

 

 

Astrid Holleeder: Judas, de dans om het goud

$
0
0

(reportage uit Panorama, september 2016)

In januari 2003 werd Cor van Hout vermoord. Als hij nog leefde, zou hij nu 59 jaar zijn. Als hij vanaf een wolk meekijkt, moet hij met lichte verbijstering zien hoe zijn nabestaanden nog altijd aan het touwtrekken zijn om zijn nalatenschap. Met in het midden een glinsterende berg goud, waarvan bijna niemand weet wat er precies mee aan de hand is. Wel dat deze goudklomp nog altijd gloeiend heet is en vooral zijn ex-vrouw Sonja Holleeder en haar familie heel wat blaren bezorgt.

In een bescheiden rijtjeshuis in een rustige woonwijk in het centrum van Alkmaar heeft een jaar lang een goudschat op zolder gelegen. Niet in een kluis of zo, gewoon in een kast. Tussen het speelgoed, in dozen van Playmobil. Veertig staven, in totaal zo’n twintig kilo. Het was nog net niet de bedoeling dat de kinderen er kasteeltjes mee gingen bouwen, maar verder lag het daar eigenlijk maar wat te liggen. Ad van Hout, de twee jaar oudere broer van Cor, had het in bewaring gekregen. Het goud was in 1989 bij een bank aangekocht door Rob Grifhorst, De Bouwvakker, die niet actief betrokken was geweest bij de Heinekenontvoering in 1983, maar wel bij de nasleep. Hij werd ervan verdacht een deel van het losgeld – ruim vijf miljoen gulden – te hebben geïnvesteerd in onroerend goed. Onder andere in Casa Rosso op de Wallen en in prostitutiepanden op de Achterdam in Alkmaar. Grifhorst is in 2014 overleden. Hij heeft in de jaren voor zijn dood nog een aantal verklaringen afgelegd over hoe het met die geldstromen tussen hem en zijn goede vriend Cor van Hout was gegaan. Dat kwam niet uit de lucht vallen: justitie had het onderzoek daarnaar in 2007 weer opgepakt, nadat een andere goede vriend van Cor, Thomas van der Bijl, daar bij justitie en politie verklaringen over had afgelegd.

Even terug naar de dagen van de ontvoering van Freddy Heineken en chauffeur Ab Doderer, in het najaar van 1983. Van de dertig miljoen gulden losgeld was meteen al, dankzij ‘een gouden tip’, een groot deel ontdekt in een bos bij Zeist. Cor van Hout en Willem Holleeder waren de dans ontsprongen: ze waren naar Parijs gevlucht en hadden hun deel van het losgeld, vijf à zes miljoen gulden, veiliggesteld. Er was er maar één die beweert dat hij wist waar het lag: Thomas van der Bijl. Van oudsher gabber van Cor en bijna-zwager: het eerste vriendinnetje van Cor was Anneke van der Bijl, zusje van Thomas.

Uit de Griekse mythologie stamt het verhaal van koning Midas. Alles wat hij aanraakte veranderde in goud, maar hij stierf ongelukkig: toen ook zijn voedsel en zijn kind in goud veranderden, was de lol er snel vanaf. Cor van Hout was ook iemand bij wie bijna alles voor de wind ging, toen hij vrijkwam na de straf voor de ontvoering. Een overvloed aan geld, een luxe leven, dure huizen, veel vrienden. Maar ook zijn gouden tijden veranderden. Hoe ironisch: koning Midas dankte zijn gave aan de wijngod, voor het redden van een dronken sater. Cor van Hout ging aan drank ten onder. Zijn beste vrienden keerden zich van hem af. Onder wie, ongeveer twee jaar voor zijn dood in 2006, Thomas van der Bijl.

Astrid Holleeder, zus van Willem, zegt hierover in een verklaring: ‘Thomas heeft Cor het huis uitgejaagd. Ik weet niet waarom. Als Cor dronken was, was het een echte zeikerd.’

Thomas was een van de dragers van de kist, op de begrafenis van Cor. Hij moet veel verdriet hebben gehad van de onenigheid met Cor. Die ruzie was er ook de oorzaak van dat het goud, dat Thomas in beheer had, werd afgeleverd bij Ad van Hout. Die er behoorlijk mee in zijn maag zat. Toen de verstandhouding tussen Ad en Cor – ook als gevolg van de drankzucht van Cor – verslechterde, gaf Cor opdracht het goud naar Sonja te brengen. Zij verkocht het voor 575.000 euro. Eind goed al goed.

Dat was misschien inderdaad het geval geweest, als Thomas van der Bijl zijn mond had gehouden. Maar dat deed hij niet. In de periode voor zijn dood, april 2006, was Thomas met de politie van Amsterdam gaan praten. Hij was opgepakt voor een drugszaak. In ruil voor informatie mocht hij als enige van de verdachten op vrije voeten, met goedkeuring van de in dit soort zaken onvermijdelijke Fred Teeven. Thomas vertelt: ‘Ik heb een gedeelte van het geld weggehaald uit Frankrijk. In een homofielenpark stond een boom met een M en dan zoveel stappen daar vandaan, heb ik twee nachten liggen graven. Toen heb ik het gevonden. Dat waren tassen met plastic en daarin het geld. Dat was 5 à 6 miljoen gulden bij elkaar. Ik heb de poen meegenomen en ingewisseld bij het Grenswisselkantoor en aan De Bouwvakker gegeven.’

Dat ‘homobos’ komt ook voor in het boek van Peter R. de Vries over de Heinekenontvoering. Cor en Willem waren na de ontvoering met de Golf Gti van Thomas naar Parijs gereden. ‘We gingen ook bijna iedere dag tennissen bij de duurste club van Parijs, de Beverly Hills, en trimden dikwijls in het nabijgelegen Bois de Boulogne,’ aldus Cor. Het losgeld zou in dat bos begraven zijn geweest. Volgens Thomas.

Het is duidelijk dat Thomas dit eind 2005 vertelt uit wraak. Hij zegt dat hij door Holleeder wordt bedreigd en vreest voor zijn leven. Grifhorst heeft altijd ontkend dat hij losgeld heeft gekregen en dat heeft gebruikt voor investeringen in onroerend goed.

Wat is de waarheid?

Van der Bijl heeft in zijn kluisverklaringen veel onzin verteld. Mensen die hem kenden konden zich moeilijk voorstellen dat hij in zijn eentje ’s nachts in hartje Parijs dat losgeld heeft kunnen vinden en dat het gegaan is zoals hij beweert: er moet iemand anders bij zijn geweest. Maar dat er een grote kern van waarheid schuilt in een zeker verband tussen het losgeld en de investeringen op de Wallen, is aannemelijk. In 2007, een jaar na de dood van Van der Bijl, sprong justitie er alsnog op in met het Goudsniponderzoek, dat tot de dag van vandaag nog menigeen hoofdpijn bezorgt. Holleeders advocaat Stijn Franken struikelde erover en het hele proces tegen Holleeder dreigt nu vast te lopen op dit dossier.

Wat zijn, voor zover na te gaan op basis van dossiers en verklaringen, de feiten? Het onderzoek heet niet voor niks Goudsnip: de berg goud speelt er een prominente, zij het nogal wazige rol in. Het onderzoek duurt inmiddels al negen jaar. Er zit weinig schot in en dat is niet zo vreemd. De eerste verdenking was dat er losgeld was geïnvesteerd in onroerend goed op de Wallen, in de periode dat Cor en Willem nog goed met elkaar door één deur konden. Onderzoek daarnaar leverde niets op. De gewezen ontvoerders hadden zelf niks op hun naam. Door de verklaring van Thomas van der Bijl, afgelegd in de periode voor zijn dood in april 2006, rook justitie een nieuwe kans. Dit keer concentreerde zich dat op de zakelijke belangen tussen Cor van Hout en Rob Grifhorst op de Achterdam.

Grifhorst legde het zo uit. Hij had dankzij een gouden tip van Cor flinke winst gemaakt met een onroerend-goedproject in Zaandam. Cor had recht op een provisie van 1,3 miljoen gulden (600.000 euro). Cor was in die periode, 1996, aan het investeren in onroerend goed en had wel oren naar de hoerenkasten van Grifhorst op de Achterdam en zou voor 1 miljoen gulden hebben gekocht. Hij betaalde de helft contant, de rest zou in termijnen volgen.

Vanaf hier beginnen de officiële verhalen en de onofficiële uit elkaar te lopen. Als justitie in 2007 met het onderzoek begint, verklaart Grifhorst dat hij de panden in 1998 al had teruggekocht van Cor, omdat er teveel problemen in Alkmaar kwamen. Banken zouden de rekeningen opzeggen, het was slecht voor de hele handel dat er een crimineel actief was. Bovendien was Cor in 1998 aangehouden voor een drugsonderzoek, Grifhorst was bang dat hij naar de rest van het geld kon fluiten. Hij had het teruggekocht voor 1,25 miljoen gulden. 750.000 betaalde hij met veertig kilo goud, de rest werd verrekend met de 500.000 gulden die hij nog van Cor tegoed had.

Dat is het officiële verhaal. Mensen uit de directe omgeving van Cor hebben het anders ervaren. Zij beweren dat Cor tot aan zijn dood inkomsten kreeg van de hoerenkasten in Alkmaar. Contant. Duizenden euro’s per week. Dat komt overeen met een andere feitelijke gebeurtenis: dat kort na de dood van Cor de panden op de Achterdam nieuwe eigenaars kregen. Ze worden stuk voor stuk genoemd in het Goudsnipdossier: de Alkmaarse gokkastenkoning Bertus H. en zijn echtgenote; de levenspartner van Johan V. alias de Hakkelaar en de vrouw van Rob Grifhorst. Astrid had deze verkoop geregeld.

 

Rara, hoe kan dat, als de panden al in 1998 door Grifhorst waren teruggekocht? Volgens een verklaring van Grifhorst was het toeval dat dit net na de dood van Cor gebeurde. Het was een heel gedoe geweest om de aandelen uit bepaalde bv’s te halen, daarom kon de boel niet eerder aan een nieuwe eigenaar worden verkocht.

 

Dat kan men geloven, maar dan stuiten we op een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid uit juli 2005. ‘Na de liquidatie van Cor van Hout in 2003 bleek dat het enige vermogen dat nog van hem over was de prostitutiepanden op de Achterdam in Alkmaar en het huis in Nigtevecht waren. Sonja Holleeder heeft de prostitutiepanden verkocht. Dit is geregeld door Roel Tangenberg en Astrid Holleeder. De gesprekken over deze overname zijn door voornoemde personen gevoerd met Grifhorst. Daar waren ook bij aanwezig Bertus H. en een oudere man. Johan V. is er later bijgehaald. Er is vermoedelijk meer dan een bedrag van 5 miljoen euro betaald door Grifhorst en V. Dit bedrag is betaald aan Sonja Holleeder. Een gedeelte is ineens betaald en de rest zou in maandelijkse termijnen betaald worden.’

En een proces-verbaal uit januari 2006: ‘Tijdens het leven van Cor van Hout werd de huur van de prostitutiepanden aan de Achterdam te Alkmaar doorgeboekt naar bankrekeningen op Curaçao. Daarna werd een bedrag doorgesluisd op de Spaanse bankrekening op naam van een stroman. Cor van Hout kreeg het geld van de stroman. Na de liquidatie van Cor van Hout is Bertus H. door Rob Grifhorst naar voren geschoven als belangenbehartiger voor de Achterdam. H. heeft zich voorgedaan als de nieuwe eigenaar van de Achterdam. Sonja Holleeder kreeg in verband met de verkoop van de Achterdam een bedrag ineens en het resterend bedrag in termijnen uitgekeerd.’

Als we er voor het gemak even van uitgaan dat dit een logische gang van zaken is, rijst er meteen één vraag. Cor koopt panden van Grifhorst, na zijn dood worden ze verkocht, Sonja krijgt als rechtmatige erfgename de opbrengst. Waar kwam dat goud dan vandaan? Grifhorst beweert dat hij met die 40 kilo in 1998 de panden al had teruggekocht. Het is niet netjes om een dode tegen te spreken, maar het verhaal rammelt aan alle kanten. Er zijn verklaringen over dat goud die zeggen dat als Cor op bepaalde momenten ruim in zijn geld zat, belegde in goud. Als appeltje voor de dorst en voor Sonja en de kinderen. Misschien wel in goud van Grifhorst, waar hij via Thomas van der Bijl het beheer over had en dat op verschillende locaties was ondergebracht. Volgens Ad van Hout ging het bij hem om zo’n twintig kilo. Er wordt ook ergens zestig kilo genoemd. Het ligt voor de hand dat de goudschat was opgedeeld in een aantal partijen.

De anonieme tipgever van de CIE heeft het over verkoop van de panden voor vijf miljoen euro. Anderen vertelden dat Sonja het onroerend goed voor elf miljoen euro aan een tussenpersoon had verkocht, die het had doorverkocht aan Johan V. voor twintig miljoen. Dat is heel wat realistischer dan de bedragen die Grifhorst noemt. Dat komt ook meer overeen met het beslag dat de Fiod legde op deze panden: voor zeven miljoen euro. Dat verklaart de pijn van dit dossier. Sonja kreeg in 2002 de opbrengst van de villa in Spanje, in 2003 van de Achterdam. Niet zo gek dat justitie haar probeerde aan te merken als ‘strovrouw’ die profiteerde van crimineel geld. Dat had nog heel wat voeten in de aarde. Volgens haar advocaat Willem Jebbink was ze alleen om van het gedoe af te zijn in 2013 toch maar akkoord gegaan met de schikking van 1,1 miljoen euro.

Tegen deze achtergrond vallen heel wat stukjes van de puzzel op hun plaats en is te verklaren waarom dit zó gevoelig ligt dat Astrid in 2013 tijdens het afleggen van een verklaring door het lint gaat en dat Sonja in 2016 de kont tegen de krib gooit en weigert ook nog maar één enkele vraag van de advocaten van broer Willem te beantwoorden. Nadat de vorige advocaat, Stijn Franken, al is gesneuveld op dit dossier.

Dat het gevoelig lag, bleek meteen al toen Astrid en Sonja in mei 2013 overwogen met justitie te gaan praten over broer Willem. Directe aanleiding voor die stap was dat het nieuws over de schikking van 1,1 miljoen met Sonja bekend was geworden: het stond in alle kranten en uiteraard was dit ook Willem onder ogen gekomen. Die sprong uit zijn vel. Sonja en Astrid hadden hem al die jaren wijsgemaakt dat er geen geld meer was, dat Sonja niks meer had. Hoe kun je dan 1,1 miljoen betalen? Niet dat hij aanspraak kon maken op ‘het testament van Cor’, maar hij voelde zich bedrogen en begon heel vervelend te doen tegenover Sonja. Die scheldpartijen (‘kankerhoer’) heeft iedereen kunnen horen, dankzij de stiekem opgenomen bandjes.

Astrid voerde de onderhandelingen met officier van justitie Betty Wind over het al dan niet afleggen van belastende verklaringen over Willem. De Goudsnipzaak kwam daarbij steeds aan de orde als ‘een zaak die de getuigen zeer hoog zit en frustreert.’ Astrid en Sonja waren bang dat hun broer die zaak wilde gebruiken om hen te beschadigen en dat het allemaal verkeerd zou worden uitgelegd en eisten dat dit geheel buiten het onderzoek zou worden gehouden. Betty Wind liet weten niet op deze voorwaarde in te kunnen gaan, waarna Astrid een week later liet weten dat Sonja en zij alsnog overstag zouden gaan en toch wel wilden verklaren. Al snel bleek dat het bepaald niet van harte ging en dat deze Goudsnip hen zwaar op de maag lag.

Astrid, Sonja en Sandra den Hartog (de ex-vriendin van Willem Holleeder) leggen hun verklaringen af in 2013, maar ze worden pas in 2015 bekend als justitie de kust veilig genoeg vindt en Holleeder is gearresteerd. In hun verklaringen vertellen Sonja en Astrid dat op de dag na de moord op Cor, in januari 2003, Willem naar de woning van Sonja was gekomen en had gezegd dat hij alles wilde hebben wat van Cor was. De aandelen van de Achterdam, het goud en het villa van Cor in Spanje. Hij had het geld nodig om het aan Stanley Hillis te geven. Die moest dat hebben om de schutters te kunnen betalen die Cor hadden geliquideerd. Dit liep met een sisser af: een paar dagen later liet Stanley aan Sonja weten dat hij geen geld hoefde van dat huis: hij vond haar een aardige meid, hij zou haar met rust laten. Wat bleek? In de periode dat Stanley en Cor tegelijk in de gevangenis hadden gezeten, had Sonja de vrouw van Stanley vaak meegenomen. Soms zijn het de kleine dingen die ’t hem doen.

Toen Sonja in 2016 als getuige werd gehoord tijdens een openbare zitting, zei ze dat Willem had gezegd dat hij geld moest hebben om de schutters te betalen. ‘Ik had het huis al verkocht, in 2002, met Cor, het was er niet eens meer, ik zou in delen geld krijgen, ik had het geld ook niet. Toen was hij best wel woest, hij zei: “Nu heb ik echt een probleem, nu moet ik ze zelf betalen.” Hij was zo woest, het schuim stond op zijn mond.’

 

Tijdens het afleggen van de kluisverklaringen door de drie vrouwen kon de Achterdam niet onbesproken blijven. Die verklaringen zitten in het dossier. Het was niet de bedoeling dat die al in grote kring bekend zouden worden, maar in april 2016 kreeg Martin Kok van Vlinderscrime de stukken in zijn bezit en zette ze online. Op last van de rechter moest hij ze daar vanaf halen, maar ze waren inmiddels door alle journalisten al gedownload en er werd in alle media gretig uit geciteerd. Dat mocht dan weer wel van de rechter.

Een fragment uit een verklaring van Astrid, van 21 april 2013. De verbalisant vraagt haar waar de aandelen van de Achterdam zijn gebleven. Astrid: ‘Ik weet dat niet en als we het daar weer over gaan hebben, word ik een beetje moe van, ga ik echt boos worden! Zet dat ding nou maar uit, want daar word ik echt pissig over! Daar gaan we weer, ik heb alleen maar ellende van die teringzooi gehad! Ik ben daar heel gefrustreerd over! Nog steeds. Ik kan er genoeg over zeggen, maar het maakt me zo pissig! Ga lekker in die veertig ordners kijken, zoek het uit! Maar val me er niet meer mee lastig!’

Na een onderbreking begint de verbalisant er nog een keer over. Astrid: ‘Dat hele verhaal is zo’n nachtmerrie in mijn leven geworden! Omdat ik moest liegen voor dingen. Het hele Goudsnipverhaal is allemaal voorgelogen aan hem, zodat hij niet bij andere mensen kwam.’ Hem is uiteraard broer Willem. Volgens Astrid heeft ze ‘nooit echt kunnen zeggen hoe het zat. Daar ben ik echt bijna aan onderdoor gegaan. Ik word misselijk als ik daaraan denk.’

Inmiddels lijkt het erop dat ze nog steeds niet kan zeggen hoe het echt zat. In mei 2016 werd Stijn Franken, die al negen jaar lang de advocaat was van Holleeder, gedwongen de verdediging neer te leggen. Sandra den Hartog had een klacht ingediend wegens ‘belangenverstrengeling’. Sandra was in het verleden in een andere zaak cliënte bij hem geweest. Dat leek aanvankelijk geen bezwaar, tot het moment dat de verdediging verzocht stukken uit het Goudsnipdossier toe te voegen, toen werd de zaak van Sandra – die hier verder los van stond – ineens hoog opgespeeld, met als enig doel: Franken eruit te werken.

In september 2016 werd het proces hervat, met de nieuwe advocaten Sander Janssen en Robert Malewicz. Tijdens de eerste procesdag bleek dat Sonja, Astrid en Sandra geen enkele vraag meer wilden beantwoorden. De eerste vraag aan Sonja, tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris, was of ze bij het afleggen van haar verklaringen altijd de waarheid had verteld. Nee, niet altijd. Dat was al bekend: in de Goudsnipzaak had ze gelogen. Naar haar zeggen uit angst voor broer Willem. Maar toen de advocaten vroegen of ze wilde zeggen in welke zaak ze had gelogen, beriep ze zich op haar verschoningsrecht en weigerde ze ook nog maar één vraag te beantwoorden. Daar bleef het bij. De advocaten verzochten om inzage in de schikking van 2013, maar dat werd afgewezen.

In november gaat het verder. De vraag is of de vrouwen gedwongen kunnen worden wél vragen te beantwoorden en als ze blijven weigeren, wat de gevolgen zijn.

Waarheid is een rekbaar begrip. Volgens advocaat Willem Jebbink was Sonja in 2013 ‘louter om persoonlijke redenen akkoord gegaan met een schikking, zij zag zich niet opgewassen tegen een nog jarenlang durende, indringende rechtszaak. Zij wil rust. Mijn cliënte leeft van een minimuminkomen. Ze heeft geen rooie cent van Cor van Hout.’

Het is Sonja en haar kinderen van harte gegund, daar niet van, maar als dit waar is, waar zijn die miljoenen dan gebleven? Eén ding staat vast: niet bij Wíllem Holleeder.

Moord in het chalet: het verhaal van Janet

$
0
0

 

Op donderdagavond 13 maart 2014 overlijdt Ton Kuijf (58) uit Amersfoort in een chalet in Ermelo. Een dag later wordt zijn lichaam gevonden als het chalet in brand staat. De bewoonster, Janet S. uit Kampen, wordt aangehouden als verdachte. In 2003 was de toen achttienjarige blonde ‘boomlange’ lesbische karatekampioene betrokken bij een moord in Den Haag. Nu zijn er vooral veel vragen. Hoe is ze met het slachtoffer in contact gekomen en waar ging het fout? Wie denkt dat er op de eerste dag van het proces tegen haar – bij de rechtbank in Zutphen – meer duidelijkheid zou komen, kwam tamelijk bedrogen uit. Zij had de moord niet gepleegd, dat had vriend Youri gedaan. Zij had het slachtoffer niet afgeperst: dat had vriendin Joyce gedaan.

Rechter: M. van der Mei

Officieren van justitie: J. Grijns en A.E. Postma.

Advocaat: Peer Szymkowiak

Zittingsdag: maandag 13 november, rechtbank Zutphen

Lang, slank en wat bleekjes, met opgestoken haar, zo komt Janet S. de rechtszaal binnen. De rechter neemt haar persoonsgegevens met haar door: Jannigje Lammigje S., geboren op 28 september 1985 in Hoogeveen. Ze zit op eigen verzoek tot na het proces in Vught. Broer Danny komt ook voor in het dossier, de rechter wijst haar erop dat ze hem niet hoeft belasten. De zaal is grotendeels gevuld met een grote groep nabestaanden en vrienden van Ton Kuijf uit Amersfoort, het slachtoffer. Bij leven eigenaar van een distributiefirma, getrouwd, vader van drie zoons. De publieke tribune is vol en via een videoverbinding is er contact met een andere zaal. Er is een verzoek binnengekomen om geluidsopnames te maken, voor een televisieprogramma. De advocaat laat weten dat er bezwaar is tegen het weergeven als herkenbaar geluid. “Vervormd is geen bezwaar.” Reden van het bezwaar: “Er is al zo verschrikkelijk veel negatieve media-aandacht geweest.” Het Openbaar Ministerie vindt openbaarheid een groot goed: als mevrouw S. het zelf wil, zal men zich niet verzetten.

janet-s-kampen-1-web

Rechter, tegen Janet: Wilt u er zelf nog iets over zeggen?

Janet: Ik heb het liever niet, maar als het wel wordt toegelaten… Er is al zoveel in de media geweest, dit inhoudelijke hoeft er niet bij.

Rechter: Zou u zich minder vrij voelen om verklaringen af te leggen?

Janet: Absoluut. Toen ik hoorde dat het zou worden opgenomen, kreeg ik angst dat ik vast zou slaan. Het zal mij zeker beperken in het verklaren.

Na kort beraad deelt de rechter mee dat er géén geluidsopnames mogen worden gemaakt. “U heeft daar bezwaar tegen en het is ook in het belang voor de privacy van andere personen. Er komt een aanzienlijke rij namen voor in het dossier, in enige context, u kunt niet alles wegpiepen en vervormen. In dit geval weegt waarheidsvinding boven het belang van het maken van opnames.”

Er zijn van de kant van Janet maar twee personen in de zaal aanwezig. Een van hen draagt een pet. De rechter verzoekt haar die af te zetten – en te houden. Een van hen hoest nogal. De rechter: “Als het niet lukt moet u maar even op de gang een glaasje water drinken.”

Het publiek wordt gewaarschuwd. “Het is belangrijk dat behandeling rustig verloopt, er worden indringende details besproken. Toch is het nodig dat dit in rust plaatsvindt. Als het een van u teveel wordt, kunt u de zittingszaal verlaten en later terugkomen.”

Het Openbaar Ministerie: Mevrouw wordt van vier feiten verdacht. In de periode van 13 tot 14 maart 2014: dat ze Ton Kuijf van leven heeft beroofd door hem met een mes te steken, te snijden en te slaan. Twee: dat ze brand heeft gesticht in het chalet. Drie: dat ze heeft geprobeerd het stoffelijk overschot te verbranden. Vier: dat ze op verschillende tijdstippen in Nederland en België sporen van misdrijf, de bijl, het mes, kleding en de auto heeft vernietigd of weggemaakt.

Rechter: Het is een uitvoerig dossier. Vijfentwintig ordners. Wat vindt u van de verdenking?

Janet: Feit 1: niet schuldig, ik heb Ton niet van het leven beroofd. Twee, drie en vier: die hebben te maken met brandstichting, daar heb ik al over verklaard, daar heb ik straf voor verdiend. Een mes: daar weet ik niks vanaf. Daar ben ik niet verantwoordelijk voor. Voor de andere punten wel, op feit één na.

Rechter: Feit één is het meest ernstige. Kunt u wat meer vertellen over hoe het contact tussen u en het slachtoffer tot stand is gekomen?

Janet: Op voorhand wil ik zeggen, ook voor de nabestaanden: ik heb nooit seksueel contact gehad met Ton Kuijf, dat heeft nooit plaatsgevonden. Het is wel zo dat ik hem heb leren kennen via sexjobs.nl. We hadden vriendschappelijk contact, we gingen samen auto’s wassen, samen eten, grapjes maken over de telefoon. Hij ondersteunde mij financieel, hij was meer een vriend van mij dan iets anders.

Rechter: U had een account op sexjobs?

Janet: Ik beroep me op mijn zwijgrecht, ik wil alleen over 13 en 14 maart vertellen.

Rechter: U weet dat er meer gebeurd is dan op die data. Ook gebeurtenissen op andere data kunnen van belang zijn voor de behandeling van de zaak.

Janet: Ik wil verder niet meewerken aan de beeldvorming die is gecreëerd, ik kan me niet verdedigen tegen ruis, iets wat niet feitelijk is bewezen.

Rechter: Het enige wat wij gaan doen is bespreken wat er in dossier zit waarvan wij vinden wat van belang is. Zover zijn we nog niet. Kunt u uitleggen wat Ton Kuijf bij u kwam doen op 13 maart?

Janet: Eh, mag ik dan het hele…

Rechter: Een beetje op hoofdlijnen. Niet alle details.

Janet: Hij kwam voor de financiering. Van hennepplanten.

Rechter: Die zou bij u in de woning gebouwd moeten worden? Een kwekerij?

Janet: Ja.

Rechter: Wist-ie dat?

Janet: Ja.

Rechter: Kunt u daar wat meer over vertellen. Het zou in uw bungalow opgebouwd worden. Dat wist hij?

Janet: Ja.

Rechter: Er zijn telefoongegevens over de gebeurtenissen in maart. Wat gebeurt er in de woning?

Janet: Hij komt het terrein oprijden, ik sta buiten bij de auto, ik ben bij Ton in de auto gestapt, we hebben drie weggetjes over het terrein gereden, toen gingen we terug, de woning in. Daar heb ik hem voorgesteld aan Youri.

Rechter: Hoe loopt het dan?

Janet: Er gaat een stukje aan vooraf.

(hier kon ik het even niet goed volgen, later blijkt dat er gepraat is over geld, dat Janet wil laten zien dat er nog andere investeerders zijn voor de hennepkwekerij en dat ze daar al geld van heeft gekregen. 1500 euro. Om dat te bewijzen, stapt ze in haar auto en rijdt ze naar Bergen op Zoom, naar het chalet van Youri B., om dat geld op te halen)

Janet: Ton moet er nog even over nadenken. Ik vind het lastig om zo te vertellen. De tank van de auto is leeg, Youri gaat met mij mee om tanken, ik zet hem af en ik ga naar Bergen op Zoom.

(ze tanken bij Gulf, aan de A28 bij Nulde, ruim tien kilometer van camping De Strokel in Ermelo, waar het chalet van Janet is)

Rechter: Wat doet u in Bergen op Zoom als u bij het chalet van Youri aankomt? .

Janet: Ik zet de auto neer, de slagboom was dicht, ik loop over terrein. Bij de stacaravan van Youri gooi ik de hond naar buiten, doe hem aan de lijn, geef hem wat te eten, haal spullen uit de auto en loop terug naar Youri’s auto.

Rechter: Heeft u enig idee van tijden? Hoe laat u uit Ermelo bent vertrokken naar Bergen op Zoom?

Janet: Nee. Ik kan wel zeggen wat ik in het dossier heb gelezen.

Rechter: Terug in Ermelo. Wat dan?

Janet: (lang stil) Ja. Lastig (kucht) Lastig om hierover te spreken. Mag nu heel snel? In de bungalow: brandt licht. Dat verbaast mij. Ik ga naar binnen en zie Youri en zie Ton niet. Er ontstaat een woordenwisseling met Youri (huilt), ik loop door de woning, ik trek de badkamerdeur open, in de logeerkamer is het een grote puinzooi, Youri loopt achter mij. Van de andere slaapkamer wil ik de deur opendoen, die wordt tegengehouden, dan zie ik Ton. Er ontstaat ruzie, vervolgens ben weggegaan, ik vertel het kort, anders komt er niks meer uit zo.

Ton-Kuijf-OV

Rechter: Hoe was Ton eraan toe?

Janet: Hij zei niks.

Rechter: Wat zag u aan hem?

Janet: Dat weet ik niet. Ik wil dat beeld niet meer zien.

Rechter: U zegt: “Ik weet het niet.” U bent niet in staat het te benoemen? U heeft het licht aangedaan?

Janet: Correct. Ik vertel het ook snel. Ik heb hem nog vastgepakt, ik heb geschreeuwd, Youri stond half achter mij.

Rechter: Leefde hij?

Janet: Dat weet ik niet, ik heb hem vastgepakt en hij zei niks,

Rechter: Was 112 bellen nog een optie? U weet niet of hij dood was

Janet: Dat weet ik niet, het ging allemaal zo snel, de ruzie met Youri, het was secondenwerk, vanaf dat noment was het geschreeuw, geduw, getrek.

Rechter: Daarna bent u met Youri vertrokken richting Bergen op Zoom?

Janet: Youri zei iets over de auto, ik ben achter hem aangereden.

(dit gaat over de auto van Ton Kuijf, een nieuwe Audi Q5)

Rechter: De auto is naar België gebracht, in Antwerpen neergezet. De sleutel is in een putje verdwenen?

Janet: Dat weet ik niet.

Rechter: En de telefoon van het slachtoffer, weet u wat daarmee gebeurd is?

Janet: Nee.

Rechter: U bent met Youri in woning nog bezig geweest met opruimen. Klopt dat? De vloerbedekking eruit gehaald, die zat onder het bloed, de muren geschilderd omdat er bloed op zat.

Janet: Wat er precies is gebeurd weet ik niet meer. Er is wat geschoven met spullen, Youri heeft het meeste gedaan. Ik heb een verwonding opgelopen aan mijn bovenarm toen ik met Youri aan het trekken was.

Rechter: Op vrijdag 14 maart legt u contact met Joyce N.; u bent samen met Youri. Wat was het idee, wat is er besproken?

Janet: In principe is Joyce erbij gehaald omdat ik niks kon, Youri had een handje nodig. Er is niks afgesproken. Mensen willen spullen wegdoen, wel niet, wel niet, ik kan niet specifiek iets zeggen over wat nu verder gebeurt.

Rechter: Hoe komt het dat het chalet in brand wordt gestoken?

Janet: Hoe dat precies is gegaan weet ik niet, we zaten met zijn allen in de auto. Joyce, Youri en ik. De politie belde, er sloeg paniek toe, ik heb gezegd: “Ik ga er niks meer doen, we steken het in de fik.” Iedereen heeft wel iets geroepen, verder is er niks gebeurd.

Rechter: Wat is er verder besproken?

Janet: Niet heel veel meer. Ik wilde er niks meer mee te maken hebben, Youri moest het maar uitzoeken en Joyce wilde Youri wel helpen.

Rechter: Hoe kwam u aan brandstof?

Janet: Ik heb gezegd: “Haal die maar bij mijn broer uit de schuur.”

(In eerdere berichten werd gemeld dat Janet op vrijdagavond om zeven uur een melding heeft gedaan op het politiebureau in Amersfoort, om te vertellen dat de als vermist opgegeven Ton Kuijf op donderdagavond bij haar was geweest. Hij was om half één ’s nachts vertrokken. Over de brand zei ze niets. De brand in het chalet is gesticht rond zeven uur, toen Janet in Amersfoort is. Hierover wordt tijdens deze zitting niets gezegd)

Rechter: Het huisje gaat in brand, er komt een melding van een bewoner van het park. Rond het moment dat de brandmelding binnenkomt is er al een politieauto onderweg naar uw adres omdat er een link is gevonden tussen u en het vermiste slachtoffer. U was die avond betrokken bij een eenzijdig ongeval, tegen middernacht. De politie treft u aan, niet bij de auto, maar verderop. U en uw spullen worden naar het ziekenhuis gebracht. Uw telefoon is zoek. Heeft u enig idee waar die gebleven is, die iPhone?

Janet: Nee.

(Janet is op vrijdagavond laat richting Eindhoven gereden, naar vriendin Natasja. Daar is ze niet binnen geweest, ze reed kennelijk weer terug richting Kampen toen ze in de buurt van Uden uit de bocht vloog en met een hersenschudding naar het ziekenhuis in Eindhoven werd gebracht)

 Rechter: Als er aangifte wordt gedaan van de vermissing slachtoffer, komt via telefoongegevens een contact naar voren met Lotte. Dat is uw naam op sexjobs, en komt de politie bij u en uw woning. Ik heb al vermeld dat bij het aanrijden van de politie ook de melding van de brand binnenkomt. Het slachtoffer wordt levenloos aangetroffen, er is de indruk dat er sprake is van een misdrijf. Het slachtoffer is vastgebonden, er zijn verwondingen, de woning is bij u in gebruik, de auto van het slachtoffer wordt later in België teruggevonden.

 (de rechter geeft aan dat er ongelooflijk veel onderzoek is verricht, alleen aan vier mappen met met dna-onderzoek. Er zijn observaties geweest van verdachten toen die vastzaten, deels in beperking. In de gevangenissen is gewerkt met zend- en ontvangstapparatuur en er is heel veel onderzoek gedaan naar gegevensdragers, mobiele telefoons, navigatiesystemen, camerabeelden. Buurtonderzoek, getuigenverhoren).

Rechter: Over de relatie tussen u en het slachtoffer. U wil niet over andere zaken verklaren, maar dit zijn dingen die wel besproken moeten worden. U was via sexjobs als Lotte bekend?

Janet: Ik beroep me op mijn zwijgrecht.

Rechter: Het eerste contact is van 17 januari 2014. Dan belt Ton Kuijf met uw numnmer (eindigt op 7878). Tot 1 maart 2014 zijn er 687 telefonische contacten. Met een Samsung-telefoon is er bij u geappt. 200 app-berichten, waarvan een groot aantal met een seksuele erotische lading. Er zijn ook berichten over het lenen van geld. U had 850 euro nodig voor een huurcontract; borg voor het huren van een bus. Ook berichten waar Ton Kuijf geld terugvraagt. Op 26 februari: “Kan ik vanmiddag de 1100 euro halen? Ik moet je echt zien om duidelijke afspraken te maken.” Uw antwoord: “Zodra ik mijn loon heb, je vraagt het mij de hele dag al.” Wilt u daar iets over zeggen?

Janet: Nee.

Rechter: Tot 1 maart zijn er 700 telefoontjes en apps. Ton Kuijf is tot 9 maart op ski-vakantie, op 11 en 12 maart is hij in het buitenland voor een zakenreis. Er zijn contacten per sms en telefoon op 9 maart, waarbij u Ton Kuijf sms’t en op 10 maart is er ook telefonisch contact. Er is één keer een sms van Ton Kuijf naar u en één keer een telefoongesprek van u, van 400 seconden.

Janet: Mag ik iets vragen? Gaat het om het 7878 of 3059?

Rechter: Op 9 maart om 7878, in januari ook. We weten uit het dossier dat er verschillende nummers voor contacten worden gebruikt.

(hier wordt het wat verwarrend. De rechter haalt – naar achteraf blijkt – IMEI-nummers en telefoonnummers door elkaar. Het gaat ook over contacten met Youri, met vriendin Natasja en met de moeder van Janet)

Janet: U heeft het steeds over 12 maart, in verband met mijn ex en mijn familie, dat klopt niet. Dat vind ik vreemd.

(wie met de ex wordt bedoeld is niet duidelijk; vervolgens gaat het  om verschillende telefonische contacten tussen Youri en Janet. Ook een aantal als zij al in het ziekenhuis ligt. Op zaterdagmorgen 15 maart, kort na negen uur, wordt er nog gebeld vanuit het ziekenhuis, met de iPhone van Janet), met het nummer van Youri)

 Rechter: De iPhone is na de aanrijding naar ziekenhuis gebracht. Als de politie die op zaterdag wil ophalen is de telefoon zoek. Die is niet meer gevonden. Daar komen we straks op terug.

(Het gaat nu eerst weer over contacten van 13 maart, tussen Janet en Ton Kuijf. Ook hier veel verwarring over de nummers. Duidelijk is wel dat op donderdag 13 maart veel is gebeld en ge-sms’t tussen beiden. Om zes uur ’s avonds is er een gesprek van 150 seconden, om drie minuten over zeven van 40 seconden. Vlak voor half acht van acht seconden. Later zijn er nog wat sms’jes. Rond half acht kijkt Ton Kuijf voor het laatst op zijn Whatsapp, om kwart over acht is het laatste actieve gesprek met zijn mobiel gevoerd)

Rechter: Ik zie uw hoofd schudden. Klopt het niet?

Janet: Nee. Die telefoon in de bungalow, die is niet van mij, maar van Youri B.

Rechter: Op 13 maart is er getankt bij de Gulf bij Strand Nulde, om 21.30 uur. Om 21.32 uur bent u daar met Youri B., u gaat daar beiden in de auto weg. Om 21.58 uur wordt de mobiel van Youri aangestraald bij de mast bij Vianen, op de route naar Breda. Er zijn inkomende gesprekken, en uitgaande, naar Natasja. Vanaf kwart over elf tot ’s morgens is de telefoon uitgeschakeld. Om kwart over tien zijn er berichten tussen Bianca J. (vriendin van Youri B.) en Youri: “Ben je al onderweg?” “Ja, ik zit in de auto.” Verder is er nog een verklaring van een getuige die zegt dat hij Youri op 13 maart voor half één ’s ochtends op camping in Bergen op Zoom heeft gezien. Om 00.42 uur is een telefoon met nummer 0635 ingeschakeld, die wordt aangestraald bij een mast in Breda.

Janet: Ik wil niet bijdehand doen, maar ik denk dat u het verkeerde nummer noemt.

Officier: Dat nummer hoort toe aan een van de kinderen van Ton Kuijf.

Rechter: Het eerstvolgende contact is 01.31, als er wordt ingebeld door familie van Ton Kuijf; er volgt een voicemail, kort na 2 uur. Uit andere verklaringen blijkt dat Ton Kuijf een ontmoeting met eten had in restaurant NU (in Kerk-Avezaath, bij Tiel), op donderdag 13 maart, waar hij verschillende mensen heeft ontnoet. Getuige Van E. verklaart over een aantal telefoontjes die hij aannam en daarvoor wegliep. Toen hij terugkwam, zag hij niks bijzonders. Getuige P. verklaart: Kuijf liep een aantal keren weg. Andere keren was hij relaxed, dan had hij zijn telefoon uit. Nu was hij minder relaxed. Getuige K.: “Die donderdag was hij gespannen en druk, zijn gezicht vertrok bij het zien van het nummer, hij leek boos. Hij nam op met: ‘Ja?’. Anders noemde hij altijd zijn naam. Hij liep weg van tafel, boos of geïrriteerd. Daar hebben we nog een grapje over gemaakt, maar daar heeft hij niet op gereageerd.” Daarna is hij naar uw chalet gereen. U had een relatie met Ton Kuijf: u had geen seks met hem, het was een vriendschappelijke relatie en u had geld van hem geleend. Klopt dat?

Janet: Ja.

Rechter: Om wat voor bedragen ging het?

Janet: Dat durf ik zo niet te zeggen, dat kunt u in het dossier nakijken.

Rechter: Het gaat in één maand tijd, in januari, om 2800 euro. Dat is niet weinig.

Janet: Ik denk dat het nog iets meer is. Ik heb de rechercheurs gevraagd mijn mails te checken. Ton heeft ook een paar keer mijn rekening van UPC betaald.

Rechter: Hoe moest dat met dat geld? Hij was toch geen suikeroom?

Janet: Dat vind ik een verkeerde benaming. Hij kon wat extra’s bijverdienen. Omdat daar meer inkomsten uit voortkomen.

Rechter: De hennepteelt?

Janet: Ja.

Rechter: U werkte ook?

Janet: Ja.

(ze werkte in een tehuis in Den Dolder, met moeilijk opvoedbare jongeren)

Rechter: Kon u daar niet van rondkomen ?

Janet: Jawel.

Rechter: Je zou denken van niet. Als je aanmaningen krijgt en anderen nota’s voor u betalen.

Janet: Ton zei vaak: “Ik help je.” Als wat extra’s.

Rechter: Ook aanmaningen werden doorgestuurd. De familie heeft aangifte gedaan van afpersing en een klacht ingediend. De politie heeft u op 14 maart gebeld, uw telefoon is beantwoord. Er is wel verteld dat er na het telefoontje paniek ontstond. Toen u was opgenomen heeft u verteld aan de politie dat Ton Kuijf regelmatig bij u op bezoek kwam, “hij is gisteravond ook geweest, hij is om half één weggegaan.” Er is toen ook iets verteld over een seksdate met twee andere mannen. Later zei u: “Dat heb ik een beetje gelogen.”

Janet: Klopt.

Rechter: Die andere contacten waren via sexjobs?

(hier kon ik het niet goed volgen. Het lijkt erop dat er wordt gezegd dat er op 13 maart nog zo’n contact met iemand is geweest, dat ze is opgehaald en dat ze geld heeft gekregen)

Janet: Klopt.

Rechter: Dat was met een jongen in een blauwe Volvo. Anderen hadden met u betaalde seks, meerdere keren (zie kader onderaan: seks met Janet, de hakbijl naast het bed).

Janet: Ik beroep me op mijn zwijgrecht.

Rechter: Ik geef een korte samenvatting. Er is sprake van geldnood bij u. De makelaar van wie u het huisje huurde heeft het over smoesjes om de huur niet te betalen en heeft een aanmaning gestuurd. Jocye verklaart dat u altijd geld nodig had. Er zijn verschillende verklaringen over afpersingen. Er is een mobiele telefoon van Ahud, een filmpje, onderzoek naar afpersing van een bepaald persoon, van wie we alleen de initalen noemen (T.V.); die heeft belastend verklaard. In de telefoon bij u staat het nummer van die T.V. en ook van Ton Kuijf. Dit kan leiden tot de conclusie dat er sprake zou zijn van afpersing. Er is een bericht van Joyce: “Wat heb je ervoor om je vrouw er niet achter te laten komen?” In de telefoon van Joyce zijn contacten met Ton Kuijf en op haar telefoon gaat het over twee mannen en twee vrouwen die seks met elkaar hebben en die zich daarin hebben herkend.

Janet: Volgens mij schetst u wat anders dan wat er op die filmpjes te zien is.

Rechter: Er zijn mensen uit uw omgeving benaderd. Oud-collega’s die bij u in de auto zitten horen u meerdere keren over geld. “Die man heeft geld, hij heeft een dikke Audi.” Iemand hoort “een afpersgesprek en: “Wat heb jij hem gestuurd?” Op 24 februari ging het over “de man van de Audi.” Die vond u wel leuk, u speelde daarmee.

Over drugs en andere verdenkingen: uw broer verklaarde dat er vroeger drugs van u in zijn huis lagen. Oud-collega S. is een keer met u bij uw broer geweest. Andere drugsdelicten: in juli 2010 een kluis leeggehaald in het zuiden. Er is een verdenking van een inbraak in de woning van uw ouders, najaar 2011.

Janet: Wat hebben deze vragen, sorry dat ik boos word, de verdenking van de stiefvader: dat is gecreëerd oor politie. Saskia is een boze ex van mij, die vindt het heerlijk om te helpen zodat ik langer achter de tralies blijf. Die andere verklaringen zijn precies wat in Panorama en Revu heeft gestaan, dat is beeldvorming. De verklaringen van de boze ex-vriendin of collega zijn letterlijk van misdaadjournaal (ze zal bedoelen: misdaadjournalist.nl) afgehaald. Ik weet dat u met verklaringen komt. Getuige S. zegt dat ze Youri heeft gezien. Heeft ze dat? Zo is er elke keer zoveel geroepen, het gaat niet om wat feitelijk is, ik kan dat niet begrijpen, echt niet.

Rechter: We moeten het toch bespreken.

Janet: Ik had liever gewild dat men meer onderzoek had gedaan naar belangrijker dingen.

Rechter: Er zijn stukken over de dood van het slachtoffer. Van de brandweer. Bij het bekijken van het slachtoffer, in zeil gewikkeld. Tape om zijn nek. Er is hevige rookontwikkeling geweest, hij was niet meer te reanimeren. Op de plaats delict is onderzoek gedaan. Er is sectie gedaan. Letseldatering. Is het letsel bij leven ontstaan? Ton Kuijf is op maandagavond door zijn vrouw en oudste zoon geïdentificeerd. Op de plaats delict lag hij op rug op de grond in de slaapkamer, aan de voorzijde van het chalet. Er was een betonnen vloer, geen vloerbedekking. In de linkerhoek lag een tapuit. Opgerold. Er was recent geschilderd. Ton Kuijf lag in kunststof bouwzeil, met eromheen grote hoeveelheid bloed. Kabelbinders om de knieën, enkels, hals en romp. Op de linkerborst beschadiging in de tape, met de rol er nog aan. Een diepgaande wond in de hals van oor tot oor. Kabelbinders om de pols. De schoenzolen waren schoon, er zaten geen bloedvlekken op de zolen. Op zijn hoofd meerdere letsels, toegebracht met een stomp voorwerp, op het achterhoofd. Er zijn zes scherpe perforaties, in long en lever en aan de armen en handen. Meerdere huidbeschadigingen en bloeduitstortingen. Hoog op het voorhoofd een indeuking van het schedelbot. Dat wijst op een aanzienlijke plaatselijke impact. Er zijn sporen van staal. Coating. Deeltjes, afkomstig van het voorwerp waarmee het is veroorzaakt. Het team heeft een bijl aangekocht. Op het achterhoofd rechts: een gebogen scherpe huidklieving, aangebracht met een scherprandig voorwerp. De diepte duidt op aanwezigheid van massa. Een hakmes en een bijl. Het letsel op het achterhoofd is enkele uren oud, meer niet meer dan uur. Het letsel is bij leven ontstaan, er is substantieel bloedverlies. De wonden aan de handen: dat kan ook afweer zijn geweest. Wond bij het borstbeen: met een voorwerp van roestvrij staal. Er waren veel messteken. In de buik, doorsteken van de lever. Eén hoog aan de hals. 24 centimeter lang, twee centimeter diep. Tijdens de brand was Ton Kuijf niet in leven. Het tijdstip van overlijden is volgens de patholoog niet te bepalen. Er was tape op en rond het slachtoffer. Er zijn geen vingersporen gevonden. De rol tape rond de hals is losgeknipt. Het DNA bevat een onvolledig mengprofiel van twee personen: het kan van Ton Kuijf en van Janet zijn. De tape om de hals is na de verwonding aangebracht. Op aanwijzen van Youri zijn de bijl en het mes gevonden, ruim na de dood van Ton Kuijf. Daar zat geen bruikbaar DNA op. Het DNA en lichaam en kleding en goederen van Ton Kuijf matchen alleen met die van hemzelf. Er was letsel bij Janet en Youri. U bent onderzocht. Op uw linkerheup waren twee lijnvormige krasverwondingen. U heeft hierover niets verteld. Aan uw linkerarm een gehechte scherpe snijverwonding en bloeduitstorting door stomp inwerkend geweld. In de palm van uw rechterhand een snijverwonding. Bij uw pink twee krasjes en links onder knie en bij de rechterbovenknie een bloeduitstorting. Tijdens het verhoor werden bij Youri twee herstelde verwondingen op de hand vastgesteld. Er zijn bloedsporen op uw beha en uw G-Star-jas gevonden.

(Janet kijkt tijdens dit relaas voortdurend naar haar advocaat, alsof ze hem iets wil zeggen. Dat stoort de rechter nogal, die vindt dat erg onrustig en vraagt of ze daarmee op wil houden)

Rechter: Er zijn bloedsporen op uw beha en jas met DNA een van man. Ton Kuijf. De matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard.

(dit klinkt wat verwarrend, het betekent eigenlijk: een 100-procent match. De kans dat het DNA van iemand anders is, is kleiner dan 1 op 1 miljard)

Rechter: Deze beha droeg u toen u in het ziekenhuis aankwam. Op de jas zaten op de rechtermouw bloedspatten en vegen, op de capuchon en in de binnenzak. Het is niet vast te stellen of dit erop kwam tijdens het plegen van het delict. In de kofferbak van de auto lag een joggingbroek, met bloedsporen op de rechterpijp, waarvan het DNA matcht met dat van Ton Kuijf. In de auto lagen gele schoenen met bloed aan de zool en DNA van Ton Kuijf. Ontstaan door bewegend contact met een bloedend persoon. Of door staan in vloeibaar bloed. Er is met deze schoenen gelopen nadat ze bebloed zijn geraakt. Er zijn veel handschoenen. Een verfroller. Matcht met Janet. Sokken in de auto, met verfspatten en bloedsporen. Van Ton Kuijf. En een mengprofiel van Janet en Ton Kuijf. In de berging lag een imitatievuurwapen. Een verboden wapen. Dat is bemonsterd, er is een match met DNA van Ton Kuijf en met dat van Janet. Aan de binnenzijde van de loop: DNA van twee vrouwen: Janet en Joyce N.

(Op vrijdagavond was Janet betrokken bij een eenzijdig ongeval. Ze is naar het ziekenhuis gebracht)

Rechter: De volgende dag is de politie naar het ziekenhuis gegaan om uw telefoon en kleding op te halen. De tas met kleding was meegenomen door Natasja, nadat uw broer haar had gebeld, en naar de politie gebracht. Maar de telefoon zat er niet in. Die telefoon – de iPhone – is nog steeds zoek. U weet niet waar hij is. Natasje wilde in het ziekenhuis op de Iphone kijken, die lag op het nachtkastje. Uw moeder zegt: “Ik heb de iPhone niet gezien.” Er is een tapgesprek van 17 maart, de maandag erna, tussen Annie en José (uw moeder en de partner van uw broer). “Danny heeft de telefoon.” José: “Ik weet niet of Natasja de telefoon heeft, Danny niet.” “Natasja heeft de telefoon toch? Maar ja, dat komt wel goed.” En in een gesprek tussen Annie en Danny: “Die telefoon moet weg.”

Waar waren de toestellen?Op donderdagavond om 21.32 uur is er getankt en weggereden bij het Gulf-station bij strand Nulde. De mobiel van Youri is aangestraald bij Vianen, op de route naar Bergen op Zoom. Er is telefonisch contact tussen Youri en Janet, een app met Bianca J. Dat lijkt te zijn met Youri. Een bericht waar zij informeert: “Waar ben je?” Er is een mast in Breda aangestraald. Contact tussen nummer 3059 en Youri op zaterdagmorgen. Kunt u daar iets over zeggen?

Janet: Ik zou het echt niet weten, ik weet helemaal niets van die periode. Mij is later verteld dat mijn broer spullen heeft meegenomen en aan Natasje gegeven, beiden zeiden dat er geen telefoon was. Ik heb het alleen van horen zeggen, ik heb geen contact gehad.

Rechter: Die telefoon wordt ontgrendeld met een vingerafdruk.

Janet: Onder andere.

Rechter: Er zijn nadere gegevens van de telefoonmast. Wat blijkt? Er is een extra verbinding geweest om 23.24 uur op 13 maart, van zes minuten. Er is een mast aangestraald in Bergen op Zoom, met het nummer van Youri.

Rechter 2: Klopt het dat u weleens de telefoon van Youri gebruikte?

Janet: Ja, enkele dagen.

Rechter 2: Met die telefoon heeft u naar Natasja gebeld?

Janet: Ja.

Rechter 2: Hoeveel telefoons had Youri?

Janet: Meerdere.

Rechter: Er zijn verklaringen van Joyce N.; u kent elkaar sinds de middelbare school. Joyce heeft verklaard dat ze een aantal keren trio’s met u heeft gedaan, ook één keer met T.V.; over de dood van Ton Kuijf zegt ze: op vrijdagmiddag 14 maart was u bij haar. U vertelde dat ze de avond ervoor een klant had die iets raars wilde, dat ze ruzie hadden gekregen, dat ze hem had aangevallen met bijl, dat ze zichzelf gesneden, ze had op die man lopen inhakken. Het kwam over alsof ze alleen was. Ze had een jongen gebeld om het op te ruimen. “Nog nooit zoiets gezien.” Joyce had een telefoontje van u gekregen. Ze was meegegaan, er was een drugsdeal geweest. Dat had ze aan haar broer verteld. Er lag bloed, dat kreeg ze niet meer schoon. In oktober is Joyce bij de rechter-commissaris gehoord. Toen heeft ze geen verklaring afgelegd.

In de auto was een pinbon van McDonalds aangetroffen. Daardoor is Youri in beeld gekomen. Hij is eind april aangehouden en acht dagen verhoord. Hij zegt: “Ik was niet betrokken bij de dood en de brandstichting.” Er is onjuiste informatie aan kennissen doorgegeven. Aan vrienden en kennissen, o.a. aan Bianca. Op 29 september is er een verhoor en dan komt er een kanteling. Hij verklaart dat Janet op 13 maart had gebeld met een meneer. Ze had het over schulden en geld, iemand zou helpen met geld. Janet had gevraagd of hij in de auto wilde wachten. Dat had hij gedaan. Hij was met een usb-stick bezig geweest, hij had gerookt. Hij had de Audi niet aan horen komen. Hij zag Janet in de hal op de grond zitten toen ze aan het hakken was. Hij wilde dat afpakken, dat was de bijl. Hij kon zien dat er iets lag in de slaapkamer, maar ze had geen licht aan. Meneer lag op zijn zij. Ze was aan het hakken op zijn lijf en borstkas. Youri probeerde Janet rustig te krijgen. Ze keek met een lege blik dwars door hem heen. Moest hij de politie niet bellen? Janet zei dat hij rijke ouders had. Youri weigerde om in de auto te gaan. Janet heeft zich in Ermelo gedoucht. Janet flipte. Janet heeft het mes en de bijl schoongemaakt. Het mes had hij in het chalet voor het eerst gezien. Hij heeft niet gezien dat er tape om de nek van het slachtoffer zat. Het mes en de bijl hebben ze begraven in een bos, waar het later is gevonden. Janet wilde terug naar het chalet, omdat de auto er nog stond. Hij moest achter haar aan naar Brasschaat, in zijn Volvo. Hij heeft u gedwongen u te volgen. Janet had de telefoon en huissleutel van Youri nog, De Audi is in Antwerpen achter gelaten, Youri heeft de sleutels in een put gegooid en ging terug naar Ermelo. Janet bedreigde Youri. Er was bloed aan de zijkant van het bed. Janet heeft zeil. Ze trok het zeil eruit. De vloerbedekking moest eruit, er was een plas bloed, alles moest naar de woonkamer. Janet heeft de muur geverfd, Youri moest het bloed van de muur halen, maar dat ging niet, dat kwam door het beton. Janet is met de auto naar Bergen op Zoom gegaan, daarna naar Eindhoven naar Natasja. Youri is in oktober gehoord bij de rechte-commissaris en heeft toen geen verklaring afgelegd.

Broer Danny verkjlaart dat hij op donderdagavond een paar keer bij De Strokel is geweest. Om 22.40 uur. Hij heeft Janet niet gezien. Janet is vrijdag bij hem geweest, ze heeft gezegd dat ze domme dingen had gedaan en gevraagd of ze zijn auto kon lenen. Later had ze het over bloed. Hij wilde er niks mee te maken hebben en zijn auto niet uitlenen.

U bent door de politie gehoord. De laatste keer op 11 juni. Tot die tijd heeft u zich op uw zwijgrecht beroepen. Van januari 2015 tot oktober bent u als getuige gehoord. Over uw relatie met Youri en Ton Kuijf. Youri kende u al een tijdje, sinds 2011. Op 9 maart 2015 was Youri bij u gekomen met anderhalve kilo hennep, die u wel kwijt kon aan Sem en Mo; u had het over het opzetten van kwekerij. Sem en Mo zijn gekomen. Ze wilden de hennep niet kopen, die vonden ze te nat, ze wilden 1600 euro geven. Voor het opzetten van een kwekerij had u 7000 euro nodig. U en Youri zouden de helft doen, Sem en Mo de andere helft.

Wat betreft uw relatie met Ton Kuijf: u kende hem via sexjobs. U had geen seks, er was een vriendschappelijke band, hij hielp u met geld. Hij wist dat u bezig was met coke en wiet. Er zijn sms-berichten door Joyce naar hem verstuurd.

(T.V. was een vorige klant, die is afgeperst en bedreigd. Janet en Joyce wilden met Ton Kuijf hetzelfde doen als met met hem. Janet had tegen Joyce gezegd dat ze het maar moest proberen. “Stuur maar, doe maar.” Janet wist dat Joyce geen seks had gehad met Kuijf. Later had ze met Ton Kuijf nog gelachen om de appjes van Joyce)

Rechter: U deed tegenover Ton Kuijf alsof u werd lastiggevallen, omdat hij niet toegaf aan de afpersing. Waarom heeft dit contact met Joyce gedeeld?

Janet: Daar heb ik uitgebreid over verklaard, ik wil hier niet uitgebreid over T.V. verklaren, daarom ga ik er hier niet op in.

Rechter: U heeft gelachen om Joyce?

Janet: Joyce wilde hetzelfde doen. In mijn berichten ben ik heel kortaf. Ik ben de hele dag bij Joyce thuis geweest. Ik heb Ton Kuijf nooit wilen afpersen, dat heb ik niet gedaan, daar was geen reden toe. Joyce was enorm kwaad omdat Ton mij wel ondersteunde en haar niet.

Rechter: Als u zo’n goede vriendschappelijke band heeft met Ton Kuijf, waarom neemt u dan het risico dat door Joyce dat contact verknald wordt?

Janet: Daar heb ik niet over nagedacht, maar het is ook niet kapotgegaan daardoor.

Rechter: Tussen u en Ton Kuijf was geen seks, zegt u. Waarom wel van die sms’berichten?

Janet: Het is er nooit van gekomen. Het is nooit geweest, dat blijf ik stellen, er was geen seksueel contact.

Rechter: Er waren wel seksueel getinte sms’jes.

Janet: Het is een beetje respectloos, met nabestaanden, dat hij bepaalde dingen mist, maar is het ervan gekomen? Nee.

Rechter: Die afpersachtige appjes, daar heeft u het wel met Ton Kuijf over gehad. Waarom zou hij willen investeren, na de sms-berichten van Joyce?

Janet: De laatste berichten zijn van 22 februari. Van Ton en mij. De band is niet veranderd tussen ons.

Rechter: Er komt na eind februari geen geld meer.

Janet: Na 28 of 29 februari hadden we geen contact meer.

Rechter: Er waren betalingen. 2800 euro in de maand.

Janet: Wat is de vraag? De gesprekken blijven normaal.

Rechter: Kon hij geld overmaken uit het buitenland?

Janet: Dan kunnen we een hele discussie beginnen over wat wel of niet zou kunnen.

Rechter 3: Er waren 687 berichten. Dat is afgenomen, op enig moment.

Janet: Na zijn terugkomst hebben we wel gesproken, in de week van 10 maart.

Rechter 3: Een aantal waren erotisch getint, die gingen expliciet over wat u met elkaar wilt doen.

Janet: Ik vind niet dat u dat hier hardop hoeft te zeggen.

Rechter 3: U hoeft niet te bepalen…

Janet: (roept erdoor heen) Het zou voor mij geen verandering brengen, het zou voor mij handiger zijn om ja te zeggen. Deze berichten zijn meer een soort van spel gewest. Heeft daar iets achter gezeten? Heb ik er dan belang bij om hem af te persen?

Rechter 3: Als ik berichten lees over elkaar erotische massage geven, “Uw lange benen bij mij in de nek” en dat hij bij u naar binnen wil, dat zijn seksuele berichten. “Was dan maar niet weggegaan.”Dat komt toch over als een seksuele relatie? Wat was dan…

Janet: De tekortkoming die hij had was voor hem een ding, daarom wil ik niet over hem praten. Ik had lol met hem en zakelijk gezien hadden we een band.

(er volgt dan een passage over sms’jes met een onbekende afzender. “Ik zit nu in het buitenland, zwaar in de problemen.” “Weet waar ik werk, wat ik doe.” “Wat ik ervoor over heb om mijn leven normaal te houden)

Rechter 3: Wat zijn dat voor berichten?

Janet: Daar durf ik niet specifiek inhoud van te geven.

Rechter 3: Waar gaat het dan over?

Janet: Daar ben ik over aan het nadenken. Welke datum betreft dit, sorry?

Rechter 3: 1 maart.

Janet: Zou ik daar straks op terug mogen komen, dat ik even overleg met de advocaat?

Rechter 3: Het gaat ook over de lening van Ton Kuijf. “Hoe en wanneer gaan afspreken hoe ik terug krijg?” en daarvoor: “Ik betaal terug na de 23-ste.” Het gaat ook over verhuizen naar Soesterberg.

Janet: Dat is een nuance. Het gaat over drugs. Het zijn verdraaiingen in woorden.

Rechter 3: Het gaat over drugs,

Janet: Het gaat over drugs.

Rechter 3: Welke?

Janet: Ik houd het gewoon op drugs, ik wil me daar verder niet in criminaliseren.

Rechter 3: Andere leningen? De deurwaarder. Ook drugs?

Janet: Ik heb richting Ton voorgedaan dat ik het wat moeilijker had dan het daadwerkelijk was.

Rechter 3: Het terugbetalen: wat is erover afgesproken?

Janet: Niks meer. De laatste avond hebben we het er heel kort over gehad, in de zin van: als we dit financieren kan het op die manier.

Rechter 3: Voor de dertiende waren er ook al gesprekken over drugs?

Janet: Ja, Ton wist dat ik mij bezighield met drugs. Donderdag 13 heb ik hem gesproken, pas in de auto heb ik het er met hem over gehad. Vijf à tien minuten.

Rechter 3: Wat heeft u verteld?

Janet: Over het plan dat Youri en ik met twee anderen een hennepkwekerij op De Strokel zouden neerzetten en of hij wilde financieren.

Rechter: U zei: “Ik was naar Ton toe niet helemaal eerlijk, ik deed me slechter voor, omdat hij gemakkelijk was met geld lenen.” Hoe vriendschappelijk was uw kant van de relatie?

Janet: Ik kon met hem over heel veel dingen goed praten, het was een heel relaxte man, ik kreeg veel advies van hem.

Rechter: In vriendschap kunnen bepaalde waarden op prijs worden gesteld. Eerlijkheid en vertrouwen. U had een vriendschappelijke band. Nu beluister ik dat u niet eerlijk was, omdat hij gemakkelijk met geld kwam. Hoe verhoudt zich dat met het vriendschappelijk karakter van de relatie?

Janet: Dit was zoals het was.

Rechter: Youri had die donderdag ergens cocaïne gehaald. Geld opgehaald bij een kippenboer. 500 euro. U zou Ton om 1000 euro vragen, en wietgeld gaan zoeken. Dat kon u niet vinden. Toen kwam Ton eraan, bent u een stukje gaan rijden, en toen heeft u verteld van uw plannen. Hij wilde erover nadenken, omdat u al zoveel had gehad. Ton had gezegd: “Hoe goed ken je die jongens?” Toen heeft u gezegd: ik ga even naar Bergen op Zoom om geld op te halen. Ton Kuijf had toen gezegd dat hij een tijdje zou wachten, hij zou weggaan als het te lang ging duren. U bent gaan rijden in de Volvo, de tank was bijna leeg, Youri ging mee om te tanken, daarna heeft u hem afgezet bij het chalet. Naar Bergen op Zoom heen en weer: dat is best een stuk rijden. Stel dat Ton Kuijf er niet meer zou zijn als u terugkwam, wat had het voor zin dat u geld ging halen? Er was een beste kans dat Ton Kuijf niet zo lang wilde wachten? U ging naar Bergen op Zoom om het geld aan hem te laten zien.

Janet: Wat begrijpt u niet? Als hij het niet wilde, was het bij hetzelfde gebleven.

Rechter: Als u niet weet of hij er zou zijn, wat voor zin had het dan?

Janet: Die vraag stelde u net ook al.

Rechter: Ik snap het niet. Wat had dat ritje voor zin?

Janet: Ik ben niet vies van rijden, en de hond van Youri moest nog uitgelaten worden.

Rechter: Ton Kuijf heeft gezegd: “Ik heb niet veel tijd.” Dan laat u hem achter in waan dat u snel terug bent. Minstens drie uur. Hij had niet veel tijd. U zegt: “Bekijk het maar, zoek het maar uit?’ Dat vind ik een rare actie, ik begrijp het niet.

Janet: Ik was er niet super verlegen om. Hij had niet veel tijd, hij wilde nog nadenken.

Rechter: Hij had ook kunnen zeggen: “Dan bellen we morgen weer.”

Janet: Dat had gekund. Maar: ik rijd heen en weer, kijk maar.

Rechter 1: Als hij die 1500 euro bij u zag, zou dat uitmaken? Hij had geld genoeg.

Janet: Wat wilt u daarmee zeggen? Hij moest erover nadenken. “Misschien rijd ik een rondje.”

Rechter 3: Waarom ging Youri niet naar Bergen op Zoom?

Janet: Die had daar geen zin in.

Rechter 3: Het was zijn hond.

Janet: Youri is niet een van de meest actieve mensen.

Rechter 3: Het is mij niet duidelijk: het was ’s ochtend besproken, maar dat hij ’s avonds erover na moest denken.

Janet: Omdat ik het niet over drugs had gehad. Ik weet het niet meer woord voor woord.

Rechter 3: Zegt u: overdag hebben we het telefonisch niet over financiering van hennep gehad?

Janet: Niet met specifieke woorden.

Rechter 3: Waar kwam hij dan voor?

Janet: U maakt het anders. Ik heb met hem afgesproken over eventuele financiering voor iets. Dat wil ik wel heel erg duidelijk hebben.

Rechter 3: Het moest ineens helemaal snel. Wat was daarvoor de reden?

Janet: Dat was vanuit Youri. Hij wilde wat meer indruk maken op zijn ex-partner.

Rechter 3: Hoe?

Janet: Dat weekend was er wat, hij had ruzie met meneer C., hij wilde wat laten zien, hij werd niet meer gesteund door zijn ouders, niet meer door zijn vader. Dat hij weer het mannetje was, een wiethok had, erbij hoorde.

Rechter 3: Als je een wiethok installeert, zijn er niet meteen financiën.

Janet: Daarom wilde hij sneller, zodat het sneller liep, zodat hij kon pronken, dat was zijn manier van pronken.

Rechter 3: Wilde hij op een feest pronken met: “We hebben een wiethok?”

Janet: Dit is wat hij mij zo heeft gezegd. Ik oordeel niet over zijn manier van pronken.

Rechter 3: U zei: “Het moest snel.” Waarom ging u daarin mee?

Janet: Ik heb hem geholpen. Voor mij was het: is hij er wel, is hij er wel, is hij er niet, is hij er niet, voor mij zat er geen druk achter.

Rechter 3: Maar u stapt in de auto om naar Bergen op Zoom te rijden om hem het geld te laten zien.

Janet: Ik ben niet vies van rijden en het was ook voor de hond. Is Ton er wel, is Ton er niet.

Rechter 3: Hij had weinig tijd. Heeft hij dat nog gezegd bij De Strokel?

Janet: Durf ik niet te zeggen. Alleen: “Misschien rijd ik een rondje.”

Rechter 3: Telefonisch had hij gezegd: “Ik heb weinig tijd.” In de loop van de avond is het: “Ik zie wel?”

Janet: Ik was verbaasd toen ik terugkwam dat hij er nog was.

R3 Heeft u nog geprobeerd te bellen of te sms’en?

Janet: Nee.

Rechter 3: Sem en Mo zouden ook naar het chalet komen. Als Ton Kuijf er niet meer zou zijn, wat had dat dan voor zin? Hoe zat het dan met Sem en Mo? Dat waren contacten van u, waar bleven zij?

Janet: Ik heb Sem begin van de avond wel gezien, daarna niet meer.

Rechter: Hoe laat?

Janet: Tussen vier en acht. Heel globaal.

Rechter 3: Zij zouden ook komen.

Janet: Ik heb Sem nog wel gesproken, daarna heb ik totaal geen contact meer met hem gehad.

Rechter 3: Ze zouden toch komen?

Janet: In eerste instantie wel, later heb ik ze niet meer gezien.

Rechter 3: Wat is er dan besproken? Als u naar Bergen op Zoom ging, hoe moest dat dan?

Janet: Er was geen concrete afspraak gemaakt, dat heb ik niet gezegd.

Rechter 3: U zou investeren, er was een afspraak om het daarover te hebben, wat gebeurt er dan als u ter plaatse besluit naar Bergen op Zoom te rijden?

Janet: Ik wist begin van de avond niet dat ik naar Bergen op Zoom zou gaan.

Rechter 3: Was er geen risico dat zij zouden komen, terwijl u naar Bergen op Zoom was?

Janet: Ik begrijp wat u bedoelt. Maar aan het begin van de avond hebben we geen concrete afspraak gemaakt. Ik ben naar Bergen op Zoom gegaan, daar hebben we geen contact meer over gehad.

Rechter 3: Bij de rechter-commissaris heeft u gezegd: “Ik had een afspraak met Sem, hij zou later ook nog naar De Strokel komen. Maar ik heb hem niet meer gezien.” Heeft u nog aan Youri gevraagd of Sem nog geweest is?

Janet: Nee. Vanaf het moment dat ik terugkwam was het hectiek, paniek.

R1: Ik begrijp het steeds minder. Eerst is er een afspraak. Dan gaat u ineens naar Bergen op Zoom.

Janet: Youri was er toch. Die was er in het begin van de avond ook, met het contact met Sem. Bij terugkomst überhaupt nog.

Rechter: Er zijn prepaids gekocht, voor drugsgesprekken. Hoe kan het dat er daarmee alleen gesprekken gevoerd zijn met Ton Kuijf. Niet over drugs.

Janet: In die periode ben ik niet bij Youri weggeweest, ik was steeds in het bijzijn van Youri geweest. Alleen dinsdagavond waren we even gescheiden, voor de rest waren we samen.

 

(deze telefoons waren blijkbaar alleen bedoeld voor het contact tussen Janet en Youri)

 

Rechter 3: Er was toch ook met andere mensen contact over drugs?

Janet: Dit was alleen met Youri. Het is met iedereen wat anders.

Rechter: U gaat weg bij De Strokel, u getankt. Youri ging met u mee, hij had een pinpas, hij wilde u zijn code niet geven. U zet Youri daarna af bij De Strokel.

Janet: Nee, bij de rotonde daar. Dat was niet superver lopen.

Rechter: Hoe ver?

Janet: Dat is zo moeilijk! Ik heb het uitgetekend, daar had een berekening op los gelaten kunnen worden.

Rechter: U zegt: toen u Youri afzette, was Ton Kuijf nog in de bungalow.

Janet: Dan zou u de beelden moeten uitlezen, dit klopt niet. Ik zal ‘waarschijnlijk’ hebben gezegd.

Rechter: U gaat naar Bergen op Zoom, u heeft geprobeerd Natasja te bellen, u kreeg geen contact. In Bergen op Zoom heeft u geld gepakt, spullen uit de auto gehaald, de hond uitgelaten, terug nar Ermelo. Wat ik niet snap: waarom had u de pas van Youri nodig om te tanken?

Janet: Hoe bedoelt u?

Rechter: Zoals ik het zeg.

Janet: De pinpassen lagen in mijn eigen auto.

Rechter: Had u het geld van de kippenman niet bij u? Dat had u om half zeven opgehaald.

Janet: Ik heb Youri gevraagd om zijn tankpas.

Rechter: U zegt: toen ik terug kwam bij De Strokel stond de auto van Ton er nog en was u verbaasd. Waarom? Had u niet verwacht dat hij er nog zou zijn? Wat was dan het nut van het rijden naar Bergen op Zoom?

Janet: Daar zat geen druk achter, ik vond het niet erg om te rijden.

Rechter: U gaat het huisje binnen, Youri is in de woonkamer, had vegen bloed op zijn gezicht en gaf geen antwoord. U ging naar de slaapkamer, de deur ging moeilijk open. Ton lag erachter. U deed het licht aan, zag tape om zijn mond. De politie vraagt: wat voor letsel zag u? Het gaat om meerdere verwondingen. Wie de foto’s heeft gezien, kan zien dat het letsel is dat je vrij snel waarneemt. Politie vraagt door wat u verder heeft gezien. Dan vertelt u: “Er was niet veel bloed. Weinig.” Als u de tape ziet bij de wond, we weten wat voor wond er bij zijn hals zat, heeft u die dan niet gezien?

Janet: Nee.

Rechter: Meer dan 20 centimeter lang, centimeters diep.

Janet: Ik heb iets van tape gezien.

Rechter: U vertelt dat u hem naar u toegetrokken heeft, zijn hoofd vastgepakt, dat er bloed op zijn gezicht zat en dat hij niets meer zei. U heeft tegen hem gepraat, hij zei niets terug. U wist niet of hij dood was. Het kwam niet op om 112 te bellen. U had ruzie met Youri, die stond achter u. Schreeuwde. Over en weer is er geslagen en geduwd. Youri had de bijl in zijn hand. U weet niet meer hoe u gewond bent geraakt. U had een wond in de handpalm. Het lijkt een snijwond. Het was geen kleine wond.

Janet: Ik heb geen idee, ik weet niet hoe ik daaraan kom.

Rechter: Allebei wilde u: geen politie. Youri wist een plek om de auto neer te zetten. In Antwerpen. Daar bent u naar toegereden. Via Bergen op Zoom terug naar Ermelo. Tussen u beiden is er niet gesproken over wat er gebeurd is. U zei: “Ik heb het wel gevraagd, maar hij gaf geen antwoord.” Bij de rechter-commissaris zei u: “Ik niet weet wat er gebeurd is.” Waarom keek u daar zo tegen aan? Waarom werkte u daaraan mee? Als u denkt dat hij de dader is.

Janet: Dat had niks uitgemaakt. Ik zit, hij is vrij. Ik heb een strafblad. Hij wilde het niet, ik had iets van: 1 en 1 is 2.

Rechter: U zegt: het had niet uitgemaakt. “Ik kom hier thuis, ik ben een paar uur weg, ik tref een dode aan in huis, ik weet wie het gedaan heeft, ik was het niet.” Kunt u iets bedenken wat wel verschil had uitgemaakt?

Janet: Natuurlijk had het beter geweest, maar op dat moment, met de hectiek en paniek en de ruzie met Youri, is dit het geworden. Ik heb zo vaak tegen de politie gezegd: ik wil verklaren, maar niet op deze manier. Toen het dossier enigszins binnen was, is Youri gaan verklaren samen met Joyce.

Rechter: Als u de politie had gebeld, bijvoorbeeld vóór het sporenonderzoek, dat had wel verschil uitgemaakt. Daar is nu tijd overheen gegaan. Er is kleding gewassen, er is veel weg. Het letsel van Ton Kuijf. Bloed dat ook op zaterdag nog vochtig was, of dat dader of daders misschien wel helemaal onder het bloed hebben gezeten. Dat soort informatie. Als u een man dood aantreft, waarvan u zegt dat u er geen schuld aan heeft. Dan is dit een verschil dat ik wel kan bedenken.

Janet: Dat klopt.

Rechter: Waarom was het voor u allebei beter dat u niks zou zeggen?

Janet: Wie zou mij geloven? De politie? Dat heb ik al vaker meegemaakt! Ik kan niet zeggen dat dit de juiste optie was. Wie zou mij geloven?

 

(gelach in de zaal. De rechter zegt: “Wilt u dat niet doen?”)

Janet: Ik heb niet juist gehandeld, achteraf: ik had moeten bellen. Wat had ik moeten zeggen: “Hoi, met Janet?” Met mijn strafblad?

Rechter: De politie heeft wel wat gezegd over de timing waarop u bent gaan verklaren. In wiens voordeel het was. U wist al langer dat Youri aan verklaren was.

Janet: Ik zat in het Pieter Baan Centrum. De dag erna heb ik het te horen gekregen, toen heb ik contact opgenomen.

Rechter: De politie vroeg: “Waarom zou jij je mond houden als je niet weet wat er gebeurd is?” U zegt: “Mij geloven ze toch niet, ik ben toch meteen de sjaak?” U zegt zeil te hebben gehaald, Youri heeft hem verplaatst, geprobeerd hem op te tillen. U wilde beiden nadenken, u bent in de Volvo naar de woning van Youri gegaan. U wilde naar Natasja, die was niet thuis. Youri heeft verklaard dat hij wel naar binnen is geweest, dat hij overstuur terug naar buiten was gekomen.

Janet: Dat klopt niet.

Rechter: Natasja was niet thuis?

Janet: Ik heb haar niet gesproken.

Rechter: Had u aangebeld?

Janet: Ik weet niet hoe of wat, ik heb haar niet gesproken.

Rechter: Natasja heeft schoolgaande kinderen. Het was een doordeweekse nacht.

Janet: Dat was in de ochtend. Excuus.

Rechter: U zegt: “Youri is de dader.” Waarom zijn er dan geen hulpcontacten uit zijn kring benaderd, voor het wegwerken van de sporen. Alleen mensen uit uw omgeving.

Janet: Hij had niemand

Rechter: Heeft u dat besproken? Als u niet schuldige bent, waarom zou u Joyce, die u ‘sister’ noemt, en uw broer, uit uw eigen omgeving, bij zo’n zaak betrekken?

Janet: Omdat het bij mij in de bungalow was. Joyce is niet vies van geld verdienen.

Rechter: Er is een tapgesprek tussen u en Natasje, vanuit de p.i.; u heeft gezegd: “Ik weet wie het gedaan heeft. Dat is Joyce.” U zegt: dat is uit de context gehaald, dit gaat over wie de informatie voor dat artikel in het tijdschrift heeft geleverd. U zegt: “Ik heb met Youri afgesproken dat ik ruzie had met iemand. Ik heb Joyce gebeld omdat ze voor geld veel dingen doet.” Hoeveel zou ze krijgen?

Janet: Daarvoor moet je bij Youri zijn.

Rechter: Was vanaf begin duidelijk dat Joyce ervoor betaald zou worden?

Janet: Joyce is een bekende van mij en ik weet dat ze dingen voor geld doet.

Rechter 3: wanneer is dit besproken?

Janet: Ik zat in de auto. De vrijdag staat mij niet helemaal precies bij. We hebben het erover gehad.

Rechter 3: Wat werd haar gevraagd?

Janet: Of ze wilde meehelpen met schoonmaken.

Rechter: Joyce wilde wel helpen, zolang ze niets hoefde zien. U bent met zijn drieën naar Danny gegaan, die wilde er niks mee te maken hebben. Er is gelogen dat Ton Kuijf met Joyce en twee mannen seks wilde hebben. Over DNA op het wapen zegt ze dat ze dat misschien een keer heeft beetgehad. Over de man met de initialen T.V. zegt u: “Dat was een contact van Joyce, zij had het idee voor een trio.” Die man heeft tussen 1000 en 1500 euro betaald. Joyce heeft verklaard dat dit drie personen is gedaan: bij T.V., bij de man uit Amersfoort en bij een vrouw met een autistische zoon. De seks met T.V. is opgenomen.

 

Rechter 3: Over de teksten van Joyce aan Ton Kuijf, de chantageberichten, zegt u dat zich daar nauwelijks mee heeft bemoeid. Maar u geeft haar wel in wat ze moet doorgeven.

Janet: Het ss aan haar wat ze ermee doet,

Rechter 3: U instrueert haar toch min of meer?

Janet: U mag alles voorlezen van mij.

Rechter 3: U had een relatie met Ton Kuijf, u had ook nee kunnen zeggen.

Janet: Ze vraagt het mij. En Ton is er niet op ingegaan.

Rechter 3: Bent u weleens betrokken geweest bij de afpersing van een klant via sexjobs?

Janet: Nee.

Rechter 3: En bij T.V.?

Janet: Ik beroep me op mijn zwijgrecht.

Rechter 3: We noemen zijn naam niet. Begin 2013 heeft hij gereageerd op een advertentie op sexjobs. Er was een afspraak voor 50 euro in Kampen, bij Joyce. Ze kon ook een trio verzorgen. Er was een afspraak gemaakt op een parkeerplaats in het Kemperbos, maar toen was het te koud, er was alleen wat gefriemeld. Naar aanleiding van de zaak in Ermelo had de man u herkend. Hij vertelde dat er een trio was gweest in Kampen, bij de eerste vrouw. Ze hadden met z’n drieën seks gehad in de woonkamer. Toen kwam er een sms’je: de vriend van de blonde vrouw (Janet), had hen gezien. Uiteindelijk heeft hij 750 euro betaald, in Nunspeet. Daarna had hij niet meer gereageerd. In januari/februari 2014 was er naar zijn huis gebeld.

(hier kon ik het even niet volgen. Er wordt een plaatsnaam genoemd: IJmuiden. Daar was ook nog een keer wat gebeurd.

Alles bij elkaar had hij 3000 euro betaald. De dag na de uitzending van Opsporing Verzocht had hij Janet herkend van de foto. Via Facebook waren er berichten naar de zoon van meneer gestuurd, van de auto van deze T.V., met het rechterportier open, en een vrouwenbeen naar buiten, met een tatoeage, duidelijk zichtbaar)

Rechter 3: Heeft u dat gezien in het dossier?

Janet: Nee, daar heb ik niet goed naar gekeken.

(het gaat verder over de chantageberichten. Er zou ook nog een Jessica bij betrokken zijn geweest)

Rechter 3: Weet u wie Jessica is?

Janet: Ja. Dat is een ouwe vriendin van mij. Vriendin is een groot woord.

Rechter 3: Volgens haar deden Janet en Joyce dingen samen. Joyce had seks gehad met de aangever (die T.V.) Wat vindt u ervan?

Janet: Heeft u mevrouw nagetrokken? Ik beroep me op mijn zwijgrecht. Dit is een stukje beeldvorming van de politie.

Rechter 3: “We hadden account met sexjobs. We deden het in de woonkamer, en we hebben een keer afgesproken in het bos. Hij bleef maar bellen. Hij heeft geld gegeven bij de parkeerplaats, toen kreeg ik de helft.” Dit komt van een telefoon die bij Joyce in beslag is genomen. Wat vindt u daarvan?

Janet: Wat ik daarvan vind? Het is heel gemakkelijk van Joyce en Jessica: dit heeft Janet gedaan. Het klopt dat het mijn stem is.

Rechter 3: Wat is er gemakkelijk?

Janet: Je wordt opgepakt in een bepaald onderzoek. Ik heb geholpen, ik heb hem niet afgeperst.

Rechter 3: U heeft gezegd: ik ben er wel in enige zin bij betrokken geweest, maar ik heb niet gezegd dat ze het moesten doen.

(Vervolgens gaat het over het tanken bij de benzinepomp in Nulde. Waarom daar? Janet moest volgens haar zeggen daarna Youri afzetten bij het bungalowpark. Waarom niet dichterbij getankt? Deze benzinepomp is 12,4 kilometer ver, het was logischer geweest dichterbij te tanken: er is zelfs op de route naar Nulde een hele serie benzinestations dichterbij. De clou is: Janet beweert dat ze Youri heeft teruggebracht naar Ermelo en daarna alleen is doorgereden naar Bergen op Zoom. In de tussentijd pleegt Youri de moord. Volgens Youri zijn ze na wat er in het chalet was gebeurd sámen naar Bergen op Zoom gereden. De politie heeft een zeer gedetailleerde tijdlijn gemaakt, aan de hand van de afstanden en het aanstralen van de telefoons. Als het verhaal van Janet klopt, moeten ze met een gemiddelde snelheid van 233 kilometer per uur hebben gereden. Het verhaal van Youri klopt precies met de logische afstanden en snelheden)

De rechter gaat tenslotte in op de persoonlijke omstandigheden van Janet. Daar komt niet veel uit: ze heeft nergens aan meegewerkt. Er zijn wel wat mensen uit haar omgeving bevraagd en er zijn observaties, van het verblijf in het pieter Baan Centrum.

Rechter: Als ik u zou vragen een beschrijving van uzelf te geven, wat zou het antwoord zijn?

Janet: Hoe ik mijzelf zie? Moeilijke vraag. Zorgzaam? Sorry, dat vind ik echt een moeilijke vraag.

Rechter: Mensen die u kennen zeggen: zorgzaam, lief, onzeker, druk. Leuk, lief en druk. “De laatste tijd, vanaf eind 2013, is ze in een steile lijn naar beneden gegleden, ze kwam afspraken niet meer na.” Herkent u dat een beetje, dat het minder goed ging? Met uw werk ging het minder goed, u was vaker ziek.

Janet: Dat was niet persoonlijk, het was werk-gerelateerd. Het raakte mij absoluut, maar het kwam in eerste instantie bij mijn werk weg.

Rechter: De partner van u broer zegt: “Lief en grappig, maar ook iemand die beloftes niet nakwam.” Op uw werk: actief, betrokken en flexibel, vanaf november 2013 minder met functioneren. Een vriendin: “Een vrouw met twee gezichten. Op de bank liggen thuis en daarna het foute pad op gaan.” De psychiater noemt: gedeeltelijk oriëntatie- en geheugenverlies, theatraal, een psychogene oorzaak, simulatie. De psycholoog: geen ernstige defecten, sociaal vaardig, drukke zelfverzekerde enthousiaste vrouw. Plaatst zich in het middelpunt, heeft overal wel een mening over. Ook over mensen, die steekt u niet onder stoelen of banken. Als u praat, gaat het veel over uzelf, u heeft weinig interesse voor anderen. De sfeer op de afdeling werd steeds meer door u bepaald. In uw jongere jeugd, waren er gedragsproblemen, vanaf uw zestiende drugsproblematiek.

Janet: Mag ik hier gelijk op reageren? Hierom wilde de familie niet meewerken. Het PBC heeft de woorden van mijn ouders dusdanig verdraaid dat ze hun vertrouwen totaal zijn verloren. Dit hebben ze niet zelf gezegd.

Rechter: Er is geen ziekelijke stoornis, geen depressie, mogelijk een gebrekkige ontwikkeling van cluster-B-problematiek, vanuit opportunistisch gewin. Er is geen adhd geconstateerd, maar u heeft daar wel medicijnen voor geslikt. Toen u stopte ging het minder goed.

(Met cluster-b-problematiek worden tegenwoordig antisociale, borderline, theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen aangeduid. Kenmerken van deze personen: hun dramatische, emotionele en impulsieve karakter. Snelle behoeftebevrediging en moeite met het onderhouden van relaties).

Janet: Ik ben tijdje gestopt, ben ik drukker geworden? Ik ben meer gaan werken. De één vindt het druk als je meer praat, ik ben anders: als ik drie keer op en neer rijd voor iets onzinnigs.

Rechter: Het prevaleren van eigen behoeftes, sensation-seeking. Den Boer, psychiater: op afdeling bent u aanwezig en sfeerbepalend. Wat vindt u daarvan?

Janet: Wat sommige mensen zeggen, daar ben ik het niet helemaal mee eens, over het algemeen wel. Het PBC zit niet op één lijn. Druk, lief en zorgzaam, twee gezichten: alle exen zeggen dat. Na een relatie heb je weleens een woordenwisseling. Ben ik ooit agressief geweest? In mijn werk had ik dagelijks met agressieve mensen te maken. Wat sommige exen zeggen, daar ben ik het absoluut niet mee eens.

Rechter: Had u schulden?

Janet: Nee.

Rechter: Drugsgebruik?

Janet: Een keer een blowtje gerookt, en ja, een keer wat anders? Rechter: Cocaïne?

Janet: Wat ik u zeg: ooit gedaan, niet met regelmaat.

Het proces gaat verder met het horen van getuigen en het spreekrecht van de nabestaanden. Daarna volgens het requisitoir en het pleidooi. Volgende week staan de andere verdachten terecht. Een kort sfeerverslag van de eerste zittingsdag staat hier

 

SEKS MET JANET: DE BIJL NAAST BED

janet-sms-4web

Als de eerste berichten over de betrokkenheid van Janet bij de chaletmoord bekend worden, kom ik in contact met ‘John’. Hij heeft net als Ton Kuijf via sexjobs.nl contact gelegd met Janet (op internet noemt ze zich Lotte).  

‘Een beetje bleu. Meisje-meisje. Een beetje verlegen. Heel lief.’ John, een dertigjarige ondernemer uit Utrecht, is nog helemaal in de ban van Janet. Hij zou haar het liefst meteen in de gevangenis opzoeken. In februari leerde hij haar kennen via de website sexjobs.nl, waar ze adverteerde. ‘Ik zoek altijd in de regio Utrecht. Haar advertentie viel me meteen op. Het was iets met ‘wel de lusten, maar niet de lasten’ en ‘financiële ondersteuning.’ Ik heb haar gemaild en kreeg al heel snel haar telefoonnummer. Dat doen er niet veel.’

Hij herinnert zich de eerste afspraak nog als de dag van gisteren. Hoe ze opendeed, hoe ze in de deuropening van haar chalet stond, hoe ze keek. Ze was lief en mooi. Groot, sterk, dat ook. ‘Het was heel gezellig ingericht. Vrouwelijk.’ Ze dronken wat fris, praatten wat, douchten en hadden seks.

Als John later hoort dat Janet lesbisch is en al vanaf haar achttiende met een vriendin samenwoonde, en daarna ook alleen maar met vriendinnen, is hij stomverbaasd. ‘Dat kan ik me haast niet voorstellen. Ik had het idee dat ze er zelf ook van genoot. Als man merk je dat wel. Ze gaf mij complimenten. En bij een volgende date hebben we het zelfs twee keer op één avond gedaan. Ze moest naar een verjaardag, daarom moest ze weg. Later belden we en toen vroeg ik: of wil je nog een keer? Ze zei: ‘Ja, graag, maar ik durfde het zelf niet te vragen.’ John had het idee dat Janet nog actief was met karate. ‘Ze vertelde dat ze drie gebroken teentjes had. Ze zag er sterk uit. Lange benen. Brede rug, sportfiguur, goed getraind. Een prachtig gebit. Mooie grote borsten. Ik zei nog: ‘Zo! Hoe kom je aan die dingen?’ Ze zei: ‘Van God gehad.’

Een van de vriendinnen met wie Janet een lesbische relatie had, kan zich juist niet zo goed voorstellen dat Janet het prettig vond met een man. ‘Ik weet dat ze weleens wat met een man deed. Er waren veel mannen verliefd op haar. Die hield ze een beetje aan het lijntje. Stiekem hoopten ze toch op een relatie, of seks, met haar. Daar maakte ze wel misbruik van. Ze had altijd geld nodig.’

Dat Janet tegen betaling aan het seksdaten was, is voor iedereen nieuw. John: ‘Ik had ook het idee dat ze dit voor het eerst, of bijna voor het eerst, deed. Ik hoefde ook niet vooruit betalen. Na afloop vroeg ik hoeveel ze wilde. Driehonderd euro. Zoveel had ik niet bij me. Ik ben naar mijn auto gegaan om honderd euro op te halen. Toen had ik ook zo weg kunnen rijden. En die andere tweehonderd heb ik per bank overgemaakt. Zodoende kwam ik achter haar echte naam.’

In februari en maart ontmoeten John en Janet elkaar een keer of vijf. ‘Vaak zaten we gezellig te praten. Het was meer een soort vriendin. Zat ze in haar gewone kloffie op de bank, was ze moe. Ze zei dat ze in Den Dolder werkte, met moeilijk opvoedbare kinderen, of zo. Ik weet niet of dat waar was.’ Een paar dingen vielen John op. ‘Toen ik haar eerst ontmoette had ze een kleine grijze auto, een nieuwe. Even later reed ze in een lichtblauwe Renault Twingo. Er stonden heel veel potten met voedingssupplementen. Ze zei dat die van haar ex waren, een Antilliaanse bodybuilder. Toen de relatie met hem verbroken was, hadden ze hun huis moeten verkopen en zat zij met een schuld van tien- tot twaalfduizend euro. Dat getal noemde ze vaker. Achteraf wel apart, als je hoort dat ze van die Algerijn elfduizend euro hadden gestolen.’ Ook apart: een hakbijltje naast haar bed. ‘De eerste keer had ik dat niet gezien, de tweede keer wel. Ze zei: ‘Ja, een vrouw alleen moet zich kunnen verdedigen.’ Later hebben we er per sms nog grapjes over gemaakt. Maar als je nu leest dat de politie zegt dat die man uit Amersfoort door geweld om het leven is gekomen, vraag ik me af waar ze dat dan mee heeft gedaan.’

De dates spelen zich af rond carnavalstijd. ‘Ik vroeg of ze geen zin had mee te gaan naar het carnaval. Met iemand als haar wil je wel gezien worden. Ze zei dat ze dat nog nooit had gedaan, maar dat het haar wel leuk leek. Maar het is er niet van gekomen.’ Hij nodigde haar ook uit voor een etentje. ‘Ik zei: trek wat leuks aan, gaan we naar een goed restaurant.’ Ze reageerde enthousiast, ik zou haar ophalen, maar toen belde ze toch af. Ze vond het zonde van het geld, het was allemaal al duur genoeg. Toen hebben we pizza’s laten komen.’ Hebben ze in bed opgegeten, kijkend naar de tv in de slaapkamer. De grote tv in de woonkamer was weg. ‘Die had ik eerder wel gezien, die was helemaal beschadigd. Achteraf vraag ik me af wat daarmee is gebeurd. En ze kan dat ding nooit in d’r eentje hebben weggebracht.’

Waar hij achteraf ook ‘kippenvel van kreeg: ik dronk meestal sinas. Was altijd uit een fles die al een tijdje open was, met weinig prik. Pakte ik meestal zelf uit de koelkast. Maar de laatste keer wilde ze niet dat ik zelf de koelkast opendeed. Dat wilde ze niet: er lag een bedorven kip in. Maar daar rook je niks van. Ik ben benieuwd wat het was.’ Daar hebben Janet’s vriendinnen wel een vermoeden van: drugs. Al is de vraag of je dat normaal gesproken in de koelkast bewaart. Die kapotte televisie: dat weten de vriendinnen ook. Vrienden van Janet waren wat te wild met wii in de weer geweest.

Tot groot verdriet van John stoppen de dates met Janet. ‘We hadden ruzie. Ik had haar honderd euro geleend, die zou ze terugbetalen. Dat deed ze niet. Het ging mij niet om die honderd euro, maar om het principe: als je iets belooft, moet je het doen. We hadden het ook met een date kunnen doen, maar dat kwam er ook niet van. Ze zei dat ze avonddienst had. Ze wist dat mij dat slecht uitkwam: ik moet er ’s morgens altijd heel vroeg uit.’

Er werd nog een afspraak gepland. Op donderdagavond 6 maart. Precies een week voordat de man uit Amersfoort hier zijn opwachting zou maken. ‘We spraken meestal af bij de benzinepomp in Ermelo, een paar honderd meter van het bungalowpark. Ik reed erheen, dan kwam zij en dan reed ik achter haar aan. Nu kwam ze niet. Ik heb haar de hele avond gebeld en gesms’t, ik ben natuurlijk ook langs de chalet gereden, maar daar was ze ook niet. Het zag er onbewoond uit, alsof ze er al een tijdje niet meer was geweest. Pas veel later kreeg ik haar telefonisch te pakken en toen reageerde ze met een smoes,. Dat ze wel bereikbaar was geweest.’

Daarna is haar nummer afgesloten. Ook vriendinnen en familieleden kunnen haar niet meer bereiken: ze heeft een nieuw nummer. In die week moet ze contact hebben gelegd met Ton Kuijf, maar details daarover zijn niet bekendgemaakt. Zowel John als vrienden en vriendinnen verbazen zich erover dat de politie met 25 man de zaak aan het onderzoeken is, maar dat geen van hen wordt gehoord.

John heeft niet het idee dat hij ook dodelijk slachtoffer had kunnen worden, dat hij ontsnapt is aan een moordaanslag

.‘Ik denk dat ze wel in de gaten had dat er bij mij niet echt veel te halen was, dat ze daarom het contact heeft verbroken.’ Wellicht omdat er een vettere vis aan de haak spartelde: de man uit Amersfoort. John: ‘Ik zag hier als prostituee. Zij zichzelf ook niet. Toen we ruzie over geld hadden zei ik dat ik dat ‘een hoerenstreek’ vond. Toen werd ze heel kwaad. ‘Niemand zegt tegen mij dat ik een hoerenstreek lever!’ Of hij en Ton Struijk de enige waren die van haar diensten gebruik maakten? John: ‘Op Valentijnsdag stond er een enorme bos hele dure rozen op tafel. Ik vraag me af van wie ze die had gekregen.’

Femme fatale, een vrouw met twee gezichten. Lief, sociaal, gul, altijd vrolijk, hard werkend. Aan de andere kant: chronisch geldgebrek, drugsgebruik, ontrouw, liegen, oplichten. Als bekend wordt dat het Janet is die is aangehouden voor de dood van Ton Kuijf, meldt de ene na de andere vriendin zich met verhalen. Over het oplichten van verzekeringsmaatschappijen door inbraken te ensceneren, over het opzadelen van vriendinnen met schulden. Verhalen over drugssmokkel waarbij een dode zou zijn gevallen.

Het zijn verhalen die Janet zelf aan hen heeft verteld, maar waarvan veel details aantoonbaar niet kloppen. Zo blijkt de jongen die volgens Janet bij een drugsconflict om het leven is gekomen en die in Marokko begraven zou zijn, springlevend en niets met drugs te maken te hebben. Degene aan wie Janet het vertelde kan het haast niet geloven. ‘Ze liet mij de foto’s zien, ze zat er bijna bij te huilen.’ Anderen kunnen zich geen huilende Janet voorstellen: ‘Dat is niks voor haar.’ Er wordt gerept van relaties met politieagentes. Dat klopt gedeeltelijk: met één agente woonde ze enige tijd in Nieuwegein. Een andere vriendin met wie ze lang samenwoonde is de dochter van een politievrouw.

John dacht dat de ex die in Ermelo woonde een bodybuilder was. In werkelijkheid was dat een vrouw. Een sportvrouw die aan triathlon doet. Het klopt waarschijnlijk wel dat er schuld is. ‘Als Janet verliefd is, overlaadt ze je met cadeaus. Uit eten gaan, sieraden, dan betaalt ze alles. Als het langer duurt, zijn er altijd geldproblemen. Ze wil meteen bij die nieuwe liefde in de buurt wonen. Dan wil ze meteen een huis huren. Op zo’n korte termijn is dat altijd duur. Ze heeft altijd en overal huurschuld.’

Er is iemand die meent dat ze in casino’s kwam, maar iemand die haar echt goed kent gelooft dat niet. ‘Ik heb haar nooit zien gokken. Ze is het meeste geld kwijt aan brandstof voor de auto. Ze kan heel slecht alleen zijn. Ze heeft vriendinnen in Eindhoven, Rotterdam, Den Haag, Kampen, Amersfoort. Ze rijdt overal naar toe, ze is bijna nooit thuis. En altijd uit eten.’ Dat ze een normale baan heeft, in Den Dolder, klopt: ze zou zich best gewoon kunnen bedruipen. ‘Haar ouders hadden een nieuwe auto voor haar gekocht. Die heeft ze kort daarna ingeruild voor een oudere. Zal ook met geld te maken hebben.’ Een ander verhaal dat steeds terugkeert: handel in valse merkkleding. Samen met een mannelijke collega van haar werk in Den Dolder. Ook iemand die – volgens vriendinnen – stiekem verliefd op haar is. Hij is de enige niet. Met anderen ging ze op vakantie naar Egypte, tot jaloezie van vriendinnen, maar de droom van seks en een vaste relatie met Janet kwam nooit uit. Seks: heel misschien. Een vaste relatie: zeker niet met een man. ‘Ze wilde het liefst een normaal leven, met een gezinnetje, maar daar heeft ze de rust niet voor. Ik vind het wel knap dat ze na die veroordelingen alles zo goed had opgepakt. Een goede baan, hard werken. Ze is niet iemand die bij de pakken neer gaat zitten.’

 

JANET EN DE MOORD OP DE ALGERIJN

janet-15-2-2006a

Tijdens het proces in Zutphen vraagt de rechter zich af waarom Janet niet de politie heeft gebeld toen ze ontdekte dat Youri B. de moord had gepleegd. Als ze er zelf niks mee te maken had, waarom regelde zij dan alles?

Janet: “Wie zou mij geloven? De politie? Dat heb ik al vaker meegemaakt! Wat had ik moeten zeggen: “Hoi, met Janet?” Met mijn strafblad?” In 2003 pleegde ze, als achttienjarige, samen met haar negentienjarige vriendin, een moord in Den Haag. Janet was toen net met een vriendin in Den Haag gaan samenwonen, als lesbisch stel. In december ontmoetten ze samen de kleine, illegale – maar wel rijke – Algerijn Dani. Ze gingen met hem mee naar zijn woning, waar volop gesnoven en gedronken werd. Volgens de dames zou Dani ‘toenadering’ hebben gezocht tot Janet, waarop deze hem met een fles op het hoofd had geslagen. En met een mes gestoken. Daarna knoopten ze zijn benen vast met schoenveters, namen zijn portemonnee met 11.000 euro en zijn mobiel mee en verlieten in alle rust het pand. Tijdens het proces snikten de dames dat ze bang waren dat ze verkracht zouden worden, maar de rechter geloofde daar niet veel van. Janet was karatekampioene, haar vriendin freefighster. Beiden werden omschreven als ‘boomlang’. Ze waren met hun ruim 1.80 meter in elk geval groter en forser dan de tengere Algerijn. Janet had toen al een strafblad: in 2006 was ze al veroordeeld wegens diefstal. Voor de moord op de Algerijn kwamen de dames nagenoeg met de schrik vrij.

 

 

Janet S. (chaletmoord): het pleidooi

$
0
0

Bij de rechtbank in Zutphen is twintig jaar plus tbs geëist tegen Janet S. (31) uit Kampen, voor de moord op zakenman Ton Kuijf (58) uit Amersfoort. Op 13 maart 2014 werd hij in het chalet van Janet in Ermelo met een hakbijl en een mes om het leven gebracht. Medeverdachte is Youri B. uit Bergen op Zoom. Hij beweert dat hij bij het chalet in de auto zat toen de moord zich afspeelde en dat hij alleen betrokken was bij het wegwerken van sporen en het verplaatsen van de auto van het slachtoffer. Janet beweert dat Youri de moord heeft gepleegd en dat zij pas arriveerde toen het al gebeurd was. Tot nu toe is vooral de ‘schuldkant’ van Janet belicht. Tijdens de behandeling van de zaak, waarbij ze zelf aan het woord kwam, kwam ze niet heel overtuigend over. In het requisitoir daarna haalde  officier van justitie mensen uit de omgeving van Janet aan die zeggen dat ze “zo gek als een deur” is en “extreem gewelddadig: ze zou voor vijftig euro haar eigen moeder ombrengen.” En: “Een kameleon, met een zorgzame en een duistere kant.” Iemand die als een lieve dochter bij haar moeder op de bank kan liggen en zich daarna verkleden en een moord plegen. ” In 2006 is ze veroordeeld tot vier jaar voor de moord op een Algerijnse man in Den Haag, die ze samen met een vriendin met messteken om het leven bracht.  

Ik geef het pleidooi van de advocaten van Janet, Gita Biesmans en Peer Szymkowiak,  hier in grote lijnen weer. Enigszins samengevat en ingekort. Waar de advocaten het woord ‘cliënte’ gebruiken, heb ik er voor de leesbaarheid Janet van gemaakt. En waar zij van medeverdachten alleen de achternaam gebruiken, heb ik daar de voornaam ingevuld.

“Het is de verdediging opgevallen dat Janet in de media op een hele kwalijke wijze is neergezet. Sterker nog, zij is in de media al ronduit veroordeeld. Voor de leden van de pers: Er was geen seksdate. Er is geen seks geweest. Er is geen trio geweest. Er bestaat geen opname van seks op 13 maart 2014 of enig andere dag waarbij het slachtoffer betrokken zou zijn. En er is dus ook geen sprake van een ruzie over het niet betalen van seks! De media hebben de afgelopen dagen bol gestaan van dergelijke onzinverhalen. De verdediging ziet uit het hele proces tot op heden de dampen opstijgen die voorbode zijn van een veroordeling.

Er is veel in het dossier aan forensisch onderzoeksresultaat dat wijst op een mogelijke betrokkenheid van Janet bij de dood van het slachtoffer. Zo is het lichaam in haar woning aangetroffen, zijn de wapens die tot de dood geleid hebben naar haar terug te voeren en is er DNA van het slachtoffer in de vorm van bloed op Janet en/of haar kleding aangetroffen. Dat er verder voor de dood contact bestond tussen Janet en het slachtoffer staat voorts ook vast. Dit forensisch bewijs zegt ons echter niets over mogelijke betrokkenheid van Janet bij het toebrengen van letsel door Janet aan het slachtoffer. Het zegt ons niets meer dan dat Janet vrij kort na de dood in de nabijheid van het lichaam moet zijn geweest in haar woning. En dat is door Janet nimmer ontkend. De resultaten van het technisch onderzoek vertellen ons niet wie het mes en of de bijl heeft aangewend jegens het slachtoffer.”

Volgens de advocaat is de film niet compleet. Er zijn twee scenario’s:

Janet stelt dat ze nagenoeg drie uur is weggeweest uit de woning en dat ze bij terugkomst Youri met een bebloed gezicht in de woning aantrof waar ook het levenloze slachtoffer was. Youri stelt dat hij ongeveer drie kwartier in de auto zat voor de woning terwijl Janet met het latere slachtoffer in de woning was. Bij binnenkomst in de woning treft hij aldaar Janet aan met een bijl in haar rechterhand alsook het levenloze slachtoffer. Meer informatie over wat er in die woning is gebeurd op donderdag 13 maart 2014 hebben we niet uit verklaringen.

Het heeft heel lang, extreem lang geduurd, en zonder het werk van een eerdere advocaat van Janet was het waarschijnlijk nooit achterhaald, maar inmiddels weten we wel dat de verklaring van Janet dat zij die nacht op en neer is gereden van Ermelo naar Bergen op Zoom wel degelijk juist is! Een nader onderzoek naar de telecomgegevens wees dit inmiddels wel uit. (zie hiervoor eventueel het verslag van de zitting, waaruit blijkt dat het nogal twijfelachtig is dat Janet alleen naar Bergen Op Zoom is gereden).

Uiteindelijk is er één verklaring afgelegd door Youri en meerdere door Janet. Daaruit is vast komen te staan dat ze beiden rondom het, niet vast te stellen, tijdstip van overlijden in de woning zijn geweest waar ook dagen later het lichaam is aangetroffen.

In het pleidooi wil de verdediging zich beperken tot de vraag wie strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het intreden van de dood. Welk bewijs is er dat Janet het slachtoffer heeft gedood, eventueel in een vorm van medeplegen?

De verdediging vreest dat Uw Rechtbank tot op heden mogelijk de invulling van de ernstige bezwaren gevonden heeft in de verklaring van Youri van 29 september 2014. Het is dan ook van evident belang om Uw Rechtbank in te laten zien dat U onmogelijk deze verklaring als bewijs tegen Janet kunt gebruiken. Met een reconstructie had U zelf kunnen waarnemen dat het meest belangrijke deel van zijn verklaring, daar waar hij zegt dat hij Janet met een bijl zag hakken richting het slachtoffer, onjuist moet zijn. Die kans heeft U de verdediging en Janet niet gegeven.”

De advocaat zal eerst proberen aan te tonen dat de verklaring van Youri “volstrekt onbetrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd.” Daarna zal hij ingaan op de verklaring van Joyce N., vriendin van Janet, over een uitlating van Janet over het maken van een plan om iemand naar de woning te lokken en af te persen en vervolgens te doden.

De verklaring van Youri is op 29 september 2014 afgelegd op het politiebureau in Arnhem. Hij vertelt dat Janet in de hal op haar knie zat en zou hebben zitten hakken met haar rechterhand. “Het was een ruzie zeiden ze, die was uit de hand gelopen, ze hadden elkaar aangevlogen.”

Vervolgens gaat de advocaat gedetailleerd in op de verklaringen van Youri en de gegevens uit het sectierapport. Een paar details: Youri heeft niet verklaard dat hij een mes bij Janet heeft gezien of dat hij Janet handelingen heeft

zien verrichten met een mes. Hij heeft verklaard dat hij de bijl bij Janet heeft weggenomen en dat er daarna geen handelingen meer zijn verricht door haar in de richting van het slachtoffer. “Van de afmetingen en de afstanden van het chalet blijkt duidelijk uit het dossier, alsook de lichaamslengte van het slachtoffer en Janet. Gelet op de breedte van de kamer en het bed, resteert er 90 centimeter tussen het bed en de deurpost. De deuropening is eveneens 90 centimeter. De bijl is 30 centimeter lang. Daarbij is gebleken dat hetgeen Youri heeft verklaard feitelijk onmogelijk is. Werkelijk onmogelijk! Dat hadden wij Uw Rechtbank graag willen laten zien middels een reconstructie maar daar had Uw Rechtbank helaas geen oren naar.”

Ook wat Youri heeft verklaard over de schoenen die Janet die bewuste dag droeg, wordt niet ondersteund door de onderzoeksresultaten van het forensisch onderzoek. Youri heeft verklaard “Ik vind het van die lelijke schoenen. Je ziet ze in Amerika heel veel bij bekende mensen.” Deze schoenen, zo heeft Youri verklaard gingen ook de tas in omdat zij helemaal onder het bloed zaten. Afgezien van het feit dat het op zijn minst opmerkelijk te noemen is dat Youri – na alles wat hij die avond naar eigen zeggen had beleefd – oog heeft gehad voor het mooi of lelijk zijn van de schoenen die Janet droeg, wordt zijn verklaring op dit punt niet ondersteund door de forensische onderzoeksresultaten.”

Ook wat Youri heeft verklaard over het wegbrengen van de auto klopt niet volgens de advocaten: “Youri heeft verklaard dat hij achter Janet aan moest rijden toen zij de auto wegbracht. Zij reed in de Audi en ik in de Volvo, aldus Youri. “Je ziet haar over de grens heen gaan, je ziet mijn auto gelijk er achteraan komen, ik had niks en wist niet waar zij naartoe ging. Ik ben er kort op blijven rijden om haar te volgen. Ik wist niet waar zij naartoe ging”. Aantoonbaar gelogen!”

Uit gegevens van de politie blijkt dat Janet achter Youri is aangereden. Bianca J., destijds de beste vriendin van Youri, zei op vraag van de politie wie de Audi heeft weggebracht: “Ik heb alleen gezegd, als je in Ermelo woont, zet je een auto niet in Antwerpen. Mijn gedacht is dat Youri die auto heeft weggezet. De Oude Steenweg in Antwerpen is voor Youri en mij een bekende plek. Wij gaan altijd uit op de Paardenmarkt. Dit is dichtbij de Oude Steenweg. Echt op loopafstand (100 à 200 m.)”

Is de betreffende verklaring uit zichzelf afgelegd? Dat wil zeggen: zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen. Het antwoord op deze vraag kan alleen maar NEEN luiden. Op 29 september 2014 bevond Youri zich ruim vijf maanden in voorlopige hechtenis en had hij kennis van het dossier. Gedurende VIJF maanden heeft Youri gezwegen dan wel enige betrokkenheid bij onderhavige zaak ontkend. Het gaat in casu om een relatief jonge man (30 jaar) die nooit eerder met politie of justitie in aanraking is geweest en die erin slaagt te zwijgen terwijl hij uren- en dagenlang wordt doorgezaagd door politiemensen die erin zijn getraind om zelfs de meest doorgewinterde crimineel aan het praten te krijgen. Driehonderdzestien bladzijden lang: ontkennen of zwijgen. Pas op het moment dat de politie hem keer op keer objectieve feitelijke gegevens voorhoudt die hij niet langer kan ontkennen, legt Youri een verklaring af. Een verklaring waarin hij aangeeft dat Janet verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer en dat hij daarbij geen enkele rol heeft gehad. Echter, nadat Youri, na het afleggen van deze verklaring, door de verhoorders op 18 november 2014 wordt geconfronteerd met tegenstrijdigheden en/of inconsequenties in zijn verklaring, weigert Youri vragen te beantwoorden en doet hij er het zwijgen toe.

Over het aantreffen van Janet in het chalet, heeft Youri verklaard dat hij Janet hoorde ademen op het moment dat hij de slaapkamer naar binnen keek. “Gewoon haar zeg maar heel zwaar ademen. Dat ze gewoon doorgedraaid was. (…) Ik wilde haar tot bedaren krijgen.” In de daarop volgende alinea heeft Youri in strijd daarmee verklaard dat Janet dwars door hem heen keek, “zonder emoties en zo kil en zo koud”. Om twee alinea’s verder wederom te verklaren dat Janet helemaal was doorgedraaid en dat ze niet wist wat ze moest doen. Een grotere tegenstelling lijkt haast niet mogelijk: enerzijds zo doorgedraaid dat Youri haar tot bedaren moest krijgen en anderzijds emotieloos, zo kil en zo koud dat ze dwars door hem heenkeek.

Youri heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van de aankomst van het slachtoffer bij het chalet. Dat lijkt – gelet op de situatie ter plaatse – onmogelijk. “Daarbij in aanmerking genomen dat de auto van het slachtoffer een Audi Q5 betrof. Een groter type auto, welke voor de voordeur werd geparkeerd. Dat betekent dat de lichten (het werd al donker volgens Youri) moeten hebben geschenen in de heg. Op grotere hoogte dan je bij een normale auto kunt verwachten. Youri stond naast deze haag geparkeerd en hij zou de komst van het slachtoffer niet hebben opgemerkt? Dat lijkt me stug. Daar komt nog bij dat Youri op enig moment heeft verklaard het chalet naar binnen te zijn gegaan waar Janet en een man rustig zaten te praten en Youri niet zijn verbazing uitspreekt over het feit dat er plotsklaps een auto voor het chalet staat en iemand naar binnen is gegaan zonder dat hij daar iets van heeft gezien. Integendeel, Youri heeft verklaard dat hij op enig moment naar binnen is gelopen omdat zijn telefoon leeg was. “Ze zitten te praten, laat maar doen”.

Ook over het aantreffen van Janet in het chalet, het meest cruciale moment van zijn verklaring, heeft Youri inconsistent verklaard. “Ieder avond zie ik dat beeld weer voor me, dat ze zich omdraait naar mij en mij aankijkt”. Op het moment dat Youri wordt gevraagd een situatieschets te tekenen, heeft hij verklaard: “Ik zag haar hier zitten met haar gezicht richting naar me toe. En ik kom zo naar haar toe gelopen.” Op pagina 1036 heeft Youri dan weer verklaard: “Dat zie ik voor me, dat ze zich omdraait en me dan aankijkt met een lege kille blik.”

De politie heeft Joyce N., vriendin van Janet, voorgehouden dat Youri heeft verklaard dat hij bang was en alles onder druk van Janet moest doen en vraagt haar wat zij daarvan heeft ervaren. Antwoord Joyce: “Dat vind ik een hele lastige vraag. Het was geen vriendelijke situatie die twee, maar het was ook niet zo dat ik echt(…) Er werd niet veel gesproken. Ik kan niet echt een situatie schetsen waarin ik gemerkt heb dat de een of de ander overheersend was.”

Over geld heeft Youri verklaard dat hij schulden heeft bij zijn ouders en bij de bank. Dat hij financieel wordt geholpen door zijn ouders en dat hij verder nooit een cent heeft aangepakt van iemand. Daar heeft zijn ex-partner Alper Y. toch een iets andere mening over. Op vraag van de politie wat hij kan zeggen over Youri’s uitgaven, heeft hij verklaard: “Sinds de dag dat ik bij hem terug ben, ben ik degene die alles zo’n beetje heeft betaald”.

Cobus K. heeft verklaard: “Youri is altijd bezig met verzekeringsspelletjes. De verzekering oplichten bedoel ik dan. Youri heeft aangegeven dat hij vijf maanden lang heeft gezwegen omdat hij zo bang was/is voor Janet. Hij had maar gedaan wat Janet hem vroeg. “Dat staat dan weer in schril contrast met hetgeen Youri korte tijd daarna in het verhoor heeft verklaard. Namelijk dat op het moment dat Janet hem zou hebben aangegeven dat het slachtoffer weg moest worden gebracht in de auto van Youri, Youri tegen haar heeft gezegd: “Je bent helemaal gek geworden, dat gebeurt écht niet.” En ook bij het begraven van de bijl en het mes is niet gebleken van de angst die Youri naar eigen zeggen voor Janet had. Youri heeft daarover verklaard “IK moest ergens kwijt, ze wilde het op de camping gaan begraven. Daar wilde ze het kwijt. Toen zei IK: dát gaat hem niet worden. Toen moest het in het bos. Het enige wat MIJ te binnen schoot ja”.

Voorts het feit dat Youri heeft verklaard dat hij bij binnenkomst in de chalet verstijfd was en zó geschrokken van wat hij zou hebben gezien. Dat heeft hem er niet van weerhouden te proberen de bijl – die Janet volgens Youri vast had – af te pakken. Youri heeft daarover verklaard: “De eerste keer mislukte het. Raakte ze mijn hand en ging ik met mijn knokkels langs de muur. Je schrikt en trekt terug…” Die angst heeft hem er dan in ieder geval niet van weerhouden een tweede keer te proberen de bijl af te pakken. Met succes, zo heeft Youri verklaard. Waarna hij Janet heeft gevraagd of ze gek was geworden. Dat is niet bepaald een uitspraak van iemand die stelt verstijfd te zijn van angst?

Voorts is het op zijn minst opvallend te noemen dat Youri (die naar eigen zeggen alleen maar deed wat hem werd opgedragen) die bewuste avond/nacht met het idee is gekomen dat de auto van het slachtoffer weg moest. Youri heeft daarover verklaard: “Toen maakte ik de opmerking over die auto. Dat het niet kon. Want het valt toch op? Wat wil je hier dan mee doen? Die auto staat daar, je kunt er niet om heen, daar moet wat gebeuren, er moet politie of wat dan ook worden gebeld. Dit kan niet. Ik wilde haar tot een punt drukken dat ze iets ondernam.”

Iemand die hij een paar dagen kende, iemand die hij naar eigen zeggen met een bijl had zien hakken op het slachtoffer, iemand die daarna had gezegd dat hij zijn kop moest dichthouden anders zou het met hem ook slecht aflopen, iemand voor wie hij zó bang was dat hij niet probeerde te vluchten in een omgeving die hij op zijn duim kende, zo iemand wilde hij tot een punt drukken tot ze iets ondernam? Past dit gedrag bij iemand die stelt doodsbang te zijn.

Dit valt ook weer niet te rijmen met hetgeen Youri twee paragrafen verder heeft verklaard: “(…) Toen kwam ze ineens, die auto moet weg. Ik denk: shit! Had ik maar mijn mond dicht gehouden.” Over de angst heeft Youri voorts nog verklaard dat zelfs op het moment dat Youri achter Janet is aangereden in Antwerpen en de politie tussen hen in kwam rijden, hij geen contact durfde te maken met de politie. Hij heeft daarover verklaard:

“Tussen haar en mij kwam die politieagent in te rijden. Ik heb overwogen om een spuit gas te geven om boven op die auto te klappen. Dan moet je wel stoppen. De angst, niet durven.”

Youri heeft verklaard dat op het moment dat Janet onder de douche zou hebben gestaan, hij alleen maar zat te bedenken hoe hij haar uit het chalet zou kunnen krijgen en dat de politie kon komen. En als dat moment er is, als de politie nota bene voor zijn neus rijdt, doet Youri niets. Hij durfde niet op de politie auto te klappen. Had ook niet gehoeven. Hij had met zijn grootlicht de politie kunnen waarschuwen. Hij had slingerend over de weg kunnen gaan rijden. Hij had op alle mogelijke manieren de aandacht van de politie die voor hem reed, kunnen trekken. Maar Youri doet niets. He-le-maal niets. Ook als het gaat over het in brand steken van het chalet, blijkt uit de verklaring van Youri niet van angst voor Janet. Youri heeft daarover verklaard: “Ze had bedacht dat ik het ding in de brand moest zetten. Het chalet. We kregen een woordenwisseling in de auto, ik zei: je bent helemaal mooi, je wilt het mij op laten knappen. (…) Ik heb gezegd: ik ga dat niet doen. En Joyce zei: ik ga wel met je mee. Ik zeg: sowieso, ik ga dat niet doen, klaar! Voor mij was nog steeds het eerste plan om de politie te bellen en jullie het op konden lossen”. Niet erg geloofwaardig, gelet op het feit dat Youri heeft verklaard dat hij met Joyce Joyce 45 minuten heeft rondgereden omdat zij beide niet durfden. In de tijdsspanne van bijna één uur heeft Youri in ieder geval geen enkele poging ondernomen om de politie te waarschuwen.

Ten slotte heeft Youri geprobeerd de angst voor Janet te onderbouwen door te verklaren: “Toen heeft ze me zo lopen dreigen. Dat het een ruzie was en dat ze het op mij gemunt had. Ze moesten geld hebben. En wisten niet waarvan. En dat mijn ouders vermogend waren en dat het van die kant zou moeten komen. Dat was de insteek in eerste instantie. Daarom ben ik al die tijd zo bang geweest…” Dat zou ze wel van Cobus hebben gehoord, aldus Youri. Dat lijkt me stug, zo niet onmogelijk, gelet op hetgeen Cobus heeft verklaard over Youri: “Ik wilde uit zijn buurt blijven omdat het een raar persoon is. Leugens, dingen verzinnen, stalken. Hele nachten doorbellen. Gewoon een raar persoon. Op het eerste gezicht ziet hij er leuk en lief uit maar na viereneenhalf jaar ellende weet ik wel beter. Ik waarschuwde Janet ook voor hem. Ik heb meerdere keren aan haar gezegd dat zij bij hem uit de buurt moest blijven. (…) Hij is psychisch niet goed hoor, hij heeft ook mijn naam in het Arabisch op zijn arm en rug getatoeëerd staan, terwijl wij niet eens een relatie hebben gehad.”

Toen Youri nog niet was aangehouden heeft hij aan Bianca gevraagd hem een alibi te verschaffen voor de bewuste dag/avond. Bianca heeft verklaard: “Ik heb tegen hem gezegd dat ik toch niet voor hem kon liegen dat we hem vrijdag kwijt waren.” Waarom heeft Youri een alibi nodig als hij toch niets verkeerd heeft gedaan? Als hij toch alleen maar heeft zitten roken en urenlang zitten wachten op Janet?

De voorlopige hechtenis van Youri is op 15 januari 2015 opgeheven. “Vanaf het moment dat de voorlopige hechtenis van Youri is opgeheven en hij in vrijheid is gesteld, heeft Youri nooit meer willen verklaren. Dat dient er wat mij betreft toe te leiden dat de verklaring van Youri als volstrekt onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt.”

Ook de verklaringen van Joyce N. blijken op belangrijke punten onbetrouwbaar te zijn. Joyce geeft tijdens haar verhoren meermaals aan dat zij een warrig geheugen heeft, naar eigen zeggen mede door haar druggebruik, en daardoor ook meermaals vraagt om informatie aan de verhoorders omdat zij het zelf allemaal niet meer zo goed weet. Zij wil bepaalde informatie uit het onderzoek bekomen om vanaf dat punt, dus met kennis van de gegevens uit het dossier, met een verklaring te komen. Enkele citaten uit de verklaring van Joyce: op vraag van de verhoorders: “Herken je die teksten?” antwoordt zij: “Ja ik vind het fijn dat u het nu aangeeft” En verder: “Ja klopt, dat is wat ik bedoel, even triggeren; Ja!” Nu Joyce zelf aangeeft dat haar geheugen haar op bepaalde punten in de steek laat en nu uit het dossier blijkt dat zij op bepaalde punten (dader)informatie krijgt van/getriggerd wordt door de verhoorders, zouden deze gegevens op zich al tot de onbetrouwbaarheid van haar verklaringen moeten leiden.

Blijkens de verklaringen van Joyce zou zij niet op de hoogte geweest zijn dat de afdreig/afpersberichten die zij verstuurd heeft op 20 februari 2014 naar het latere slachtoffer werden verstuurd; Janet zou het mobiel nummer van het slachtoffer aan haar gegeven hebben en Janet zou daarbij vermeld hebben dat dit het nummer van ene “John” uit Amersfoort geweest zou zijn

Echter, uit de historische verkeersgegevens blijkt dat er een SMS-bericht verstuurd werd door het mobiel nummer 06–734, op dat ogenblik mogelijk in gebruik bij Joyce naar het mobiel nummer in gebruik bij Janet, waarin door Joyce letterlijk de bewoordingen “dhr. Kuijff uit Amersfoort” worden gebruiktHet is dus zeker dat Joyce op de hoogte was van de identiteit van het latere slachtoffer op het ogenblik dat zij op 20 februari 2014 het slachtoffer met berichten en een telefonisch contact aan het afdreigen / afpersen was.

Joyce stelt dat het contact tussen haar en Janet op vrijdagmiddag 14 maart 2014 is ontstaan op initiatief van Joyce; zij zou Janet die dag uit toeval gebeld hebben omdat ze al een tijd niets van haar gehoord had. Maar uit de historische verkeersgegevens blijkt dat Joyce een inkomend gesprek krijgt van het mobiel nummer in gebruik bij Janet om 14u54, waarop Joyce kort daarna (om 15u15 en 15u47) twee keer uitgaand telefonisch contact maakt met het mobiel nummer in gebruik bij Janet.

Joyce heeft over het aandeel van Youri in de feiten op donderdagavond 13 maart 2014 verklaard dat zij van Janet gehoord zou hebben dat zij Youri vlak na de feiten gebeld zou hebben met de vraag om het chalet te helpen opruimen / schoonmaken). Uit analyse van de historische verkeersgegevens blijkt dat er op donderdagavond 13 maart 2014 geen telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen het mobiel nummer in gebruik bij Janet en het mobiel nummer in gebruik bij Youri.

Joyce heeft verklaard dat Janet haar gezegd zou hebben dat zij samen met Youri na de feiten in de nacht van donderdag op vrijdag 14 maart 2014 het lichaam van het slachtoffer weggebracht zou hebben vanuit het chalet. Uit de objectieve feitelijke gegevens blijkt dat het slachtoffer levenloos is aangetroffen in het chalet op vrijdagavond 14 maart 2014, na de melding van de brand in het chalet omstreeks 21.35 uur. Hetgeen Joyce verklaard heeft te hebben gehoord van Janet strookt ook op dit punt niet met de objectieve feitelijke gegevens, zodat het onaannemelijk is dat Joyce van Janet vernomen zou hebben dat het slachtoffer na de feiten uit het chalet gehaald zou zijn.

Joyce heeft verklaard dat zij van Janet vernomen heeft dat haar schoenen die zij droeg op het ogenblik van de feiten op donderdagavond 13 maart 2014, onder het bloed zaten. Uit de forensische onderzoeksresultaten blijkt dat bloed is aangetroffen op de onderzijden van beide schoenen en op de linkerzijde van de rechterschoen, de spatten die op de bovenzijde van beide schoenen zaten zijn geen bloedspatten. Hieruit kan worden opgemaakt dat niet gezegd kan worden dat de schoenen onder het bloed zaten. Ook op dit punt strookt hetgeen Joyce verklaard heeft te hebben gehoord van Janet niet met de forensische onderzoeksresultaten.

In chronologische volgorde de inconsistente verklaringen van Joyce uit haar verhoren. Eén: het plan om het slachtoffer het naar chalet te lokken met een seksdate – pincode / geld ontfutselen – vermoorden.

Joyce heeft in eerste instantie verklaard dat ze samen met Janet een plan besproken had om een manspersoon te lokken naar het chalet met een seksdate; “Eerst een plan maken om hem naar het huisje te lokken, dat geef ik eerlijk toe. Maar het is nooit verder gekomen”; “En dan, dan wou zij een man vermoorden..”; “Omdat ze dan, iets met de pinpas en geld kon doen”. Dit zou besproken zijn met betrekking tot het latere slachtoffer of de man met de autistische zoon; “Ja, of Ton Kuijff of die man met de autistische zoon”. In relatie tot het slachtoffer geeft Joyce echter in een latere verklaring weer niet te weten dat het op 13 maart 2014 een plan betrof om slachtoffer naar het chalet te lokken om dan vervolgens zijn pincode te ontfutselen.

Verderop geeft Joyce aan; “dat weet ik niet meer zo letterlijk”. Het plan van zo’n seksdate zou volgens Joyce ook niet besproken zijn in de periode van het slachtoffer, maar ging al ver terug. Ook verklaart Joyce dat ze niets gehoord heeft over het vastbinden. Concluderend; Joyce heeft nimmer verklaard dat Janet op voorhand een plan had om het latere slachtoffer naar het chalet te lokken met een seksdate en hem vervolgens te doden om op die manier zijn pinpas/pincode te ontfutselen.

Joyce heeft in eerste instantie verklaard dat zij van Janet gehoord heeft dat zij op het slachtoffer heeft lopen inhakken met een bijl. In een later verhoor komt zij terug op deze verklaring; “Ja zoiets wel, in die trant kwam het wel over op mij”.

Joyce heeft over de gebeurtenissen in het chalet op donderdagavond 13 maart 2014, verklaard dat zodra zij op vrijdagmiddag samen in de auto met Youri en Janet zit, Janet haar verteld zou hebben dat zij op de avond van 13 maart 2014 een (seks)date had, in haar chalet op de Strokel, er een ruzie en gevecht ontstaan zou zijn, met een bijl. In een nader verhoor verklaart Joyce dat zij die wetenschap dat het een (seks)date betrof pas kreeg op het ogenblik dat Janet werd gebeld door de politie in verband met de verdwijning van het slachtoffer.

Joyce heeft in eerste instantie verklaard dat de jerrycan met benzine in een big shopper tas in de auto van Danny stond, op het ogenblik dat zij de auto samen met Youri heeft opgehaald bij het voetbalterrein. In een later verhoor komt Joyce terug op deze verklaring en verklaart ze dat ze samen met Youri de jerrycan met benzine zijn gaan ophalen in de schuur bij de woning van Danny (de boer van Janet, uit Hierden, die ook als medeverdachte geldt).

Joyce heeft in eerste instantie verklaard dat zij op vrijdagavond 14 maart 2014 de deur van het chalet heeft geopend met de sleutel die ze op dat ogenblik van Youri kreeg; Janet zou die sleutel volgens Joyce aan Youri gegeven hebben op het ogenblik dat ze van auto’s switchen bij het voetbalterrein. In een later verhoor wordt door Joyce echter verklaard dat Youri degene is die de deur van het chalet heeft geopend op die bewuste vrijdagavond.

Joyce heeft in eerste instantie verklaard dat het plan om brand te stichten van Janet komt, omdat er overal bloed zou gelegen hebben dat ze samen met Youri niet schoongemaakt kreeg. Op een later tijdstip tijdens datzelfde verhoor verklaart Joyce dan weer dat Janet het lichaam van het slachtoffer uit het chalet wilde halen en daarvoor de auto van Danny zou willen gebruiken, waarop Danny dan zou hebben aangegeven dat het chalet maar “in de fik” moest.

Youri heeft verklaard dat Janet in de auto tegen Joyce en hem gezegd zou hebben dat zij het gas in het chalet had opengedraaid en de televisie ook aanstond, waarbij zij gehoopt had dat er op die manier kortsluiting zou ontstaan in het chalet. Blijkens de verklaringen van Youri zijn ze met zijn drieën teruggereden naar het chalet, zodat Janet het gas kon dichtdraaien. Volgens Joyce zijn ze niet teruggereden naar het chalet om het gas uit te draaien; zij heeft eveneens verklaard niets over het gas gehoord of gezien te hebben.

Joyce heeft met betrekking tot de uitvoering van de brand verklaard dat ze alleen in de auto is blijven wachten op het ogenblik dat Youri binnen in het chalet de brand aansteekt. In een latere verklaring geeft Joyce dan weer aan dat ze samen met Youri naar het chalet van Janet is gelopen en in het chalet naar binnen is gegaan. Opmerkelijk hierbij is dat er in de woning van Joyce blaadjes gevonden zijn met daarop uurvermeldingen en aantekeningen waar zij zich op bepaalde tijdstippen voor, tijdens en kort na de dood van het slachtoffer bevonden zou hebben. Het lijkt er sterk op dat Joyce een logische verklaring voor haar tijdsbesteding op de dagen voor, op en kort na de dood van het slachtoffer heeft uitgewerkt. Dit wordt kracht bijgezet uit een tapgesprek tussen Jose de Z. en Anne D. op 6 mei 2014, waaruit blijkt dat Jose aangeeft dat; “ja maar ze heeft een goed alibi he, vergis je niet”.

En vervolgens; “Joyce heeft goed nagedacht he hoe ze het wil aanpakken”.

Uit dit tapgesprek blijkt dat Joyce al voorafgaand (!) aan haar aanhouding (op 6 mei 2014 om 07:30 uur), een alibi voor de dagen voor en kort na de dood van het slachtoffer heeft bedacht. Haar alibi, dat zij op vrijdag 14 maart 2014 op het ogenblik van de brand met een vriend, een zekere Timmy uit de coffeeshop ‘Sky’ bij het station in Zwolle, in de auto zat kan zij weliswaar niet lang in stand houden. In latere verklaringen geeft Joyce aan wel in het chalet geweest te zijn ten tijde van de brand op vrijdagavond.

Joyce heeft belastend jegens Janet verklaard, waarbij het lijkt alsof Joyce het aandeel van Janet wil uitvergroten door o.a. het aandeel van Youri te minimaliseren. Uit de verklaringen die Joyce heeft afgelegd blijkt ook dat zij zich steeds grilliger jegens Janet gaat opstellen, mede ingegeven door het gegeven dat de verhoorders bepaalde informatie met Joyce delen die erop gericht lijken te zijn om Joyce jegens Janet op te zetten. Als de verhoorders Joyce in kennis stellen van de geldtransacties tussen het slachtoffer en Janet, en daarbij aangeven; “Je hebt weer gewoon veel minder gekregen”, gaat Joyce door het lint. Vanaf dat ogenblik blijft zij ook maar doordrammen dat ze het onbegrijpelijk vindt dat Janet zulke geldbedragen van het slachtoffer ontvangen heeft. De houding van Joyce jegens Janet is vanaf dat ogenblik zodanig verzuurd, dat ze ook o.a. aangeeft: “Ik spaar haar niet meer hoor, het is klaar nu”.

Op het scenario van Youri dat Janet Ton Kuijf alleen heeft gedood op 13 maart 2014 tussen 20.15 uur en 21.20 uur valt voorts ook nog het nodige af te dingen. In dat scenario moet dan ook worden meegenomen dat Youri, nadat hij enige tijd in de auto had gewacht, nog de woning is ingelopen en daar hoorde dat Janet en het latere slachtoffer rustig met elkaar spraken. Hij is toen naar de auto teruggekeerd en na weer een poos te hebben gewacht is hij opnieuw naar de woning gegaan. Dat betekent dat in dat scenario Janet aanzienlijk minder tijd ter beschikking heeft gehad om het slachtoffer te doden. Youri zelf schat dat tussen de laatste keer in de auto wachten en de woning in gaan ongeveer 30 tot 45 minuten zat. Dat zou betekenen dat Janet dus maar maximaal 45 minuten de tijd heeft gehad om het slachtoffer te tapen om enkels, schouders en benen, tie-rips aan te brengen, een zeer groot aantal verwondingen toe te brengen met een mes en een bijl en om de hals op diverse plaatsen te doorsnijden om daaromheen vervolgens weer tape aan te brengen, door de tape te steken met een mes om daarna in de gang te gaan zitten met een bijl in haar hand. Daarbij mag niet worden vergeten dat het slachtoffer niet blijkt te zijn gedrogeerd, dat hij een aanzienlijke lengte en een fors postuur had en dat hij diverse verwondingen had die kunnen wijzen op het afweren van geweld. 

Janet verklaart dat zij de woning heeft verlaten en daarbij het slachtoffer en Youri in de woning heeft achtergelaten. Ze was al de hele week bezig met Youri om te bezien hoe ze geld zouden kunnen verdienen door het opzetten van een hennepplantage. Youri had hier al ervaring mee. Haar verklaring dat er daadwerkelijk sprake was van een plan om een hennepplantage op te zetten en dat hiervoor de financiën bij elkaar gesprokkeld diende te worden, vindt ook voldoende steun in het dossier. Het volgt ook uit de verklaring van Janet, waarin ze alle mogelijke details geeft van Sem en Mo en vervolgens blijkt hetgeen Janet vertelt over haar contacten met Sem ook bevestigd wordt bij een analyse historische verkeergegevens (…) Dit alles lijkt er toch sterk op dat Youri en Janet inderdaad die avond, zoals Janet verklaart, bezig waren met het voorbereiden van het opzetten van een hennepplantage in haar woning en dat ze ook daarvoor geld bij elkaar aan het zoeken waren. Alle reden derhalve voor Janet om op die avond ook contact te leggen met Ton Kuijf. Daarvan had ze namelijk al in de voorgaande 3 maanden enkele keren geld geleend. Ze kende hem als een zakenman en ook als iemand waar je een redelijk voorstel aan kon doen. Zij wilde die avond dan ook met hem bespreken of ze nogmaals geld kon lenen om dat vervolgens in de hennepplantage te investeren.

Uit de verklaring van Janet volgt dat zij Youri in de woning heeft achtergelaten en dat ze zelf op en neer is gereden naar Bergen op Zoom met de auto van Youri. Dat zou betekenen dat Youri dan uren, plusminus 2 uur heen en 2 uur terug, in haar chalet op haar zit te wachten. Youri betwist dit en stelt dat hij met haar mee is gereisd. Maar wat schetst de verbazing, de verklaring van Bianca: “Youri vertelde dat hij die vrijdag in het chalet van Janet was geweest. Hij was daar aan het wachten op haar. Zij was met zijn auto weg enkele uren weg…Toen zij na enkele uren terug kwam, is hij daar weg gegaan.” Ik geef toe dat hier gesproken wordt over ‘vrijdag’ en dat er niet expliciet gesproken wordt over donderdagavond / donderdagnacht of over donderdag op vrijdagnacht waardoor nog de indruk zou kunnen ontstaan dat Youri tegen Bianca sprak over daadwerkelijk de dag van vrijdag. Maar helaas weten we nu uit alle onderzoeksgegevens dat er op vrijdag in de loop van de dag, maar ook op vrijdagavond geen enkel moment kan zijn geweest waarop Youri in het chalet zat te wachten terwijl Janet met zijn auto uren weg was. Immers, we hebben uit de telefoongegevens en uit alle verklaringen een duidelijk beeld van die vrijdag. Onmogelijk heeft Youri op vrijdag met het levenloze lichaam uren in het chalet gezeten. Deze verklaring van Bianca past echter naadloos in de verklaring van Janet over de donderdagnacht tussen 21.30 uur en 01.53 uur toen zij alleen naar Bergen op Zoom reed in zijn auto en Youri al die uren in het chalet op haar wachtte.

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. Janet was alleen in de woning en heeft het dodelijk letsel toegebracht.
  2. Youri was alleen en heeft het dodelijk letsel toegebracht.
  3. Janet en Youri waren in de woning aanwezig en het is en blijft onbekend wie het dodelijk letsel heeft toegebracht.

Voor optie 1 geldt dat dit enkel zou kunnen volgen uit de verklaring van Youri die naar stellige overtuiging van de verdediging volstrekt ongeloofwaardig is.

Voor optie 2 geldt dat dit volgt uit de verklaring van Janet.

Voor optie 3 geldt dat dit uit geen enkele getuigenverklaring volgt. “Wat nu als Uw Rechtbank meent dat beide verdachten in de woning aanwezig waren ten tijde van het geweld richting het

slachtoffer zonder vast te kunnen stellen wie daadwerkelijk het dodelijk letsel heeft toegebracht? Kan Uw Rechtbank dan met het leerstuk medeplegen komen tot een veroordeling van beide verdachten? De verdediging meent stellig van niet.”

De vraag die zich echter bij een ieder zal opdringen is ”Waarom moest Ton Kuijf dood op 13 maart 2014?” Ik meen dat uit het dossier eenduidig valt op te maken dat er werkelijk geen enkele aanleiding bestaat om te denken dat het slachtoffer dood moest; meer juridisch er is geen bewijs voor voorbedachte rade danwel boos-opzet. Er is geen motief denkbaar waarom 13 maart 2014 moest eindigen in de dood van het slachtoffer. Zo weet Janet niet aan te geven waarom Youri hem heeft gedood, in haar verklaringen, en zo weet Youri evenmin een argument te bedenken waarom Janet hem, volgens zijn verklaring, heeft gedood. Daartoe was simpelweg geen enkele aanleiding. Dit is geen afrekening in het criminele milieu, dit is geen crime passionel,dit is geen lustmoord en evenmin is dit een roofmoord. Youri kende het slachtoffer niet en Janet had zeker geen enkele reden om hem naar het leven te staan. Ze hadden juist al langer een goed contact; men kan spreken van een vriendschap met wederzijdse voordelen. Janet had er geen enkel belang bij om dat tot een einde te laten komen, integendeel!”

Gedacht kan worden aan het zijn van ‘ het brein’ achter de feiten. Weliswaar is op te merken dat Janet contact had met het slachtoffer en dat zij zelfs op 13 maart 2014 telefonisch contact met hem had en hem daarbij zelfs vroeg om naar het chalet te komen, maar dat dit contact (lees bijdrage) zag op het verwezenlijken van het strafbare feit, de moord danwel de doodslag, blijkt niet uit enige verklaring noch uit enig ander bewijsmiddel.”

Uit het dossier volgt dat Janet mogelijk eerder betrokken is geweest bij het afpersen of chanteren van de mannen waarmee ze afspraakjes had, onder andere via sites. Door te dreigen om de buitenechtelijke relatie bekend te maken werden de mannen ervan overtuigd om geld te geven. Het is dan ook, op z’n zachtst gezegd, niet ondenkbaar, lees gerust aannemelijk, dat een dergelijk motief van financieel gewin ook speelde in de contacten met Ton Kuijf. Sterker nog, door het onderzoeksteam wordt zelfs de stelling ingenomen dat Kuijf al is afgeperst door Joyce waarbij de rol van Janet in de sms-wisseling van groot belang is. Uit het onderzoek zou je zomaar tot het idee kunnen komen dat afpersen van de mannen waarmee ze afspraakjes had tot de modus operandi van Janet hoort. De verdediging meent echter dat ook hetgeen is vast te stellen over de gang van zaken in de woning, uitgaande van de vorenbenoemde hypothese, evident niet wijst op opzet op de dood maar veeleer op de opzet op het afpersen van Ton Kuijf. Uit de onderzoeksresultaten van het forensisch onderzoek volgt immers dat het slachter was getapet, zijn pols ombonden was met een tie-rip en dat het slachtoffer zeer veel ondiepe snij-kraswonden had. Dit alles maakt het zeer aannemelijk dat het slachtoffer is vastgebonden en is gedreigd en dat bij dat dreigen ook licht geweld (niet potentieel dodelijk geweld) is gebruikt. Ook het dreigen/ afdreigen van het slachtoffer met een dergelijk nep-wapen wijst in de richting van een situatie waarbij het slachtoffer onder druk werd gezet.

Zelfs het letsel op de penis van het slachtoffer zou kunnen wijzen op een situatie waarin de punt van een mes, op verschillende momenten, met zeer weinig kracht op de penis is geplaatst. De broek is immers volledig intact en het letsel is zeer oppervlakkig. Ook dit past bij een situatie waarbij getracht is om onder dreiging van een mes op de penis het slachtoffer te bewegen tot afgifte van een of ander. Kortom, uit het hele dossier komt het beeld naar voren dat het meer dan aannemelijk is dat Ton Kuijf 13 maart 2014 is vastgebonden en dat op verschillende manieren met geweld is gedreigd danwel geweld is toegepast om hem te bewegen tot afgifte. De gedragingen van Janet vóóraf, tijdens en achteraf kunnen wijzen op een bijdrage van voldoende gewicht bij de totstandkoming van dat strafbare feit: de afpersing en mogelijk een vrijheidsberoving en mogelijk zelfs een mishandeling of zware mishandeling. Echter, dit houdt niet ook opzet in op de dood en het later intreden van de dood mag er ook niet toe leiden dat de gedragingen gericht op de voltooiing van de afpersing, vrijheidsberoving, mishandeling, dan achteraf worden ingevuld door Uw Rechtbank als een bijdrage van voldoende gewicht bij het levensdelict! Uit het dossier blijkt dat er die avond iets faliekant mis is gegaan. De gedragingen achteraf wijzen op een mislukt plan. Opeens wordt men, tegen de verwachting in, geconfronteerd met een levenloos lichaam, een personenauto en een huis vol sporen van geweld en dat moet dan allemaal verdwijnen. Dat men daarop niet was voorbereid en dat men zich dan geen raad weet, blijkt wel uit alles wat er vast is gesteld over het verloop van donderdagnacht vanaf 01.53 uur tot en met de brandstichting op de vrijdagavond. Wie is overgegaan tot het dodelijk letsel, het steken in de linkerborst in de hartstreek en het doorsnijden van de hals,  blijft onbekend.

In het dossier zijn verklaringen die het bestaan van een onmiddellijke gemoedsopwelling ondersteunen. Zo verklaart Joyce: “Ze zei: ik had donderdagavond een klant en die wou wat raars of daar had ze ruzie mee gekregen …en daardoor heeft ze zichzelf ook gesneden”.

“Omdat zij ruzie had gehad en dat er wat met haar lichaam was gebeurd met een bijl, daarom was zij ook gewond, zoals zij het aan gaf”.

Youri: “Dat ze ruzie had gehad en dat iemand haar zou helpen en dat een ander haar zou helpen, daar was ruzie uit gekomen en zijn ze elkaar aangevlogen.”

De advocaten bepleiten vrijspraak voor wat betreft het levensdelict.

 

De moord in de animeerbar: van minuut tot minuut

$
0
0

Op zondagavond 7 februari 2016 wordt in animeerclub Mon Cheri in Rotterdam de 65-jarige Xenos Tzirtzilakis dood gevonden. Zijn schedel is ingeslagen. Er is geld en drank gestolen. Klusjesman Jim M. (56) en zijn vriendin Desirée de W. (32) worden aangehouden: ze zouden Xenos hebben vermoord en beroofd. Maar kon de vriendin iets anders doen dan ze deed? Volgens haar advocaat Yehudi Moszkowicz was het voor zijn cliënte een kwestie van overleven: meedoen of sterven. De moordpartij met de klauwhamer is van begin tot eind vastgelegd, met drie camera’s. Tijdens de zitting worden de gruwelijke beelden afgespeeld. Blijkt hieruit dat Desirée niet anders kon?

Op zondagavond 7 februari is animeerbar Mon Cheri in het Rotterdamse Scheepvaartkwartier gesloten. Eigenaar Xenos, beter bekend als ‘de Griek’, is er deze avond aan het klussen. Er moet een nieuwe vloer worden gelegd. Dat doet hij samen met vaste klusjesman Jim M., een drugsverslaafde Rotterdammer met een grote huurschuld en andere financiële problemen. Hij was er volgens getuigen van op de hoogte dat Xenos zo’n 1800 euro aan contant geld had opgenomen om de vloer te betalen. Jim heeft zijn eveneens verslaafde vriendin Desirée meegenomen. Voor de gezelligheid. Op de beelden is te zien dat Xenos en Jim samen op hun knieën op de grond zitten tijdens het leggen van een nieuwe vloer. Als Xenos opstaat doet Jim dat ook. Hij kust de klauwhamer en slaat Xenos van achteren op het hoofd. Daarna blijft hij, met enige tussenpozen, nog bijna een half uur lang op het slachtoffer inslaan, waarbij het onduidelijk is wanneer hij is overleden. Jim wordt gezien als de hoofddader: hij hoort een eis van vijftien jaar. Maar had Desirée iets kunnen doen? Het Openbaar Ministerie verwijt haar dat ze niet heeft ingegrepen en eist een gevangenisstraf van drie jaar tegen haar, plus behandeling. Haar advocaat Yehudi Moszkowicz geeft in zijn pleidooi een gedetailleerde analyse van wat er op de camerabeelden te zien is en meent dat zijn cliënte niets te verwijten valt. Ze kon niet anders, ze voelde zich zwaar bedreigde.

Wat Desirée ook wordt verweten is dat ze heeft meegeholpen met het leeghalen van de gokkasten en het stelen van dure flessen drank. Maar ook daar had ze volgens haar advocaat moeilijk kunnen weigeren: ze deed het allemaal in een waas van paniek en angst en had geen andere keus. Zij meldde zichzelf enkele dagen later bij het politiebureau. Jim weigerde aanvankelijk een verklaring af te leggen, maar toen bleek dat de hele actie op beeld stond, legde hij een verklaring af en probeerde hij

Desirée zoveel mogelijk schuld in de schoenen te schuiven. Het was haar idee om Xenos te rippen en ze had niks gedaan om hem te laten stoppen. Hij komt ook met een ander motief: Xenos had samen met hem Desirée willen misbruiken, waarbij Xenos ‘hele vieze dingen’ wilde doen met Desirée. Na de moord zijn Jim en Desirée samen in de auto van Xenos vertrokken, maar de benzine was op. Ze stapten uit, namen de gestolen spullen mee en liepen naar het huis van Jim.

Uit de beelden van de camera’s op verschillende plekken in Mon Cheri is de feitelijke gang van zaken goed te volgen. Die beelden zijn alleen tijdens de zitting vertoond. In zijn pleitnota geeft advocaat Yehudi Moszkowicz weer wat er op te zien is.

Camera 1 (gericht op de hoek waar Desirée was gaan zitten)

20:55:08 Desirée komt binnen en legt haar tas in de hoek. Ze ziet er normaal en vrolijk uit. Haar lichaamstaal is normaal. Ze gaat in de hoek zitten. Ze praat met Xenos, lacht en reageert normaal. Ze ziet er ontspannen en relaxt uit.

21:00:50 Desirée maakt een ‘dansje’ richting Jim. Ze zit er ontspannen bij. Ze is bezig met haar telefoon, loopt wat rond, drinkt wat, en leest een boekje.

21:44:43 Desirée kijkt op uit haar boekje, slaat het dicht en loopt gehaast weg van de plek waar ze de hele tijd had gezeten. Vanaf dat punt is een lange tijd niks te zien, alleen Jim verschijnt af en toe in beeld.

21:47:24 Desirée komt weer in beeld. Ze verstijft als ze Xenos ziet liggen en Jim met een hamer in zijn hand ziet staan. Ze pakt snel haar tas van de plek waar ze gezeten heeft en verdwijnt uit beeld.

21:49:00 Jim verschijnt. Hij gedraagt zich agressief (schopt tegen een bezem), pakt de hamer van tafel en loopt richting Xenos.

21:55:36 Desirée komt in beeld. Ze kijkt paniekerig naar het slachtoffer en neemt een slok van haar bier, waarbij het lijkt dat ze het bijna niet krijgt doorgeslikt. Direct daarna verdwijnen Desirée en Jim uit beeld.

21:57:18 Desirée komt terug en kijkt vol afschuw naar het slachtoffer.

21:57:29: Jim loopt naar Desirée. Ze praten met elkaar waarbij Desirée Jim niet aankijkt. Jim loopt op haar af om haar vast te pakken maar Desirée doet een paar stappen achteruit. Even later loopt Jim uit beeld en blijft Desirée naar het slachtoffer staren. Ze oogt in paniek en gestresst.

21:57:52. Jim praat met Desirée. Ze kijkt angstig en paniekerig. Vervolgens lopen beiden uit beeld.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Camera 2 (gericht op de bar en de rest van het café)

21:44:47 Desirée lijkt van iets te schrikken en staat op. Ze kijkt verschrikt naar de hoek van de bar waar Xenos ligt. Ze loopt snel naar de deur en struikelt onderweg over een snoer. Het lijkt of ze probeert weg te komen, maar niet door de deur kan. Ze kijkt angstig de zaak in en probeert de deur open te krijgen om weg te komen. Ze loopt achter de zaak in alsof ze zo ver mogelijk van de plaats delict en slachtoffer vandaan wil zijn. Ze verschuilt zich even aan de bar achter de barkrukken, dan loopt ze heel voorzichtig en angstig richting plaats delict. Ze houdt zich vast aan de reling van de bar. Vervolgens durft ze toch niet te kijken en loopt ze weer terug achter de bar en gaat ze achter de krukken staan.

21:45:32 Desirée komt uit haar ‘schuilplek’, Jim loopt haar tegemoet, met de hamer in zijn hand. Desirée loopt aarzelend naar voren, terwijl ze zich vasthoudt aan de reling van de bar. Jim zegt iets tegen haar terwijl hij een zwaai met zijn arm richting de deur maakt. Dan loopt Desirée snel naar de deur, die ze op een paniekerige manier dichttrekt. Het lijkt dat ze dit doet in opdracht van Jim, terwijl hij met de hamer voor haar stond en de zwaai met zijn arm maakte. Desirée kijkt verschrikt in de richting van het slachtoffer en loopt naar de deur bij de hoek van de bar.

21:46:16 Jim loopt naar Desirée met de hamer in zijn hand. Hij schopt dreigend tegen de container, loopt agressief en kijkt dreigend naar Desirée. Het lijkt of hij wat tegen haar zegt. Jim verdwijnt uit beeld, Desirée verlaat angstig haar ‘schuilplek’ achter de bar, terwijl ze zich vasthoudt aan de reling van de bar. Ze kijkt bang in de richting van de plaats delict. Jim komt weer in beeld, wijst agressief met de hamer naar de deur en verdwijnt

21:46:28 Desirée loopt van de deur richting haar schuilplek, terwijl ze angstig achteromkijkt. Jim komt in beeld en lijkt iets tegen haar te zeggen. Hij heeft nog steeds een agressieve houding. Desirée rommelt aan de deur achter in de bar, alsof ze probeert die open te krijgen. Ze kijkt bang door het glazen raam in de deur naar buiten en loopt terug naar haar schuilplek.

21:47:11 Desirée komt weer achter de barkrukken vandaan en houdt de reling van de bar vast. Ze probeert te zien wat er precies gebeurd is. Ze houdt haar kin vast. Jim komt weer op haar af, loopt agressief en heeft de hamer in zijn hand. Hij wenkt haar op een agressieve manier en Desirée loopt naar hem toe en kijkt naar wat er gebeurd is met Xenos. Ze pakt snel haar tas van de bank terwijl ze blijft kijken naar het slachtoffer. Ze loopt een stukje naar achteren en blijft achteromkijken, alsof ze bang is dat ook zij wordt aangevallen.

21:47:36 Desirée doet snel haar tas om, alsof ze er snel vandoor wil gaan. Ze blijft achteromkijken. Ze houdt zich vast aan de bruine statafel, leunt daarop en legt haar hoofd in haar hand. Jim komt er weer aangelopen, Desirée bijt op haar nagels. Jim maakt een beweging met zijn armen en loopt de bar in, terwijl Desirée op haar nagels blijft bijten.

21:48:17 Jim draait zich om en zegt iets op een dreigende manier tegen Desirée. Ze lijkt te schrikken en laat de bar los om een paar stappen uit de richting van Jim te zetten. Jim loopt achter de bar uit en verdwijnt uit beeld.

21:51:08 Desirée kijkt snel om het hoekje van de deurpost om te zien wat er gaande is. Linksonder in beeld is te zien hoe Jim met zijn arm wappert, waarschijnlijk omdat er bloed aan zit, en vervolgens een doek pakt om zijn arm schoon te maken. 21:51:46 Jim veegt zijn gezicht af met zijn shirt en loopt weer op Desirée af.

21:52:09 Desirée staat naast Jim bij de deur. Ze praten. Desirée maakt een zenuwachtige indruk. Ze wrijft over haar voorhoofd en over haar gezicht. Jim loopt op haar af, ze wijkt achteruit, haar armen voor zich uit om zich te beschermen. Ze wil de arm van Jim wegduwen. Daar zit bloed aan. Ze loopt weg, maar Jim loopt achter haar aan en probeert haar vast te pakken. Ze houdt zich weer vast aan de reling van de bar. Jim drijft Desirée in een hoek bij de deur. Desirée is bang en Jim gaat dicht op Desirée staan terwijl ze praten.

21:52:31 Desirée wil langs Jim lopen maar die verspert haar de weg. Hij staat heel dicht en dreigend op Desirée. Desirée staat kennelijk doodsangsten uit, wat ook te zien is aan haar handbewegingen. Vervolgens draait Jim zich om en loopt weg. Desirée loopt achter hem aan en veegt over haar gezicht, alsof ze moest huilen.

21:53:01 Desirée doet vol afschuw haar hand voor haar mond en doet haar gezicht in haar handen. Als ze merkt dat er bloed op haar handen zit, haalt ze haar handen van haar gezicht. 21:53:11 Jim loopt richting de statafel waar Desirée aan staat. Ze maakt een paniekerige indruk. Jim komt tegenover haar staan. Ze praten met elkaar.

21:53:41 Jim staat achter de bar en praat tegen Desirée. Desirée loopt vervolgens weer weg van de bar, steeds paniekerig achteromkijkend.

21:53:55 Pas als Jim uit haar buurt is, blijkt dat Desirée er helemaal doorheen zit. Ze doet haar handen over haar hoofd en oren en loopt zenuwachtig in het rond, terwijl ze vol afschuw naar de plaats delict kijkt.

21:54:21 Jim komt weer in beeld, Desirée haalt haar hoofd uit haar handen, klaarblijkelijk omdat zij niet wil dat Jim merkt of ziet dat ze in paniek is.

21:54:23 Desirée gaat aan de statafel achter in de zaak staan terwijl Jim met de hamer rondloopt.

21:56:49 Jim legt de hamer weer terug op de bar en loopt weer achter de bar in. Hij slaat boos met zijn handen op de bar, waarschijnlijk omdat er geen geld in de kassa zit.

21:57:32 Desirée neemt ongemakkelijk een slok van haar bier, omdat ze ziet dat Jim onder het bloed zit. Ze praten met elkaar.

21:58:07 Jim loopt richting de deur en begint eraan te trekken. Ondertussen praat hij met Desirée en geeft haar de opdracht om de deur te sluiten of om te kijken of die goed gesloten is. Desirée loopt vervolgens overdreven hard aan de deur te trekken.

21:59:10 Jim geeft Desirée opdracht om de kassa te openen. Jim houdt alles nauwlettend in de gaten.

(…)

22:10:39 Jim en Desirée staan achter de bar. Desirée zoekt iets in haar tas. Jim loopt geïrriteerd en dreigend op haar af en maakt een handbeweging. Desirée maakt het gezicht van Jim schoon. Zij doet dit op een hele ongemakkelijke manier. Jim gaat heel dicht op Desirée staan; het lijkt of hij haar handen wil pakken en haar wil zoenen. Desirée is hier niet van gediend, Jim neemt weer afstand.

22:12:09 Desirée pakt een witte doek uit haar tas. Jim staat heel dicht op haar. Waarschijnlijk vertelt hij haar dat ze de bar moet schoonmaken. Jim draait zich om en loopt achter de bar uit. Desirée maakt de hals van een fles schoon. Jim pakt een koevoet uit de gereedschapskist en loopt terug achter de bar. Desirée drinkt uit een fles.

Camera 3 (gericht op de twee gokkasten)

 

21:37:45 Desirée komt bij Jim en Xenos staan bij de gokkast. Jim zit aan Desirée. Jim maakt een steekbeweging achter de rug van het slachtoffer. Desirée kijkt hem aan en schudt haar hoofd.

21:42:15 Desirée loopt uit beeld.

21:44:43 Jim slaat Xenos voor het eerst met de hamer, drie seconden later staat Desirée op van de bank. Dit slaan duurt twaalf seconden. Jim stopt zeventien seconden en begint dan opnieuw te slaan. Dit keer dertien seconden.

21:45:37 Jim maakt een agressief gebaar naar Desirée. Hij schopt tegen de container met de hamer in zijn hand. Hij wijst met de hamer naar Desirée, praat tegen Xenos en tegen Desirée.

21:47:19 Jim loopt richting Desirée en praat met haar. Dit duurt twintig seconden. Vervolgens hangt Jim boos boven het slachtoffer, draait zich om en zegt weer iets tegen Desirée, op een dreigende manier, met de hamer in zijn hand.

21:48:29 Jim loopt woedend achter de bar vandaan en schreeuwt naar Xenos. Hij roept iets naar Desirée en wijst naar Xenos. Jim probeert vervolgens de gokkast open te maken en doet weer agressief tegen Desirée.

21:49:40 Jim slaat Xenos weer op het hoofd, met korte tussenpauzes. Hij scheldt tegen het slachtoffer. Loopt weer achter de bar in, slaat opnieuw met de hamer en scheldt. 21:51:15 Jim pakt een doek en droogt zijn arm af en legt de doek over het hoofd van Xenos.

21:51:28 Jim slaat weer met de hamer.

21:51:45 Jim droogt zijn hoofd af met zijn shirt en verdwijnt uit beeld.

21:53:50 Jim staat te vloeken boven Xenos. Hij legt de hamer op de bar en staat weer te vloeken in het zicht van de camera.

21:54:56 Jim gaat aan de gokkasten rommelen, begint weer te tieren tegen Xenos en pakt de hamer van de bar.

21:55:35 Desirée komt in beeld terwijl Jim boven Xenos staat. Desirée houdt afstand, neemt een slok van haar bier en loopt in het zicht van de camera zenuwachtig rond. Ze wendt haar blik af van het stoffelijk overschot. Jim staat weer te vloeken.

21:56:40 Jim komt weer achter de bar uit en pakt de hamer. Desirée deinst achteruit, frunnikt aan haar kleren en wendt zich af.

21:59:05 Jim verschijnt in beeld, gevolgd door Desirée. Ze gaan beiden achter de bar staan.

22:00:16 Jim doorzoekt de zakken van het slachtoffer en loopt een zijdeur in bij de gokkasten.

22:01:54 Jim komt achter de bar vandaan, trekt zijn blauwe hemd aan, pakt een breekijzer en een schroevendraaier. Jim wijst naar een gokkast. Desirée probeert die open te maken met een sleutel. Dat lukt niet.

22:04:24 Jim probeert Desirée vast te pakken bij haar hoofd. Ze is hier niet van gediend en deinst achteruit. Jim verdwijnt uit beeld, Desirée blijft de sleutels proberen op de gokkast. Jim komt met een breekijzer aan, maar gebruikt dat niet. Desirée blijft proberen de gokkast open te krijgen met de sleutels, maar ze lijkt niet echt haar best te doen.

22:07:04 Desirée buigt zich richting het slachtoffer en staart hem aan. Vervolgens loopt ze heel voorzichtig weg. Even later keert ze terug en probeert ze weer de gokkast open te krijgen.

22:13:11 Jim probeert de gokkasten open te breken. Hij schuift ruw en agressief met zijn voet de kist met kleingeld naar Desirée, die gaat zitten om de lade open te maken.

22:16:08 Jim loopt met een hamer in zijn hand dreigend naar de zittende Desirée, die achteruit deinst.

22:17:22 Jim begint aan een andere automaat te rommelen, met de hamer in zijn hand. Hij gooit een tas naar Desirée om het muntgeld in te doen. Jim hurkt vervolgens voor Desirée.

22:19:15 Jim probeert Desirée vast te pakken. Ze rukt zich los, waarna Jim op haar af loopt met een hamer. Desirée kijkt verschrikt naar de hamer. Ze haalt de volgende geldla uit de gokautomaat.

22:24:28 Desirée lijkt steeds aan Jim te vragen welke handeling ze nu moet verrichten. Jim is zwaar geïrriteerd en gooit wat naar Desirée.

22:29:36 Jim betreedt weer de ruimte met gokautomaten om het lichaam te verbergen, wat niet lukt. Desirée is niet meer te zien op deze beelden.

Tot zover wat er op de beelden te zien is. Wat had Desirée kunnen doen om hieraan te ontsnappen? Ze heeft haar verleden niet mee. Ze is als enig kind opgegroeid bij haar moeder en stiefvader. Op haar zesde wordt ze verkracht door een kroegbaas, op haar twaalfde onzedelijk betast door haar stief-grootvader. Op haar 23ste wordt ze verkracht waardoor ze zwanger raakt van een zoon, die ze ter adoptie afstaat. Ze wordt regelmatig mishandeld door haar partners. De kinderen uit die relaties worden in pleeggezinnen geplaatst. Vanaf haar zestiende gebruikt ze cocaïne. Ze heeft vrijwel geen schoolopleiding en een beperkte intelligentie.

Haar advocaat Yehudi Moszkowicz voert aan dat Desirée zeer kwetsbaar is en dat er eenvoudig misbruik van haar wordt gemaakt, doordat zij haar persoonlijke grenzen niet zelf kan bewaken. Volgens hem is er sprake van psychische overmacht en dient haar geen straf te worden opgelegd. Ze wordt inderdaad vrijgesproken voor de moord en de doodslag. Ze wordt wel veroordeeld voor de diefstal, maar krijgt geen straf opgelegd omdat ze niet toerekeningsvatbaar is. Er wordt een maatregel opgelegd, waarbij ze maximaal een jaar onder psychiatrische behandeling komt. Maar dat kan ook minder zijn. Jim wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar.

 

Douanegate Rotterdam: ‘onze man in Colombia’, de jacht op het verdwenen dossier

$
0
0

“We hebben contact gehad  met het ministerie. Als we je vandaag niet hadden kunnen bereiken, hadden we groot alarm geslagen.” We schrijven maandagavond 9 januari. Een telefoontje met het Nederlands consulaat in Bogota. Een week eerder was ik afgereisd naar Colombia, in het kader van ‘douanegate Rotterdam’. Drugshandel via de haven, waarbij de corrupte douanier Gerrit G. een sleutelrol speelt, samen met ‘Paul’, een Nederlandse informant die in Colombia woont. In de affaire die in december 2013 aan het licht kwam, speelt een dossier over een moordaanslag in Barranquilla een belangrijke rol. Dat dossier is spoorloos verdwenen, zowel in Nederland als in Colombia. Mijn zoektocht naar het dossier verliep niet geheel zonder haperingen en op een gegeven moment was de situatie zo dreigend dat het mij verstandig leek even te bellen met de Nederlandse ambassade in Bogota.. Zodoende kwam ik in contact met het afdelingshoofd, G. van de Wetering.

Wat was er aan de hand? Op vrijdag was er een wat dreigende situatie was ontstaan in Barranquilla. Ik was in mijn hotel in gesprek met ‘Paul’, de informant uit Colombia, toen Paul een telefoontje van zijn Colombiaanse vrouw kreeg: er waren gewapende mannen bij haar, ze wilden Paul dringend spreken en ze waren niet van de politie. Paul kreeg een man aan de lijn, die hem sommeerde onmiddellijk naar huis te komen, anders kwamen ze naar hem. En ze wisten waar hij was: in het hotel. Ze wisten ook mijn kamernummer.

Het was op dat moment niet bekend wat ze precies wilden. Paul vertrok, maar wat moest ik doen? Na wat telefoontjes hier en daar, ook met de ambassade, leek het in elk geval verstandig uit dat hotel te vertrekken.  Tijdens het voortijdig uitchecken stond er de hele tijd een auto met een ‘verdachte man’ voor de ingang.  Was waarschijnlijk niks bijzonders, maar in zo’n situatie ga je snel spoken zien. Het was voor mij op dat moment onduidelijk waar de dreiging vandaan kwam. Ging het om het dossier waar ik naar op zoek was, of om mijn gesprekken met Paul, die ik aan het filmen was? 

Even terug naar ‘douanegate Rotterdam’. Een ogenschijnlijk ‘gewone’ smokkelzaak. Invoer van grote partijen cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Rotterdam, in containers met als deklading tropisch fruit. Bij het grote publiek – en ook bij justitie – zou deze zaak niet zoveel aandacht hebben gekregen zonder de moord op Rob Zweekhorst. Een onschuldige burger, die op nieuwjaarsavond 2014 in Berkel en Rodenrijs zijn hond uitliet en werd geliquideerd. Het was niet voor hem bedoeld, maar voor zijn buurman Dennis van den Berg. een van de hoofdrolspelers in ‘douanegate’.

Kort daarvoor, in december 2013, was er een container uit Costa Rico in de haven ontdekt. Het systeem met Gerrit de corrupte douanier werkte even niet zoals het moest. Gerrit was met vakantie, had dat ook doorgegeven. Dus moesten er even geen besmette containers worden aangevoerd, hij was niet in de gelegenheid ‘code groen’ aan te geven. De container werd in beslag genomen, problemen bij de organisatie. De hoofdrolspelers in de zaak, René F. uit Schiedam en Dennis van den Berg, kregen ruzie over het mislopen: wiens schuld was dit? Hoe het ook zij: de liquidatie van de onschuldige Rob Zweekhorst was het directe gevolg van dit conflict. Enige tijd later volgde er een tweede liquidatie: op Rinus Moerer, fruitimporteur te Steenbergen. Die laten we hier even buiten beschouwing.

De grote vraag is: had de moord op Zweekhorst voorkomen kunnen worden? Het antwoord zit in een dossier, dat spoorloos verdwenen is. Een dossier waarin de namen van zowel René F. als Dennis van den Berg worden genoemd. Een dossier dat door de al eerder genoemde ‘Paul’ in oktober/november 2013 al naar het Nationale Team Criminele Inlichtingen (TCI) in Nederland was gestuurd. Inmiddels is duidelijk dat het TCI die informatie niet heeft gedeeld met de TCI in Rotterdam en ook niet met justitie. In Nederland is dat dossier spoorloos. Maar in Colombia moest er iemand zijn die het nog wel had, of die er misschien aan zou kunnen komen.

 

Het dossier gaat over de poging tot liquidatie van Wim Ken Aalten, in juli 2013. Een Nederlandse drugshandelaar die in Barranquilla woonde en zaken deed met ‘ Rotterdam’: René F. en Dennis van den Berg. Wat als een trein liep, dankzij het gebruikmaken van Gerrit de douanier. Aalten overleefde de aanslag. Hij werd op straat getroffen door acht kogels, waarvan één in zijn rug die de meeste schade veroorzaakte: een dwarslaesie. Hij kwam gehandicapt terug naar Nederland, moest in Colombia alles achterlaten.

In het verdwenen dossier worden twee hoofdmotieven genoemd: de Rotterdamse tak had een schuld bij hem van tientallen miljoenen euro’s. Ze hadden hem zijn ‘commissie’ van 30 procent nooit betaald. Het andere motief: zijn Colombiaanse vrouw wist dat hij een vriendin in Libanon had en kon na zijn dood al zijn bezittingen – waaronder hun nieuwe villa van 350.000 euro – in beslag nemen.

Op de dag van de aanslag was Wim Ken aan het voetballen. Zijn vrouw haalde hem altijd op: hij wilde daar niet lopend over straat. Dit keer had ze hem niet opgehaald. Volgens de verhalen wilde ze dat niet. Pogingen haar te bereiken, voor wederhoor, verliepen nogal desastreus. Blijkt achteraf. Ik was op woensdag met Paul naar het nieuwe appartement geweest, in een ander deel van de stad, waar Wim Ken en zij zouden gaan wonen. Woonde ze daar nog? Hoe zag het er daar uit? Terwijl Paul aanbelde, stond ik te filmen.

Dat is niet onopgemerkt gebleven. 

In Barranquilla kende niemand de echte identiteit van Paul, noch zijn adres. Maar we waren eerder die week bij de officier van justitie in Barranquilla geweest, waar Paul een document had ondertekend om het verdwenen dossier op te vragen. Daarbij had hij zijn naam en adres moeten prijsgeven. Paul is ervan overtuigd dat via het justitiekanaal die informatie is doorgegeven aan de ongenode gasten in zijn restaurant.

Wat blijkt? De vrouw van Wim Ken had het huis verkocht aan een zware jongen uit Cali. Al dan niet als investering. Het was de vraag of ze daar zelf nog woonde. Maar deze persoon stelde onze nieuwsgierigheid niet op prijs. Met als extra bijkomstigheid dat men dacht dat ik de broer van Wim Ken was, die na de aanslag in juli 2013 enkele maanden in Colombia was geweest om wat zaken te regelen.

Dit hoorde ik van Paul toen ik na mijn overhaast vertrek uit het hotel, met een taxi, naar hem toe was gereden. De kust leek veilig, maar natuurlijk heb ik in de taxi nog wel een paar keer – net als in de film – achterom gekeken. Niks verdachts.

Dus dan denk je: alles onder controle. Rij je even later met Paul en een zekere functionaris naar een ander hotel, zegt Paul dat onze vriend (nogal hoog bij de politie) een extra rondje rijdt om er zeker van te zijn dat we niet worden gevolgd. Terwijl ik al dacht dat elk gevaar geweken was.  Inmiddels is Paul aan het verhuizen. Doch dit terzijde.

Er speelt nog iets anders. En daar is vooral ‘de politiek’ erg in geïnteresseerd. Volgens de al eerder genoemde Paul waren de drugstransporten vanuit Zuid-Amerika doorgelaten met goedkeuring van het TCI, de organisatie die vaker van naam verandert dan Madonna van onderbroek. Voorheen: CID (Criminele Inlichtingen Dienst), daarna CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid). Door advocaat Nico Meijering steevast aangeduid als : de Sectie Stiekem.

In augustus/september 2016 was Paul in contact gekomen met het TCI, de landelijke afdeling. Waar men eerder het dossier over de aanslag op Wim Ken Aalten moet hebben gekregen. Tijdens zijn verblijf in een safehouse van de TCI aan de Wilhelminakade in Rotterdam papte Paul, onder regie van het TCI, aan met Gerrit de douanier, die in afwachting van de behandeling van zijn zaak op vrije voeten was. Van het TCI kreeg Paul een opnameapparaatje mee, waarmee hij de gesprekken met Gerrit registreerde. Na afloop kopieerde hij die naar een USB-stick, die hij aan de runners van het TCI overhandigde. Toen deze gesprekken in december 2016 uitlekten, waren de poppen aan het dansen en werd Gerrit weer achter de tralies gezet.

Het dossier is intussen bezig met vreemde omzwervingen. Toen ik op maandagmorgen in Parijs, op vliegveld Charles de Gaulle, arriveerde, werd ik als enige uit de rij gehaald. Een goed Engels sprekende douanier vond het maar vreemd: heenreis via Curaçao, terug van Bogota. Man alleen. ‘Gebruikt u drugs?’ Ook het verhaal van ‘journalist’ en interview met een man van wie ik de naam niet kan noemen: verdacht. ‘Bent u zenuwachtig?’ vroeg hij de hele tijd, waarna hij in het Frans tegen zijn collega’s uitlegde hoe verdacht het allemaal was: Curaçao, Bogota, contact met iemand van wie hij de naam niet kan noemen.

Kortom: mijn koffer – in  transit – moest uit het vliegtuig worden gehaald, ik mee naar een kantoortje. Urinemonster (negatief), vragen over reizen in heden en verleden. Ineens begon hij vlak bij mijn gezicht intimiderend in het Spaans te blaffen. Ik deed of ik hem niet verstond (wat ook zo was). Mijn hemel, wat een kluns. Als ik wel Spaans had gesproken, had ik het gerust gezegd. Het lag op mijn  tong om te zeggen dat ik wel een beetje Frans spreek, dat Frankrijk wel een zekere charme heeft (de chansons), maar dat ik niet van het Franse volk houd.

Toch maar niet.

Mijn koffer werd minutieus onderzocht. Tot in alle details. Merkwaardig genoeg op één ding na. Het dossier zat in een Nieuwe Revu. Hij keek er niet eens naar, heeft het niet eens in handen gehad. Dus daar was het blijkbaar toch niet om te doen (wat eigenlijk wel interessant was geweest).

Je kúnt nog denken dat dit een totaal complot was en dat dit allemaal bedoeld was als afleidingsmanoeuvre en dat hij opdracht had gekregen van álles te onderzoek, behalve het dossier. Maar eerlijk gezegd, gezien mijn ervaringen met medewerkers van verschillende instanties: tot zoveel organisatietalent en slimheid acht ik hen niet in staat. 

Intussen had mijn vlucht naar Nederland al vertrokken moeten zijn (KLM/Air France). Gelukkig had die vertraging, met enige moeite zou ik het misschien nog redden. Is trouwens de grootste fout ooit geweest, van KLM, om met die arrogante Franse lapzwansen en nietsnutten een fusie aan te gaan, doch dit terzijde. Ze brachten de koffer ergens heen, en mij naar de terminal. Op mijn boarding pass stond geen gatenummer, alleen de ‘hoofdgate’. F2. ‘Rechtdoor en dan naar links’. Een excuus kon er natuurlijk niet af, geen groet.

Dat was nog best even zoeken. Groot vliegveld. Dat werd hollen. Na veel gestress het juiste gatenummer achterhaald. Daar was men al aan het boarden en het was ver. Minstens vijfhonderd meter. Dus dat werd nog even rennen. Maar: net op tijd.

Een uurtje later: een landing in de mist op Schiphol. Zou mijn koffer er als eerste uit komen (hij was er op het laatste nippertje in gegaan, dus…) Of als laatste?

Eh, ja. Helemaal niet. Als ze hem vinden, wordt hij later thuisbezorgd. Inmiddels (drie dagen later) zou hij onderweg zijn…

Intussen zijn er politici die graag wat opheldering willen over de gang van zaken met informant Paul. Douanegate Rotterdam krijgt nog een staartje. En ik ga een klacht indienen tegen de Franse douane. Ze moeten hun werk doen, maar moet dat zo onbeschoft? 

Tot slot nog een merkwaardig toeval: een bericht uit 2004 in de Volkskrant, met dezelfde naam als in het document met het verzoek aan de ambassade voor het opvragen van het dossier: Willem Geurkink. Nu liaison-officer, op zoek naar een dossier. Toen werkzaam bij de Nationale Recherche en een van de woordvoerders in een verhaal dat gaat over: ‘Volg die koffer!’

 


Ontsnapt uit De Koepel: de moord op de orchideeënkweker

$
0
0

De toch wel spectaculaire ontsnapping van de Rotterdamse crimineel Elias Adahchour (24) op woensdag 17 januari maakt de tongen los. Elias ging er, met een handboei om zijn linkerpols, vandoor na een behandeling in het Rotterdamse Sint Franciscus Gasthuis. Hij was gewond aan een arm en moest naar het ziekenhuis om het gips eraf te laten halen. Eenmaal buiten, in de koude buitenlucht, net voor hij in het busje moest stappen, zette hij een enorme sprint in. Hij liet zich niet afschrikken door waarschuwingsschoten en rende zijn vrijheid tegemoet.  Elias wist zich schuil te houden en is – bij het ‘ter perse gaan’ van dit bericht – nog steeds niet getraceerd.

De ontsnapping was aanleiding voor een terugblik op een andere spectaculaire ontsnapping: van de Delftse crimineel Karel Pronk, die in 1991 uit de Koepel in Haarlem wist weg te komen met behulp van zijn zwager Fried Friebel, een glazenwasser die zijn ladder inzette om Karel – en drie anderen – over de muur te laten komen. Daar kwam al snel een reactie op:

“Ik zat gedetineerd met die heren in de Koepel in Haarlem en was reiniger op de tweede ring. Dat was toen wel wat hoor, zo eruit gaan. Bij die ontsnapping en de eerste aanslag op die orchideeënkweker was ook een beruchte Utrechtse crimineel betrokken: Tonnie van B. met de bijnaam (…); hij werd ook veroordeeld voor de eerste aanslag op die orchideeënkweker. Nadat Pronk werd veroordeeld voor die moord was Pronk, voorzichtig uitgedrukt, niet meer zo blij met die Utrechtse zingende crimineel. Ben benieuwd wat die tegenwoordig uitspookt. Of zal die nog altijd ondergedoken zitten voor Pronk?”

Dit vergt enige toelichting. In de gevangenis was Karel Pronk benaderd om een liquidatie uit te voeren en wel op orchideeënkweker Gerrit de Graaf in Rijswijk. De Graaf was in aanvaring gekomen met de beruchte Haagse crimineel Marco Eijk, die in de wijk ’t Haantje (foto boven) illegaal was gaan wonen: hij had er twee enorme caravans neergezet en niemand durfde er iets van te zeggen. Ook de gemeente niet. Alleen Gerrit de Graaf maakte bezwaar. Dat werd zijn dood. Marco Eijk is in andere circuits bekend vanwege zijn relatie met Rachel Hazes, doch dit terzijde.

Terug naar de ontsnapping uit De Koepel in Haarlem. Karel Pronk heeft op dat moment nog een goede relatie met zijn zwager Fried Friebel, een glazenwasser uit Den Haag. Die heeft ladders zat. Het vergt een hele voorbereiding.

Er moeten mensen worden geregeld die hem over de muur helpen, Fried moet een wapen hebben, er moeten auto’s worden gestolen, om mee te vluchten, er moeten safehouses worden geregeld. In totaal duurt de voorbereiding meer dan drie maanden. Zo’n operatie kost wat, daarom is het beter om met meer mensen te gaan, die meebetalen. In totaal zullen er vier mannen gaan.

Op de dag van de ontsnapping koopt Karel sinaasappels in de gevangeniswinkel. Die gooit hij over de muur gooien, als sein naar de anderen dat ze klaar moeten staan. De anderen zien de sinaasappels helemaal niet, maar ze komen op een gegeven moment wel op de luchtplaats. Ineens zien ze de ladder over de muur verschijnen, ze klimmen er als een haas op naar boven en springen in de twee gereedstaande vluchtauto’s. Via de walkietalkie houden ze contact. De politie zit hen meteen op de hielen en heeft de kentekens van de BMW’s meteen doorgegeven. Een paar straten verderop stappen ze over in zwarte Golf GTI en een witte Opel GSI, allebei snelle auto’s, maar ook nu horen ze via de politieradio dat ze gezien zijn.

Weer een eindje verderop staan twee scooters klaar, maar ook dat weet de politie meteen. Karel en de jongen die samen met hem in de auto’s heeft gezeten gaan een willekeurige kelderbox van een huis binnen, trappen de deur in, stelen een fiets en rijden daarmee Haarlem uit. Daarna worden ze opgepikt door een auto en worden ze ondergebracht in een safehouse. Daar zit hij maar één dag. Hij wordt er opgehaald door Heinekenontvoerder Cor van Hout en Stanley Hillis, die hebben hem toen naar een ander ‘veilig huis’ gebracht, direct naast het politiebureau in de Warmoesstraat in Amsterdam. Dat pand was in gebruik bij de Chileen Charlie da Silva, de bodyguard van Klaas Bruinsma, die vele jaren later in het nieuws kwam door zijn – overigens onjuiste – verhalen over de vriendschap van Mabel Wisse Smit met Klaas Bruinsma.

In de gevangenis was Karel benaderd voor de liquidatie van orchideeënkweker Gerrit de Graaf. In het boek Haagse Penoze staat hoe het gegaan is. 

“De Graaf moet dood, zoveel is duidelijk. In de aanloop naar de moord ontsnappen op 4 januari 1991 drie mannen uit Huis van Bewaring De Koepel in Haarlem: Glenn de F., een 25-jarige drugshandelaar uit Nijmegen; Karel Pronk (32) uit Den Haag, veroordeeld voor vermogensdelicten en Tonnie van B. (27) uit Utrecht, een inbreker en verkrachter. Ze worden geholpen door glazenwasser Fried Friebel (30) uit Den Haag. Fried is zowel een zwager van Karel (hij is getrouwd met een zus van Karel) als van Marco (die een relatie heeft met een zus van Friebel). Friebel gooit een glazenwassersladder over de muur van de bajes en houdt de bewakers op de luchtplaats onder schot tot zijn vrienden over de muur zijn.

Op donderdag 17 januari brengen Karel Pronk en Tonnie van B. een bezoek aan de kas van De Graaf om hem daar neer te schieten. Tonnie van B. Durft het niet aan, het verhaal gaat dat hij het wapen zou hebben weggeslagen, en ze druipen af. Vervolgens wordt Glenn de F. ingezet. Hij moet een ‘wederdienst’ leveren voor de ontsnapping. Op zaterdag 19 januari rond half één in de middag meldt hij zich in de bloemenkas aan ’t Haantje. Hij vraagt om vier bloemen. Als hij is geholpen trekt hij ineens een vuurwapen, een FN Browning, en schiet die leeg op de zittende kweker, die vrijwel onmiddellijk sterft. Mevrouw De Graaf wordt één keer in haar been geraakt. Glenn vlucht in een gestolen zilverkleurige Honda. Volgens Glenn heeft hij Karel en Fried Friebel een dag na de moord in een Amsterdams restaurant ontmoet. Eijk heeft  weliswaar alle schijn tegen, maar de officier van justitie laat weten dat Eijk niet als verdachte zal worden gehoord.

De Telegraaf van dinsdag 12 april heeft, naar aanleiding van de arrestaties van zaterdag 9 april, een achtergrondartikel over de zaak, waarin Gerdien, de dochter van Gerrit de Graaf, aan het woord komt. Zij zegt niet te weten of er een verband is tussen de bommen die eind 1988 naar binnen zijn gegooid en de moord op haar vader, maar de familie is nog steeds doodsbang. Glenn heeft intussen bekend dat hij is ingehuurd om de kweker te doden, maar heeft nog geen naam van de opdrachtgever genoemd.

‘Hoewel de Haagse justitie daarop niet wil ingaan zou het motief van de kille liquidatie van De Graaf te maken hebben met een partij hasj, met een waarde van 8 miljoen gulden, die enige tijd geleden op een terrein in Rijswijk in beslag is genomen. De kweker zou de bergplaats aan de politie hebben ‘verlinkt’. Persofficier mr. H. Vos daarover: ‘Ik ken die bespiegelingen. Het is best mogelijk dat het een met het ander te maken heeft, maar ik heb daarvan nog geen feiten in handen. Op dit moment weten we het gewoon niet.’

Marco Eijk

In het bericht wordt er wel melding van gemaakt dat er een man is aangehouden met wie de familie De Graaf al lange tijd op gespannen voet staat: de 34-jarige Hagenaar Marco E., die deel uitmaakt van de bende topcriminelen die zojuist is opgerold en die ervan worden verdacht tientallen miljoenen te hebben verdiend met de smokkel van hasj en de opbrengst hebben omgezet in huizen, boten en Rolls Royces. ‘Marco E. woonde tot eind 1988 op de Kerstanjeborg, een stuk grond aan ’t Haantje in Rijswijk pal naast het bedrijf van Gerrit de Graaf. E. liet op het terrein illegaal een paar zeer luxe stacaravans plaatsen en sloot die zonder vergunning aan op de elektriciteit en waterleiding. De orchideeënkweker en zijn dochter Gerdien ergerden zich in hoge mate aan de illegale bouwsels en de overlast die de bewoners veroorzaakten en klaagden daarover bij de gemeente Rijswijk.’

De advocaat van Marco Eijk, mr. Mantz, laat weten dat de naam van zijn cliënt veelvuldig in het politiedossier wordt genoemd, maar persoffcier mr. Vos zegt dat Eijk niet als verdachte in de zaak kan worden aangemerkt: ‘Het is puur toeval dat E. juist nu voor die andere feiten is aangehouden.’

In het bericht staat dat het voorarrest van twee verdachten, ‘de Hagenaar F.O.F en A. van B. uit Utrecht’ is verlengd. Met A. van B. wordt Tonnie van B. bedoeld, F.O.F. zijn de initialen van Fried Friebel. Zijn rol is ‘omstreden’. Hij wordt van hulp bij de ontsnapping vrijgesproken wegens een vormfout van het Openbaar Ministerie. Voor medeplichtigheid aan de moord krijgt hij een eis van twaalf jaar cel, maar ook hiervoor gaat hij vrijuit ‘wegens gebrek aan bewijs’.

Dank voor bewezen diensten? Friebel heeft zijn voormalig zwager en vermeend partner in crime Karel Pronk aangewezen als hoofddader en ook verteld over het hoe en waarom. Pronk houdt zijn mond en wordt veroordeeld tot twintig jaar celstraf en komt pas in 2006 vrij. Glenn de F. vertelt tijdens de rechtszaak dat hij als gevolg van de ontsnapping uit De Koepel 25.000 gulden schuld had. Die schuld kon hij vereffenen door de tuinder dood te schieten. Hij krijgt twaalf jaar voor moord. In oktober 2007 wordt Fried Friebel vermoord op zijn woonboot aan de Bontekoekade in Den Haag. Het is niet onlogisch dat de naam van Karel Pronk dan valt als opdrachtgever, maar erg waarschijnlijk is het niet (zie hoofdstuk 20)

Karel Pronk had niks verteld over de rol van Marco Eijk, die daardoor nooit als verdachte voor de moord is aangemerkt. Tot verbazing van Nico van Empel, de bron van Haagse Penoze. ‘Marco ontsprong de dans, ondanks het feit dat er getuigen waren die zeiden dat ze hem met Karel Pronk hadden zien praten. Marco reed toen in een groene Rolls Royce Camargue, die hij nieuw in Engeland had gekocht. Dat gesprek was in motel Sassenheim, langs de snelweg van Den Haag naar Amsterdam, maar blijkbaar was het niet voldoende om Marco hiervoor aan te houden.’

Fried Friebel

Vijftien jaar later, in oktober 2007, woont Fried met zijn vriendin Yvonne Polko op een woonboot aan de Bontekoekade, op de rand van Den Haag en Rijswijk. Yvonne Polko is strafrechtadvocate. Op donderdagavond 4 oktober parkeert een man een ongeveer tien jaar oude donkerkleurige Mercedes op de Dintelstraat. Vanaf daar loopt hij in de richting van de Bontekoekade. Op bewakingsbeelden van de Dintelstraat is de man te zien. Iemand met een getinte huidskleur, waarschijnlijk van Antilliaanse afkomst. Hij is 25 à 35 jaar oud en heeft een normaal tot dik, beetje vadsig postuur. Hij draagt een donkere jas met een capuchon. Getuigen vertellen later dat de man eerst ruzie heeft gemaakt met Friebel, er was een woordenwisseling geweest, ‘een hoop geschreeuw’. Een kwartier later was hij teruggekomen, waarschijnlijk om een wapen te halen, en toen was hij in eerste instantie opgevangen door Yvonne Polko. Zij verklaart later dat er die avond een voor haar onbekende man op de woonboot kwam. Ze sprak hem aan, hij opende direct het vuur op haar. Van het verdere verloop weet ze niets meer. Ze raakt zwaargewond door een kogel in haar borst, maar ze is niet in levensgevaar. De schutter is direct na de aanslag via het kikkerbruggetje de vaart overgestoken, vanaf daar is hij over de Dintelstraat naar zijn auto gelopen. Hij is richting het Spaarneplein gereden, daar door het rode licht gereden en vervolgens rechtsaf geslagen richting het Schenkviaduct. Het is nog altijd onduidelijk of de schutter inderdaad met een tussenpoos van ongeveer een kwartier twee keer op de Bontekoekade is geweest, maar uit de verklaringen van getuigen kan zeker worden opgemaakt dat er een woordenwisseling is geweest tussen de schutter en Friebel. Dat Polko dat niet heeft gehoord kan komen doordat ze toen al bewusteloos was, of om een andere reden. Karel Pronk werd verdacht van betrokkenheid bij deze aanslag, maar hij heeft dat altijd bij hoog en laag ontkend. Hij had Fried een boze brief geschreven vanuit de EBI en daarmee was voor hem de kous af. In een reactie liet Karel weten: “Dit lijkt toch helemaal niet op een liquidatie? Die woordenwisseling, daaruit blijkt toch dat iemand wat uitgevreten heeft en zij is ook in haar flikker geschoten, ik denk dat zij donders goed weet waar dit vanaf komt. Een moordenaar gaat niet eerst bakkeleien en discussiëren.” De moord is nooit opgelost.

Ook met Marco Eijk loopt het op den duur niet goed af: op 5 april 2004 wordt hij op de grens van het Belgische Neerpelt (waar hij woont) en Valkenswaard geliquideerd. Hij was een ‘grote jongen’ in de productie van en handel in xtc.

De vieze moord in het kraakpand

$
0
0

 

 

Op 11 maart 2016 wordt in het kraakpand aan de Zuiderinslag in Hoevelaken Michiel Been (32) doodgestoken door medebewoner Dennis H. (42). De dader is veroordeeld tot vijf jaar celstraf. De medebewoners leven een jaar na het gebeurde nog altijd in een soort shock. Het was een bizarre toestand. Dader Dennis H. was een van de grootste viespeuken van Nederland. En er zijn vooral vraagtekens over hoe de moord zich precies heeft afgespeeld: het scenario dat de politie schetst – en door de rechtbank is overgenomen – kan volgens de bewoners niet kloppen.

“In het kraakpand waar ik woon is iemand doodgestoken door een medebewoner. Verschrikkelijk gewoon. Het slachtoffer is Michiel Been, de dader is Dennis H. De dader heeft hem van achteren negen keer in zijn rug gestoken. Het liep uit de hand omdat Dennis in de kamer woonde naast de kamer van het slachtoffer, en nogal een stank veroorzaakte omdat hij nooit zijn kamer opruimde of schoonmaakte.”

Aldus een van de bewoners van het kraakpand. Op foto’s is te zien dat het extreem vies was op de kamer van Dennis. “Hij had een kat en in al die jaren nooit de kattenbak verschoond. Hij zoop nogal veel en die blikken bier ruimde hij ook nooit op, net als de rest van zijn afval. Wij wonen daar met twintig man en we hebben regelmatig Dennis gevraagd of hij hulp nodig had, van alles hebben we geprobeerd om hem zijn kamer te laten opruimen maar niets hielp; aanbieden het voor hem te doen, of samen met hem te doen, schoonmaakartikelen gekocht. Michiel had echt last van die stank.”

Op een gegeven moment had Dennis zijn kamer ‘opgeruimd’, al rook je de stank nog wel een beetje. Er werd afgesproken dat Michiel elke maand zou kijken of de kamer van Dennis wel schoon genoeg was. “Niet dus, het werd erger en erger. Michiel klaagde regelmatig en iedereen werd er doodziek van. Ondertussen zagen we Dennis amper, die ontliep ons. Dennis had een krantenwijk, maar kon via de trap aan de andere kant wel het pand uit zonder iemand tegen te komen. Want de stank werd zo erg dat bijna elke bewoner wel over de stank begon als ze Dennis tegenkwamen. Zelfs visite had aangeboden schoonmaakmiddelen te kopen en daarna gelijk aan de slag te gaan in zijn kamer. Vervolgens kwam de visite terug uit de winkel, liep naar de kamer van Dennis, die zijn deur op slot had en niet thuis gaf. Weer een ander bood aan zijn aanhanger onder zijn raam te zetten zodat alle zooi zo uit zijn raam naar beneden gegooid kon worden. Ook dat wilde Dennis niet.”

Dat de klachten van Michiel, als naaste buurman, meer dan terecht waren blijkt als een medebewoonster een paar maanden na de moord de kamer van Dennis gaat opruimen.

“Met een mondkap ging ik naar binnen, met een rol grote vuilniszakken en handschoenen aan. Ik dacht eerst die honderden lege blikken Gulpner(bier 11% alcohol) in een zak doen, dus ik op mijn hurken, proberen met mijn armen zoveel mogelijk blikken tegelijk in de vuilniszakken te doen. Toen schrok ik. Al die blikken waren nog vol. Oud dood bier over me heen! Urghbah shit! Dan maar eerst legen in een grote emmer en dat deed ik. Kokhalzend, blik voor blik, tot de emmer vol was. Ik vond het er wel ranzig uitzien, dat dooie bier en die lucht begon me bekend voor te komen. Op een gegeven moment, ik had al drie keer toe de emmer geleegd in de wc, scheen er een zonnestraal precies op wat ik uit het blik goot en dat gaf zowat licht. O men!, riep ik in mezelf, dit is geen dood bier! Waar lijkt het op? Urgh, gadverdehel en ineens had ik het door: het was mensenpis wat in die blikken zat. Half kotsend ben ik die kamer uitgerend en ben gelijk naar de douche gegaan. Hij had gewoon alle lege blikken op de grond volgepist om niet naar de wc te hoeven, zodat wij hem niet zagen.”

Dennis blijkt toch wel íets aan opruimen te hebben gedaan. “Er stond een stapel Jumbotasjes met iets vierkants erin, alsof er vier bakstenen in zaten. Negen volgepiste halve liters sterk bier, in blikken, in gele plastic Jumbotasjes, drie bij drie en strak dichtgeknoopt. Als bouwstenen op elkaar toch wel bijna één meter hoog en anderhalve meter breed. En onder zijn vieze bed ook nog van die jumbotasjes met blikken pis. Vind je het gek dat Michiel last had van die lucht?”

Michiel heeft nooit geweten dat het vooral de urine was die de stank extreem maakte. De recherche heeft er ook niet naar gekeken, tijdens het proces is dit helemaal niet ter sprake gekomen. “Vervolgens zegt Dennis tegen de recherche dat wij allemaal tegen hem waren, terwijl we hem zo vaak hulp hebben aangeboden van alles probeerden om hem te laten opruimen.”

Volgens Dennis lag het mes waarmee hij Michiel heeft doodgestoken op tafel lag omdat hij er een kwartier ervoor kaas mee had gesneden. “Maar er zijn helemaal geen sporen van kaas gevonden. Dennis leek het slachtoffer. Michiel had een strafblad, ook voor geweld, hij had weleens iemand klappen gegeven. Dennis had geen strafblad. Dennis zegt dat Michiel door de muur heen was gekomen, maar dat geloof ik niet. Als hij echt door die muur was gegaan was, was er veel meer schade geweest, niet zo’n klein stukje uit die muur.”

De medebewoners zijn niet erg te spreken over hoe de zaak in de media is afgehandeld. “Wij willen gewoon dat dat aan Dennis gevraagd wordt: ‘Hoe zit het met die zeik van je? In die lege blikken bier.’ Wij hadden hem in huis genomen omdat hij ineens geen woonruimte meer had. En dan is dit je dank. Het kwam tijdens de rechtszaak zo over dat Michiel een gewelddadig iemand was die gewoon een medebewoner zat te zieken en te bedreigen, terwijl dat niet zo is.”

Op de foto’s van het interieur is goed te zien wat voor smeerboel het was. De stank kan men er zelf bij denken. De kamer van Michiel was aan de andere kant van de muur naast het bed van Dennis.

“Michiel was twee meter en vijf centimeter lang, het is toch onmogelijk dat hij door dit gat is gekomen? Er is een reconstructievideo gemaakt op 19 mei 2016. Technisch gezien past het, maar niet met zijn armen erbij. En waarom voelde Dennis zich bedreigd als Michiel alleen met zijn hoofd en stuk schouder erdoor kon? Waarom zat er geen spatje bloed op de glaswol, de grond of de muur om dat gat heen? Als hij Michiel negen keer heeft gestoken terwijl hij door dat gat hing, dan zou je toch bloed moeten zien?”

Logischer is dat Dennis is omgelopen en Michiel, terwijl die met zijn hoofd door het gat in de muur kwam, van achteren heeft neergestoken. Met een Japans vleesmes. Dennis had een hele messenset omdat hij in de horeca had gewerkt, tien jaar geleden. “Ook heeft hij tegen minimaal twee mensen gezegd dat als Michiel hem zou blijven lastigvallen, dat hij hem dan zou neersteken. Dat kwam ook niet naar voren tijdens de rechtszaak.”

Dennis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. “Ik verwacht ook niet dat hij nog hogere straf krijgt, maar hij heeft gewoon de boel zo verdraaid dat hij de zieligerd is en het systeem aan zijn kant heeft. Over vier jaar is hij vrij en krijgt hij waarschijnlijk een huis toegewezen. Dus: hij komt er het beste vanaf, terwijl mijn huisgenoten erbij waren en hun maat hebben zien doodbloeden. Ons leven is nooit meer hetzelfde. Er waren honderden mensen op de begrafenis, en een paar maanden later is er in Frankrijk, Rennes, een feest ter ere van hem gegeven waar meer dan duizend man op af is gekomen.”

Er waren vier medebewoners bij toen Michiel lag dood te bloeden.

“Die zijn er het ergst aan toe. Als je iemand zijn ademhaling ziet, dwars door zijn lichaam, omdat er één wond zo groot was dat de arts er met zijn hand in kon, hoe kan hij maar vijf jaar krijgen? En het klopt ook niet dat Michiel zomaar door de muur kwam. Michiel was niet gewelddadig en agressief, hij had gewoon echt last van die stank. Die Dennis heeft nooit zijn vieze zooi opgeruimd, bij geen één woning van hem, hij heeft altijd een vieze bende achtergelaten, overal. Ook liegt hij over ons. Hij zegt dat we tegen hem waren, terwijl we hem alleen maar wilden helpen, anders had hij nooit bij ons gewoond. Michiel heeft hem niet geterroriseerd. De avond dat het gebeurde was het de eerste keer dat hij Dennis een klap had gegeven. Vier jaar geleden begon de stank in die kamer al.”

In de kranten stond dat Michiel Been een bekende en geliefde verschijning was in de krakerswereld en de muziekscene. Hij werd De Lange genoemd en was veel bezig met muziek en muziekinstallaties: “Een heel bijzondere jongen en een inspiratiebron voor veel mensen.”

Het voormalige schoolpand waar het dodelijke steekincident zich afspeelde plaatsvond, is eigendom van de gemeente Nijkerk. De afgelopen jaren zijn er verschillende pogingen ondernomen om het gebouw een nieuwe bestemming te geven, dan is er een reden om het gebouw te laten ontruimen. Buurtbewoners zouden betrekkelijk weinig last hebben van de twintig bewoners van het kraakpand.

In december 2016 eiste het Openbaar Ministerie zeven jaar cel tegen Dennis N. Volgens het proces-verbaal had Michiel zijn buurman voor de zoveelste keer aangesproken op zijn vervuilende gedrag, waarbij hij hem ook geslagen zou hebben. De ruzie kon worden gesust door een huisgenoot. Vervolgens zou Michiel een ijzeren staaf hebben gegooid door het gat in de muur tussen beide kamers. Hij had daarna het gat groter gemaakt en was daar met zijn bovenlichaam door het gat. De verdachte pakte daarop een mes en stak hem negen maal in zijn lichaam. Volgens de officier van justitie was er geen sprake van noodweer. Het was wel een situatie waarin de verdachte werd bedreigd, maar had hij wel de kans om te vluchten. Die kans had hij moeten nemen. Volgens deskundigen was de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

 

Smokkelboot Sibonina: hoe Fred Ros een slaatje sloeg uit een drugstransport

$
0
0

In 2004 wordt Arjen K.(63) uit Beverwijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar. Dat is veel, voor twee drugstransporten waar geen enkele vorm van geweld aan te pas kwam. Wat hem nog meer steekt is dat een van de mensen uit zijn groep zich in de gevangenis zo bedreigd voelde door ‘moordmakelaar’ Fred Ros dat hij kroongetuige werd. ‘Er is een vies spelletje gespeeld,’ zegt Arjen K. nu. ‘Wij hadden 35.000 euro aan advocaat Spong betaald voor de verdediging van die Henry W. Dan wordt zo iemand kroongetuige en lapt-ie ons er allemaal bij. Krijgen we dat geld nou terug?’

Op donderdag 1 mei 2003 is het niet echt lekker weer: koud voor de tijd van het jaar, af en toe regen, stevige wind. Niks voor een wandeling langs, bijvoorbeeld, de Sonthaven in het Westelijk Havengebied van Amsterdam. Twee dagen eerder, net voor Koninginnedag, is hier het vrachtschip Sibonina aangekomen, vanuit Venezuela. Het was met kolen onderweg naar de hoogovens van IJmuiden, maar omdat de kades vol waren voer het door naar Amsterdam. Terwijl de Venezolaanse bemanning aan boord was had er zich ‘s nachts onder de waterlijn van alles afgespeeld. Ver buiten het zicht van iedereen. Aan de onderkant van het schip is een grote ruimte met koelwater voor de motoren. Door een mangat, onder de waterspiegel, is die toegankelijk. Vier duikers uit Noord-Holland zijn hier naar toe gezwommen en zijn zo’n anderhalf uur bezig om tien balen met elk vijftig kilo cocaïne uit deze ruimte te halen en onder een steiger te leggen. De balen worden onder de steiger vastgemaakt met een touw, daarna verdwijnen de duikers even geruisloos als ze gekomen zijn en stappen ze een eind verderop in een geparkeerde auto. Niemand heeft iets gezien, niemand slaat alarm, operatie geslaagd.

Lijkt het.

Een perfecte smokkellijn. In Venezuela zijn de balen even onopgemerkt in het schip gegaan. Kapitein en bemanning hebben geen weet van kostbare lading die ze diep in het water met zich meevoeren. De operatie is opgezet door Arjen K. uit IJmuiden. Een bekende in de drugshandel. Hij was het op wie kroongetuige Peter la Serpe een mislukte moordaanslag liet uitvoeren, maar dat heeft hier verder niet mee te maken. Arjen K. was eigenaar van een uitzendbureau, daarnaast hield hij zich dus bezig met andere zendingen. Zoals deze met de Sibonina, die bijna vlekkeloos was verlopen.

Bijna.

Er gaan twee dingen fout. Arjen, tien jaar later: ‘Het was de bedoeling dat de duikploeg de lading diezelfde nacht nog zou meenemen, maar dat durfden ze niet. Ik weet nog steeds niet waarom, maar ze hebben het onder de steiger laten liggen en zouden het later op gaan halen. Ze zijn eerst Koninginnedag gaan vieren.’

Dat had ook best gekund, ware het niet dat er nóg een kink in de kabel komt. Misschien door de vrije stevige wind en het klotsende water, of de duikers waren niet al te bedreven in het leggen van zeemansknopen, in elk geval: het touw waarmee de balen zijn vastgemaakt aan de steiger raakt los. Een touw van zo’n dertig meter lang. Dat drijft de volgende morgen in het water. Nee, het is geen wandelaar die deze kille ochtend bij toeval dat touw ziet drijven, het is een leverancier, iemand die bij een van de schepen wat te zoeken heeft. Het is iemand die weet dat zo’n touw in het water gevaarlijk kan zijn: als het in een schroef terechtkomt kan er flinke schade ontstaan. Hij belt met mensen van de haven die poolshoogte komen nemen en dan niet alleen het touw zien, maar ook de pakketten in het water onder de steiger. De politie wordt ingeseind en even later haalt een duikploeg van de politie de 500 kilo boven water. Niet zoals in de kranten staat: onder het schip vandaan, maar: onder de steiger. De bemanning van de Sibonina wordt gearresteerd.

Arjen K. heeft in eerste instantie nog niet veel te vrezen. Zonde van de partij, maar in het water is geen enkel spoor te vinden dat naar hem of een van de andere betrokkenen wijst. Maar een van de mannen die de cocaïne onder de steiger weg zou moeten halen, Henry W. uit Heemskerk, loopt tegen de lamp als hij een kijkje gaat nemen in de Sonthaven. Dat is niet zo vreemd: op dat moment is nog niet bekend dat de politie de partij heeft ontdekt en uiteraard wordt er gewacht tot iemand zich komt melden. Henry W. wordt opgepakt, maar als hij zijn mond houdt is er voor de anderen weinig aan de hand.

Maar Henry W. blijkt een zwakke schakel in de ketting. In het huis van bewaring in Zwaag komt hij in contact met Fred Ros, die vastzit voor de wapenvondst in de villa van Katja Schuurman in Vinkeveen. Fred Ros is op dat moment nog lang niet zo bekend als nu, nadat hij is opgepakt als ‘moordmakelaar’ voor onder anderen de moord op Thomas van der Bijl van café De Hallen in Amsterdam (april 2006). Maar Fred is al wel een ‘baasje in de bajes’. Henry W. is een praatjesmaker, iemand die graag mee wil doen met de grote jongens. Hij biedt Fred een partij cocaïne aan voor een belachelijk lage prijs. Uit stoerheid, Henry heeft helemaal geen partij en geen connecties. Maar Fred gaat erop in en vanuit de gevangenis stuurt hij zijn mannetjes erop uit om de deal rond te maken. De mannetjes keren onverrichter zake terug. Er was niks te halen. Fred lijdt gezichtsverlies, hij is woest en gaat Henry bedreigen. Hij gaat Henry zó ernstig bedreigen dat deze bang wordt en alles doet om van Fred af te komen. Hij weet geen betere oplossing dan zich aan te bieden als kroongetuige. Dan is hij veilig. Hij lapt zijn kornuiten van het Sibonina-transport er één voor één bij. Maar op dat moment weet nog niemand dat: Henry wordt na een maand vrijgelaten. Arjen K.: ‘Hij wilde advocaat Gerard Spong. Die heb ik voor hem geregeld. Zijn vriendin is met 35.000 euro aan contant geld naar het kantoor van Spong geweest om te betalen. Advocaat Soriano van dat kantoor heeft zijn zaak gedaan. Nee, zij heeft daar geen bonnetje van gekregen.’

Dat bonnetje, daar zit K. niet mee, ‘maar wij zijn er dus allemaal de dupe van geworden dat die Henry kroongetuige is geworden. Spong roept altijd dat zijn kantoor geen kroongetuigen bijstaat, maar hier dus wel. Dat geld voor Henry kwam uit onze pot, allemaal verdachten in dezelfde zaak. Ik wil dat Spong dat geld terugbetaalt. Dat was bedoeld om Henry – en dus ook ons – te verdedigen.’

Het had nog iets minder erg kunnen aflopen als zich niet nog een ontwikkeling had voorgedaan. Arjen K.: ‘In september 2004, dus bijna een half jaar later na dat eerste transport, komt Michael, een Colombiaan, helemaal in paniek bij mij op kantoor. Hij had die eerste lading geregeld. Ze wisten dus dat het fout was gegaan, maar die Colombianen zijn gek, die sturen gewoon met diezelfde boot nog zo’n lading. Weer 500 kilo. Weer naar IJmuiden. Michael wilde dat ik het weghaalde. Daar zag ik natuurlijk niks in, ik zag de bui al hangen. Maar die Michael riep: “Dan maken ze me dood!” dus toen ben ik toch maar overstag gegaan.’ Dit keer wordt de duikploeg van Siem W., ook bekend als ‘de sterkste man van Nederland’, ingeschakeld. Die inderdaad tegen de lamp loopt: de politie hield de Sibonina in de gaten. Het is de aanleiding om nu de hele bende, zowel van de eerste als van de tweede zending, op te pakken.

Gedurende het proces neemt Arjen K. alle schuld op zich. ‘Er werden allerlei mensen bijgehaald die er niks mee te maken hadden. Een Zuid-Amerikaans meisje dat voor mij werkte als tolk kreeg vijf jaar, de directeur van het uitzendbureau werd verdacht terwijl die van niks wist.’ Een andere reden om de schuld op zich te nemen: in 2004 is er, in de gevangenis, longkanker geconstateerd bij Arjen, zijn levensverwachting is ineens flink afgenomen. ‘Een geluk bij een ongeluk: als ik in de gevangenis niet was onderzocht, was het te laat geweest. Nu waren ze er op tijd bij en kon de behandeling meteen beginnen. Daar heb ik niks over te klagen.’  

Tijdens het proces halen de advocaten van de verschillende verdachten alles uit de kast om aan te tonen dat justitie een vuil spelletje heeft gespeeld. In januari 2005 eisen de advocaten van de duikers die in de Sonthaven actief waren geweest, vrijspraak. Ze voeren aan dat officier van justitie F. van Straelen in zijn bewijsvoering onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van kroongetuige Henry W. (44) uit Heemskerk. Advocaat Jebbink voert aan dat het Openbaar Ministerie een ‘duivelspact met een misdadiger’ heeft gesloten. Volgens hem is het gebruik van een kroongetuige een uiterst redmiddel als het onderzoek vastzit, dat was hier niet het geval. De advocaten noemen Henry W. ‘een uiterst onbetrouwbaar sujet,’ ‘Een schreeuwer en oplichter die altijd loopt te liegen en te bedriegen’ en ‘Een uiterst onbetrouwbare afschuwelijke man, die alles doet om eerder vrij te komen.’ Arjen K.: ‘En de officier van justitie heeft die Henry toegezegd dat hij geen straf zou krijgen. Dat mag niet, hij kan alleen beloven dat er een lichtere straf zal worden geëist.’

Arjen K. krijgt de zwaarste straf: vijftien jaar plus ontneming van zijn criminele vermogen. Ook Siem W. en Colombiaan Michael krijgen gevangenisstraffen en de eis tot ontneming van hun vermogen. Die zaken lopen nog. Arjen: ‘Als je gepakt wordt voor een drugstransport moet je niet zeuren, het is logisch dat je daar straf voor krijgt. Maar vijftien jaar? Er is in die hele zaak geen geweld aan te pas gekomen, er is niemand bedreigd of vermoord en als je dan ziet wat voor heisa er allemaal wordt gemaakt. Er is een hele ploeg van justitie, met advocaten, een week lang naar Venezuela geweest. Dat mag wat kosten.’ K. vindt dat hij de kosten die hij heeft gemaakt voor de verdediging van Henry W. terug moet krijgen. ‘Die 35.000 moet terug. Van Spong, of van die Henry.’

Arjen K. meent dat Spong de overgang van Henry W. van verdachte tot kroongetuige heeft begeleid. Spong ontkent dat (zie het kader met zijn reactie). Hoe nu verder? Henry is al jarenlang ondergedoken in Thailand, het zal niet meevallen hem daar zijn oude schuld te laten ophoesten. Arjen K.: ‘Ik denk dat ik maar eens een goed gesprek aanga met de advocaten Spong en Soriano. Ik vind het stijlloos.’”

Henry W. & Spong Advocaten

Naar aanleiding van het verhaal van Arjen Kaale vragen we advocaat mr. Gerard Spong om een reactie. “In 2003 heeft uw kantoor de heer Henry W. uit Heemskerk bijgestaan. Hij werd verdacht van betrokkenheid bij een drugstransport van 500 kilo vanuit Venezuela, in 2003. Toen hij hiervoor werd aangehouden heeft hij zich gemeld bij uw kantoor. De groep waar hij voor werkte, onder leiding van Arjen Kaale senior, heeft 35.000 euro aan uw kantoor betaald voor de verdediging van meneer W. Niks mis mee, maar: toen werd W., door zijn eigen stommiteit, bedreigd door Fred Ros, met wie hij tegelijk in het huis van bewaring zat. W. werd bang en werd kroongetuige. Vervolgens werd de hele groep ingeladen en veroordeeld. Daar zijn de heren nog steeds een beetje boos om. Dat geld was bedoeld om W. te verdedigen, en daarmee uiteraard de rest van de groep. Hoewel enige vorm van altruïsme in deze kringen niet ongewoon is, het geld was toch vooral bedoeld uit zelfbescherming. Arjen Kaale is met terugwerkende kracht nog ontstemd over de gang van zaken en vindt dat dat aan Welborn betaalde geld terug moet. We hebben inmiddels met Francisco Soriano gesproken, die volgens Kaale destijds nauw betrokken was bij de zaak, namens uw kantoor. Hij herinnert zich niets over een betaling. Als daar al sprake van is geweest is dat buiten hem om gegaan. Volgens hem was hij slechts een stagiaire die op een zaak was gezet. Dat Welborn kroongetuige is geworden kon hij zich niet herinneren. Vragen aan u: klopt het dat uw kantoor de heer Welborn heeft begeleid in zijn transformatie tot kroongetuige? En zo ja, was dat destijds bekend? En als bovenstaande juist is, vindt u dan dat de heer Kaale een punt heeft?

De reactie van Spong:

“Ik heb de heer Welboren inderdaad enige tijd samen met mijn (stagiaire) kantoorgenoot F. Soriano als raadsman bijgestaan. Ook herinner ik mij nog dat hij kroongetuige werd of zou worden. Aangezien ik geen kroongetuigen bijstand verleen en ook overigens om andere mij moverende redenen, heb ik de bijstand aan de heer W. beëindigd. Over de verdere gebeurtenissen en met name of hij een geldsom van de verdediging heeft ontvangen kan ik u – reeds bij gebreke van wetenschap – niet berichten.”

Dat blijft wat onduidelijk: Arjen K. weet zeker dat Soriano kroongetuige W. heeft bijgestaan, ook in hoger beroep. Nader telefonisch contact met Spong en Soriano brengt aan het licht dat dit klopt: Soriano is ‘op enig moment’ alleen verder gegaan met de verdediging van meneer W. en Spong kan zich voorstellen dat Arjen K. zich ‘in zijn kuif gepikt’ voelt, als hij degene is die het advocatengeld voor W. heeft betaald.

 

 

Het mysterie van Asten

$
0
0

Het Limburgse recherchebureau Centaur organiseert op 9 mei een stille tocht in Den Haag ter nagedachtenis aan alle slachtoffers van verjaarde moord- en vermissingszaken. Zaken met slachtoffers van vóór 1988 zijn verjaard. Judith Houben noemt het frustrerend dat tijdens onderzoeken naar de vermissingen van Marjo Winkens uit Schimmert (1975) en Hans Martens en Piet Hölskens (1974) uit Asten politie en justitie door verjaring niet meer alle registers ­kunnen opentrekken. De stille tocht begint op het Plein in Den Haag, waarna er handtekeningen worden aangeboden aan Tweede Kamerlid Gidi Markuszower (PVV). Na afloop worden er bloemen gelegd bij de Tweede Kamer.

De Zanzibar in Deurne. Hier waren Piet en Hans de laatste avond

De verdwijning van Piet Hölskens (22) en Hans Martens (22) had in 2012 waarschijnlijk opgelost kunnen worden, nadat een getuige met gewetenswroeging zich bij de politie had gemeld en cruciale informatie had verstrekt. Maar de politie kon er niet veel mee omdat alle mogelijkheden die een cold case team wél heeft, nu niet konden worden gebruikt. Vanwege de verjaring. De verdwijning van Piet en Hans is anders dan veel andere vermissingszaken. Hier geen ongeluk, geen ‘verdwijnen met de noorderzon’ en geen criminele achtergrond.

Pas in 2012, als hun ouders allang zijn overleden, komt er een doorbraak. Een getuige met gewetenswroeging vertelt in het diepste geheim aan de Criminele Inlichtingen Eenheid wat er is gebeurd. De jonge mannen zijn in de val gelokt en doodgestoken. Omdat Hans een geheime relatie had met de vrouw van de dader. Tientallen mensen moeten het geheim kennen, maar behalve die ene getuige deed nooit iemand zijn mond open. Of de zaak officieel wordt opgelost, is nog de vraag: politie en justitie kunnen niets meer doen. Verjaard. Maar in het dorp kennen velen het geheim.

In maart 1974 is Brabant in de ban van de moord op een winkelierster die bij een roofoverval in het winkelcentrum in Best is doodgestoken door een jongen uit Eindhoven. Premier Den Uyl maakt zich vooral druk om de dreigende oliecrisis. De Nederlandse televisie heeft nog maar twee netten. Op zaterdagavond 16 maart: Tita Tovenaar, ‘Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen?’ en de Berend Boudewijn Quiz. Niks om voor thuis te blijven en dat doen Piet Hölskens, Hans Martens en Wim Grein dan ook niet. In de wijnrode Fiat 850 Coupé van Piet vertrekken de drie vrienden uit Asten die avond rond half zeven van huis en zetten ze koers naar dancing De Vresselshut in St. Oedenrode. De jongens zijn vrijgezel. Hans is net terug uit militaire dienst. Hij leest graag strips, is van plan als los arbeider aan het werk te gaan. Piet, de jongste van negen kinderen, en Wim Grein zijn stratenmaker. Piet en Hans kennen elkaar al vanaf hun jeugd, maar pas de laatste maanden zijn ze bevriend geraakt en gaan ze vaak samen uit. De jongens wonen thuis, hebben het financieel niet al te breed, maar ook niks te klagen. Piet heeft een poosje als drummer in een bandje gespeeld, maar toen de anderen gingen trouwen was dat afgelopen. Zelf had hij een half jaartje verkering gehad, maar dat was net uit. Daar was hij nog weleens wat verdrietig over, maar niet overdreven.

Misschien is het nog wat te vroeg in de Vresselshut, of er is gewoon niet veel aan, maar de jongens hebben het daar tegen tien uur wel gezien. Ze vertrekken naar Jagerslust in Helmond. Als Panorama in 1975 een reportage wijdt aan de mysterieuze verdwijning vertelt Wim Grein dat hij er niks aan vond, in die club, dat hij naar buiten is gegaan en twee uur in de auto heeft liggen slapen. Dat kan. Maar Jagerslust stond bekend als een nogal frivole uitspanning, niet iedereen hoefde weten dat je daar was geweest. Wim Grein wordt ook nu ongaarne herinnerd aan deze episode van veertig jaar geleden. Toen een broer van Piet hem niet zo lang geleden benaderde, had zijn geheugen hem ernstig in de steek gelaten. En vroeg een zoon of zijn vader met rust gelaten kon worden.

Tegen drie uur die nacht vinden we het drietal terug in de Zanzibar in Deurne. Een gezellig café, dat op het punt van sluiten staat. In de Panorama van 1975 staat dat ze daar wat bier hebben gedronken en een tijdje hebben zitten praten met een broer van Piet. Wim Grein zegt dat hij de hele avond niks bijzonders heeft gemerkt aan zijn vrienden en ‘stomverbaasd’ was toen hij de volgende morgen hoorde dat ze niet thuis waren gekomen. Ze hadden hem tegen half vier bij zijn ouderlijk huis in de Dahliastraat in Asten afgezet en hij wist niet beter dan dat zij ook naar huis zouden gaan. Het ouderlijk huis van Piet, in de Cactusstraat, was tweehonderd meter verderop. Ze hadden het er niet over gehad dat ze nog iets anders van plan waren en dat ze zonder Wim nog ergens een afzakkertje wilden nemen. Of wat dan ook.

Het staat wel vast dat Piet en Hans die nacht niet naar de Cactusstraat zijn gereden, maar het zou 38 jaar duren voor het duidelijk zou worden waarom niet. De broer van Piet, die in Panorama wordt genoemd, en die in de Zanzibar nog met hem had gepraat, is Jan Hölskens. Zeven jaar ouder dan Piet. ‘We gingen toen niet veel met elkaar om. Ik was al getrouwd, ik had een eigen bedrijf, ik had een heel ander leven.’ Natuurlijk herinnert hij zich de verdwijning nog als de dag van gisteren en hij zocht ook mee, maar niet zo intensief als oudste broer Sjef die jarenlang geen dag rust had. Elf jaar later blikte Sjef in een tweede reportage in Panorama terug op die tijd en vertelde hij dat hij werkelijk alle horecagelegenheden en aanverwant had bezocht waar de jongens eventueel geweest zouden kunnen zijn en dat hij alle tips had nagetrokken. Alleen daarvoor al was hij zes keer in Parijs geweest. En de komende zomer wilde hij met zijn caravan op vakantie naar Zuid-Frankrijk en daar informeren of de jongens zich hadden gemeld bij het Vreemdelingenlegioen.

Riena, een zus van Hans Martens, was 19 toen haar broer verdween. Riena: ‘Ik woonde nog thuis. Hans was de oudste van zes kinderen, ik was de derde. Moeder kwam bij mij aan bed, op zondagmorgen. Dat Hans niet thuisgekomen was. Ik herinner me de vorige avond nog goed. We zaten buiten toen hij werd opgehaald door Piet en Wim. Hans had een gat in zijn sok, daar zei iemand wat van, maar hij zei: ‘Als ik loop zie je er niks van.’

Het was niks voor Hans om zomaar weg te blijven. ‘Hij was een moederskindje. Toen hij in dienst zat, kwam hij ook elk weekend naar huis.’ Hans had geen verkering. In het uitgaansleven kwamen broer en zus elkaar weleens tegen, maar ze hadden hun eigen gelegenheden. ‘Ik heb hem weleens in De Ruif in Asten gezien, maar dat hij de laatste avond nog in de Zanzibar in Deurne was geweest heb ik nooit geweten.’

De ouders deden wel aangifte. Riena: ‘Het eerste dat de politie zei was dat ze niet veel konden doen. Ze waren meerderjarig.’ Het zoeken werd vooral gedaan door de familie zelf. ‘Op een gegeven moment, een paar jaar later, werd Hans opgeroepen voor herhaling, van militaire dienst. Ik dacht: “Nu zullen ze hem wel gaan zoeken.” Dus niet. Ze hebben zijn soldatenkleren opgehaald, verder niks.’

In de eerste jaren zijn er, zoals bij zoveel spoorloze verdwijningen, ook de verhalen van mensen die ervan overtuigd zijn dat ze hen – of een van hen – na de vermissing nog hebben gezien. Maar uiteindelijk blijft iedereen met lege handen. En het gevoel dat er meer aan de hand moet zijn geweest, maar wat?

Met de kennis van nu is er één detail dat in een bijzonder licht komt te staan, maar dat toen amper aandacht kreeg. Dat gaat over het laatste gesprek van Jan Hölskens met broer Piet, in de Zanzibar in Deurne. Jan: ‘Ze kwamen daar rond een uur of drie binnen. Ik was er met mijn vrouw en wat vrienden. Toen Piet binnenkwam zei hij iets van: “Zo, jullie zijn ook nog laat op stap!” Hij zei: “Ik geef geen rondje, jullie zijn met te veel, dat is mij te duur.” Ik zei: “Je hoeft geen rondje meer te geven, ze gaan hier zo dicht.” Hij ging naar achteren, naar het bargedeelte. Even later kwam hij terug. Hij zei: “Ik ga nu weg, als ik terug kom heb ik meer geld dan jij.” Waarschijnlijk heeft hij toen met iemand iets bepraat in de bar.’

Na de verdwijning is er een hardnekkig gerucht dat de verdwenen jongens zich als drugskoeriers hebben laten inzetten. Broer Sjef, destijds in Panorama: ‘Ik kan me goed voorstellen dat ze in Jagerslust of elders in contact zijn gekomen met iemand die hen heeft gezegd: “Jullie kunnen 5000 gulden verdienen als je dit of dat even opknapt.” En dat het toen van kwaad tot erger is gegaan.’ Die geruchten zijn gecheckt door de politie, maar er blijkt geen enkele aanwijzing voor. Met de kennis van nu: het ligt erg voor de hand dat Piet en Hans die avond in de Zanzibar inderdaad zo’n soort voorstel hebben gekregen. Maar niet om dat echt te doen, maar als lokmiddel. Dat verklaart die opmerking tegen zijn broer; dat verklaart ook waarom ze na het afzetten van vriend Wim niet naar huis zijn gegaan.

Piet Hölskens

 

Het duurt 38 jaar voor er licht komt in deze duistere zaak. In december 2012 wordt Riena, een zus van Hans Martens, gebeld door een rechercheur van de politie Eindhoven. Riena: ‘Het ging over de verdwijning van Hans. Hij zei dat er iemand was geweest die gewetenswroeging had en een verklaring wilde afleggen. De getuige wist precies te vertellen wat er die fatale avond gebeurd was. Dat Hans en Piet allebei dezelfde avond vermoord zijn. Dat ze zijn begraven onder een weg in Duitsland; bij Venlo de grens over. Deze getuige had ook gezegd dat de aanleiding van deze moord kwam door een ruzie over een relatie in een huwelijk. Beiden waren bij dit conflict betrokken. De rechercheur zei dat ik namen moest namen van mensen die we kennen en als ik de naam noemde zou hij met ja of nee een bevestiging geven, of het de moordenaar was. Helaas ken ik niet alle mensen waar zij mee omgingen destijds. De namen die ik noemde waren allemaal niet de juiste. De rechercheur bevestigde dit telkens met ‘nee’. Ik moest namen zoeken die betrekking hadden op stratenmakers en het aanleggen van wegen. Hij zei ook dat ze weer met de zaak bezig waren omdat ze het nu definitief opgelost wilden hebben, na bijna 40 jaar. De zaak interesseerde hem enorm.’

Er is nog aan aanwijzing: de achternaam van de dader begint met een letter ‘uit het begin van het alfabet.’

Het telefoongesprek met de Eindhovense politie wordt gevolgd door een bezoek van de wijkagent uit Asten. Riena: ‘Dat telefoontje was ’s morgens, ’s middags om kwart voor drie stond de wijkagent aan de deur. Hij wilde graag een gesprek met ons omdat hij gehoord had van rechercheur uit Eindhoven dat die met de zaak bezig was. Wat de wijkagent te vertellen had kwam overeen met wat ik al had gehoord, met één aanvulling: de getuige die het verhaal had verteld verbleef veel in Turkije, ze konden hem niet altijd bereiken. Ik vroeg of wij DNA moesten afgeven, als ze gevonden zouden worden. Dat was inderdaad het geval. Hij zei ook dat als de getuige definitief een verklaring zou afleggen, dan moest dit via de officier van justitie.’

Je zou denken: iemand vertelt wat er is gebeurd en de zaak is opgelost. Maar zo eenvoudig ligt het niet. De getuige heeft zijn verhaal in het diepste geheim verteld aan een rechercheur van de Criminele Inlichtingen Eenheid. Dat kan niet zomaar worden gebruikt. Misschien had zelfs helemaal nooit iemand hier iets van mogen weten, maar mogelijk had de getuige wel toestemming gegeven wat verkennend onderzoek te doen. Hij was natuurlijk niet voor niks na al die jaren alsnog naar de politie gestapt. Voor een officieel onderzoek zou er heel wat moeten gebeuren, zeker in een zaak die al zo lang is verjaard. Duidelijk is wel dat de politie een gedetailleerde verklaring heeft gekregen, met naam, omstandigheden, plaats delict en motief.

Na het eerste gesprek en het bezoek van de wijkagent gebeurt er niet veel. Riena: ‘Ik mocht er met niemand over praten, dus dat heb ook niet gedaan. Ik heb wel zelf nog een keer telefonisch contact gezocht met die rechercheur uit Eindhoven. Hij zei dat ze nog niet veel meer wisten omdat de belangrijkste getuige veel in het buitenland verbleef. Hij zei wel dat de dader bekend was met de plek waar ze liggen. Hij was aan deze weg, waar ze onder begraven zijn, aan het werk en had toegang tot deze plek. Als er meer informatie bekend was zou hij contact opnemen.’

Een paar maanden later komt de wijkagent langs met de mededeling dat de zaak bij de officier van justitie ligt, in verband met het verhoor van de getuige. Riena: ‘Hij zei dat de zaak niet kon verjaren, ook niet na zo’n lange tijd.’

Er gaan weer een paar maanden overheen, dan belt de agent dat Riena de familie bij elkaar moet roepen voor een gesprek waar het een en ander zou worden toegelicht. ‘Maar op de dag van het gesprek stond de wijkagent ‘s middags aan de deur met een niet-plezierige mededeling. Het gesprek kon niet plaatsvinden. Een familierechercheur zou contact met ons opnemen. Ik heb de familie ingelicht en het gesprek afgezegd. De familierechercheur heeft nooit contact met ons opgenomen.’

Het blijft stil. Op alle fronten. Toevallig besteed ik in september 2013 op de website misdaadjournalist.nl kort aandacht aan de zaak, als het gaat over enkele oude vermissingen. ‘Ik kwam er pas twee tegen waarvan het mij wat verbaast dat je er nooit meer iets over hoort. Die twee Brabantse mannen, Piet Hölskens en Hans Martens, zijn waarschijnlijk bij een eenzijdig ongeluk met hun auto te water geraakt, maar dat je daar dan nooit meer wat over leest…’

Daar blijft het bij.

Tot de zomer van 2014.

Door een toevallige samenloop van omstandigheden komen de families Hölskens en Martens met elkaar in contact. Jan, de broer van Piet, is op zijn manier nog bezig met de verdwijning en zoekt een foto van Hans Martens. Zodoende komt hij bij Riena terecht. Die hem dan vertelt over wat zij in december 2012 van de politie te horen gekregen heeft. Hölskens valt bijna van zijn stoel. Ook omdat hij het vreemd vindt dat alleen de familie van Hans hierover is ingelicht en de familie Hölskens helemaal niet. Wat deels te verklaren is door het feit dat broer Sjef, die zich er destijds zo intensief mee bezighield, inmiddels overleden is. Maar vanaf dit moment is broer Jan niet meer te stoppen en stort hij zich op het onderzoek en op alle aanknopingspunten. En neemt hij ook contact op met ‘misdaadjournalist.nl’; een paar dagen later is het eerste gesprek, met Riena en Jan. Het resulteert in een kort bericht op de site, op 10 juni. ‘Volgens een familielid heeft zich een getuige gemeld die meent dat er sprake is van een misdrijf. Een dubbele moord. Die nog net niet verjaard zou zijn. Twee keer twintig is veertig? Maar dan nog: de verdwijning was op 16 maart, dan zouden de moorden ook nog eens drie maanden later gepleegd moeten zijn. Ben benieuwd of we hier nog meer over horen.’

Jan Hölskens heeft inmiddels contact gezocht met de politie. Het leidt tot een gesprek op 12 juni. Twee wijkagenten zijn daarbij aanwezig en familieleden van beide kanten. Jan Hölskens noteert:

-Eind 2012 is er bij de CIE (Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid) informatie bekend geworden dat een persoon in 1974 betrokken is geweest bij de moord op Hölskens en Martens.

-Die persoon heeft de twee mannen uit Asten om het leven gebracht nadat ze op stap waren geweest in Deurne.

-Hij heeft ze naar een bepaalde locatie gelokt.

-Hij had al langere tijd problemen met een van de twee mannen.

-Hij heeft die man tijdens een ruzie doodgestoken en de vriend ook omdat die getuige hiervan was.

-Hij heeft de auto laten verdwijnen.

-Hij heeft de twee lijken in een auto meegenomen naar Duitsland, waar hij werkzaam was in de wegenbouw, waar hij gezien die werkzaamheden de lijken gemakkelijk kon laten verdwenen.

-Door de recherche is onderzoek gedaan of er opsporingsmaatregelen genomen konden worden. Het bleek dat de moord in 1992 al was verjaard. De uiterste termijn van 2010 was eveneens verlopen.

Wat te doen? Aandacht in de media zou in Asten de zo lang stilgehouden tongen wel in beweging brengen. Er moeten heel wat mensen zijn die het geheim kennen. Mondjesmaat is er wat meer informatie gelekt. Hans had een geheime relatie met de vrouw van de vermeende dader. Toen de bedrogen echtgenoot dat ontdekte, had hij besloten deze liefdesrivaal rigoureus van het toneel te laten verdwijnen. Piet Hölskens was ‘collateral damage’: die had de pech dat hij wél een rijbewijs had en Hans niet. Vermoedelijk is de rode Fiat van Piet ergens gedumpt of gesloopt, de lijken zijn in Duitsland begraven onder een weg in aanleg. Daar moeten meer mensen bij zijn geweest. De ‘overspelige vrouw’ en ‘de getuige met gewetenswroeging.’ Die laatste moet iemand zijn die samenwerkte met de dader. Vriend, collega? Al die jaren zijn mond gehouden door zwijggeld, of vanwege medeplichtigheid?

Er is overleg met de politie. Iedereen wil deze zaak graag opgelost zien, maar er zijn tal van haken en ogen. Contact met justitie heeft duidelijk gemaakt dat er weinig kans is op een officieel onderzoek. Het enige dat overblijft is de getuige nog eens te benaderen, om hem te bewegen een officiële verklaring af te leggen, en om de verdachte zelf te benaderen.

Daar gaat wat tijd overheen. Maar op donderdag 18 december is het zover en gaan twee gespecialiseerde rechercheurs van de politie uit Eindhoven het gesprek aan met ‘de dader’. De enige hoop is dat hij ook iets van gewetenswroeging heeft, maar er is geen enkele sanctie mogelijk en iedereen beseft dat de man bij een bekentenis alleen maar te verliezen heeft. Het gesprek levert dan ook niks op: ‘Ik weet van niks.’

Meer officiële opties zijn er niet. Omdat er tenminste drie personen bij de moorden en het wegwerken van de lijken en de auto betrokken zijn geweest, moeten er in Asten aardig wat mensen van de hoed en de rand weten. Niemand kan zo’n geheim zoveel jaar voor zichzelf houden. Maar of iemand zich nog geroepen voelt eindelijk de waarheid te vertellen, om aan de nog altijd martelende onzekerheid bij de nabestaanden een eind te maken?

Voor de ouders hoeft het niet meer: die zijn allang overleden. In het gesprek met Panorama in 1985 zegt Sjef Hölskens dat hun ouders van verdriet gestorven zijn. ‘Mijn moeder heeft elf jaar lang voor het raam zitten wachten, ik heb haar nooit meer horen lachen.’

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Jan Hölskens is zelf op onderzoek uit gegaan. Hij heeft contact gehad met de politie in Duitsland. Daar wil men best helpen zoeken, maar dan moet er eerst een officieel verzoek komen uit Nederland. Hölskens heeft ook uitgezocht welke wegen er in de betreffende periode in Duitsland zijn aangelegd en welke bedrijven uit Nederland daar werkzaam waren. Bij Venlo de grens over: dat kan maar één locatie zijn. De weg tussen Straelen (aan de grens) en Kerken. Die is in 1974 aangelegd. Die weg is tien kilometer lang. De getuigen van toen kunnen de plek aanwijzen, maar ook in het gunstige geval – mét een bekentenis van de dader en medewerking aan het zoeken – zullen er nog heel wat auto’s over het asfalt razen voor het geheim van Asten definitief is ontrafeld.

Gekke telefoontjes

In langdurig onopgeloste zaken zijn er vaak details waar iedereen zich het hoofd over breekt en waar soms pas na de ontknoping duidelijkheid over komt. Omdat alleen de dader het antwoord kent. Zo waren er na de vermissing van Piet en Hans ‘gekke telefoontjes’. Panorama, in 1975: ‘De familie Hölskens wordt de laatste tijd regelmatig gebeld door iemand die volstrekt niets zegt als er eenmaal is opgenomen. Eén keer werd er een rare kreet geslaakt, iets in de trant van “Aaay…,” maar wat dat te betekenen kan hebben weet geen hond. Het vreemde is dat de familie Martens precies hetzelfde overkomt en dat rechtvaardigt het vermoeden dat er een relatie bestaat tussen de verdwijning van Piet en Hans en het macabere optreden van die geheimzinnige telefonist, die overigens slim genoeg is om de verbinding telkens na tientallen seconden te verbreken, zodat het technisch gesproken een vrij hopeloos karwei is om te trachten na te gaan van waar wordt opgebeld.’

Bloody war in Dublin (Kinahan vs Hutch): the Dutch Connection

$
0
0

Sunday evening, February 5, 2017. A 27-year-old Amsterdammer of Nigerian origin clashes with patrol agents. He has just survived a murder attack. In Club Smokey, at the Rembrandt Square, some drunken guys had put a gun on his head. He is only alive because the fact that the weapon misfired. The police enter the club and arrest two Englishmen and two Irishmen. During the search, they find three pistols and a silencer. One of the weapons is in a bin, the other two under a cushion.

The Irish newspapers take an interest and send journalists to Amsterdam. They spread out broadly about Smokey and the bandits and about the detention of ‘Kinahan enforcer’ Gareth Chubb (29). ‘Enforcer’ means a violent person who applies the rules on behalf of a group. While the police are normally very reticent towards the Dutch media, the Irish newspapers report them declaring that the four-man gang had arranged a meeting with the Dutch Nigerian intending to kill him. An Irish newspaper reports ‘a Dutch police source’ saying that it seemed to be a targeted action by the Kinahan gang in Amsterdam. The Dutch newspaper Het Parool agrees that the Irishmen arrested belong to the crime syndicate of the Kinahan family. “One of them would be a prominent member of the clan,” it says. According to Het Parool, Gareth Chubb is responsible for the trade in cocaine, heroin and cannabis in the labor districts of southern Dublin, for the infamous Kinahan cartel.

On May 23 there is a lawsuit against the four men. All are suspected of possession of prohibited firearms and Gareth Chubb of attempted manslaughter. One of the four has since been freed due to personal circumstances. The Public Prosecutor’s Office will not release anything about the incident, but according to Panorama’s sources, the group had been partying for a few days in Amsterdam and had ordered coke from the Nigerian, who had underestimated these ‘tourists’ and had sold them baking soda. It might have been just another café dispute, if not for the remarkable number of weapons found there. The Amsterdam police reveal that they have “absolutely not” not communicated with Irish journalists about the character of this incident.

Was or is Gareth Chubb a “leading member” of the Kinahan clan? Panorama tried to get in contact with the Kinahan family. Son Daniel has now taken over the reins of ‘Dapper Don’ Christy Kinahan. Neither of them wants to speak to a journalist directly, but we can submit the questions through a trusted person (TP). About the incident in Amsterdam, the TP says: “Gareth Chubb has nothing to do with the Kinahan family and does not work for them either. He is friends with ‘Fat Freddie Thompson’; he has a good relationship with the family.”

Fat Freddie (35) could not be in Amsterdam: he was arrested in November 2016 for a murdering a drug dealer in Dublin.

The first attack in the bloody feud between the Kinahan and Hutch families came on August 4, 2014 in Marbella, on boxer Jamie Moore, near the MGM gym of Daniel Kinahan, the oldest son of Christy Kinahan. The attack is like a thunder in clear sky. Initially, nobody understands why someone would do this to Jamie. He is shot in his head and knee and his boxing career is ruined for the time being.

It takes a while before it becomes clear to the Kinahans what happened. The clue is in the car used by the attacker: a BMW that was from Mink Kok, an infamous Dutch criminal. Mink was a confidant of the Kinahans and stayed regularly on the Costa. When he was jailed in Lebanon for a long time, his car in Marbella was left standing. The Spanish police investigation shows that this BMW was used by the attack on Jamie Moore. Those commanding the attack had used the car because they already had it, it was not stolen. It must have been an inside job and, given the situation and circumstances, it is concluded that the attack was intended for Daniel Kinahan and that the gunman had been mistaken.

Back to the beginning. Christopher Vincent Kinahan was born in 1957 into an Irish family in London, where his father had a business; not, as is often mentioned, in Dublin. In the sixties they did in fact return to Dublin. Christy was the black sheep of an otherwise straight family. He didn’t like studying at school and was only interested in judo. At the age of 22, he was first convicted of car theft and burglary. He was already married and had a son.

In a documentary broadcast on Irish television in 2016, crime reporter Stephen Breen said that from the beginning Christy Kinahan was different from other criminals: he had good manners and was not violent. He initially focused on cheque frauds, but from 1985 would have been in drug trafficking. From that time on, he started travelling through Europe. In March 1987 he was sentenced to six years imprisonment. In the infamous Mountjoy jail he was later transferred to Limerick maximum security prison where he met John ‘the Colonel’ Cunningham, a robber who also later landed in drug trafficking. Cunningham had specialized in abductions in the 1980s, most spectacularly that of banker’s daughter Jennifer Guinness (48) in 1986. She was freed by police after eight days in captivity and Cunningham was sentenced to 17 years. In the Irish prison, John and Christy became “friends for life”; Cunningham would often later be called “the right hand of Kinahan.”

In September 1996, Cunningham managed to escape. He fled to the Netherlands and set up a chain in Amsterdam for trading in xtc and hash. A flower transport company served as a cloak. The Irish police kept a close eye on it, together with the Dutch police. Cunningham lived in a luxurious rental house with heated indoor pool in Weteringbrug, near Amstelveen. In 2000 there was an importation involving ten million euros of weapons and drugs and Cunningham and seven gang members were arrested. Cunningham was sentenced to nine years and delivered to Ireland where he had to sit out for the rest of his sentence for the kidnapping of Jennifer Guinness. When his detention ended in 2007, he left for Marbella, where he was warmly welcomed by Christy Kinahan, who had settled there.

When Cunningham escaped from the Irish prison, Christy remained in Portlaoise maximum security prison (he was there from 1998 until 2001). He did what he would always do: use the lost time to study. He had taken Social Studies, Psychology and Politics with the Open University from 1986 until 1991. He later studied Renewable Energy and Business Studies whilst in prison from 1998 until 2001. After his release, he worked in a social-based community project where he input data onto social sites. He also leased a mini-supermarket and ran this business whilst studying, but there was very little money earned so he returned to what got him in trouble in the past.

In 1993 he was arrested in the Netherlands. Up to April 1996 he was in several prisons, from the Bijlmerbajes to Norgerhaven. There he studied Dutch, a language that he still speaks. After his release, he lived in the Netherlands, but sometimes traveled illegally to Ireland. That went well until he wanted to go to the funeral of his father in 1997: the police waited for him. He was stuck until 2001. After his release, he returned to The Netherlands, where he married Jacqueline Kallenbach on October 30, 2001. A well-kept secret: only in 2016, an Irish journalist revealed that this Jacqueline is no less than our Jacky Hagemann, the wife of the lifetime-convicted Louis Hagemann. They were married in prison. Jacqueline was not amused when this detail was discovered about her life. According to the Irish journalist, she had eventually denied that she was the one and said it was about her sister.

Christy lived with Jacqueline in Almere-Haven. He traveled a lot back to southern Spain and had a home in London. The relationship with Jacqueline did not last long: he left and settled with a new love in a villa in a leafy avenue in Brasschaat, Belgium. He often went by bike to the Kaasrui in Antwerp, where he established a limited company in 2007. An attempt to buy and let the building of the gambling hall Fantasy in the center of Antwerp for 1 million euros to grow into luxury apartments failed. The Belgian justice arrested him. The police searched his house and took documents. A cash machine and tens of thousands of euros of cash were found. Kinahan refused to tell the police where the money came from and was sentenced for money laundering.

After a year in prison he released on bail and left for Spain; in 2010, he received an appeal for another four years. On that occasion, when he was waiting at the Court in Antwerp, he was addressed by Paul Williams, a renowned Irish crime reporter who followed the Kinahans for years. In the book Organized crime in the Low Countries part II of 2015, the Belgian journalist Joris van der Aa writes that Kinahan laughed like a farmer with a toothache, that he grabbed Williams warmly at his shoulder and whispers him in his ear: “Paul, you still know that you were in the whores in Marbella. So we have pictures of that.'” In the book, Williams denies having been there.

One of the biggest actions against organized crime in Europe was in May 2010, under the name of Operation Shovel. A total of 750 police officers invade England, Ireland, Spain, Brazil, Belgium and Cyprus. 32 suspects were arrested. The chief suspect wais Christy Kinahan. The Spanish police hit the door of his 10 million euro villa in Marbella and hold him and his sons Daniel and Christy junior, as well as John Cunningham. According to a police spokesman, it is one of the most successful actions ever against international organized crime in Europe. In reality, there’s nothing to brag about: all suspects are released. There only remains a suspicion of money laundering, but nobody has heard any more about it. The Kinahan group will not again be in the picture until August 2014, after the first attack on Daniel Kinahan.

The current feud between the Kinahan and Hutch families goes back to Dublin in the 1980s. The Kinahan family lived on the south side, the Hutch family on the north side. Jokes were made over and over again between the two, a bit like our Amsterdam-Zuid and De Pijp: the women of the south have real jewels and fake orgasms, the women of north have fake jewels and real orgasms.

A crucial moment came in February 2008. The infamous Irish gangster Patrick Doyle was liquidated in Marbella. He had ripped a Turkish drug gang, along with companion ‘Fat Freddie’ Thompson. When the Turks came to see them, Freddie showed them two fingers and Patrick laughed at them. The Spanish police them to take the Turkish thread serious, but they were insensitive. The Kinahans had nothing to do with this case, but it became a ticking bomb. Gary Hutch, a cousin of Gerry “the Monk” Hutch, had been seen in a car with Doyle and Thompson and had thus received the attention of the police.

Gary often lived in Marbella and was a good friend with Daniel Kinahan, at the moment there were no problems between both families. A call between Gary and Daniel Kinahan was enough to involve the Kinahans in the investigation, and according to the Kinahans, this was the starting point of Operation Shovel, which would lead to massive attacks in 2010. Gary was already looking forward to the Netherlands. Not until 2010, after the Shovel operations, that he returned and spent a lot of time with Daniel Kinahan in Marbella. Daniel had thought of him as a friend but now he is convinced that Gary has been used by the police as an informant, perhaps for years. And that Gary was involved in the assassination aimed at him that struck Jamie instead. “He could have known,” said the confidant, “at the time of his mother’s funeral, there was written on a wall: “Gary Hutch is a rat.” Daniel could not believe that. “The fact is that in September 2014 Gary Hutch will be liquidated in Marbella. He is the first deadly victim in the fat; There would be many more.

Was it time to turn? It has been tried. At Madrid airport at the end of January 2015, a peace talk took place, initiated by Christy Kinahan. Present were Christy Kinahan, his son Christopher and John Cunningham, on one side, while on the Hutch were Johnny Hutch (father of Gareth Hutch, he was later murdered during the feud) and Patsy Hutch (father of murdered Gary). Kinahan claims that Patrick Hutch junior must leave Ireland and that the Hutch family pays the cost of nursing the shot boxer Jamie Moore. That is an amount of 200,000 euros. Daniel Kinahan paid this to him, but he thinks the Hutch family is responsible for this and so has to pay.

The Hutch family say they will discuss it. In the Irish newspapers is written that this money was paid; The Kinahans deny it. The response to the peace proposals is given a week later: the attack at the Regency Hotel in Dublin, intended for Daniel Kinahan.

Occasionally, a little more emerges about the backgrounds. Especially about someone who would like to keep himself in the shadows: George Mitchell, alias the Penguin. Well known in the Netherlands: he had been living here since the mid-nineties. In 1998, he was arrested for theft of computers from an Irish truck at Schiphol and sentenced to two years’ imprisonment. He lived with his Dutch-Moroccan wife and their children in Amsterdam. In the war between Kinahan and Hutch, Mitchell tried to keep in the background as much as possible, but that was difficult. On the one hand he had good contacts in Hutch circles. On the other hand, he and his right-hand man Robbie Murphy – his financial man – worked together for years with the Kinahan group.

It seems that Mitchell had chosen Hutch’s side when the problems between both families began. As a result, the Hutch family was hit by the fact that the Kinahan Kartel controlled drug delivery routes from South America, thanks to their good Dutch trade contacts. People from the Hutch group would also have violated a 200 kg cocaine run of the Kinahan’s, after which Mitchell and Murphy were threatened by someone from the Kinahan Kartel. Shortly thereafter – in August 2014 – the first failed attack on Daniel followed. Daniel later found out that Mitchell and Murphy both knew one day before the attack that it would happen and that they had not warned him. The Kinahans concluded that Patrick Junior was turned to murder by his own father, but that Mitchell and Murphy did not intervene in their own interests. If the attack on Daniel had been successful, Mitchell and Murphy would have been given the opportunity to collaborate with the Dutch group and outplay the Kinahan Kartel.

At the second attack on Daniel Kinahan, February 5, 2016, a murder command enters the Regency Hotel in Dublin during a weigh-in prior to a boxing gala. When they can not find Daniel, they kill one of his friends: David Byrne. Patrick Junio, who was involved in the first murder attack, is being held as one of the suspects. It is reported that when Robbie Murphy heard that the attack on the Regency Hotel had been a failure, he left his home in the leafy suburbs of Amsterdam, where he lived, and would have concluded that it was wise to leave the Netherlands for the time being. Nobody knows where he stays. George Mitchell also left. According to Irish newspapers, he moved to Spain, then to Morocco and later to an unknown destination.

Irish newspapers report that after the second failed attack on Daniel, Mitchell and Gerry Hutch spoke to each other at least once in the Netherlands. Hutch was in England, the Netherlands and Spain to mobilize contacts in the war against the Kinahans. According to The Sunday World, Mitchell maintained contacts with Moroccan drug gangs and Colombian drug cartels. Was this the meeting Martin Kok had heard of? On July 20, 2016, he wrote on his website: “I walked for three days after I got a tip that Gerry Hutch alias the Monk was seen in Volendam. I sat well on the terrace at the harbor and then there Gerry Hutch alias Monk came for a bike ride. I got crazy and quickly picked my mobile, but he had been cycling again.”

According to Irish newspapers, Hutch and Mitchell would then have told that the war will not end before Daniel Kinahan is dead. Meanwhile, Mitchell and other Irish criminals known as Hutch’s friends would have left Christy Kinahan the message that they did not want to be a party to the conflict: please, leave us out.

In the Irish newspapers, everything that has to do with Kinahan is big news. Which doesn’t mean it’s always true. In April 2016, Naoufal (“Noffel”) F. (36) was accidentally detained in a Dublin house where the police attacked because they thought Daniel Kinahan was there. The story with Noffel is going to lead its own life, not least because Irish media used Martin Kok’s website Vlinderscrime as a serious source. Martin was fed with some incorrect and uncontrollable information, especially about the Kinahans and the Noffel Mocro group. In the Irish media, Noffel was set as one of Europe’s biggest drug criminals and assassins and as a head of the Kinahan cartel. One of the theories about the liquidation of Martin Kok on December 8, 2016 is that it has to do with the stories about Noffel and his alleged connections in the Irish media.

Even without Martin Kok, the Irish are getting their stories. At the end of January 2017, Paul Williams wrote in The Irish Independent that the Kinahan cartel had put a price of 1 million euros on Gerry ‘the Monk Hutch’ his head. “Relatives of the murdered drug dealer David Byrne want to kidnap the old gangster so that they can torture him,” said a source. “The contract would have been extinguished by a number of international drug gangs.” The newspaper has to withdraw the allegation soon. There is not one serious source for the story, let alone two.

What is actually true? According to the confidential person, the Kinahan family never co-operated with Noffel and did not know him at all until he was detained in that house. A friend of a brother had arranged this, as a friendship service, because Noffel was temporarily looking for shelter.

In the Irish media, sympathy is on the side of the Hutch family, of which the journalists make no secret. The Kinahans are seen as the hard gangsters of a mega-rooted drug cartel, Hutch they see more like a kind of Robin Hood. Not only the press, but also the Irish police would be more favourable to Hutch and very anti-Kinahan. For example, according to the newspapers in November 2015 at the Red Cow Hotel in Dublin, at a boxing gala, a failed attack was made on Liam Roe, a cousin of ‘Fat Freddie’ Thompson and also a renowned Kinahan associate. That was quite widely reported in the press, but in reality, Liam was not present at all, and the Kinahans think the attack was intended for Daniel Kinahan.

According to the confidential person, both the Kinahans and the police were warned at the time and there were rumors that a new attempt was being made on 5 February 2016 at the Regency Hotel. Everyone was therefore very careful. That the police continued this event would have been the presence of ex-Ira members, of the Irish Republican Army, who were followed by Irish undercover agents and a British detective. Nevertheless, after the shooting, it took 23 minutes before the police appeared officially. The Kinahans argue that photos of them appeared in the media the next days, while the photographs of the killers were not to be published. Later, one of the victims of the series of liquidations, Eddy Hutch, was labeled in the Irish media as an innocent taxi driver. According to the Kinahans, he had arranged the weapons that were used in the Regency Hotel.

MURDER IN THE SINGER STREET

George “the Penguïn” Mitchell, has been living in the Netherlands for a long time. What few people know is that in 2000 his son-in-law, Derek ‘Maradona’ Dunne, 33, was murdered in Amsterdam. His nickname is thanks to the fact that he was a good football player in Ireland. After moving to the Netherlands he became a major supplier of hash, heroin and xtc to Ireland. He lived with his wife Rachel and their two children in the Singer Street in Amsterdam. On June 3, 2000, at 10.30 p.m., there is unexpected visit. Rachel looks through the spyhole. Good people: A good friend of Derek’s from Liverpool. She opens the door. Then it turns out that the good friend is handcuffed; he was abducted earlier that day. He is pushed in by an Amsterdam criminal and a Croatian. The man from Amsterdam is retrieving his money for a lot of bad drugs that Dunne had delivered. They throw Rachel on the ground and shout that Dunne has to appear. Dunne calls: “So you wanted your money?” and shoots the man from Amsterdam in his head. The wounded man flees with the Croat. Dunne runs after him and gets hit in a firefight. The men escape, Dunne has been hit four times in his back and dies in the hospital. The Croatian who has unloaded the fatal shots is arrested and convicted. During the search, the police finds a quarter of a million euro in cash and a huge amount of hash.

KINAHAN: WITH PRINCESS AMALIA IN CEMENT AND GOLD

An Irish TV documentary broadcast on the Kinahan Kartel in 2016 claims that Kinahan has invested his capital and earns money in cement, sugar and gold. A Spanish document was displayed as proof. “A 55 dólares americanos para venderlas a 97”. Crime reporter Owen Conlon of The Irish Sun claims that Kinahan purchased the cement for $55 per tonne and sold for $97 and transported between countries like Angola and Namibia and Dubai.

This story picks up in several newspapers, but is based on a misunderstanding. In December 2003, Christy Kinahan was detained in Belgium for one year. He was figuring out: “How can I make money with cement and gold?” After all, that is a lot less risky than drugs or weapons. The Dutch Princess Amalia had just been born and Kinahan founded an English Limited under the name of Amalia Trading. In prison he set up a complete financial model, concluding that there is no profit in this trade. It has been pure theory, but the Belgian justice had found the documents and added to the file. The Spanish police did not understand much about it.

Viewing all 166 articles
Browse latest View live