Quantcast
Channel: Reportage – Misdaadjournalist
Viewing all 166 articles
Browse latest View live

De Neus, de Allesweter en de Leipies

$
0
0

Bij het proces tegen Willem Holleeder zijn twee ‘rode draden’ te zien: ruzie over het losgeld en ‘de menselijke factor’. Misschien zijn al die liquidaties en het bloedvergieten terug te voeren op één opmerking van Cor van Hout, die John Mieremet ‘schele’ noemde. Hij wás scheel, maar er was niemand die dat hardop tegen hem durfde zeggen. Behalve Cor.

In de jaren negentig van de vorige eeuw was herenmodezaak König in de PC Hooftstraat in Amsterdam the place to buy voor mannen uit de betere kringen. Niet alleen keurige zakenlieden en deftige heren van het oude geld werden hier met alle egards behandeld, ook de nieuwe rijken maakten hier hun opwachting. En die heb je dan ook nog in soorten en maten. Volksjongens die een overvloed aan contant geld hebben dankzij de drugshandel of andere criminele activiteiten. Het moet ergens in 1995 geweest zijn toen zich hier een akkefietje afspeelde tussen Cor van Hout en John Mieremet dat grote gevolgen zou hebben.

Maffiabaas Klaas Bruinsma was een heer van stand, uit een goede familie, maar zijn opvolgers hielden er andere normen en waarden – en fatsoensregels – op na. Sam Klepper (geboren op 29 april 1960) en John Mieremet (geboren op 10 mei 1960) kwamen allebei uit de Kinkerbuurt. Toen hun baas Bruinsma in juni 1991 werd vermoord, hadden ze al een reputatie opgebouwd als killers. Spic en Span. Waarbij Mieremet de boekhouder was, Klepper de geweldsman. Allebei een paar jaar jonger dan de Heinekenontvoerders Cor van Hout (geboren op 18 augustus 1957) en Willem Holleeder (29 mei 1958). Een leeftijdsverschil dat bij het ouder worden wegvalt, maar rond de twintig aanzienlijk is. Vooral Cor heeft zich daar op verkeken.

Poppen aan gort

Tijdens het proces kwam ter sprake dat ze elkaar van vroeger kenden. Holleeder vertelde: “Klepper wilde een keer een wapen verkopen bij café Arie, dat was nog voor de ontvoering, toen hebben we hem uitgelachen. Toen hebben ze nog op die poppen geschoten bij König, omdat ze te weinig korting kregen. Hebben ze die poppen aan gort geschoten. Dat zei Cor, dat hebben die twee gedaan.”

De Heinekenontvoering was in november 1983. Dit was daarvoor. Klepper en Mieremet waren toen nog geen twintig. Daarna leefden ze door omstandigheden in nogal gescheiden werelden: Klepper en Mieremet maakten een pijlsnelle carrière in de Amsterdamse onderwereld, Cor en Willem zaten van 1983 tot begin 1992 in de gevangenis hun straf uit. Toen ze terugkeerden in het Amsterdamse, hadden ze aanvankelijk niet te maken met ‘Sam en John’. Cor en Willem waren vooral bezig met investeren in onroerend goed; Cor had daarnaast weer wat connecties aangeknoopt in het hasjcircuit. Tijdens het proces werd dit zo besproken:

Rechter: De problemen tussen Cor en Sam Klepper en John Mieremet gingen om een mislukt drugstransport, Cor werd daar verantwoordelijk voor gehouden. Wat het nog erger maakte: Cor had hen beledigd in kledingzaak König in PC Hooftstraat, nadat ze hem hadden aangesproken op dat mislukte transport. Cor had John ‘schele’ genoemd, in die tijd durfde niemand dat, zei u. 

Holleeder: Klopt.

Rechter: Wist u dat Klepper en Mieremet gevaarlijk waren?

Holleeder: Dat wisten we niet op het moment dat we bij König waren. Toen we eruit kwamen, heeft Cor gezegd: “Ach, die twee leipies.”

Rechter: U leefde in de onderwereld. U was sinds 1992 vrij. Wat had u dan in die vier jaar opgepikt over Klepper en Mieremet?

Holleeder: Eigenlijk niet veel. Pas toen de problemen begonnen, die waarschuwing in de PC Hooftstraat, toen is dat gaan spelen. Cor kreeg een waarschuwing van Klepper bij König (exclusieve herenmode)in de PC Hooftstraat. Daar was hij naar binnen gestormd, daar stond ik bij. Hij waarschuwde, hij liep weg, en hij zei: “Maar je bent er nog niet vanaf, jongen.”

Grote mond

Wanneer dit conflict bij König zich afspeelde is niet helemaal duidelijk, maar het moet in 1995 of begin 1996 zijn geweest. Cor van Hout manifesteerde zich in het Amsterdamse als het alfa-mannetje: hij was met afstand de populairste crimineel van Nederland. De nummer één. Niet alleen door zijn reputatie, die mede te danken was aan de bestseller van Peter R. de Vries over de Heinekenontvoering. Cor was gul, sociaal, humoristisch en had een heel gevolg van bewonderaars om zich heen. En hij had een grote mond.

Hij had toen al een drankprobleem, al wist hij dat nog aardig te verbloemen. Overdag was er niks aan de hand, maar in de loop van de middag, als bij de lunch de eerste biertjes naar binnen waren gegaan, werd hij vaak lastig. Niet alleen voor vrienden en familie en de mensen in zijn gezelschap, ook voor anderen. Willekeurige gasten in een hotel of restaurant. Beledigende grappen leidden geregeld tot een handgemeen, waarbij de ‘lijfwachten’ de kastanjes uit het vuur moesten halen. De ontmoeting bij König moet ook in dat licht worden gezien. Cor die Klepper en Mieremet beschouwde als een soort snotapen die hij naar hartenlust kon beledigen.

Kwaad bloed

Hoeveel kwaad bloed Cor had gezet bij ‘die twee leipies’ bleek toen Holleeder het verzoek kreeg om in gesprek te gaan met een man die later De Allesweter zou worden genoemd, maar die ze toen kenden als iemand uit de Amsterdamse onderwereld met veel contacten. De Allesweter had aan Willem verteld wat het probleem was: Cor moest voor een mislukt drugstransport 1 miljoen gulden betalen aan de groep van Klepper en Mieremet. Deed hij dat niet, dan zou het een bloedbad worden. Niet alleen Cor zou eraan gaan, Willem ook: die zou anders wraak kunnen nemen. Willem werd gewaarschuwd: ga niet meer met Cor in één auto zitten. Willem zegt dat hij ook Sonja had gewaarschuwd niet meer met hem in één auto te gaan.

Tijdens de zitting vraagt de rechter: “Heeft u zich ooit afgevraagd of het waar was, van die schuld?” Holleeder: Ik ben rationeel. Heel simpel. Er is een probleem: of het wordt een bloedbad, of je betaalt. Cor zegt: ‘Het is niet zo.’ Hun zeggen: ‘Het is wel zo.’ Het maakt mij niet uit wat ze zeggen, ik wilde van het gezeur af.”

De Deurloostraat

Het is wat Holleeder zegt: het deed er niet toe of er iets was met een drugstransport. Als Cor en John elkaar met het gebruikelijke respect hadden bejegend, was dat altijd op een andere manier op te lossen geweest. Nu werd het een machtsspel en een strijd op leven en dood. Cor weigerde te betalen en trok zich ook niet veel aan van de waarschuwing. Op 27 maart 1996 haalde hij samen met Sonja Richie van school en bracht hij hen naar de Deurloostraat, waar Sonja woonde met de kinderen. Een adres dat in ‘kamp Mieremet’ bekend was: een van de handlangers woonde in hetzelfde blok, maar dan aan de achterkant.

Per spoor

De aanslag mislukte, vermoedelijk mede doordat Cor, Sonja en zoon Richie voor de deur in de auto bleven zitten en nog niet uitstapten. Op de radio was het toen net uitgekomen Per spoor (ke-deng ke-deng)van Guus Meeuwis en Richie wilde dat nog graag even horen. De schutter was al onderweg naar de auto en wilde toeslaan op het moment dat Cor uit zou stappen. Toen dat even op zich liet wachten, raakte hij kennelijk wat van zijn a propos en schoot hij op Cor terwijl die nog in de auto zat. Cor kon wegduiken. Het was nog een ‘professionele hitman’ met een gewoon wapen, niet zoals later met een kalasjnikov, met een spervuur aan kogels. In dat geval zouden Sonja en Richie ongetwijfeld ook dodelijk zijn geraakt.

De aanslag sloeg in de criminele wereld in als een bom. Cor loofde een beloning uit van 50.000 gulden voor de tip die zou leiden naar de daders. Cor ging naar het ziekenhuis, kreeg een nieuwe kaak en dook onder, in Frankrijk en België. In de loop van het jaar keerde hij terug naar Amsterdam. Na een aantal maanden had hij – mede op basis van tips – de conclusie getrokken dat de aanslag uit de hoek van Klepper en Mieremet was gekomen en dat zijn bloedgabber Willem zich ook in dat kamp bevond. Holleeder werd door hem – en veel anderen – vanaf die tijd gezien als overloper en verrader.

Twee leipies

In zijn verklaringen en tijdens het proces schetst Holleeder een ander beeld. Hij had Cor opgezocht in het ziekenhuis en het eerste wat Cor had gezegd was: “Toch die twee leipies.” Daarna had hij Cor op zijn onderduikadres in Frankrijk bezocht en was hij gaan bemiddelen. Cor en hij hadden het losgeld dat was overgebleven van de ontvoering – ongeveer 8 miljoen gulden – via een goede vriend van Cor, Robbie Grifhorst, belegd. Het was in ieders belang de kwestie op te lossen en Holleeder en Grifhorst besloten het miljoen te betalen. De bedoeling was: met z’n drieën. Cor, Willem en Robbie.

Willem had de bui al zien hangen, dat Cor het er niet mee eens zou zijn, maar het was toch heftiger dan hij had gedacht. Hij zocht Cor op in Zuid-Frankrijk om te vertellen dat ze hadden betaald en dat viel totaal verkeerd. Cor was woedend en stuurde Willem weg: opgerot. Willem besloot de schade samen met Robbie te delen: allebei de helft. Dan betaalde Cor maar niet mee.

Rechter: Cor was heel boos. Cor wilde betalen met lood.

Holleeder: Ja.

Rechter: Cor zegt dat u terug moest gaan om het Sam en John te vertellen, maar dat heeft u niet gedaan.

Holleeder: Nee, dat had geen enkele zin, ik hoopte dat hij zou bedaren en bij zinnen kwam. Dat hij niet wilde betalen begrijp ik ook nog, maar kom op zeg, je wil toch geen bloedbad, het moet toch een keer afgelopen zijn met dat gezeik. Ik heb ook tegen Robbie gezegd: “We hebben allebei betaald voor het leven van Cor, hij kan geen mooier cadeau hebben.” Het is aan hem hoe hij daar verder mee om zal gaan. Het heeft geen enkele zin te gaan schreeuwen: “Ik ga met lood betalen.” Hij had niet hoeven betalen, want er was al voor hem betaald. Hij bleef schreeuwen. Op een bepaald moment heeft Klepper gezegd: “We hebben een afspraak gemaakt. Die geldt niet meer voor Cor, hij blijft schreeuwen dat hij ons gaat aanpakken.”

Het proces wordt in maart hervat met het verhoor van Astrid Holleeder. Ook Sonja wordt nog nader aan de tand gevoeld over de erfenis van Cor, met name de belangen in prostitutiepanden op de Achterdam in Alkmaar. Zijn die zwart aangekocht met losgeld van de Heinekenontvoering of met legale middelen?

 

Voor de Bunker in Osdorp, waar het Holleederproces wordt gehouden, wordt de rij met belangstellenden steeds groter. Er kan maar een beperkt aantal mensen op de publieke tribune. Eerst komt, eerst maalt. Velen keren onverrichterzake terug naar huis, naar heinde en verre

De Achterdam in Alkmaar loopt als een rode draad door het proces tegen Willem Holleeder. Cor van Hout had belangen in prostitutiepanden

 

DRIE KEER WAS SCHEEPSRECHT

Na de aanslag in de Deurloostraat in maart 1996 zouden er nog twee volgen op Cor. De tweede bij de woning van Sonja in Buitenveldert, in de nacht van 20 op 21 december 2000. Over deze aanslag doen verschillende verhalen de ronde. Holleeder vertelt dat het een wraakactie was voor de moord op Sam Kepper op 10 oktober 2000 op het Gelderlandplein.

Volgens Holleeder kwam die aanslag uit de hoek van de Joego-maffia van Sreten Jocic en hoorde Cor bij dat kamp. Cor had de bui al zien hangen en was meteen daarna vertrokken naar Dubai. Volgens andere bronnen kwam deze wel degelijk wederom uit de koker van Mieremet, maar was het een wat halfslachtige aanslag. Mogelijk deels een nep-aanslag. Feit is dat niemand werd geraakt, behalve de auto. Cor’s chauffeur Bassie Vermeulen bleef nog jaren in de auto rijden met het kogelgat in het portier, afgeplakt met tape. Met diezelfde auto was Cor vervoerd naar zijn laatste lunch, op 24 januari 2003, bij een Chinees restaurant in Amstelveen.

Na de lunch stonden Cor en zakenvriend Robert ter Haak buiten op de stoep te wachten tot Bassie met de auto voor zou rijden, toen er vanuit een zijstraat een moordcommando aan kwam scheuren, op een rode motor. Van dichtbij werd Cor onder vuur genomen met een automatisch wapen. Daarbij werd ook Ter Haak – die waarschijnlijk geen doelwit was – dodelijk geraakt.

Holleeder vertelde dat Ter Haak ‘de lokker’ was geweest: dankzij hem wist het moordcommando waar ze moesten zijn. Maar vermoedelijk was Ter Haak zich daar zelf niet van bewust en had hij zijn mond voorbijgepraat of was hij wat onzorgvuldig geweest. Als hij had geweten wat Cor deze middag te wachten stond, was hij ongetwijfeld niet naast hem gaan staan.

De derde aanslag, daar gaat het in het lopende proces vooral om. Wie wilde Cor van Hout vermoorden? Stond hij nog steeds op de dodenlijst van John Mieremet? Weliswaar hadden de twee hun ruzie uitgepraat, tijdens ‘een goed gesprek’ in Volendam, maar Cor vertrouwde het niet helemaal.

Aan de andere kant: Mieremet was na de dood van zijn maatje Sam Klepper betrekkelijk alleen komen te staan en was verwikkeld in een hooglopend ruzie met Willem Endstra, ‘de bank van de onderwereld’. Mieremet had enorme bedragen geïnvesteerd bij Endstra. Toen hij die ging opeisen, werd er een aanslag op hem gepleegd. Niet zo gek, het is de goedkoopste manier om van een schuldeiser af te komen. Eerder had Endstra dit al gedaan bij Ronald van Essen, die ook voor tientallen miljoenen bij hem had belegd en op wie ook een – eveneens mislukte – aanslag was gepleegd.

De aanslag op Mieremet was op 26 februari 2002. Ook die mislukte. Mieremet wist weg te duiken. Raakte wel gewond, maar overleefde. Vanaf dat moment zat Endstra bij Mieremet in de tang. Endstra weigerde nog steeds te betalen, totdat Mieremet in augustus 2002 in een interview in De Telegraaf Endstra ‘de bank van de onderwereld’ noemde en Holleeder ‘de bewaker’.

Endstra kwam met 25 miljoen euro over de brug, maar het interview was het begin van de ineenstorting van zijn imperium. Ook Holleeder had geld bij hem belegd. Endstra vertelde de politie dat hij werd afgeperst door Holleeder en toen Endstra in mei 2004 werd geliquideerd, was Holleeder een van de hoofdverdachten.

 

Al met al geen motief voor de moord op Cor van Hout. Sonja en Astrid Holleeder beweren dat het broer Willem te doen was om de belangen van Cor in prostitutiepanden op de Achterdam in Alkmaar. Als Cor dood zou zijn, zou hij die naar zich toe kunnen trekken. Dankzij het ingrijpen van Astrid, die Sonja na de dood van Cor had geholpen met de afwikkeling van de erfenis van Cor, was dit voorkomen.

 

 

Foto:

De Dorpsstraat in Amstelveen, kort na de liquidatie van Cor van Hout in januari 2003

 

Het graf van John Mieremet. Hij werd in 2005 in Thailand geliquideerd

 

Cor van Hout

Willem Holleeder

 


Holleederproces: dag 8. De Samaritaan

$
0
0

Op de achtste procesdag, donderdag 22 februari, staan de eerste bezoekers al om kwart over zes voor de Bunker. Het is de moeite waard: het zou een vermakelijk dagje Holleeder worden. Het Openbaar Ministerie zal aan het eind van de dag wat minder tevreden zijn geweest: deze ronde was duidelijk voor Holleeder, terwijl het OM juist dacht te gaan triomferen. Minutieus waren de meest belastende geluidsfragmenten in elkaar gezet, in volgorde van ‘erg’, om het beeld van de gezellige familieman Holleeder genadeloos onderuit te halen.

In plaats daarvan was het vooral: “Was dit het nou? Hebben ze niet meer?” Het ging grotendeels ook niet eens over zijn familie, maar over zijn omgang met vriendinnen. Hij ging flink tekeer, schreeuwde door de telefoon en de ‘kankers’ waren niet van de lucht, maar: “Ik ben Willem uit de Jordaan, zo praat ik. Ik heb niemand een klap gegeven. Ik zit hier voor liquidaties, niet voor hoe ik met mijn vriendinnen omga.”

Een ander punt dat voor het OM averechts werkte, waren de fragmenten over de bedreiging van Peter de Vries. Wat daar vooral van bleef hangen was de woede (“vieze hond”) en teleurstelling over hoe Astrid en Peter hem erin hadden geluisd.

Officier van justitie Lars Stempher legt uit wat deze dag de bedoeling is. Hij refereert aan het openingsbetoog waarin ze de term ‘barmhartige Samaritaan’ hebben gebruikt: iemand die zich zonder eigenbelang over iemand anders ontfermt. “Dat is zoals u naar zichzelf kijkt. Een familieman die opofferingen wil doen, en zelfs bereid is een in zijn ogen onterechte zes jaar durende gevangenisstraf uit te zitten. U bent niet op de penning, maar wil wel geld verdienen en daar heeft de rest van geprofiteerd. U bent een lange-termijndenker en dat heeft te maken met uw poging via Endstra uw zwarte geld wit te krijgen.

Holleeder: Klopt.

Stempher: Uit het dossier doemt ook een beeld op dat haaks staat op het door u geschetste beeld. Wij sluiten onze ogen niet voor verklaringen waarin u getypeerd wordt als charmant, innemend en gezellig, maar er is ook een andere kant. Dat proberen we vandaag scherper te krijgen.

Holleeder: Als ik vast kan beginnen: die zes jaar. Ik had niet verwacht dat ik negen jaar zou krijgen.

(normaal gesproken zou er van die negen jaar, voor de afpersing van Willem Endstra, zes jaar overblijven, met de vervroegde invrijheidstelling. Omdat hij in de proeftijd Peter de Vries bedreigde en die aangifte deed, moest hij de resterende drie jaar ook uitzitten)

Voor de rest: ik ben gewoon Willem en voor mijn familie doe ik alles.

Stempher: Daar komen we zeker nog over te spreken vandaag.

Holleeder: Graag.

Stempher: Wat betekent geld voor u?

Holleeder: Geld heb je nodig om iets te kopen.

Stempher: Is dat het?

Holleeder: Geld heb je nodig om te leven, ’t is maar net wat je wil kopen. Ja toch?

Stempher: Hoe kwam u aan het geld? Vanaf het moment dat u bent gaan werken.

Holleeder: Vanaf de geboorte?

Stempher: Vanaf dat u bent gaan werken.

Holleeder: Waar werken?

Stempher: Vanaf welke leeftijd?

Holleeder: Ik heb in een modezaak gewerkt, daarna ben ik stucadoor geweest en koppelbaas.

Stempher: Hoe werd u koppelbaas?

Holleeder: Ik zat in de bouw, ik ben samen met Cor koppelbaas geworden.

Stempher: Verdiende u daar veel mee?

Holleeder: Ja. Heel veel. Dan heb je mensen in dienst.

Stempher: Dan lijkt het dat u geld verdient met overvallen.

Holleeder: Klopt, ik heb twee overvallen gezet.

Stempher: Wat was de beweegreden om die overvallen te doen?

Holleeder: Voor het geld natuurlijk.

Stempher: U verdiende al veel. Was dat een hang naar nog meer geld?

Holleeder: Nee, we waren gestopt als koppelbaas. Ik was daarvoor aangehouden.

Stempher: Voor een buitenstaander is het niet een heel normale stap. Als je in een kledingwinkel werkt en in de bouw, om dan overvallen te gaan plegen.

Holleeder: Dat geldt voor iedereen die iets doet wat niet mag, die stap is nooit goed.

Stempher: De beweegreden?

Holleeder: Gewoon geld verdienen.

Stempher: Daarna was de Heinekenontvoering?

Holleeder: Klopt.

Stempher: Daar hoeven we geen geheim van maken: dat was om heel erg veel geld binnen te halen.

Holleeder: Klopt

Stempher: Dat motief stond bovenaan?

Holleeder: Het ging om het geld, niet om persoonlijke dingen van meneer Heineken. We wilden geld verdienen en op die manier hebben we dat gedaan en daar heb ik ook mijn straf voor uitgezeten.

Stempher: Zeker. Er is geld overgebleven en geïnvesteerd. In 1996 raakte u gebrouilleerd met Van Hout, u hebt geld ingelegd bij Endstra. Ik ken uw ontkenning: u wordt veroordeeld voor het afpersen van o.a. de heer Endstra van 18 miljoen euro.

Holleeder: Dat klopt en dat is niet waar. Dat is ook gebleken, ik hoef die 18 miljoen ook niet te betalen.

Stempher: Er is aangegeven dat u niet rechtstreeks bij het geld kunt dat bij Paarlberg is terechtgekomen en dat men het daar moet weghalen.

Holleeder: Dat betekent toch dat ik het niet gehad heb?

Stempher: Hoe zat u toen in het geld verdienen? U vertrouwde Endstra wel, u zei: “Dat geld, dat komt wel.” Dat kan ik niet zo goed plaatsen.

Holleeder: Het is precies zoals u het zegt: ik heb geld geïnvesteerd, dat komt vanzelf wel goed.

Stempher: Waar leefde u van? Het geld zat toch in stenen?

Holleeder: Daar ik al over verklaard.

Stempher: Die 3,5 miljoen die overbleef.

Holleeder: En een beetje met verbouwen. Pandje verkopen, beetje zwart geld.

Stempher: Wat voor levensstijl had u?

Holleeder: Normaal. Voor mezelf ben ik niet zo duur, ik geef het meeste weg. Ik kocht een broodje, ging wat drinken, kocht eens een brommer.

Stempher: Waar at u zoal?

Holleeder: Overal. Ik houd van lekker eten.

Stempher: Dure restaurants of de shoarmaboer op de hoek?

Holleeder: Ik vind alles lekker. Shoarma, Surinamer. De ene keer in een duurder restaurant, de andere keer goedkoop.

Stempher: Hoe vaak in de week ging u naar een duur restaurant?

Holleeder: Wat is duur? Ik ga niet naar sterrenrestaurants.

Stempher: Wat kostte een avond uit?

Holleeder: Dat weet ik niet

Stempher: 100 euro, 200, 35 euro?

Holleeder: Hoe moet ik dat nou weten, dat slaat toch nergens op.

Stempher: Ik weet precies wat ik uitgeef als ik uit eten ga.

Holleeder: Er zijn wel meer mensen die dat precies weten, maar die zijn misschien wat hebberiger.

Stempher: Ging u op vakantie?

Holleeder: Jawel, maar niet veel.

Stempher: Hoe vaak per jaar?

Holleeder: Hoe moet ik dat nou weten?

Stempher: Ik zou het wel kunnen zeggen.

Holleeder: U heeft een ander leven, u bent jurist, u heeft een agenda. Als ik wegga, ga ik weg. Ik ben vaak in Parijs geweest.

Stempher: Had u vaak cash op zak?

Holleeder: Ja, altijd.

Stempher: Veel?

Holleeder: De ene keer wel, de andere keer niet.

Stempher: Hoeveel?

Holleeder: Dat weet ik niet. Als het op is, pak ik wat nieuw geld.

Stempher: Waren er dagen dat het meer was dan 1000 euro?

Holleeder: Dat kan wel.

Stempher: Cadeautjes? Waar moet ik dan aan denken?

Holleeder: Het maakt mij niet uit. Ligt eraan voor wie het is. Als mijn familie een auto nodig heeft, dan krijgen ze een auto.

Stempher: Een tweedehands brikkie of een auto van 20.000 euro?

Holleeder: Ik ga geen bedragen noemen, maar in ieder geval geen brikkies.

Stempher: En andere cadeaus?

Holleeder: Tassen. Als ik wat leuks zag kocht het. Wel alleen voor mensen uit de familie.

Stempher: Vriendinnen?

Holleeder: Ja, die kosten geld hè?

Stempher: Niet de goedkoopste?

Holleeder: Wat het kost, dat kost het. De één is duurder dan de ander.

Stempher: Zat u weleens zonder geld?

Holleeder: Nee,

Stempher: Nooit gezeten.

Holleeder: Nee.

Stempher: Betaalden anderen weleens voor u?

Holleeder: Ik ben ook wel mensen uit eten geweest dat ze voor mij betaalden.

Stempher: En familie?

Holleeder: Nee, mijn familie had eigenlijk geen geld. Het gebeurde wel eens dat Sonja of Francis wat voor me kochten, maar dat was gewoon omdat het lief was. Ik ben degene die altijd gek op zak heeft. Dat gold voor Cor ook, maar die gokte ermee.

Stempher: Heeft Astrid weleens wat betaald?

Holleeder: Misschien een keer een jassie, ik zou bij god niet weten wat, maar ze heeft nooit iets betaald dat uit haar zak komt.

Stempher: U heeft eerder aangegeven: ik geef niet om geld. Maar eigenlijk had u altijd wel voldoende financiële middelen?

Holleeder: Als ik zeg dat ik niet geef om geld, bedoel ik dat voor de mensen van wie ik hou, dan maakt niet uit wat het kost. Ik zie geld net als zakenmensen: als gereedschap. Ik ben best handig, ik kan wel geld verdienen.

Stempher: Het verwerven is ook kwaadschiks gegaan.

Holleeder: Vanaf de ontvoering heb ik geprobeerd geld op een legale manier te verdienen. Dat stopte na de ontvoering, dat geld verdienen in de misdaad. Behalve witwassen heb ik geen misdaden meer gedaan. Ik kom uit de Jordaan. Toen ik klein was, had ik gaten in mijn schoenen. Als ik naar school ging, had ik natte voeten. Dat hebt u waarschijnlijk niet gehad.

Stempher: Daar kunt u niks over zeggen.

Holleeder: Dat lijkt mij zo. Als ik geld van mijn ouders had gehad, was ik niet in de misdaad gegaan.

Stempher: U werkte in een kledingwinkel.
Holleeder: Daar kun je toch niks verdienen?

Stempher: Er zijn een heleboel mensen die zo hun geld verdienen, meneer Holleeder.

Holleeder: Dat vond ik niet genoeg. Ik ben een jongen uit de Jordaan, ik ben anders opgegroeid dan u.

Stempher: Als u op eigen benen komt, geld verdient in de winkel en in de bouw, dan bent u toch los van uw familie?

Holleeder: Ik ben een simpele jongen uit de Jordaan. Ik weeg niet mijn woorden. Als mijn ouders geld hadden gehad, dat je een bedrijf kunt beginnen, dat heeft niks te maken zoals u het weer draait naar de winkel. Als ik uit een gezin was gekomen waar geld was, had ik op een normale manier geld kunnen verdienen. Als u elke keer die woordjes moet wegen, dan moet ik ze ook wegen, dan duurt het nog wel even.

Officier van justitie Sabine Tammes: Voelt u zichzelf slachtoffer van uw afkomst?

Holleeder: Zeker niet. Ik heb uitgelegd hoe het gegaan is. Ik heb mijn eigen keuzes gemaakt.

Tammes: U zegt over uw handgeschreven verklaring dat u die met emotie heeft geschreven. U heeft deze in gedeeltes ingeleverd bij uw raadsman, hij heeft vragen gesteld en u heeft de antwoorden erin verwerkt. Hij heeft spel- en taalfouten eruit gehaald en u heeft het weer overgeschreven. Dan rijst de vraag: hoe is dit te rijmen met grote emotie? Het is een lang proces geweest.

Holleeder: Wat mij overkomen is met mijn familie, die valse verklaringen, daar ben ik tot de dag van vandaag nog emotioneel over, dat ze mij erin luizen voor geld.

Tammes: Die werkwijze was een lang proces met hulp van meneer Franken.

Holleeder: Niet met hulp van meneer Franken, die heeft de taalfouten eruit gehaald, dat heeft hij bij u ook gedaan.

Tammes: Ik kan me niet herinneren dat meneer Franken mij ooit op een taalfout heeft betrapt.

Holleeder: Jawel hoor, bij de rechter-commissaris.

Tammes: Dat waren niet mijn taalfouten.

Holleeder: Weer die woorden, ik moet een weegschaal meenemen. Als ik het nu op zou schrijven, ben ik net zo emotioneel. Het is verschrikkelijk wat ze aanhalen, ik heb het zeker niet verdiend.

Tammes: Sommige passages zijn heel algemeen. “De man die al zaken deed in Zuid-Amerika en daar de contacten had.” U wil die naam niet noemen. U noemt niet de naam van de man die u geholpen heeft met graven. U geeft daar een reden voor. Veiligheid. Van u of van diegene? En dat u mensen niet wil belasten. Opvallend: vorige week geeft u out of the blue onverplicht de naam van degene die u van Parijs naar de grens heeft gebracht, de schoonvader van Leen Bosnie. Hoe moet ik dat zien in het licht van uw halsstarrige niet noemen van namen?

Holleeder: Omdat Leen Bosnie hier ter sprake gaat komen. Cor en ik wisten allebei dat hij het gedaan had (dat hij de lokker was geweest bij een aanslag op Cor). Ik heb hem net zo behandeld als Mieremet, ik heb niks ondernomen, maar ik denk dat het voor de rechtbank toch belangrijk is dat die daar wetenschap van heeft. En ook omdat u mij steeds gedwongen heeft.

Tammes: Waarom nu dan en niet bij de rechter-commissaris?

Holleeder: Omdat ik daar heel lang over nagedacht heb, ik doe dat nooit, maar ik zag die verklaring van Ilonka (de toenmalige vrouw van Leen Bosnie), toen dacht ik: ik zal eens uitleggen hoe dat zit. Ik heb tegen Leen Bosnie ook gezegd: maak je niet druk.

Tammes: En al die andere mensen?

Holleeder: Dit was eenmalig

Tammes: Een gift.

Holleeder: Het is geen gift, ik zeg het voor mezelf, ik doe het niet voor u.

Tammes: U had een miljoen liggen. Waarom heeft u niet opgeschreven waar het lag?

Holleeder: Ik ga die mensen niet noemen, die hebben er niks aan verdiend, die kunnen daar problemen door krijgen. Ik ben 60 jaar en ik ga op 60-ste geen verrader worden omdat mijn zusters leugenachtige verklaringen afleggen

Tammes: U zegt dat u Astrid bijna nooit zag. Dat heeft u wat bijgetrokken.

Holleeder: Ik heb uitgelegd hoe ik het bedoeld heb.

Tammes: Wat is uw bedoeling geweest om al die honderden contactmomenten met Astrid niet te benoemen.

Holleeder: Ik heb dat niet zo ervaren, het zijn heel veel dingen die over niks gaan, ik zou bij god niet weten waar het over gaat. U bent ook gekomen met het bezoek. U zegt dat ze 24 keer bij mij op bezoek geweest is. Dat heb ik even uitgezocht. Voor ik vrijkwam in 2012 is ze een paar keer bij me geweest voor een motor. Ze is zelfs 31 keer geweest. Sonja in diezelfde periode 97 keer, mijn moeder 160 keer en Sandra over de 300 keer. In 47 maanden is Astrid 31 keer geweest. Het grootste gedeelte ging het over Goudsnip .

Tammes: En die honderden contactmomenten?

Holleeder: Ik kan het me niet herinneren. Het is heel veel omdat zij me belt.

Advocaat Janssen: Sonja zegt dat Astrid nooit bij Willem op bezoek is geweest en haar dochter ook niet. Dat klopt ook niet. Hij staat niet alleen in zijn beleving.

Holleeder: Ik belde Sonja elke dag.

Tammes: Over Jacky’s (een restaurant in Amsterdam) zegt u: ik ben er één keer geweest.

Holleeder: Klopt.

Tammes: Hier stelt u dat bij, u zegt: ik ben er wel verschillende keren geweest met verschillende vriendinnetjes.

Holleeder: Klopt.

Tammes: Hoe kan het dat u eerst zo stellig bent?

Holleeder: Ik heb mij wel herinnerd dat ik er met een vriendinnetje was. Toen ik die tapgesprekken hoorde, dacht ik: “Jezus, met die ben ik er ook geweest.” In die context moet u dat zien.

Tammes: Ik ga u een stukje tonen uit de reclasseringsrapportage uit 2011, vlak voor u vrijkomt uit Kolbak.

Holleeder: Reclassering?

Tammes: U zegt dat u had besloten om zich niet meer in Amsterdam te vestigen en u daar zo min mogelijk te vertonen. Vorige week heeft u gezegd hoe dat is gegaan: u woonde in een huisje bij Apeldoorn, en u ging iedere dag terug naar Amsterdam.

Holleeder: Daar woont mijn familie, dan wil je toch je familie zien, dan kun je wel op een weiland gaan zitten in Friesland, ik ben en blijf een Jordanees en het gaat toch om die Westertoren.

Tammes: Op mij komt het over alsof u de reclasseringsmedewerker wat op de mouw heeft gespeld.

Holleeder: (lacht smakelijk) Mevrouw, ik heb die hele reclasseringsmedewerker niet nodig, ik kom gewoon vrij, ik hoef toch niks voor elkaar te krijgen. Dat u dat allemaal opzoekt, die onzin.

Tammes: Ik zie een discrepantie.

Holleeder: Ik ben heel blij dat u zoveel waarde hecht aan een reclasseringsrapport. Ik zou u willen verzoeken het rapport op te zoeken van na de Heinekenontvoering. Dat we een hechte familie zijn.

Tammes: Goed. Iets anders. Toen Cor werd doodgeschoten, weet u waar was?

Holleeder: Buiten de stad. Haarlem, dacht ik.

Tammes: Met wie?

Holleeder: Dat weet ik niet, daar zou ik over na moeten denken.

Tammes: En toen Endstra werd doodgeschoten?

Holleeder: Toen kwam ik uit Parijs.

Tammes: Met wie?

Holleeder: Met een vriendin.

Tammes: Welke?

Holleeder: Dat weet u toch?

Tammes: Ik vraag het aan u, ik hoef hier niet de vragen te beantwoorden.

Holleeder: Oké, de rechter zei dinsdag om minder namen te noemen. Ik was daar met Maike. Maar dan ga ik in het vervolg ook gewoon namen noemen.

Tammes: U was met Maike in Parijs. Was dat aldoor de bedoeling?

Holleeder: Ik ga met mensen naar Parijs als ik dat wil.

Tammes: Ik heb het nu over dit weekend in mei 2004, voor de dood van Endstra. Mevrouw Den Hartog verklaart dat u heeft gezegd dat u met haar naar Parijs wilde.

Holleeder: Ja. En dat ze niet wou (lacht)

Tammes: Ja, omdat ze twee kinderen heeft, daar moest ze voor zorgen.

Holleeder: Als ik het woord Parijs noem, zit ze al in de auto hoor, maakt u zich daar niet druk om, dat is echt onzin. De kinderen? Ik ben heel vaak met Sandra naar Parijs geweest, ze heeft heel vaak bij mij geslapen, voor de kinderen had ze altijd wel een regeling. Als ik tegen haar zei: ik ga naar Parijs, dan is ze altijd meegegaan. Dit is gewoon onzin.

Tammes: Zij zegt dat u haar heeft meegevraagd, dat zij niet kan omdat ze voor haar kinderen moet zorgen. Dan gaat u met Maike, dan komt terug, dan gaat u langs de familie van Endstra om te condoleren, en of u iets voor hen kunt doen. Dan zegt zij: “Hij zegt: ik slaap niet hier vannacht.” Zij zegt “Oké.” Hij zegt: “Luister: de volgende keer als ik tegen jou zeg: je moet mee, dan moet je je bek houden, want je ziet het. Ik heb het toch gezegd? Direct had er niemand meegegaan en had ik daar gezeten en wie zegt dan dat ik daar ben?”

Holleeder: (grinnikt) Dat meent u niet, die vraag (blijft lachen). Om te beginnen: als ik ergens moet wezen omdat niet hier wil zijn, wat onzin is, maar los daarvan: dan kan ik toch gewoon mijn creditcard gebruiken. Ik heb daar een advocaat, daar kan ik ook langs gaan, ik heb helemaal niemand nodig, ik heb Sandra niet nodig om mij een alibi te geven, dat slaat helemaal nergens op.

Tammes: Dat heeft ze uit de duim gezogen?

Holleeder: Nee, niet zij. Ik denk dat Astrid dit bedacht heeft.

Tammes: Oké. Doortrapt.

Holleeder: Vindt u dat doortrapt?

Tammes: Als dit zo is, dan is dat wel doortrapt.

Holleeder: Dus u zegt dat Astrid doortrapt is? Weet u dat nog niet?

Tammes: Daar ga ik niet over in discussie, ik hoor het u allemaal zeggen.

Holleeder: Het is heel simpel. Ach, maakt niet uit, ga maar verder met vragen.

Tammes: Weet u waar u was met de aanslag op John Mieremet, in 2002?

Holleeder: Nee. Ik denk: in Amsterdam. Ik was in ieder geval niet in Thailand.

Tammes: Ik heb het niet over 2005, maar over 2002 (de eerste aanslag was in Amsterdam).

Holleeder: Weet ik ook niet.

Tammes: Ik heb wat citaten uit gesprekken met bedreigingen om de boel onder druk te houden. Astrid zegt: “Willem zegt: je moet eerst dreigen en dan praten. Net zolang tot je doet wat hij wil.” Herkent u dat?

Holleeder: Ik heb gedreigd omdat ik erachter wilde komen wat er aan de hand was. Daar heb ik gelijk in gehad. Ik heb één fout gemaakt, ik had de boel links moeten laten liggen. Elke keer dacht ik: “Het klopt niet, je moet niet paranoia worden, Neus. Het is je eigen familie.” Dat heb ik geprobeerd, op mijn manier, met een beetje dreigen en een beetje doen. Wat Astrid zegt: Astrid is advocaat, ze weet precies hoe ze spelletjes in elkaar moet zetten. Corrupte advocaten zijn er, daar bent u het mee eens dus, en zo is dat gegaan.

Tammes: Was dit de enige keer? Eerst dreigen, dan doen?

Holleeder: Wacht effe. Dreigen en doen, dat heb ik niet gezegd. Dat legt u mij in de mond. Ik heb wel een grote mond. Net zoals mijn zusters. Bij het verhoor van Sonja had ik een paar vragen kunnen stellen, dan was ze uit haar dak gegaan, dan had ze het glas eruit getrapt. Net zoals Astrid hier boven de deur eruit probeerde te trappen, dat weet u ook. Zo zijn de Holleeders. Bij Sonja wilde ik weten wat er aan de hand was.

Tammes: Dus het had een bepaald doel.

Holleeder: Ademhalen heeft ook een doel.

Tammes: U schreeuwt, maar dreigen en doen komt u niet bekend voor.

Rechter Mildner: U zegt: een beetje dreigen, een beetje doen. Dat zei u vorige week, dat zei u net ook. U bedoelt: een beetje onder druk zetten.

Holleeder: Dat is het.

Advocaat Janssen: En niet zoals de officier het bedoelt: dreigen en doen wat je dreigt.

Tammes: Ik bedoelde: dreigen om de boel een beetje op te schudden.

Holleeder: Als u het zo had gezegd, was het een korter gesprek geweest.

Tammes: Uw zussen hebben het gehad over fluisteren. Dat u gaat fluisteren op het moment dat het belangrijk wordt.

(er wordt een geluidsfragment gedraaid)

Astrid: “Ik denk dat zij een beslissing moet nemen, moet ze het jou maar komen vertellen.”

Holleeder: “Dat gaat niet goed. Als ik haar vanavond tegenkom, sla ik haar het ziekenhuis in. Dat ze op intensive care komt. Ik ben nog nooit zo boos geweest in mijn leven. Ik ken hier niet mee leven.”

Astrid: “Zij weet toch dat je niet makkelijk bent, daarom snap ik het ook niet. Ik mag geen nee zeggen, hoe wil zij dat doen? Ik ben nu klaar. Ik zie je morgen wel even. Ik denk: “Ik haal haar op en neem haar mee.”

Holleeder: “Ik sla hier echt door die bosjes heen, ik sla haar tanden eruit, ik breek haar neus, ik breek haar kaak.”

Astrid (lachend): “Ik heb liever dat zij heel blijft.” Holleeder: “Dit gaat niet alleen mij aan. Ze heeft niet alleen mij in de maling genomen.”

Astrid: “Het klopt niet wat ze doet.”

Holleeder: “het is een slijmbal, een ouwehoer.

Astrid: “Als je het met de een kan, kan je het met iedereen.”

Tammes: Wilt u reageren?

Holleeder: Astrid heeft een spelletje met mij gespeeld, dat heb ik niet doorgehad. Astrid weet dat ze dit opneemt. Ze zegt woordjes die niks met het gesprek te maken hebben. Astrid heeft een selectie gemaakt. Er waren ook gewone gesprekken, waar ik zeg: “Ik bedoel het niet zo.” Die zitten er niet bij. Ze heeft geknipt en geplakt. Als dit een serieus verhaal zou zijn, had ze het ook met de politie kunnen opnemen. Dan was het een eerlijk verhaal geweest. Ze noemt woorden en geeft er een betekenis aan die er niet is.

Tammes: Er is ook een passage die u fluistert. Zoals zij zegt.

Holleeder: Dat is wat zij zegt, het kan ook zijn dat het slecht opgenomen is of dat de wind anders stond. Ik begrijp wat u aan het doen bent: wat Astrid zegt moet waar zijn, maar Astrid is gewoon een smerige leugenaar.

Stempher: Ontkent u nu dat u daar fluistert?

Holleeder: Ik hoor het niet, ik hoor wel dat dingen zachter zijn gezegd.

Stempher: Fluisterde u wel eens?

Holleeder: Ik zal best vaker zacht gepraat hebben, weet ik veel. U komt met een gesprek, waarvan ik niet weet dat het opgenomen is en dan vraagt u mij of ik daar gefluisterd heb. Dat slaat toch nergens op?

Stempher: Dat u niet weet dat het opgenomen wordt maakt het toch authentiek?

Holleeder: Gelukkig dat u dat zegt. Dat is ook heel belangrijk voor de opname van Sonja en mij van Tweede Kerstdag 2013. Als die authentiek is, daar heb ik allemaal dingen gezegd die ik wel meende, dat ik er altijd voor haar geweest ben, alles voor haar gedaan heb. Het is authentiek dat je hier iets niet hoort, maar of ik fluister of dat het door de wind komt? Zij zet er een datum op, ik weet niet wanneer dit was. Van Tweede Kerstdag met Sonja, dat weet ik. Soms praat ik zacht, soms praat ik harder. Sorry. Astrid geeft er een bepaalde waarde aan.

Tammes: U zegt: het is niet zo dat als het belangrijk was, dat ik iets in haar oor fluisterde.

Holleeder: Ik fluister ook weleens tegen meneer Malewicz (zijn andere advocaat).

Tammes: We kunnen vaststellen dat dit een andere setting is. Dit was buiten, daar waren geen andere mensen bij.

Holleeder: Dat kunt u wel vinden, ik fluister ook Malewicz wel eens wat in zijn oor, dan gaat het niet over liquidaties en moorden.

Tammes: Wat Astrid zegt: dat u bij belangrijke dingen iets in haar oor fluistert, dat klopt niet.

Holleeder: Nee, Astrid is gewoon een gluiperd, die liegt en bedriegt alles bij mekaar.

Advocaat Janssen: Hoe weet de officier dat dit buiten is en dat er niemand in de buurt is? Dat is allemaal interpretatie.

Tammes: Volgende.

(er wordt een tekstfragment vertoond, Holleeder gaat dat lezen)

Holleeder: Ik heb gehoord dat ik de douche en de droger aanzette? Dat kunnen jullie toch wegfilteren?

Tammes: Daar gaat het niet om.

Holleeder: Mij wel. Dat kunnen jullie er gewoon uitfilteren. Dat heeft ze van de week nog gezegd: “Dan gaat hij op de wc zitten en dan zet hij de douche aan.” Die douche kun je er gewoon uitfilteren. Dan heb je gewoon het gesprek. Dus dat ik op het toilet ga zitten en ga zeggen dat ik Endstra dood heb laten schieten, dat lijkt me een beetje raar.

Tammes: Het gaat erom dat als u iets belangrijks wil vertellen, u ervoor zorgt dat anderen het niet verstaan. Dat u fluistert of dat er een ruis omheen is.

Holleeder: Ik heb op het toilet niks tegen haar gezegd. Dat ik op het toilet ga zitten en de douche aanzet, dat is te belachelijk voor woorden.

Tammes: U zat weleens bij haar op de wc.

Holleeder: Ze is mijn zuster, dat zal ongetwijfeld wel eens gebeurd zijn.

Tammes: Met haar erbij?

Holleeder: Voor wat: haar erbij. Als ik naar de wc ga, ga ik naar de wc. That’s it.

Tammes: Ook dit is een fluisterfragment. (Holleeder gaat lezen)

 

Holleeder: Wat is uw vraag?

Tammes: Ik laat het horen. Het gaat over fluisteren.

Holleeder: U heeft het me net laten lezen en nu gaat u het me laten horen? Dan is het tóch geen fluisteren.

Fragment:

Holleeder: “Gaat ze mij het bos insturen? Geen 25 procent? Mag ze vijftig houden. Ze weet niet was ze aanhaalt Assie. Ik ben het echt zat! Zatzatzat! Kankerhoer!”

Tammes: Ik hoor in dit fragment een duidelijk fluistermoment.

Holleeder: Ik niet.

Tammes: Dan bent u denk ik de enige in de zaal.

(ze nemen de tekst door)

Holleeder: Er staat wel fluistermoment, maar ik hoor het niet. Er staan wel meer dingen in die uitgewerkte opnames wat niet klopt, dat weet u. Ik heb gehoord dat ik ga schreeuwen, het fluistermoment heb ik niet gehoord. Ik heb met Sonja gesproken, ik zeg: “Boks, ik moet een deel hebben van die film.” Dan komt Astrid met een heel ander verhaal, dan word ik boos, dan denk ik: godverdomme, ik heb het gisteren met haar besproken en nu is het veranderd. Maar het is niet Sonja geweest die het veranderde, dat is steeds Astrid geweest.

Tammes: Het gaat me niet om de inhoud, maar om het fluistermoment

Rechter Wieland: Mogen we het fluistermoment nog een keer horen? Het ontging mij ook, eerlijk gezegd.

(wordt opnieuw gedraaid, er is inderdaad alleen met veel fantasie iets van een fluistermoment te horen, het lijkt meer op een microfoon die even stoort)

Holleeder: Ik hoor het niet.

Advocaat Malewicz: Ik beluister dat de opname iets vervormt, ik zou dat niet kwalificeren als fluisteren.

Holleeder: Wat je hier kunt horen: er valt steeds een stilte, maar dat is geen fluisteren. Als het wel zo is, had ik het wel gezegd, ik mag ook heus wel fluisteren.

Tammes: U hoort mij niet zeggen dat u niet mag fluisteren, maar ik houd u alleen voor wat uw zusters zeggen en constateer dat hier een aantal fluistermomenten in zit.

(volgende fragment, Holleeder leest de tekst)

Holleeder: Ik herinner me geen fluistertjes. Er staat hier fluistermomenten. Misschien heb ik wat zachter gepraat. Ik kan me hier wel wat van herinneren. Ik heb aan Peter de Vries gevraagd hoe zit het met die film. Het gaat om geld voor de film wat hun niet willen geven en daar ben ik weer kwaad over.

Tammes: Ik laat het u horen, toch.

(fragment, het duurt even voor het start)

Holleeder: Als we toch even niks te doen hebben: los van het fluisteren, het betekent niet dat het waar is wat Astrid zegt.

(Fragment: Holleeder tegen Sonja: “Ik ben het echt zat, de laatste maal, als je mijn zussie niet was geweest, laatste maal, rode kaart!) 

Holleeder: Dan moet u ook even de laatste bladzij van Tweede Kerstdag  laten horen. Dan ga ik ook tekeer en aan het eind zeg ik dat ze zich niet druk hoeft te maken. Dat is wel zo netjes.

Tammes: We gaan zo meteen wel even kijken. Over het buiten praten en rondjes lopen. Astrid verklaart: het stellen van expliciete vragen is uit den boze, we gingen altijd buiten een rondje lopen. Sonja zegt ook: we gingen buiten een rondje lopen.

Holleeder: Als ik het goed begrepen heb van u net, kan ik ook praten met de douche aan op de wc. Dan hoef ik ook niet naar buiten.

Tammes: Waarom zo graag buiten?

Holleeder: Dat heb ik mij aangeleerd, dat doe ik mijn hele leven al.

Tammes: Waarom dan?

Holleeder: Omdat het niemand aangaat waar ik het over heb en dat hoeft niks illegaals te zijn.

Tammes: Waar ben u dan bang voor binnen?

Holleeder: Ik ben niet bang voor binnen, dit heb ik mij aangeleerd. Met tapgesprekken gaat het niet alleen over wat jij zegt, maar ook wat andere mensen zeggen, dat je denkt: wat lult die nou? Ik ben voorzichtig. Dit met Astrid is geen uitzondering, ik doe dit mijn hele leven al.

Tammes: Ik begrijp het echt niet. Waarom ga je naar buiten om iets te bespreken, als het over legale dingen gaat, waarom zou je dat niet binnen doen?

Holleeder: Er zullen heus dingen bij zijn die u niet hoeft horen. Dat wil niet zeggen dat het over liquidaties gaat en zeker niet met Astrid, zo belangrijk is Astrid niet. Over Goudsnip en het geld van de film, daar zal ik buiten over hebben gesproken met Astrid, dat kan in beslag worden genomen.

Tammes: Hoe zou u dat gedrag dan noemen, meneer Holleeder? Voorzichtigheid of berekening?

Holleeder: Voorzichtigheid.

Tammes: Sam Klepper. Dood op 10 oktober 2000. Dat kunt u zich nog herinneren?

Holleeder: Ja.

Tammes: Waar was u toen?

Holleeder: Bij Broodje Rai, ik ben met Johnny (Mieremet) naar Bram (Moszkowicz) gegaan, we hoorden het toen we op de trap liepen.

Tammes: Wanneer had u voor het eerst daarna contact gezocht met mevrouw Den Hartog.

Holleeder: Ik ben één keer bij haar geweest.

Tammes: Wanneer?

Holleeder: Dat weet ik echt niet.

Tammes: Waar bent u bij haar geweest?

Holleeder: Bij haar thuis, in België. (Klepper en Mieremet hadden beiden een villa in Neerpelt, net over de grens bij Valkenswaard) Ze had gezegd dat als Sam wat zou gebeuren dat ik en Endstra erachter zouden zitten.

Tammes: Wat vond ze van uw komst?

Holleeder: Ik had gebeld.

Tammes: Wat vond ze daarvan?

Holleeder: Prima. Ik heb het met haar besproken en uitgelegd dat het niet zo is en dat heeft ze aangenomen.

Tammes: Daarna zijn er nog ontmoetingen geweest?

Holleeder: Ze heeft een paar keer gebeld of ik naar Eindhoven kon komen. Dat ging meestal over de erfenis van Sam en over Endstra en Mieremet.

Tammes: Ook wie wel de opdracht heeft gegeven?

Holleeder: Dat heeft Johnny zelf uitgezocht.

Tammes: Heeft u dat met haar besproken?

Holleeder: Nee.

Tammes: Zij wist niet dat Jocic…

Holleeder: Op een bepaald moment wel. Dat is moeilijk te zeggen, dat ga ik ook niet doen, elk woord weegt u.

Tammes: Sandra zegt: In de eerste week van 2001 belt u met vraag of Sandra naar Eindhoven wil komen. Dat wil ze niet, u komt dan naar Neerpelt, dan is daar een gesprek in de kelder.

Holleeder: In de garage.

Tammes: De week erna een paar keer in een café bij het station in Eindhoven.

Holleeder: Klopt.

Tammes: Er is ook een tapgesprek van 10 januari 2001 om half zeven ’s avond. U wordt gebeld door Sandra, of u even tijd heeft, ze wil wat bespreken. U zit in Maastricht, u spreekt met haar af in Eindhoven.

(gesprek wordt getoond, tussen Mieremet en Holleeder, van diezelfde avond, een uur of tien)

Tammes: Gaat dit over mevrouw Den Hartog?

Holleeder: Klopt

Tammes: Het begint met dat u Mieremet iets leuks wil vertellen. Wat is dat leuke?

Holleeder: Er waren veel dingen onduidelijk, over wat Sandra vertelde over Sam, die niet klopten. Johnny wist dingen niet die Klepper wel had gedaan.

Tammes: Wat dan?

Holleeder: Dat weet ik niet.

Tammes: U zegt: een aantal dingen. Daar is toch wel één ding van blijven hangen? Het was leuk genoeg om erover te bellen.

Holleeder: Ik weet het echt niet meer.

Tammes: U zegt dan: “Het zijn allemaal kleine dingetjes, dat je denkt: o, toch. Zie je wel? Langzaam komt het toch allemaal zoals ik gezegd heb.” Wat bedoelt u daarmee?

Holleeder: Het is 17 jaar geleden!

Tammes: U zegt: “Het komt allemaal vanzelf.” En dan zegt Johnny: “Dus dan heb ik weer ongelijk?” U zegt: “Ja, het is ongelooflijk. Maar het komt heel langzaam, die persoon heeft er zelf ook moeite mee. Als die persoon eerlijk wil zijn moet ze haar eigen partij afvallen.”

Holleeder: Dit gaat over dingen van Sam die Johnny niet wist. Dat kan van alles zijn geweest.

Stempher: U zegt: “Het is heel leuk, langzaam valt de puzzel in elkaar.” John zegt: “Als het dan maar voordeel is in plaats van nadeel.” Dan zegt u: “Alleen maar voordeel.”

Holleeder: In de zin dat er dingen duidelijk worden. Ik zit in een café, Sandra vertelt dingen over Sam die ze eigenlijk niet wil vertellen, ik bel daarover met Mieremet. Het zou toch raar zijn als ik mij herinner wat er 17 jaar geleden precies besproken is?

Stempher: Dat ligt er maar net aan. Daar gaan we het nog over hebben.

Tammes: In januari vertrekt Sandra een week naar Oostenrijk met de kinderen, u komt daar ook.

Holleeder: Dat herinner ik mij.

Tammes: Hoe lang bent u daar geweest?

Holleeder: Eén dag.

Tammes: Ze zegt: die skivakantie was op uw advies.

Holleeder: Nee, Mieremet geeft haar advies. Zij zoekt contact met mij.

Tammes: Waarom gaat u naar haar toe?

Holleeder: Dat is de aard van het beestje, je gaat ernaar toe om te helpen.

Tammes: Op 16 januari vliegt u naar Innsbruck. U gaat met haar eten en naar het casino.

Holleeder: Klopt. En toen wou ze met me naar bed en dat heb ik niet gedaan.

Tammes: Oké. Ze zegt: “Ik ben op advies van Wim naar Oostenrijk gegaan, omdat Jocic achter mij aan zat. Een paar dagen later bericht hij mij dat ik terug kan komen omdat het gevaar geweken is.” Dan haalt ze de kinderen van ski-les en rijdt ze terug.

Holleeder: Ik ben niet degene die advies geeft.

Tammes: Mieremet is niet naar Oostenrijk gegaan.

Holleeder: Als ik iets voor iemand kan doen, ga ik ernaar toe. Ik ben alleen tussenpersoon geweest.

Tammes: Heeft u het advies van Mieremet dan overgebracht?

Holleeder: Dat kan zijn.

Tammes: Ik zie geen contacten tussen Sandra en Mieremet. Kan het zijn dat u het advies heeft overgebracht en dat zij niet wist dat het van Mieremet kwam?

Holleeder: Nee. Het is Mieremet die het allemaal besloten heeft. Ik heb niet tegen haar gezegd dat ze naar Oostenrijk moest gaan, dat contact had ik helemaal niet met haar. Dat slaat helemaal nergens op. Ik ga zeker mensen geen adviezen geven als ik zelf niet weet wat er aan de hand. Dat soort dingen zeg ik sowieso nooit. Ik heb haar niet geadviseerd: ga maar weg. Als het wel zo zou zijn, zou ik dat gewoon zeggen.

Tammes: U bent naar Neerpelt geweest, u heeft haar een aantal keren in het café ontmoet, en in Innsbruck. Dat zijn best veel contacten.

Holleeder: Ik weet dat het in die periode hectisch was en dat Sandra bang was. Je probeert mensen te helpen en aan het eind krijg je dat gezeik aan je kop.

Tammes: Zij zegt erover…

Holleeder: Ah! Daar heb je het! Zij zegt!

Tammes: Dat ze op uw advies naar Oostenrijk is gegaan en dat er een dreiging was van Jocic en dat u komt en een dag later zegt dat de kust veilig is en ze terug kan komen.

Holleeder: Hoe kan ik nou zeggen dat de kust veilig is?

Tammes: Ze haalt de kinderen van school en rijdt terug naar Nederland.

Holleeder: Ik hoor het u zeggen.

(Er wordt een tekst van een tapgesprek vertoond tussen Mieremet en Holleeder van 23 oktober 2000 om 22.21 uur)

Tammes: Dit was in Serajevo.

Holleeder: Die afspraak stond allang, het was de bedoeling om daar gokhallen te openen.

Tammes: Het gaat erover dat u heeft uitgezet of Jocic verantwoordelijk is voor de moord op Klepper.

Holleeder: Uitgezet is een groot woord, maar ik heb met wat mensen gesproken: “Wat vind je ervan?”

Tammes: En dat de conclusie was dat Jocic niet degene was die er verantwoordelijk voor is.

Holleeder: Klopt.

Tammes: Sandra zegt dat ze heeft betaald onder dreiging dat zij en de kinderen zouden worden doodgeschoten. Als ik dit zo lees wist u allang dat Jocic er niet achter zat.

Holleeder: Dat is wat u doet: dingen verdraaien. Dit is op 23 oktober. Dan is er nog helemaal geen sprake van dat Jocic betaald moet worden. Mieremet is wel gekomen met het verhaal van Norbert Stok, over Jocic. Ik heb toen tegen Mieremet gezegd: hier weet niemand het en ik vind het raar dat die Norbert Stok het weet. Toen heeft Mieremet twee jongens naar Magdi Barsoum gestuurd, en toen heeft hij de bevestiging gekregen van Norbert Stok en van Barsoum dat Jocic erachter. Dat is veel later.

Tammes: Wanneer was dat dan precies?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik ga niet gokken met datums. Die taps met Barsoum zijn er, die heeft u gelezen.  

Tammes: U weet niet wanneer dit is.

Holleeder: Mevrouw, dit is 18 jaar geleden!

Tammes: Het is opmerkelijk dat mevrouw Den Hartog vanaf het begin dacht dat Jocic verantwoordelijk was voor de dood van Klepper, dat u vrij snel contact met haar opneemt, een relatie met haar aanknoopt en dat zij al die tijd in veronderstelling blijft dat Jocic verantwoordelijk is…

Holleeder: Dat is toch ook zo?

Tammes: Kennelijk was u in oktober…

Holleeder: Nee nee nee, u probeert het weer te verdraaien, dat wordt een beetje flauw. Johnny kwam met het verhaal van Norbert Stok, door de telefoon. Ik was daar toevallig, niemand had er wat van gehoord, ik heb tegen Johnny gezegd: volgens mij is het onzin. Dan gaat Johnny naar Magdi Barsoum. Barsoum is samen met Jocic. Dan gaat het pas lopen. Ik heb Sandra niet voorgehouden dat Jocic erachter zat. Ze hebben allemaal een dikke peuk in hun broek, ik ben gewoon blijven rondlopen terwijl ik toch met Mieremet omging, ik heb ze geholpen. Ik heb het verhaal Jocic niet bedacht, Mieremet heeft het zelf gecontroleerd en die heeft daarna Hillis ingeschakeld om het op te lossen.

Tammes: Wij zien geen contacten tussen Mieremet en mevrouw Den Hartog…

Holleeder: Maar…

Rechter Mildner: Wilt u wachten tot de officier is uitgepraat?

Advocaat Janssen: Ik maak ook een beetje bezwaar. Het is enigszins misleidend wat de officier doet. We weten allemaal hoe het is gegaan, over de contacten met Barsoum en Hillis; de ontmoeting met mevrouw Den Hartog is in januari 2001. Het wordt nu wat gek neergezet, de tijd wordt in elkaar gedrukt en als de suggestie wordt gewekt dat het Holleeder moet zijn geweest die de informatie aan mevrouw Den Hartog heeft overgebracht, komt dat niet overeen met wat we allemaal weten uit het dossier. Dat moet dan niet zo gepresenteerd worden.  

Stempher: Dan wil ik daar wat op zeggen. Het wordt gehaald uit een verklaring van mevrouw Den Hartog die zegt: “Willem heeft dit tegen mij gezegd. Dit was al voordat wij een relatie kregen. Mieremet was toen al weg. Ik denk dat dit eind 2000 was. Willem bedreigde mij en maakte mij bang met een vermeende bedreiging door Joca richting mij en mijn kinderen en de kinderen van Mieremet. Ik heb die dreiging afgekocht. Ik heb in een portiek in de PC Hooftstraat een miljoen cash betaald.”

Janssen: Zullen we het dan ook even over de Lexington hebben?

Stempher: Néé!

Janssen: Nee?

Stempher: Néé! Dit is gewoon een verklaring van mevrouw Den Hartog.

(‘Barretje Lexington’ aan de Willemsparkweg was een verzamelplaats van ‘de finefleur van Zuid’, maar ook Holleeder, Klepper en Mieremet waren hier vaste bezoekers. Waarom reageert Stempher hier zo fel op? Dit kwam even niet in de kraam te pas: het moest gaan over Sandra die bedreigd werd door Holleeder, niet door Mieremet. Over die bedreiging door Mieremet in Lexington heeft Sandra een interessante verklaring afgelegd. Ze vertelt: “John was panisch voor één ding: dat was voor doodgaan. Alles wat met een graf te maken had, voor de hemelpoort. Je kon ook niet hem praten over begrafenissen, daar was hij zó bang voor!”

Tijdens het bewuste dreiggesprek in de Lexington had hij tegen Sandra geroepen: “Ik schiet jou en je kinderen gewoon dood.” Toen had Sandra gezegd: “Je bent dertig jaar lang Sam’s beste vriend geweest en dit zeg jij tegen de moeder van zijn kinderen, over zijn kinderen? Ik zeg: ‘De dag dat jij doodgaat, dat Sam boven op jou wacht bij die hemelpoort, is de dag dat je zou wensen dat je weer leefde.’ Daar is hij altijd bang voor geweest.”

Sandra had ook gezegd: “Ik hoef jou en Ria nooit meer te zien, voor mij zijn jullie allebei dood.” Waarop Mieremet vreselijk was beginnen te schelden en had gezegd: “Het laatste wat ik in mijn leven doe is zorgen dat jij in de goot komt.”)

Janssen: Wat is er bij Lexington gebeurd? Ik gun de officieren hun ondervraging, maar het moet wel een correct beeld geven. Als dan de suggestie wordt gewekt dat meneer niet naar waarheid verklaart, omdat tijdstippen niet zouden kloppen, dan lijkt het verhoor niet te zijn gericht op krijgen van informatie maar om het neerzetten van een bepaald beeld.

Stempher: De vraag is of meneer Holleeder degene is die haar de informatie verstrekte. Daar kan de verdachte gewoon antwoord op geven.  

Holleeder: Sandra heeft alles zelf doorgenomen met Mieremet. Ze zegt er niet bij dat ze is gevlucht uit België omdat Johnny elke dag bij haar op de bank kwam zitten. Als u geen tapgesprekken heeft, wil dat niet zeggen dat ze geen contact hebben.

Stempher: U ontkent dat u dat gezegd heeft.

Holleeder: Ik heb Sandra niet bang gemaakt voor Jocic, het is een oude vete. Daarvoor zijn ze verhuisd naar België. En het was ook geen valse beschuldiging.

Stempher: Heeft u die informatie over de dreiging door Jocic doorgegeven of niet. Ja of nee. Simpel.

Holleeder: Het is geen simpel ja of nee. Ik weet niet wat er besproken is. Mieremet heeft het met haar besproken en dat ze moet betalen. Dat was niet mijn pakkie-an. Zij kan het verdraaien en moeilijk doen, dat is gewoon onzin.

Tammes: Een beetje dreigen en de boel opschudden. Dit is de  onherroepelijke veroordeling voor de bedreiging van Peter de Vries.

Holleeder: Ik hoorde van iemand – dat verhaal gaat al zo lang – dat Peter een relatie had met Sonja, ik wilde hem daarmee confronteren. Ik had daar ruzie over gehad met Sonja, u hebt Sonja daar zelf ook over gehoord, u weet hoe ze kan zijn, dan gaan die Holleeders over en weer schreeuwen. Ik was om de hoek bij Peter, ik zeg: “Ik ga wel naar Peter, en die film gaat ook niet meer door, ik ben klaar met dat gezeik.” Peter komt naar beneden met zijn vrouw, die blijft erbij staan, dus heb ik niet over Sonja gehad, alleen over de film. Ik heb geschreeuwd en gedaan. Hij zegt op het politiebureau: “Hij kwam onverwacht langs.”  Dat was niet waar, Sonja had gebeld dat ik eraan kwam. Het was een opzetje. Bij de politie heeft hij niet gezegd dat ik hem met de dood heb bedreigd, ik wou hem gewoon een paar klappen geven of een schop onder zijn kont, zoals Steve Brown dat heeft gedaan. Hij riep mij steeds terug als ik wegging. Toen heeft hij aangifte gedaan en gelijk in de media gezet: hij heeft mij bedreigd met de dood. Dat heb ik helemaal niet gezegd. Ik ben veroordeeld omdat het past in mijn v.i. (vervroegde invrijheidstelling), waar ik al zo voorzichtig  mee was met de zoon van Sandra. Het was een opzetje, Peter de Vries heeft ook gezegd dat ze dachten toen ik daar langskwam dat het was omdat hij al met Sonja en Astrid valse verklaringen had laten afleggen bij de politie.

Tammes: Als ik het goed begrijp bent u het slachtoffer, niet hij.

Holleeder: Ik ben geen slachtoffer van Peter de Vries, maar wel van de mediahype die hij gemaakt heeft, samen met Astrid.

Fragment van een gesprek tussen Astrid en Willem.

Holleeder: “Kankerstreek, vieze hond, hij speelt een spel, hij kan toch gewoon zijn mond houden. Hij weet dat ik een probleem heb met die drie jaar.”

Astrid: “Ik ga hem wel bellen.”

Holleeder: Om half acht heeft hij een afspraak met Stijn. Krijg ik die drie jaar aan mijn reet. Iedereen heeft gezeik over die kankerfilm, ik kan er nog drie bij gaan zitten. Ik denk dat hij zijn poot stijf gaat houden, betere reclame is er niet voor die film, kan hij stoer doen in Amerika.”

Astrid: “Hij heeft daar ook niet bij stilgestaan.”

Holleeder: “Die drie jaar, dat is zijn schuld. Dan komt dat jongetje weer. Na zeven jaar blij dat zijn vader er weer uit is. Moeten zijn kinderen… Heel verdrietig.” (lijkt te huilen).”

Astrid: “Als ik met hem ga praten en uitleg: het is heel zielig voor die jongen.”

Holleeder: “Er zijn alleen maar verliezers, dat komt door die kanker-Sonja. Ik mag niet bij Sonja thuiskomen omdat Francis een goeie baan heeft, maar die film maakt niet uit. Kankerhond Sonja! Sonja heeft mijn leven verkankerd! Net zoals ze het leven verkankerd heeft van Cor zijn familie en al die mensen die dachten dat ze het geld zouden krijgen dat Cor beloofd had. Ben ik kotsmisselijk van. Omdat hij aangifte doet. Je ken toch de volgende dag komen praten. Dat is het probleem, Assie. Vieze hond. Ik kan niks anders doen dan wat ik moet doen. Hij heeft die twitter gestuurd, de hele dag staat die telefoon roodgloeiend, de media zit er bovenop. Rammen rammen rammen! Hij weet donders goed wat hij doet met die media. Waarom twitter je dan? Waarom praat je het niet uit?

Astrid: Zal ik hem even bellen?

Holleeder: Ik weet niet wat voor spel hij speelt.

Astrid: Ik denk dat ik hem goed genoeg ken en dat hij geen gekkigheid uithaalt. Hij weet dat ik normaal ben en altijd het goede zoek.

Holleeder: Ik ben gewoon boos geweest en niet meer dan dat. Nu zit ik met de gebakken peren omdat hij die actie ondernomen heeft. Ik wil het oplossen, maar niet van: “Sorry meneer De Vries, ga even lekker zitten.” Er moet van beide kanten geen schade zijn.

Tammes: Wat vindt u van dit gesprek?

Holleeder: Dit is nou het voorbeeld wat hier speelt, ik word er emotioneel van. (met gebroken stem) Door m’n eigen zuster met Peter de Vries er gewoon ingeluisd, vieze hond.

Tammes: Mij vallen drie dingen op. U zoekt de schuld niet bij u zelf, alleen bij Peter de Vries. Het tweede is dat u behoorlijk dreigend bent en het derde: dat u op belangrijke momenten fluistert.

Holleeder: U maakt er steeds fluisteren van, ik weet niet waar die apparatuur zit, kan zijn dat zij zich omdraait of ik. En dreigend? Zo praat ik, ik ben een jongen uit de Jordaan. Wat hier duidelijk is: wat een viespeuken Astrid en Peter de Vries zijn. Als je iemand zo lang kent om die in de maling te nemen, omdat ik alleen maar ruzie heb gemaakt aan de deur omdat ik die film niet wil. Ik vind het heel normaal als je die film niet wil.

Tammes: U bent veroordeeld voor bedreiging..

Holleeder: Jajaja.

Tammes: En u legt de schuld alleen maar bij een ander.

Holleeder: Nee mevrouw.

Tammes: Niet alleen bij Peter de Vries…

Holleeder: Nee mevrouw.

Tammes: Ook bij Sonja die uw leven heeft verkankerd en u bent de enige die niets fout heeft gedaan, dat begrijp ik gewoon niet.

Holleeder: Het is jammer dat u zich niet kunt verplaatsen in mijn situatie. Dat u met uw eigen zuster en iemand die u meer dan dertig jaar kent er zo wordt ingeluisd, dat ze je v.i. willen aansmeren omdat ze valse verklaringen aan het afleggen zijn bij de politie… Nou hoor je precies hoe ik er ingeluisd ben en hoe Astrid dit smerige spel speelt. Dat doet me zeer.

Stempher: Meneer Holleeder, u bent degene die daar aan de deur heeft gestaan. Er zijn echt andere manieren…

Holleeder: Ik kom uit de Jordaan. Wij praten niet zo netjes als u. Ik ben heel anders opgevoed. Ik ga ernaar toe, de volgende dag had je het uit kunnen praten. Je kan ruzie krijgen, je mag schreeuwen en schelden, dat doet Sonja hier ook, als je het de volgende dag uitpraat is het klaar. Maar als je met een vies smerig spelletje bezig bent en je gaat naar de politie om mij drie jaar v.i. aan de kont wil smeren omdat hij met een spellertje bezig is en een boek wil schrijven en nog een film willen maken… Ik kom bij Peter de Vries aan de deur zoals ik altijd bij hem aan de deur gekomen ben, als vriend. Als vriend mag ik er wat van vinden en er wat van zeggen. Dat ik geen film wil, voor mijn kinderen. Als ik als vriend met iemand ruzie maak, ga je niet naar de politie, dan praat je het de volgende dag uit. Met ruzie gebruik ik geen hele nette woorden, ik ben Willem die is opgegroeid in de Jordaan, ik scheld, ik doe, maar ik heb niks gedaan.

Stempher: En als vriend zeg je: “Je weet wat er gaat gebeuren! Ik dreig niet maar ik doe! Niemand die mij tegenhoudt, vuile kankerhond dat je bent.”

Holleeder: Dat bedoel ik, dat hem in elkaar trap. Ik had hem ook in elkaar moeten trappen.

Stempher: U bent in gesprek met uw zus, waarom hoor ik u niet zeggen:  ik had helemaal niet naar die deur moeten gaan?

Holleeder: Ik ben er gewoon ingeluisd. Aan het eind van de rit heb ik het bij het goede end. Hij wilde me gewoon drie jaar v.i. aan mijn kont geven. Ik kon niet begrijpen waarom, ik ken hem 30 jaar, ik heb hem niet met de dood bedreigd, en hij gaat naar de politie, ik heb gezegd: moet ik je een paar klappen geven? Dat doet-ie voor Steve Brown ook, maar ik ben toch geen Steve Brown, ik ken die man al meer dan dertig jaar! Dan mag ik toch wel ruzie maken?

Stempher: Wat mij verbaast is dat ik u niet hoor zeggen: ik had die woorden niet moeten gebruiken.

Janssen: Er vallen mij ook twee dingen op in dit gesprek. Ze lijken regelmatig andere mensen tegen te komen, er wordt elke keer hoi gezegd en het tweede: hij is boos op Sonja, omdat hij die ellende heeft gekregen, net als de familie Van Hout, die hebben ook niks van haar gekregen, terwijl Cor dat wel beloofd had. Authentiek: opgenomen zonder dat hij het weet.

Tammes: Ik ga een aantal dreigingsfragmenten met u doornemen. Eerst uit het Tweede Kerstdag-gesprek met Sonja.

Holleeder: Ook die anderhalve bladzijde daarna, mag ik hopen?

Tammes: Ik geloof niet dat we dat hebben geselecteerd.

Holleeder: (lacht) Dat dacht ik wel!

Stempher: Die ruimte gaat u echt nog wel krijgen, wees niet bang.

(fragment wordt getoond)

Holleeder: Ja? Dus?

Tammes: Wat is uw reactie?

Holleeder: “We gaan het wel zien, nog één keer, een verraaiersdingetje, nog één keer, geloof me nou, dat wil je niet, geloof me, dat wil je echt niet.”

Tammes: Wat wil ze echt niet?

Holleeder: Verraaien! Kijk, ik zit hier niet voor mishandeling, omdat ik iemand een klap heb gegeven. U probeert met elk woordje waar ik gewoon iemand een klap geef…

Tammes: Dat vind ik niet zo gewoon…

Holleeder: Ik heb het al eerder gezegd, ik kom uit…

Tammes: Uit de Jordaan, geloof ik (gelach).

Holleeder: Ik ben zestig jaar, ik heb weleens wat gevochten en gedaan, de volgende dag geef je elkaar een hand en zit je wat te drinken. Kunt u zeggen: dat is strafrechtelijk niet goed. Maar ik heb géén opdrachten gegeven voor liquidaties en de gesprekken gaan daar ook niet over. En daarvoor zit ik hier. Prima dat u een sfeer wil kweken dat ik een boef ben. Hoeft u niet te doen, ik ben een boef. En ik heb ook weleens iemand een klap gegeven.

Tammes: U bent ook veroordeeld voor ontvoering en afpersing

Holleeder: Jajaja, dat klopt, maar daar hebben ze allemaal van meegevreten. Het gaat om die opnames. Ik begrijp niet wat er gebeurt. Het klopt niet. Ik heb niet één ding gedreigd, ik heb elke keer wat anders verzonnen. Ik probeer erachter te komen wat er is.

(fragment wordt afgedraaid)

Holleeder: Daar wil ik wel wat op zeggen. Ik had met Sonja afgesproken dat ze niet naar Amerika zou gaan voor die film. Ze wil Jan en Frans geen geld geven, ik heb gezegd: ga die mensen hun ogen niet uitprikken, ga daar niet zo pontificaal lopen, dan krijgen we ruzies, dan krijgen we helemaal niks. Ga die mensen niet provoceren. Dat hebben we afgesproken. Ze gaat naar Amerika en dan gaat ze pontificaal op de foto met Anthony Hopkins en zet dat op Facebook. Ik zeg: die mensen hebben recht op geld, ga ze niet provoceren. That’s it.

(fragment, met “laatste officiële waarschuwing, rooie kaart.” Sonja: “Wim, ik zweer het op alles wat me lief is dat het niet zo is.”)

Tammes: “Laatste officiële waarschuwing.”

Holleeder: (lacht) Ik mag toch wel wat zeggen! (blijft lachen) Ik ben gewoon boos. Dan zeg ik dat: rooie kaart!

Advocaat Janssen: Een ondervraging is bedoeld om informatie te krijgen. Twee dagen geleden is Sonja gehoord op zitting. In de media is gezegd dat het zo hard ging en dat de advocaat haar zo stevig aanpakte. U heeft inmiddels de taps gekregen. Grote delen hebben we niet voorgehouden. Met name de onderdelen die gevoelig waren voor haar. Met haar dochtertje, met Cor. Ik heb Sonja Holleeder behoorlijk gespaard, ik had het veel onaangenamer kunnen maken, ik had haar – gezien ook de ervaringen bij de rechter-commissaris – zover kunnen krijgen dat ze krijsend en vloekend en scheldend in die box had gezeten. Heb ik niet gedaan, dat is niet de bedoeling. Ik heb nu de indruk dat die taps vooral worden afgedraaid om iedereen te laten horen hoe lelijk meneer schreeuwt. Dat mag het OM doen, om een beeld neer te zetten, maar dat kunnen wij ook doen. Ik vraag me af of dat een goede weg is.

Tammes: Wij zouden graag even pauzeren.

Lunchpauze.

Tammes: We waren bezig met het onderwerpje: beetje dreigen en opschudden en een zekere dwang. We hebben Sonja gehad, we komen bij Sandra. Hoe was uw relatie met Sandra?

Holleeder: Goed, gewoon, normaal

Tammes: Zag u elkaar veel?

Holleeder: Dan wel, dan niet, hoe het zo uitkwam

Tammes: Controleerde u dingen die zij deed?

Holleeder: Nee.

Tammes: Waren er dingen die zij niet mocht doen?

Holleeder: Je hebt altijd in relaties dingen die je niet leuk vindt, andersom ook.

Tammes: Kunt u iets noemen, maakte u afspraken?

Holleeder: Toen ik vastzat heb ik wel afspraken gemaakt dat ze bepaalde dingen niet zou doen. Bijvoorbeeld omgaan met iemand die veel drinkt en altijd in de kroeg hangt.

Tammes: Van 6 juli 2010 tot 7 januari 2011 zat u vast. Toen zijn er 447 contactmomenten geweest, dat is gemiddeld 2,5 keer per dag. Dat vind ik persoonlijk best veel.

Holleeder: Dat is heel weinig. Ik zat in De Schie, ik had een telefoon in mijn cel. Ik heb Sonja gebeld, mijn moeder belde ik elke dag. Tijdverdrijf. Ik vind het flauw wat u doet: wij hebben gevraagd om die gesprekken. Tegen ons heeft u gezegd dat u ze niet had. En recreatie: hoef ik niet, dat drukke gedoe, dan ging ik liever op bed bellen.

Advocaat Janssen: Zowel door mr. Franken als door ons is gevraagd om gesprekken uit deze periode. Begrijp ik goed dat ze er toch wel zijn? Eerder is gezegd dat ze niet bewaard waren gebleven.

Tammes: Dit is een gesprek uit het dossier Calkta5 (naar de liquidatie van Sam Klepper)

Janssen: Dat is toch niet uit De Schie? Dat is in 2000.

Tammes: Zullen we dit op een ander moment bespreken? Ik wil het graag aan uw cliënt voorhouden…

Holleeder: Van wanneer is dat gesprek dan?

Tammes: Dat zeg ik net: 10 juli 2010.

Holleeder: U zegt: dat is Calkta.

Tammes: Dat staat er. Als het niet klopt dan klopt het niet.

Holleeder: Dat weet u toch zelf, dat het niet klopt?

Tammes: Ik ga het u voorhouden, het gaat om de inhoud.

Rechter Wieland: Er is gevraagd of er gesprekken waren uit De Schie. Daar heb ik nog geen antwoord op.

Tammes: Omdat ik het niet weet.

Rechter: O. Dat is ook een antwoord, maar dat heb ik niet gehoord.

Janssen: U zegt: dit komt uit Calkta5?

Tammes: In mijn exemplaar staat: Calka5. Ik ben met u eens dat dat het merkwaardig is omdat dat onderzoek toen niet meer liep. Misschien zijn ze later in een dossier gevoegd. U zou het moeten kennen.

Janssen: Ik kan u garanderen dat we dit niet hebben, we hebben er meermalen om gevraagd.

Tammes: Zullen we even naar de inhoud kijken?

(er is even een technisch probleem)

Janssen: Een van de eerste verzoeken van mr. Franken was: gesprekken vanuit de p.i. en met name vanuit De Schie, omdat die hele kwestie ging over Dino Soerel. Er is steeds te kennen gegeven dat die gesprekken vernietigd zouden zijn.

Holleeder: Na vijf maanden.

Tammes: Dat antwoord moet ik u schuldig blijven.

Holleeder: U hoeft zich niet schuldig te voelen (veel gelach op de tribune)

Rechter: Dat zei de officier niet, dan zijn de rollen omgedraaid.

(het lukt niet het fragment af te draaien, er volgt een schorsing; daarna krijgt Holleeder gelegenheid het te lezen; het is een gesprek tussen Sandra en Willem, 10 juli 2010. De officier noemt Sandra soms ‘mevrouw Den Hartog’, ik heb het meestal genoteerd als Sandra).

Tammes: U zit vast. Sandra zit thuis, u vindt het wel goed dat ze wat gaat doen, dat klinkt heel fideel. Dat mag alleen als ze zich aan de afspraak houdt.

Holleeder: Dat heb ik toch net gezegd?

Tammes: Welke afspraak?

Holleeder: Dat ze niet met een bepaald iemand op een terras gaat zitten omdat die persoon heel veel drinkt.

Tammes: Ze mag alleen opleidingen doen waar alleen maar vrouwen op zitten.

Holleeder: Er zitten allemaal vrouwen, het is voor een nagelstudio. Ik heb afgesproken dat ze niet met die persoon op een terrasje gaat zitten.

Tammes: Welke persoon? Dit gaat over vrouwen die op die opleiding zitten.

Holleeder: Mevrouw, ik weet helemaal niet of er vrouwen op de opleiding zitten.

Tammes: U zegt net…

Holleeder: U knipt er een stukje uit. Het is heel simpel, zo ga ik om met al mijn relaties. Als ik iets niet leuk vind, zeg ik dat. Als ze dat niet leuk vinden, mogen ze ook weggaan. Ga dan je eigen gang en laat me met rust, regel de rest voor jezelf.

Tammes: U zegt dat u de afspraak had dat ze niet met een dronken man op een terras mocht zitten.

Holleeder: Ik heb het niet over een man, over iemand.

Tammes: Een man, heeft u gezegd.

Holleeder: Vriendin, heb ik gezegd.

Rechter Wieland: Ik hoorde: met iemand die veel drinkt.

Holleeder: Ja.

Tammes: Ze mag wel opleidingen volgen met alleen maar vrouwen, maar ze mag niet met die vrouwen op een terras gaan zitten. Dat is meervoud.

Holleeder: Zo is het niet, maar het maakt niet uit.

Tammes: Mij wel.

Holleeder: Want?

Tammes: Het is anders dan u eerst zegt.

Holleeder: Wat denkt u nou? Ik zit hier voor liquidaties, niet om een gesprek te duiden over hoe ik met Sandra om ben gegaan. Ik ga met mijn relaties om zoals ik ga en ik hoef van u ook niet te weten hoe u met uw relaties omgaat. Van al die andere gesprekken uit De Schie weet u niks, u pakt een stukkie waarvan u denkt dat hat aardig is in uw verhaal. Wat een onzin. Klaar uit! Dit is hoe ik met Sandra omging, voor de rest zeg ik er niks over. Dit is privé en klaar.

Tammes: U schept een beeld van een ongelooflijk gezellige familieman. Dat proberen wij te nuanceren. Uit dit gesprek blijkt dat u degene met wie u omgaat ernstig beknot.

Holleeder: O, op die manier. Mevrouw: ik ga om met mensen zoals ik dat wil. Dat heeft niks met liquidaties te maken, ik hoef geen joviale jongen te zijn, ik ben met iedereen goed omgegaan, ze kreeg elke maand 6000 euro en geld voor kleding en als het haar niet had bevallen had ze weg moeten gaan.

Tammes: Ik ga u nog een gesprek laten zien.

Holleeder: Ik zit in de gevangenis, dan ben ik pissig, ik hoef toch niet altijd in uw taal te praten?

Tammes: Nee, helemaal niet. Ik ga u nog een gesprek voorhouden, dat is wat ik zeg.

Holleeder: Kinderachtig (gelach).

(gesprek van 13 juli 2010)

Tammes: Het gaat over die opleiding, Sandra zegt dat ze alles rustig aan het bekijken is, ze moet op beurzen staan. Dat vindt u wat minder. Zij moet zich realiseren dat u daar zit. Wat bedoelt u daar?

Holleeder: Hoe moet ik dat nou weten? U zal ook wel een gesprek hebben dat we ruzie hebben. Ik weet niet wat ik hier misdaan heb. Als ik met iemand omga mag ik toch wel wat vinden?

Tammes: Ik ga u nog een stukje laten lezen.

Holleeder: Ach, kom op. Het gaat om liquidaties en dan krijg ik een lulverhaal als dit.

Rechter Wieland: Ik denk dat het OM u probeert neer te zetten als een dwingeland. Maar dat is mijn speculatieve invulling.

Holleeder: Ik wil graag de dingen zoals ik ze zelf wil, maar dat mag iemand anders ook.

Rechter: Als het OM u beschuldigt van dwingelandij, dan kunt u daar op reageren. Misschien zegt u: “Zo ga ik met vrouwen om.”

Holleeder: Er komt meer bij een relatie kijken als je vastzit, dat weet iedereen (gelach). Ik vind het nogal wat hoor.

Tammes: Ik houd u nog één ding voor. U zegt: “Het moet niet te gek worden,” Sandra zegt dat ze er rekening mee gaat houden. U zegt: “Maar we gaan niet op beurzen staan.” Waarom mag dat  niet?

Holleeder: Mijn vader heeft altijd op beurzen gestaan. Dat vind ik niet geschikt voor mijn relatie met Sandra.

Tammes: Waarom dan?

Holleeder: Dat doet er niet toe.

Tammes: Ik vraag ernaar. Of u geeft geen antwoord…

Holleeder: Dan geef ik geen antwoord.

Tammes: Dan gaan we door met het volgende

Holleeder: Zo is dat.

Tammes: Een aantal gesprekken van 28 oktober.

(Holleeder leest; Sandra is dronken, Holleeder zegt: krijg lekker de kanker in je harsens)

Holleeder: Ik heb het gelezen. Ik heb kankerhoer gezegd.

Tammes: Het zijn vier gesprekken.

Holleeder: Vier keer kankerhoer.

Tammes: Is dat de manier waarop u met Sandra omging?

Holleeder: Dit is mijn manier van praten. Gelukkig laat u nu zien dat het niet alleen in die opnames van Astrid is, maar ook als ik gewoon ben. Het is een goed voorbeeld dat u aanhaalt, zo praat ik, dank u wel.

Tammes:  Ik houd u nog één gesprek voor, maar daar is alleen een verklaring over van Sandra.

Holleeder: Geen gesprek?

Tammes: Er is een gesprek geweest waar zij over verklaart, maar we hebben dat gesprek niet.

Holleeder: Hoe weet u dan dat dat gesprek er geweest is?

Tammes: Omdat het in haar verklaring staat. Ik ga u voorhouden…

Holleeder: Wat zij zegt…

Tammes: Ja. “Ik was bij een vriendin in de Utrechtsestraat, die werkte daar. De straat was opgebroken, er was geen verkeer, ook geen tram, maar dat weet hij niet, hij zit vast. Hij zegt: ‘Waar ben je?’ In de Utrechtsestraat en ik loop naar de Albert Cuyp.’ Hij zegt: ‘Weet je het zeker? Vieze schijthoer, je staat niet in Utrechtsestraat. Zit je bij een kerel of zo? Ik heb je tien minuten aan de telefoon en ik heb nog geen tram langs horen komen.” Wat hoort u hier?

Holleeder: Leugens. Gewoon een standaardverhaal. Het is zorgvuldig door een advocaat, door Astrid, in elkaar gezet. Het is gewoon onzin. Dat ik kankerhoer heb gezegd, dat klopt, maar dat is mijn taal, sorry, maar gelukkig staat het hier ook.

Stempher: Waarom zou Astrid dit in elkaar zetten?

Holleeder: Dat begrijpt u zelf ook wel. Astrid is advocaat, die probeert mij erin te luizen en ze weet precies hoe dat moet. Voor een rechtbank een verhaal neerzetten. Sandra zegt ook dat ze geen 6000 euro per maand van mij kreeg.

Stempher: Waarom zouden ze dit gesprek met elkaar verzinnen en bij de politie vertellen?

Holleeder: Ze hebben met elkaar besproken wat ze gaan vertellen.

Stempher: Dit is een hele specifieke situatie.

Holleeder: Dat is nou precies wat ze doet. Ze verzint specifieke dingen om een bepaald gewicht te geven aan die verklaringen. U doet net of het een gesprek is, maar het is een verklaring.

Stempher: Uw verhaal is dat dit in elkaar is gezet door Astrid.

Holleeder: Ze hebben met elkaar gesproken en Astrid gaat wat in elkaar flansen.

Stempher: Wat is hier dan de achterliggende gedachte?

Holleeder: Om mij slecht te maken. Dat is de rode draad: ik ben slecht voor iedereen.

Tammes: Hoe was uw relatie met Maike?

Holleeder: Dat hoeft u niet te doen, daar heb ik ook heel vaak ruzie mee gehad. Standaard. Maike is ook niet gemakkelijk, heeft ook met mij ruzie gemaakt. Dat is het.

Tammes: We hebben duizenden gesprekken.

Holleeder: Ja, wij ook. We hebben heel veel ruzie gehad.

Tammes: Was er sprake van enige dwang?

Holleeder: Ach, schei toch uit met dwang. Maike laat zich door niemand dwingen. Sandra ook niet. Wat is dat nou voor onzin. Dit is allemaal leuk en aardig, ik zit hier voor liquidaties. Als ik ruzie heb met mijn vriendinnen, dan is dat zo. Daar mag u van vinden wat u wil.

Tammes: Ik ga u iets laten horen.

Holleeder: Ja, tuurlijk.

Tammes: Een gesprek van 19 november 2004, tussen u en Nicky Visser. Het gaat over verkoop, door haar man, van het huis in de Van Eeghenstraat.

(telefoon gaat over)

Kinderstem: Hallo?

Holleeder: Hai schattebout. Hoe is het, lieveling, wat ben je aan het doen schat? Hoe voel je je?

Kind: Goed.

Holleeder: Gelukkig maar, kind. (Op de achtergrond zegt een vrouwenstem iets)

Kind: Papa gaat de advocaat een brief schrijven of zo. Holleeder: Geef mama maar even, ze moet niet zeiken.

Vrouw: Hallo? (het gesprek is moeilijk te volgen, alleen iets als: ‘Dan krijg ik mijn geld gewoon niet meer.’)

Holleeder: Aan wie gaat die advocaat een brief schrijven?

 Vrouw: Zijn advocaat schrijft jou een brief.

Holleeder: Je moet tegen hem zeggen: als hij mij een brief schrijft, dat-ie ruzie met mij krijgt en dat die kale kankerhond mij niet moet beledigen (begint ineens enorm te schreeuwen) Geef me zijn nummer maar!

Vrouw: Hij zegt…

Holleeder: Jij gaat hem nu zeggen! Als ik nog één keer last van hem heb! Jij gaat hem nu bellen!

Vrouw: Hij doet het toch niet…

Holleeder: Geef me zijn nummer maar! Ik ben geen Sonja! Ik bel je over twee minuten terug! Zeg hem dat maar! (schreeuwt hysterisch, de verbinding wordt verbroken)

Tammes: Mag ik ook het volgende gesprek horen? Ik meld even: het meisje is de dochter van mevrouw Visser en ze is op dat moment elf jaar.

(telefoon gaat over)

Kind: Hallo?

Holleeder: Dag schatje.

Kind: Papa neemt niet op.

Holleeder: Geef me mama nog maar even, schat.

Vrouw: Hallo?

Holleeder: Zeg hem even: Als-ie problemen zoekt…

Vrouw: Nee…

Holleeder: (schreeuwend) Je moet luisteren als ik praat! Als hij problemen zoekt, hoeft-ie niet ver te zoeken, die kan-ie krijgen. Zeg hem dat ik geen clown van hem ben!

Vrouw: Ik heb alleen maar…

Holleeder: Als hij problemen wil kan-ie die krijgen. Ik bel je straks!

Vrouw (schreeuwt terug): Hij lacht iedereen uit, hij gaat met Sonja uit. Hij lacht zich helemaal kapot. Ik kan voorlopig mijn huis niet verkopen.

Holleeder: Je moet niet verkopen, heb ik honderd keer gezegd. Geef mij E. (dochter) maar, ik ben klaar met dat mannetje.

Dochter: Hallo?

Holleeder: Dag schatje. Jouw vader is een grote pisbak, ik schijt op zijn kale kop. Zeg maar tegen je vader dat Willem heel pissig is en dat ik in het weekend langskom, dan los ik het even met hem op, die kankerhond.

Tammes: Meneer Holleeder, wat vindt u van dit gesprek?

Holleeder: Ja, ik schreeuw weer.

Tammes: U zegt ook allerlei zaken tegen de elfjarige dochter over haar vader. Is dat in de Jordaan ook gebruikelijk?  

Holleeder: Die dochter was wel wat gewend met haar vader.

Tammes: Elf jaar, meneeer Holleeder!

Holleeder: Dat zeg ik, die was wel wat gewend.

Stempher: Vindt u dat u dat dan ook moet doen?

Holleeder: Ik heb gewoon gezegd wat ik gezegd heb. Zo erg is dat toch niet?

Tammes: Ik hoor het u ook zeggen.

Holleeder: Weet u wat het is? Ik heb u gisteren niet gehoord over dat Cor Sonja wurgt met handschoenen, waar de kinderen bij zijn. Dat vind ik wat anders.

Janssen: Ik zal het OM zeker aan deze maatstaven herinneren als het over andere gesprekken gaat.

Holleeder: Ik heb spijt dat mijn advocaat dinsdag teveel rekening met Sonja heeft gehouden. U probeert mij neer te zetten als een karikatuur. Dat kunnen wij ook met Sonja en Cor. En dat gaan we ook doen. Gaan we hier aan iedereen laten horen dat Cor Sonja wil vermoorden, met handschoenen aan, waar de kinderen bij zijn. Dat vindt u wel normaal, en mij valt u aan omdat ik tegen een kind zeg dat haar vader een pisbak is.

Tammes: Het gaat over de verkoop van een huis. Waarom maakt u zich daar zo druk over?

Holleeder: Ik heb haar advies gegeven om niet te verkopen, omdat onroerend goed alleen maar meer waard wordt. Ik ken haar goed, zij vraagt mij om advies. Als ze zegt: ik ga verkopen, zeg ik dat ze effe moet wachten.

Tammes: Waarom wordt u daar zo boos ober?

Holleeder: Omdat die advocaat mij een brief gaat schrijven, die mafkees.

Tammes: U zegt ook: je gaat niet verkopen.

Holleeder: Ik heb gezegd: “Je moet niet verkopen, je bent eigenwijs.” Ze had ook beter niet kunnen verkopen, het is nou heel veel geld waard.

Tammes: Het volgende fragment. Een tapgesprek met uw broer Gerard, 15 januari 2001, om negen uur ’s morgens. Hij is bij Van der Valk in Eindhoven. U zegt dat Gerard zijn spullen moet pakken. Hij zegt: “Maar ik heb al betaald.” U zegt: “Maakt niet uit, kom naar Amsterdam. Als je in Amsterdam bent, bel je me even op. Check maar uit.”

Holleeder: Ik ben blij dat u die tap erbij hebt gehaald. Dit is vlak na de poging op Cor, in 2000. Cor had tegen Astrid gezegd, toen hij dronken was: “Je broertje gaat eraan.” Toen heeft Astrid ervan gemaakt: misschien Gerard. Ik heb toen ontmoetingen gehad met Astrid en Gerard. Mijn broertje was aardig onder de indruk omdat Astrid zei dat hij er misschien aan ging en toen heb ik hem naar Maastricht laten gaan. Voor zijn veiligheid. Ik ben daar ook een paar keer geweest. Daar ben ik ook met dat tapgesprek met Sandra, als ik in Maastricht ben. Ik heb hem geld gegeven, hij heeft een huisje gehuurd. Daar heeft hij met zijn kinderen dag of zes, zeven gezeten. Sonja was met Cor in België, toen heeft Cor gezegd dat hij dronken was, dat hij maar wat gezegd had. Ik heb Sonja gesproken, ze zei: “Er is niks aan de hand.” Toen heb ik mijn broertje gebeld: kom maar weer terug.

Tammes: Als ik de indruk krijg van dwang?

Holleeder: Het is mijn manier van praten: kom maar weer terug. Zo praten wij. Het is wat Astrid verteld heeft. Het had van mij niet gehoeven, maar hij voelde zich rot. Toen Sonja zei dat er niks aan de hand was heb ik gezegd: “Kom maar terug” en toen heb ik met hem afgesproken in de Jekerstraat bij de Japanner.

Tammes: Volgende: een tapgesprek tussen u en uw moeder, 21 december 2004.

(Holleeder leest het)

Holleeder: Ja. Dus?

Tammes: Wat vindt u van de toon van dit gesprek?

Holleeder: Als u het nog steeds niet begrijpt: dit is mijn manier van praten. Elk vogeltje is zo gebekt. Ik heb nooit iemand een klap gegeven, nooit iets misdaan tegen ze, ik heb een hele grote mond, ik kan schreeuwen, that’s it. Ik zeg hier weer kankerlijers.

Tammes: U zegt: ze zal wel zien… Waar gaat dit over?

Holleeder: Aaach… Weet ik veel. Dat weet ik toch niet. In elk geval niet over liquidaties, ik zou niet mijn moeder liquideren.

Tammes: Een geluidsfragment van 6 januari 2006. U wordt gebeld door Mark Bakker.

Holleeder: O dat. Dat is al helemaal uitgekauwd, joh. 

(fragment)

Bakker: Ik moest jou bellen?

Holleeder: (schreeuwend) Kankerhond, je moet mij zéker bellen! Kankerhond! Travestiet! Je moet mij niet beledigen!

Bakker: Ik ben jouw vriend, man!

Holleeder: Ik ben je vriend niet. Ik kom je morgen opzoeken.

Bakker: ik heb jou beschermd weer.

Holleeder: Tegen wie dan? Ik ben klaar met jou. Denk je dat ik Marcel ben die je kan bedreigen, travestiet! Je hebt mijn vriendinnetje tegen mij opgestookt. Zorg dat je morgen thuis bent, ik kom bij je langs. Als je niet thuis bent! Kankerhond!

Tammes: Kunt u iets over dit gesprek zeggen?

Holleeder: Hij had tegen mensen gezegd dat hij mij iets aan zou doen, ik heb hem even netjes gebeld (gelach). Ik heb hem met geen vinger aangeraakt, gewoon uitgepraat. Ik zeg tegen iedereen kankerlijer.

Tammes: Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat meneer Bakker hier angstig is.

Holleeder: Ik ben gewoon boos, ik zeg wat ik wil. Als ik nou al niet meer mag schreeuwen! Het lijkt wel of ik hier zit omdat ik teveel geschreeuwd heb.

Tammes: Het volgende is van 30 april 2013, tussen u en uw zuster Astrid.

Holleeder: O, die leip.

(het gaat over de bedreiging van Peter de Vries)

Tammes: “Weet je wat het is As, ik ben tekeer gegaan. Wat hij heb gedaan, ik vergeef het hem. Maar het is niet normaal.”

Wat was er te vergeven?

Holleeder: Dat hij naar de politie is gegaan.

Tammes: U komt bij hem aan de deur en u vergeeft hem?

Holleeder: Ik kom bij hem aan de deur, als vriend. Als vriend heb ik ruzie met hem gekregen. Achteraf is wel duidelijk waarom hij naar de politie is gegaan: omdat ze aan het verklaren waren. Dat wist ik niet. Ik vind het kwalijk dat als je met een vriend ruzie krijgt je naar de politie rent en dat je dan op internet zet: “Hij wil mij vermoorden.”

Tammes: U zegt: “Laat maar As, het is een diepe aderlating voor mij. Vanaf nou moet hij doen wat ik zeg.”

Holleeder: Dat is mijn manier van praten, het is een schande wat hij geflikt heeft. Het is een spelletje geweest, ze hebben mij er ingetrokken. Flink hoor, als je dertig jaar met iemand bevriend bent en dan met mijn zuster gaat samenspelen om mij erin te luizen. Ik heb gelijk gehad. Ik begrijp dat u dat niet bevalt, de manier waarop ik dingen zeg. Dat mag u vinden.

Stempher: U vindt het allemaal wat flauw. U heeft zichzelf wel neergezet als iemand die niet driftig is. Dat heeft u in Kolbak gezegd. Daar zou je anders over kunnen denken, als je die geluidsfragmenten hoort.

Holleeder: Heb ik dat in Kolbak gezegd?

Stempher: Ja. Dat u niet driftig bent.

Holleeder: Kunt u dat even laten…

Stempher: Ja, laten we komen. De vraag bij ons is: wat denkt u dat het effect is van die gesprekken als u zo tekeer gaat?

Holleeder: Ik ben dat zo gewend. Van kindsaf. Het is jammer dat ik Sonja niet uit de tent heb gelokt, dan had ze het glas eruit getrapt.

Stempher: Wat voor effect denkt u dat het op anderen heeft? Interesseert u dat niet?

Holleeder: Ik ben gewoon boos, daarna is het gewoon weer over.

Stempher: Denkt u dat anderen het gevoel hebben dat ze ruimte hebben om tegen u in te gaan?

Holleeder: Iedereen moet doen wat-ie wil. Peter is toch ook naar de politie gegaan? Hoe je het wendt of keert: hij is naar de politie gegaan.

Stempher: Kunnen mensen daar niet bang voor worden?

Holleeder: Mensen die mij kennen, worden daar niet bang van. Ik schreeuw alleen, ik sla ze niet, ik raak ze niet aan.

Stempher: De Heinekenontvoering. De heren Heineken en Doderer hebben drie weken aan een ketting gelegen.

Holleeder: Die straf heb ik uitgezeten.

Stempher: Ze weten niet of ze het levend vanaf brengen. Stel dat u in een vuurgevecht was doodgeschoten en niemand weet waar ze zitten. Pure doodsangst. Heeft u enig idee wat dat met deze heren heeft gedaan?

Janssen: Is dit relevant?

Stempher: Ja! Dit is relevant!

Janssen: Nu moet meneer gaan reflecteren op de gevoelens van meneer Heineken van dertig jaar geleden?

Stempher: Wel degelijk!

Rechter Wieland: Wilt u er antwoord op geven?

Holleeder: Wat vindt u?

Rechter: Volgens mij heeft u daar geen moeite mee.

Holleeder: Wat vindt u?

Rechter: Ik vind niks. Ik zou zeggen: dat schudt hij zo uit zijn mouw, laat het maar eens zien.

Holleeder: Het is wat mijn advocaat zegt. Het is 35 jaar geleden, dan ben je jong, dan doe je dingen minder overdacht. Ik besefte al snel nadat het gebeurd was: dat hebben we onderschat.

Stempher: Heeft u er ooit aan gedacht om dat Heinekengeld terug te geven?
Holleeder: We hebben er wel aan gedacht om een gesprek aan te gaan, niet om het geld terug te geven.

Stempher: Waarom niet?

Holleeder: Omdat we het hadden.

Stempher: Binnen is binnen.

Holleeder: Zo is dat. We hebben het toch voor het geld gedaan? Astrid, Sonja, mijn moeder en broertje hebben ook niet gezegd: Wim, geef dat geld maar terug.

Stempher: Het feest in het Marriott Hotel is aan de orde geweest, bij de vrijlating van Cor. Dan wordt een tune gedraaid van ‘Heerlijk helder Heineken’. Eind jaren negentig is er een feest geweest bij Yab Yum. U zou met Hells Angels met limousines naar Yab Yum zijn gegaan, met het Heinekenlogo en dan ‘Heerlijk helder Holleeder.’

Holleeder: Ja. Klopt. We gingen elk jaar voor de feestdagen stappen. Dat hebben ze als grapje gemaakt, ik wist dat niet. Ze hebben mij in die limousine gepropt, ik kwam eruit en er zaten overal van die stickers, dat was een geintje.

(Stempher wil fragmenten laten zien, dat lukt niet)

Rechter Wieland: Is er van de kant van Heineken weleens een verzoek gekomen om het geld terug te geven?

Holleeder: Ook niet. We hebben een gesprek gehad met Proseco, het beveiligingsbedrijf van Heineken. We hebben toen alleen afgesproken: als hij in de PC loopt en wij aan de overkant, dat we elkaar niet kruisen.

Rechter: We vliegen naar Mars op en neer binnenkort, maar… (het opstarten van het fragment lukt niet)

Holleeder: U kunt toch wel omschrijven wat het logo is? Het is gewoon het Heineken Logo, met Holleeder in plaats van Heineken.

Rechter: U was daar met Hells Angels? Hadden die dat bedacht?

Holleeder: Ja, het was een grappie, gewoon, ik had het zelf niet bedacht. Ik heb gelijk een jongen laten komen om die stickers eraf te halen. Ik vond het ook niks.

Rechter: Waarom niet?

Holleeder: Te provocerend. Sam was er ook nog bij, die had dat bedacht. Het was volgens mij veel eerder.

Stempher: Het is een foto van u met Angels en dat logo en Holleeder in het midden. Als u gaat tekenen voor uw columns in Nieuwe  Revu (is niet goed te volgen, heeft toen waarschijnlijk ook zoiets gedaan)

Holleeder: Dat was gewoon een grapje.

Stempher: Wat is daar grappig aan?

Holleeder: Peter de Vries is in Alkmaar bij een bezoek aan mij weggestuurd omdat hij een foto had opgestuurd van mij, proostend met een blikje Heineken. Nu gaat het over stickertjes en proosten met een flesje bier, maar u vergeet dat Cor een boek heeft gemaakt en dat de dames een film willen maken en dat Cor, Jan, Frans en ik hebben gezegd heb: wij willen geen film. Om die reden.

Stempher: Mijn vraag is: wat denkt u dat dit doet met de slachtoffers, de nabestaanden.

Holleeder: Van die ontvoering? Ja, die wonen in Zwitserland.

Stempher: Ik vraag niet waar ze wonen.

Holleeder: Dat weet ik niet meneer, daar heb ik niet bij stilgestaan.

Stempher: Interesseert u dat ook niet?

Holleeder: Ik heb daar niet over nagedacht.

Stempher: De ontvoering van Gerard. Een citaat van Gerard, 11 oktober 1999: “Ik was door de dreigende taal zo bang dat ik het papier getekend heb. Ik was bang dat hij zou schieten, want hij had ook al met een pistool op mijn hoofd geslagen.” En: “Ik ben hysterisch van angst, ik durf niet eens alleen te slapen.” Als u dat hoort, wat denkt u dan?

Holleeder: Ik heb gelijk gezegd dat hij rolluiken mocht nemen. Meer kan ik er niet aan doen. Ik heb hem weg laten gaan.

Stempher: Er is die dag veel gecommuniceerd. U zit dan vast. Misschien is het Jordanees, maar er is een tapgesprek tussen u en Sonja. U zegt: “Het is gewoon een overval geweest, maak je niet druk, alles is in orde, ze hebben hem even meegenomen, een kleine ontvoering, dat hebben ze gedurfd omdat ik hier zit.” Dat is dan de schuld van het OM. U kijkt er anders naar dan Gerard en Marcel dat ervaren hebben.

Holleeder: Ik ben er op dat moment al mee bezig, ik weet dat Sam Klepper erachter zit, ik weet dat de angel er al uit is omdat ik hem al gesproken heb. Ik probeer mijn familie gerust te stellen. Die mensen hadden Sam zijn naam genoemd.

Stempher: Er is een gesprek met Sonja, die is overstuur. U zegt: “Maakt niet uit, alles afgeven, niks aan de hand schat, hij is even ontvoerd omdat ze bij dat geld moesten wezen.”

Holleeder: Ja, dat is mijn advies altijd: als je wordt overvallen, gewoon afgeven, niks aan de hand, komt vanzelf weer goed.

Stempher: Die middag heeft u een gesprek met de partner van uw broer, dan zegt u: “Het is gewoon maar een overvalletje, hoor. Het gebeurt bij iedereen, dan heb je de pech dat jij dat ook een keer meemaakt.”

Holleeder: Dat is om ze gerust te stellen.

Stempher: Wat ons opvalt: u maakt het nogal klein. Ik hoor u nergens vragen: hoe gaat het?

Holleeder: Ik heb er ervaring mee, ik weet dat het onder controle is, dat het alleen een poging was om bij Endstra te komen en dat dat mislukt is omdat die mensen Sam zijn naam genoemd hebben. Op dat moment maakte ik me niet zoveel zorgen meer. Ik probeer mensen gerust stellen. Dat kun je alleen doen door het kleiner te maken, anders worden ze er alleen maar onrustiger van. Natuurlijk is het vervelend, maar ze hebben er niks aan als je olie op het vuur gooit. Dat is echt niet omdat ik denk dat er niks aan de hand is, ik bagatelliseer het omdat ik hen tot rust wil brengen.

Stempher: Heeft u het er daarna nog wel eens met Gerard over gehad?

Holleeder: Natuurlijk.

Stempher: Hoe zat hij erin?

Holleeder: Gerard is ook geen slappe hap, die kan wel tegen een stootje. Heeft u die tap van Klepper niet? Dan kunt u toch zien dat ik alles met hem bespreek?

Stempher: U denkt toch niet dat dit de enige keer is dat wij met elkaar gaan praten?

Holleeder: O, dat had ik wel gehoopt.

(Holleeder leest fragment, daarna wordt het afgedraaid. Willem en Sonja)

Holleeder: Weet je wat het is Bokser: jij brengt hem in gevaar.

Sonja: Wim, ik heb met niemand problemen.

Holleeder: Jij denkt dat je God bent.

(Bokser is de bijnaam van Sonja. Het is moeilijk er verder iets van te verstaan. Het volgende fragment is tussen Willem en Astrid. Holleeder: “Zij en Richie en Franny zallen niet één euro krijgen. Assie luister: ze doet het weer. Ze krijgt niks. Als ik door hun één dag kom te zitten, ze moet niet doorgaan.”

Stempher: U wist niet dat u, zoals u stelt, erin geluisd werd. Sonja is de likdoorn in uw leven. U bespreekt dat met Astrid. Zij is dan toch een vertrouweling?

Holleeder: Dat ziet u verkeerd. Zij heeft zich steeds gemeld met die verhalen. U vindt het misschien normaal wat Astrid heeft gedaan, met Peter de Vries, maar er is niks erger dan dit, met mensen waar je altijd zo goed voor bent. Ik heb geprobeerd erachter te komen wat er aan de hand was. Astrid heeft geluidsopnames gemaakt, ze heeft geknipt en geplakt en iedereen moet weten wat zij zegt. Maar zij is niet eerlijk, ze liegt en bedriegt.

Stempher: Hoe was de verhouding tussen u en Astrid?

Holleeder: Sonja en ik hadden ruzie. Dat kwam door Astrid. Ik regel met Sonja de 25 procent, dan komt Astrid de volgende dag: “Ze heeft gezegd dat het anders is.” Ze stookt mij tegen Sonja op.

Stempher: Hoe was uw verhouding met Astrid?

Holleeder: Niks bijzonders, gewoon normaal, ik dacht dat ze het aardig bedoelde, “zal ik even naar Peter gaan.” Ik dacht dat ze mij wilde helpen, achteraf blijkt dat ze dat spelletje hebben gespeeld. U hebt vandaag genoeg laten horen dat ik schreeuw. Ik heb dingen gezegd die ik niet had moeten zeggen, maar er is niemand tegen wie ik zo tekeer ben gegaan, die ik een klap heb gegeven. Ik ben een blaffende hond die niet bijt.

Stempher: Toen was u onbespied. Als je dat zo hoort is het idee dat u Sonja niet moet. “Likdoorn in mijn leven, gluiperig, ze is altijd al zo geweest, Assie.” Het lijkt dat u en Astrid elkaar wel begrijpen en u zegt dat u Sonja wat wil aandoen. Astrid zegt dan: “Maar niet dat ik ernaast zit een kopje koffie te drinken.” Dan zegt u: “Jou nooit.”

Holleeder: Ik zou Sonja niks aandoen. Ik heb gedreigd, dat heb ik 100.000 keer gezegd. Het belangrijkste gesprek is Tweede Kerstdag 2013. Daarin heb ik meerdere keren tegen Sonja gezegd: “Boks, we hebben nooit ruzie gehad, alleen nu over die film.” Ik heb al die tapgesprekken gezien. Ik heb met Sonja misschien één of twee keer ruzie gehad. Het is dat Astrid de boel opgestookt heeft. Net zo goed als ik weet hoe ik Sonja en Astrid kan laten schreeuwen. Die ruzie bij de Willemsparkweg, bij de Bergmankliniek, toen ik hoorde van die deal, toen voelde ik me echt in de maling genomen. Astrid heeft dat spel gespeeld. Als ik zelf met Sonja praat, in 2013, zeg ik: “Je hoeft je helemaal niet druk te maken om de kinderen.” Ik hou van Sonja, ze heeft me dinsdag weer teleurgesteld, ik heb dinsdag bewust geen vragen gesteld. Ik dacht: laat maar, dat heb geen zin nou, op dit moment blijft ze toch liegen en bedriegen. Ze is nog steeds mijn liefste zussie, dat is nooit veranderd, de enige ruzie met Sonja is om die film, omdat Astrid dat in elkaar heeft gezet. Ik ben zo stom geweest dat ik dat niet ingezien heb, maar ik dacht: Neus, je moet niet paranoia worden. Ik schreeuw tegen Sonja, tegen Mark Bakker, tegen Sandra, maar Sandra heeft altijd alles gehad, die komt niks tekort. Ik heb niemand geslagen, niemand wat aangedaan, ik heb altijd voor ze klaargestaan.

Stempher: In die gesprekken komt wel naar voren: ik heb altijd ellende van je gehad. Van de Achterdam, de familie van Cor. Dat is toch niet positief richting Sonja?

Holleeder: Juist wel. Ik heb die ellende voor lief genomen omdat ze me zussie is. Ik weet dat Sonja de Achterdam verkocht heeft. In dat gesprek in 2013 heb ik het daar met haar over. Dan gaat ze hele rare leugens vertellen. Daar word ik boos om. Als Sonja eerlijk was geweest… Thomas van der Bijl dacht ook dat ik de Achterdam had. Hetzelfde geldt voor Adje en Remmetje. Iedereen dacht dat ik de kwaaie pier was. Dat heb ik  gewoon zo gelaten voor Sonja, ik kan wel wat hebben, het zal mij worst wezen wat ze denken. Maar dat heeft wel geleid tot de Kolbakzaak. Door de verklaringen van Thomas.

Stempher: Uw relatie met Cor, wat betekende hij voor u?

Holleeder: Hij was mijn vriend.

Stempher: Een echte vriend, bloedgabber zoals je in de Jordaan zegt?

Holleeder: Bloedgabber.

Stempher: Wat waren zijn goeie en minder goeie eigenschappen?

Holleeder: Cor was een goeie jongen, leuk en aardig; de slechte: als hij om twaalf ‘s middags begon met drinken, dan was het om vijf uur lastig.

Stempher: Slechte dronk. Dat is wel vaker gezegd, dan was hij vervelend en beledigend.

Holleeder: Dat was voor mij een moeilijke situatie, omdat Sonja daar ook problemen mee had, ik heb altijd geprobeerd het naar beide kanten goed te houden.

Stempher: Wat deed het met u toen hij in 2003 kwam te overlijden?

Holleeder: Erg natuurlijk. Erg.

Stempher: Mieremet? Vriendschap?

Holleeder: Dat is geen vriendschap zoals met Cor. Daar ging ik vriendschappelijk mee om. Dat begon voor de veiligheid, dan leer je iemand kennen, en als Sam dan wegvalt, laat je zo’n jongen niet vallen. Ik had een redelijke relatie met hem, maar niet zoals met Cor

Stempher: Met Mieremet, besprak u persoonlijke dingen?

Holleeder: Over alles en niks, meestal lachen met hem. Kwam ook uit Amsterdam.

Stempher: Toen hij kwam te overlijden, was u al gebrouilleerd. Deed u dat wat?

Holleeder: Niet zoals met Cor, ik vind het sowieso niet nodig dat iemand op die manier overlijdt.

Stempher: Hoe zat het met Endstra?

Holleeder: Ja, heel erg.

Stempher: Hoe is het begonnen met Endstra?

Holleeder: Zakelijk. Omdat ik mijn geld wilde investeren in onroerend goed. Je leert elkaar beter kennen en dan wordt het steeds gezelliger. Op het laatst ga je vriendschappelijk met elkaar om.

Stempher: Wat waren de goeie eigenschappen? Wat sprak u aan?

Holleeder: Heel veel. Alles. De persoon zelf. Goeie kerel. Beetje eten, beetje drinken, lachen.

Stempher: Toen Endstra kwam te overlijden?

Holleeder: Heel erg, natuurlijk.

Stempher: Hoe uitte zich dat?

Holleeder: Ik was natuurlijk heel teleurgesteld dat het zo was gegaan. Ik had hem altijd gewaarschuwd. Ik heb hem toen ook beveiligd met auto’s. Ik heb 100.000 keer gezegd: Wim, dit kan niet goed gaan.

Stempher: Als we terugkijken op vandaag: u wordt getypeerd als innemend, gezellig, een fijne man die dingen voor anderen deed. De andere kant is: driftig, berekenend, dominant, egocentrisch. Twee gezichten?

Holleeder: Ik heb gewoon één gezicht, ik ben zoals ik ben. Ik kan schreeuwen en ik kan aardig zijn, maar dat zijn geen twee gezichten. Je kan zeggen: je hebt te veel geschreeuwd. Klopt. Zo ben ik opgegroeid. Zo ging dat altijd in de buurt. Als je thuis moest komen om te eten werd er al geschreeuwd: “Bóven kómme!” We schreeuwen allemaal. Mijn zusjes schreeuwen, mijn broertje schreeuwt, mijn moeder schreeuwt, daar zit helemaal geen kwaad in. Alleen als mijn vader schreeuwde zat er kwaad in.

Tammes: Bij de rechter-commissaris heeft u verklaard over het losgeld hoe het is gegaan. Kunt u dat laatste stukje nog een keer vertellen?

Holleeder: Ik heb het al verteld en het staat in de geschreven verklaring. Ik ben met een jongen naar Lage Vuursche gereden, daar heb ik het opgegraven, in de kofferbak gegooid.

Tammes: Bij de rechter-commissaris zei u dat het gesneeuwd had. Dat u op zoek bent gegaan naar de boom met de letter, dat u die eerst niet kon vinden, dat u bang was dat uw voetstappen te zien zouden zijn.

Holleeder: ik was niet bang. Ik had misgegraven, er lag allemaal zand op de sneeuw, ik dacht: ik moet nu doorgaan, als ik het nu niet vind, heb ik een probleem.

Tammes: En dat u het toen heeft gevonden.

Holleeder: Ja.

Tammes: En daar blijft u bij?

Holleeder: Ja, ik kan die boom misschien aanwijzen.

Tammes: U weet dat andere mensen er anders over verklaard hebben. Thomas van der Bijl vertelt over het homobos. Sonja heeft een kaart gekregen van Cor met een boom en dat ze van Cor heeft gehoord dat het in een bos in Parijs lag. Ad van Hout heeft verklaard dat hij samen met Thomas naar het bos is gereden. Gisteravond kregen wij de beschikking over de verklaring van Johannes Gerardus van der Bijl, bijgenaamd Jopie. Die heeft gisteren een verklaring afgelegd. “Thomas, mijn broer, kwam ’s morgens naar mij toe. Hij zei dat ik ’s nachts wakker moest blijven. Hij kwam om half één ’s nachts met zijn Volkswagen GTI, dezelfde auto waarmee Cor en Willem naar Parijs waren gevlucht. Ik heb die auto daar toen samen met Thomas opgehaald, ik moest nog 1500 gulden betalen voor het parkeren. Het was na de ontvoering. Mijn dochter was net geboren, het was in juli. Thomas had bericht gehad van de Franse politie dat hij de auto kon ophalen. Ik weet niet wanneer Thomas naar Parijs is geweest om het geld op te halen. Thomas kwam ’s nachts naar mij toe. Uit de zitting van de achterbank was het schuimrubber gesneden. Het geld lag in bundels. Duitse Marken, Franse francs, Amerikaanse dollars en Nederlandse guldens. Er zat elastiek omheen. Ik heb Thomas niks gevraagd. Ik wist het al. Ik heb het geld onder een luik verstopt in mijn woning aan de Schaepmanstraat in Amsterdam. Het geld heeft twee dagen in huis gelegen, toen heb ik het weggebracht naar mijn volkstuintje. Daar heeft het ongeveer een jaar gelegen. Ik heb alles in een tas gedaan.” Hij beeldt een tas uit van ruim een meter. “Ik lieg er niet over. Hij heeft een jaar in het volkstuintje gelegen, in de schuur. In een plastic ton, die ik had ingegraven. Ik heb alles uit de sporttas in de ton gedaan. De ton en het deksel waren wit. Thomas wist waar het geld bewaarde. Thomas kwam weleens om geld, misschien vier keer. Later is aller er in één keer uit gehaald. Ik heb zelf ook weleens geld gewisseld, op het GWK in Amsterdam. Ik weet niet meer wanneer. Dat waren Franse francs. Ik denk dat het al bij al ongeveer duizend gulden was. Ik heb dit op verzoek van Thomas gedaan en na het wisselen aan Thomas gegeven. Ik was wel zenuwachtig, omdat ik wist waar het geld vandaan kwam. Van de ontvoering. Ik denk dat het geld naar Rob Grifhorst is gegaan. Thomas mocht Willem niet. Cor wel. Hij vond Willem een gluiperd. Cor was al acht jaar met mijn zus geweest.”  De reden waarom hij dit vertelt is: “Ik werd pissig toen ik hoorde dat Holleeder zei dat hij het zelf had gedan, het is gegaan zoals ik net heb verteld.”

Wat wilt u daarop zeggen, meneer Holleeder?

Holleeder: Als Thomas het had opgegraven, had ik dat gewoon gezegd. Jopie heeft gezegd dat hij Franse francs heeft gewisseld. Dat kan helemaal niet, die hebben wij zelf meegenomen naar Frankrijk. Dat is één. Twee: ik heb zelf opgegraven. Thomas heeft niet gewisseld. Als hij dat wel had gedaan, was hij gepakt geweest. Het is nooit gebeurd. Ze mogen er allemaal een  mooi verhaal van maken, maar ik heb het toch echt zelf opgegraven.

Rechter Wieland: Waarom vertelt hij dit?

Holleeder: Ik weet dat hij hier elke keer zit, hij kan een mooi verhaal vertellen. Ik heb geen reden om erover te liegen.

Rechter Mildner: Heeft u ooit geprobeerd om die film tegen te houden?

Holleeder: Ja, ze hebben er eerst één gemaakt, die heb ik geprobeerd tegen te houden, die procedure heb ik verloren. Die Amerikaanse film: daar ben ik door die ruzie verder niet op ingegaan, omdat ik die v.i. had.

Rechter: Over het losgeld: als Heineken er wel om had gevraagd?

Holleeder: Daar kan ik nu niet over oordelen.

Rechter: Als ze ’t nu zouden vragen?

Holleeder: Ik heb het al niet meer.

(Het proces gaat op 12 maart verder met Astrid Holleeder als getuige)

Thomas van der Bijl: “Ik heb iets doms gedaan”

$
0
0

In de Bunker begonnen op 4 mei 2009 de pleidooien in het hoger beroep voor de ‘afpersingen’ door Willem Holleeder en consorten. Cruciaal waren de verklaringen van Thomas van der Bijl, maar klopt het wat hij de recherche voor zijn dood vertelde? Justitie hield de letterlijke tekst van de verhoren zo lang mogelijk onder de pet en dat was niet zomaar: Thomas had alleen dingen ‘van horen zeggen’, als er echt iets te bespreken was moest hij in de auto blijven zitten. Als Van der Bijl nog had geleefd, had hij het als getuige nog zwaar te verduren gekregen: hij zat tot over zijn oren in een mega-drugszaak met Marokkanen die hem verdachten van verraad en er zijn aanwijzingen dat hij de liquidatie van George van Kleef heeft georganiseerd. Op de avond voor hij zelf werd vermoord zei Thomas: ‘Ik heb iets doms gedaan.’ Wat bedoelde hij?

Aan de vooravond van het proces maakte ik onderstaande reportage voor Panorama, die tijdens het verhoor van Astrid Holleeder, maandag 12 maart 2018, even werd aangestipt. Toen ik met dit onderzoek bezig was, heb ik ook contact gehad met Astrid. Daar refereerde zij aan.

 

(reportage uit Panorama, april 2009)

‘Kijk, ik wil maar één ding, dat Willem Holleeder, die heeft mensen vermoord, dat heb ik horen zeggen van andere mensen die het tegen mij vertelden. Ik weet dat hij Flip vermoord heb (..) Hij heeft me twee keer een stoot op mijn porum laten geven, en een keer een pistool op mijn kop gezet, ik vind het zat.’

In februari 2005 praat Thomas van der Bijl met officier van justitie Fred Teeven en rechercheurs van de Amsterdamse politie om te klagen over Willem Holleeder. Hij zegt dat Holleeder hem heeft bedreigd, maar vergeet erbij te vertellen dat het zijn eigen pistool was, waarmee hij in zijn café De Hallen had lopen zwaaien. Hij had een paar klappen gekregen omdat hij overal liep rond te bazuinen dat Willem achter de moord op Cor van Hout zat. Thomas staat bekend om zijn ‘geouwehoer’, er zit ook nog wat oud zeer met een ‘zussie’ van hem dat eerst wat had met Cor en later niet meer, dat soort dingen. Willem is dat zat en heeft het ‘op Amsterdamse wijze’ opgelost. Daarmee is de zaak gesust, de politie doet er verder ook niks mee.

Pas als Van der Bijl ruim een jaar later in zijn café wordt doodgeschoten, worden de verklaringen van belang. De politie maakt er een voor Holleeder zo belastend mogelijke samenvatting van die als voornaamste bewijs dient voor de behandeling van de zaak-Holleeder bij de rechtbank. Kort voor het eind van het proces ontdekken advocaten dat de gesprekken met Van der Bijl op band staan, justitie had dat graag buiten het dossier gehouden. Begrijpelijk: voor het hoger beroep laten de advocaten de letterlijke tekst onderzoeken door de professoren Wagenaar en Crombag. Die laten geen spaan heel van de manier van verhoren en het suggestief samenvatten. Het rapport zal uitvoerig aan de orde komen tijdens de pleidooien.

In april 2006 praat Thomas van der Bijl opnieuw met Fred Teeven. Dit keer is er een andere aanleiding: hij is opgepakt in een mega-drugszaak. Fred Teeven, die ooit heeft gezegd dat hij ‘patent’ heeft op Holleeder, haalt de kroegbaas over op te treden als ‘anonieme bedreigde getuige’. Thomas wil wel, maar alleen als hij vrij komt voor de drugssmokkel. Teeven regelt het met collega-officier Michiel van IJzendoorn en Thomas mag naar huis. Zonder bescherming. Een paar dagen later wordt hij doodgeschoten. Dat zal niet de bedoeling van Teeven zijn geweest, maar het draagt er wel toe bij dat Holleeder in de publieke opinie al wordt veroordeeld. Over de drugszaak waar Van der Bijl bij betrokken was wordt niets meer vernomen, de advocaten van de andere verdachten vragen vergeefs om het dossier: alles wat met Van der Bijl te maken heeft is taboe.

Dikke John

Wat ís die drugszaak? De politie is al vanaf 2005 bezig met een onderzoek naar twee hoofdzakelijk Marokkaanse drugsbendes, die hasj vanuit Marokko via Nederland naar Engeland en Scandinavië smokkelen. Op 27 maart 2006 wordt er een gesprek afgeluisterd tussen een Marokkaan en ‘Dikke John’ de J., een goede vriend van Thomas van der Bijl. Dikke John moet een bestelbusje van Van der Bijl achterlaten op een parkeerterrein bij Breda, de Marokkaan zal het laden en de volgende dag kunnen ze ’t busje ophalen. Zo geschiedt en de politie volgt het allemaal. De volgende dag wordt het busje bij Van der Bijls houthandel in Zwanenburg aangehouden. Er zit 802 kilo hasj in en in de loods wordt ook nog eens 928 kilo gevonden. Thomas en Dikke John worden opgepakt, Thomas verklaart dat hij niet snapt hoe het in zijn busje is terechtgekomen.

Maar er is meer…

Uit een eerder afgeluisterd gesprek maakt de politie op dat er een nieuwe lading hasj onderweg is naar een loods aan de Eikbergseweg in Bavel, bij Breda. Nicole L. en haar vriend Adri (‘Aai’) K. hebben hier tijdelijk een oude boerderij gehuurd die op de nominatie staat te worden gesloopt. Op 1 april komt een Franse vrachtwagen, met een Franse chauffeur en bijrijder, aan bij de boerderij in Bavel waar ruim 20.000 kilo in de loods wordt gelost, de rest van de vracht moet naar Amsterdam. De politie laat de vrachtauto uit Bavel vertrekken en grijpt in als hij op een parkeerplaats in Gilze een tussenstop maakt. Er zit dan nog ruim 7000 kilo in.

Er ontstaat een verwarrende situatie. De politie heeft geen vrachtwagen bij de hand en men besluit met de aangehouden wagen terug te gaan naar Bavel om het daar allemaal in te laden en af te voeren. De organisatoren zijn dan nog buiten beeld en begrijpen er niets van: iemand moet de boel hebben verraden. Eerst worden Nicole en haar vriend ter verantwoording geroepen en bedreigd. Op het moment van de inval waren ze niet aanwezig, ze konden pas later worden aangehouden. Intussen zitten Thomas en Dikke John vast, wat aanvankelijk ook niet bekend is bij de organisatie. In de loop van de week worden er zeven verdachten aangehouden, in totaal gaat het om ruim 32.000 kilo hasj met een straatwaarde van 100 miljoen euro. Bij de inval in de boerderij in Bavel worden ook onderdelen voor een amfetaminelaboratorium met grondstoffen aangetroffen

Als de Franse vrachtwagen wordt aangehouden, treft de politie ook een geladen revolver aan. Het is niet het enige teken dat het gaat om een organisatie die geweld niet schuwt. De Amsterdamse recherchechef Willem Woelders laat daags na de aanhoudingen in een reactie aan Het Parool weten dat het gaat om een groep waarin al drie moorden hadden plaatsgevonden. (zie kader). De vraag is: stond Thomas van der Bijl in 2005 al bij deze groep op de dodenlijst? In zijn verklaringen als kroongetuige vertelt Peter la Serpe dat hij in december 2005 al samen met Jesse R. op de loer heeft gelegen om Van der Bijl te liquideren, maar toen ging het elke keer mis en werd de zaak afgeblazen. Pas in april 2006 wordt alles op alles gezet en moet Van der Bijl koste wat het kost uit de weg worden geruimd.

‘Ik heb iets doms gedaan,’ zei Thomas op de avond voor hij werd vermoord tegen Maria Houtman, de weduwe van Cees. Wat bedoelde hij? Zijn gesprek met Fred Teeven, waarin hij afdwong dat hij in ruil voor belastende verklaringen over Willem Holleeder niet vervolgd zou worden voor de hasj en meteen vrij zou komen? Dat was inderdaad een grote fout. De organisatoren konden moeilijk anders concluderen dan: Thomas heeft een deal gemaakt en de boel verraden. Hoe is het anders te verklaren dat hij als enige van alle arrestanten meteen op vrije voeten kwam?

Thomas kan ook een andere ‘domheid’ hebben bedoeld. Een dubbele. Hij was het die overal had rondgebazuind dat Cees Houtman werd afgeperst door Willem Holleeder en toen Houtman op 5 november 2005 was geliquideerd, ging hij ervan uit dat Holleeder hier ook achter zat. Thomas ging er ook vanuit dat één van de moordenaars van Houtman George van Kleef was: Maria Houtman had ‘een Chinees’ waargenomen. Achteraf een fatale inschattingsfout, die George van Kleef ten onrechte het leven kost. Op de dag van de begrafenis van Cees Houtman (10 november) wordt er wraak genomen en wordt Van Kleef geliquideerd. Als er naar deze liquidatie al onderzoek wordt gedaan, dan weet justitie dat goed te verbergen. Het komt niet goed uit omdat Thomas van der Bijl en Maria Houtman dan als verdachten zouden moeten worden aangemerkt.

Maria Houtman heeft toegegeven dat ze zich heeft vergist. Als de verklaringen van La Serpe een béétje kloppen is het een begrijpelijke fout. La Serpe heeft verklaard dat hij zelf en Jesse R. de moord op Cees Houtman hebben gepleegd. George van Kleef kan net als Jesse R. goed doorgaan voor een Chinees, beiden hadden ook die bijnaam.

In het milieu is er weinig twijfel over de rol van Thomas van der Bijl. Op 24 september wordt ‘moordmakelaar’ Fred Ros tijdens het bezoekuur in de p.i. in Zutphen afgeluisterd. Op bezoek zijn zijn goede vriend Siem W. en zijn moeder Mia. Fred Ros, die er zelf van wordt verdacht de liquidatie van Thomas van der Bijl te hebben geregeld, zegt dan: ‘Kijk, je moet niet vergeten, die George van Kleef die doodgeschoten is, dat is door Thomas van der Bijl geregeld, voel je. Thomas van der Bijl heeft de liquidatie van George van Kleef op zijn geweten.’

Dat de dood van Cees Houtman Thomas van der Bijl hoog zat, is niet zo vreemd. In zijn verklaringen bij Teeven geeft Van der Bijl openlijk toe dat hij wel eens wat voor Houtman deed, op het gebied van drugs en dat was algemeen bekend: Houtman bleef op de achtergrond en deed zich voor als vastgoedhandelaar, Thomas was de uitvoerder.

‘Ik heb iets doms gedaan.’ Maria Houtman weet ook niet zeker wat Thomas ermee bedoelt, maar als de recherche haar ernaar vraagt zegt ze: ‘Dat hij voor die tijd nog even een paar karretjes ging rijden (…) Eentje die praat die gaat er al gelijk aan, dat is gewoon zo.’

Als de recherche Maria Houtman vraagt een schetsje te maken met namen van de mensen die ze kent en wat ze doen, zet ze tamelijk verrassend achter Thomas van der Bijl: rottigheid harddrugs + (shop in a shop) via kennis zijn vrouw geript, niet betaald’. Vermoedelijk gaat het hier om een geripte partij cocaïne van 25 kilo die te maken heeft met een kennis van de vrouw van Thomas, waar Thomas zelf ‘rottigheid’ door heeft. Het ‘later opgepakt met Grote John’ slaat weer op Thomas zelf en dan bedoelt ze ‘Dikke John’ de J.

Peter Petersen

‘DIKKE PETER’: CEES HOUTMAN WAS NIET EERLIJK

Op 3 maart 2009 wordt ‘Dikke Peter’ Petersen bij op de parkeerplaats bij Jan Tabak in Bussum vermoord. Petersen was een goede vriend en zakenpartner van Cees Houtman, maar nadat Houtman was vermoord zijn hem de schellen van de ogen gevallen en voelde hij zich flink belazerd. De afpersingen en bedreigingen van Houtman en Petersen waar Thomas van der Bijl het in zijn verklaringen steeds over had, betroffen een pand in de Scheldestraat in Amsterdam. Na de dood van Willem Endstra (mei 2004) hadden Houtman en Petersen dit gekocht en zich daarmee de woede van John Mieremet op de hals gehaald. Mieremet had nog het nodige te goed van Endstra en diens ‘erfenis’ besmet verklaard. Houtman en Petersen werden bedreigd, ze werden gedwongen het pand te verkopen en moesten een boete van 1,2 miljoen euro betalen.

Daarmee was die zaak uit de wereld, maar Petersen kwam er later achter dat Houtman een dubbelrol speelde en al jarenlang geheime contacten onderhield met de CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid). Houtman speelde het heel strategisch uit. Hij werd inderdaad – ook ná het akkefietje Scheldestraat – ernstig bedreigd en verklaarde bij de politie dat het met Holleeder te maken had. In werkelijkheid speelde er iets heel anders.

Als Petersen op 28 februari 2006 door de politie wordt gehoord over de afpersing van Cees Houtman zegt hij dat het om ‘oude verhalen’ ging: ‘Vrienden hebben aan mij bevestigd dat het niet om Holleeder gaat. Dat hij een oud bonnetje moest hij betalen. Hij heb mensen… gesneden vroeger. En dat bonnetje moet die nou betalen. Hij heb mij zelf bevestigd dat Holleeder hem niet afperste’ en ‘Ik heb nooit geen last van die man. Eerlijk niet. Ik heb nooit geen last van de man gehad ook.’

De verbalisanten houden stug vol: ze hebben gehoord dat Houtman en Petersen en anderen zijn afgeperst door Holleeder, dat weten ze zeker: ‘Dat krijgen wij al bevestigd uit het euh.. uit het onderzoek dat wij doen. En hoe wij dat doen dat ga ik je niet vertellen.’ Petersen zegt dan: ‘Dat ding dat loopt uit zijn context vandaan. Kijk en dit soort verhalen ook. Dan wordt weer gelijk gezegd dat hij het is. En dan zit ik gelijk… dat zeg ik. Want ik heb er toen bij gezeten en ik heb toen gezegd wat een kutverhalen allemaal.’

De verbalisanten geven het niet op. Petersen zegt dat hij er achter is gekomen dat Houtman ‘niet eerlijk’ was. ‘Kijk helemaal de laatste jaren. Verdienen ze niet makkelijk geld al die criminelen. En wat gaan ze dan doen om elkaar toch een beetje euh lopen klootviolen. En toch wat dingen wegmaken die ze niet weg mogen maken. Dat zijn dus dingen die gebeuren. En iemand die jaren geleden ook helemaal wel… nog wat had en die komt gewoon een oud bonnetje verrekenen.’

De rechercheurs willen weten wie dat bonnetje is komen verrekenen, of Petersen dat weet: ‘Ken jij die gasten met ons in contact brengen?’ Petersen: ‘Ooh nee.’

Vervolgens wordt er een tijdje geroddeld over de rol van Marcel Kaatee en Maike Dijkhuis, met wie volgens de verbalisanten van alles mis is maar waar Petersen niet veel fouts in ziet. Dan beginnen ze weer over de afpersingen. Petersen zegt opnieuw dat Houtman ‘een oud bonnetje nog moest betalen.’ De verbalisant leest een stukje voor uit de verklaring die Houtman zelf heeft afgelegd. ‘Ik wil eerst zeggen dat er een hoop ouwehoerverhalen de wereld in worden geholpen. Ik wilde met Dikke Peter een blokje huizen kopen. Kort nadat dit bekend werd kwamen (toen noemde hij twee namen) bij de deur die bedreigden mij met vuurwapens. Dit is inderdaad gebeurd in de aanwezigheid van mijn vrouw en kinderen.

Petersen: Dat liegt hij.

Verbalisant: Liegt hij gewoon keihard?

Petersen: Dat liegt hij ja.’

Petersen zegt dat hij niet weet wie het ‘oude bonnetje’ met Houtman kwam verrekenen, maar het moet iemand uit de groep-Houtman zijn geweest. Sam Klepper was al dood, John Mieremet werd op dezelfde dag als Houtman geliquideerd (in Thailand). De ‘harde kern’ van de groep-Houtman bestond uit drie man: Houtman, George van Kleef en ‘Jane’(Jean-Baptist). Verder wordt de naam ‘Rooie Bob’, tegenwoordig in Spanje wonend, genoemd als vriend van Houtman.

Petersen is ook genoemd als één van de drie anonieme bedreigde getuigen in de zogenaamde Kolbak-zaak (afpersingszaak Holleeder). Getuige A was Maria Houtman, die zich naderhand zelf bekendmaakte;  getuige B was Thomas van der Bijl en in justitiekringen werd off-the-record verteld dat Peter Petersen getuige C was. Gezien de verklaringen van de nog altijd niet bekende getuige C is het iemand die vrijwel alleen dingen ‘van horen zeggen’ heeft en niet meer weet dan Maria Houtman en Thomas van der Bijl. Het motief voor de moord op Petersen is onduidelijk: hij had veel schulden en veel vijanden.

‘Marokkaanse’ liquidaties

De toenmalige Amsterdamse recherchechef Willem Woelders vertelde dat er in de organisatie van de groep waar Thomas van der Bijl voor was opgepakt drie moorden waren gepleegd. Hij wilde toen – en nu – niet aangeven op welke hij doelde. Vermoedelijk gaat het om liquidaties in Brabant en Marokko. Inmiddels zouden er in diezelfde organisatie in totaal al negen moorden zijn gepleegd. Dit betreft de ‘zuidelijke groep’.

Om het ingewikkeld te maken: er is ook een ‘noordelijke groep’ Marokkaanse drugshandelaren die samenwerken met Nederlanders uit Amsterdam en de kop van Noord-Holland. In deze groep zouden twee bekende liquidaties zijn gepleegd: op Paul Epskamp en Willem van Baaren. Paul Epskamp (51) werd ervan verdacht een partij hasj van vijf miljoen euro uit Nibbixwoud te hebben gestolen. Dat klopte niet, maar hij ging nietsvermoedend mee naar een afspraak in Roosendaal waar de zaak uitgepraat zou worden, met twee andere Nederlanders en twee Marokkaanse broers. De twee andere Nederlanders konden gaan, Epskamp moest alleen achterblijven. Om hem aan het praten te krijgen werden gaatjes in zijn beide knieschijven geboord. Daarbij overleed hij aan een hartstilstand. Zijn lichaam werd op 21 januari gevonden op een bouwplaats langs de A2 bij Loenersloot (foto boven).

Drugshandelaar Willem van Baaren(53) uit Hierden, bij Harderwijk, werd op maandag 12 november 2001 op de parkeerplaats van strand Nulde ontvoerd, twee weken later werd zijn lichaam verminkt teruggevonden in het Amsterdam-Rijnkanaal. De zeer gelovige Van Baaren leidde een dubbelleven als hasjbaron. Volgens zijn dochter, die zelf op onderzoek was uitgegaan, was ze gestuit op de namen van zware criminelen, onder wie ‘Paul Epskamp en twee rivaliserende Marokkaanse maffiafamilies die een bloedige vendetta uitvechten.’

Schatgraver Van der Bijl

In de gesprekken met de politie beweert Thomas van der Bijl dat hij losgeld van de Heinekenontvoering heeft opgegraven toen Cor van Hout en Willem Holleeder tijdelijk in een hotel in Frankrijk verbleven, in afwachting van uitlevering aan Nederland. Het is een hoogst onwaarschijnlijk verhaal: de genoemde valuta kloppen niet, de aanduiding ‘een homofielenpark’ in Parijs is wel erg vaag en je moet wel over een erg goede plattegrond en plaatsaanduiding beschikken om ‘boom M’ te kunnen vinden.

Van der Bijl: In zo’n homofielenpark was een boom met een M en dan zoveel stappen daarnaast, daar heb ik twee nachten liggen

graven.

Verbalisant: Dat meen je niet! In Frankrijk?

Van der Bijl: In Frankrijk. Toen heb ik het gevonden en euhh..

Verbalisant: Wat euhh.. En wat was het, was het een plunjezak of was het een kist?

Van der Bijl: Het was gewoon (onverstaanbaar) tassen met plastic.

Verbalisant: Plastic er in en daarin het geld.

Van der Bijl: Daar zat 5 a 6 miljoen gulden bij elkaar.

Verbalisanten: Die gasten zijn toch ook euhhh… Dat is trikkie om het daar te begraven.

Van der Bijl: Kijk ze zijn gevlucht met mijn auto. Ik had een zwarte GTL

Verbalisant: Ja?

Van der Bijl: Zijn ze mee gevlucht.

Verbalisant: Zijn ze naar dat appartement in Parijs gegaan toch?

Van der Bijl: Ja.

Verbalisant: En daar in de buurt hebben ze het begraven daar in de buurt van Parijs of niet?

Van der Bijl: Ja. Bij dat park. Bij dat homofielenpark. Daar is een heel groot sportpark er is een paardenbaan en euh…

Verbalisant: En hoe lang duurde het voor dat jij het op moest graven?

Van der Bijl: Hun kwamen toen ook vrij in het hotel.

Verbalisant: Ja.

Van der Bijl: Hotel IBIS en toen heb ik een paar keer met ze gepraat en dan…

Verbalisant: Oké en toen moest je omdat hun dachten van het is hier ook niet veilig (praten

door elkaar)

Van der Bijl: Heb ik het meegenomen, meegenomen die poen ingewisseld bij het GWK bank.

Verbalisant: Oké, en toen heb je het aan ehh..

Van der Bijl: Aan de bouwvakker terug gegeven.

Verbalisant: Oké.

Verbalisant: Maar je hebt het ingewisseld bij het GWK zeg je?

Van der Bijl: Ja

Verbalisant: Maar dan kom je daar met die sporttassen en dan is het ook zo iets van euhh..

Van der Bijl: Ja dat heb ik in gedeeltes gedaan hoor.

Verbalisant: Ja maar ik bedoel als je dan….hoe groot waren die gedeeltes dan?

Van der Bijl: 30 duizend, 40 duizend gulden

Verbalisant: Dan ben je wel een tijdje bezig dus.

Van der Bijl: Toen kon je zo dat nog wel dat doen euhh….

Verbalisant: Zes miljoen zei je toch?

Van der Bijl: Ja vijf, vijf miljoen ongeveer

Verbalisant: Maar was het buitenlandse valuta of zo?

Van der Bijl: Ja. Engelse ponden, dollars en Duitse Marken en Hollands geld.

Verbalisant: Dus dat is allemaal gevraagd dat het allemaal in buitenlandse valuta’s euhh..

Van der Bijl: Ja.

Verbalisant: Verschillende buitenlandse valuta’s kwam. Toen hebben ze vastgezeten en nou daarna komen ze eruit. Dan zijn ze nog bij elkaar.

Van der Bijl: Ja

Verbalisant: Dan had jij een behoorlijke vertrouwenspositie opgebouwd inmiddels.

Van der Bijl: Ja.

Verbalisant: Ze vertrouwen jou wel met 5 of euhh 5 miljoen.

De politie doet geen enkele moeite het verhaal te controleren: waar was het precies, welke boom, welk park, of hij het aan kon wijzen. Of het niet erg veel zakken waren en of het niet lastig was ’s nachts in je eentje in een donker park onopvallend te gaan graven. Bovendien: waarom moest het gewisseld worden? Het losgeld was gemerkt, dat valt nergens meer op dan bij een bank, de ontvoerders hadden het juist in verschillende valuta geëist om er gemakkelijker mee weg te komen, er was geen enkele reden het te wisselen.

 

Astrid Holleeder over Sjaak Burger

$
0
0

Vrijdag 16 maart. Nadat rechter Frank Wielandheeft geconstateerd dat de heer Holleeder wederom is verschenen, zijn geboortedatum heeft genoemd (“Willem Frederik Holleeder, 29 mei 1958, geboren in Amsterdam woonzaam in Vught”) en hij heeft verteld over de videoverbinding vanaf volgende week is het: “Dag mevrouw, goedemorgen. Astrid Aleida Holleeder, geboren op 4 december 1965.”

Advocaat Sander Janssen gaat Astrid vandaag wat dingen voorhouden uit het dossier. Dat gaat hem niet meevallen: als Astrid een keer aan het woord is, laat ze zich niet gemakkelijk de mond snoeren. Ze blijft gewoon doorpraten – vaak tegen schreeuwen aan – ook als de advocaat en de rechter proberen ertussen te komen.

Ze wil nu, voordat de advocaat ook maar één vraag heeft gesteld, een verklaring afleggen, naar aanleiding van haar verhoor van afgelopen maandag, door ‘de oudste rechter’ (Benedicte Mildner). Het gaat over degene die de motor zou hebben gereden bij de liquidatie van Cor van Hout in Amstelveen, op 24 januari 2003.  

Astrid: “Vanaf de dag dat onze verklaringen naar buiten zijn gekomen – en ook daarvoor al – zijn wij totaal niet zijn beveiligd door justitie, we zijn volledig aan ons lot overgelaten, er was geen enkele maatregelen getroffen, daar is eigenlijk pas op 18 februari daadwerkelijk verandering in gekomen, echt heel recent. Dit betekent dat ik in het noemen van personen behoudend ben geweest, ondanks dat ik die wetenschap wel had. Ik zit niet te wachten op nog meer vijanden buiten, die eenvoudig een liquidatie kunnen organiseren. Ik heb wel meteen na het verhoor contact opgenomen met mijn beveiliger, dat ik wel een naam zou willen noemen en of hij kon zorgen dat ik veilig ben. Het gaat over iemand die gewoon buiten loopt. Dat risico vind ik extreem. Hij heeft mij dat gegarandeerd, dit maakt dat ik mij nu pas vrij voel om te zeggen wie die persoon is. Degene die de motor heeft gereden – tenminste die naam is genoemd – is Sjaak Burger.

Rechter: We schrijven het op, mevrouw, dank u wel.

Astrid: Ik heb een gesprek ingeleverd bij het Openbaar Ministerie, over de reden dat ik ben gaan verklaren. Een reden in 2012 was: Sonja werd benaderd via via om langs te gaan bij Ariën Kaale, een goede vriend van Cor. Daar komt dat hele verhaal over dat getuigen in zaak met Dino Soerel vandaan. Die heeft gedetailleerd verteld wie er achter de moord op Cor zit. Hij vertelde dat hij denkt dat die persoon ook werkte voor o.a. Wim.

Hij weet niet wie de opdrachtgever is, wel wie de uitvoerder is. Hij weet dat van Gilbert, een soort van halfbroer van Jesse Remmers. Jesse had na dood van Cor drie dagen lang gesnoven en was doorgedraaid en had spijt dat hij Cor had doodgeschoten (Astrid huilt). Omdat hij ook met Cor gezeten had en hem goed kende. Gilbert had dat tegen Ariën Kaale vertelde en gezegd: ‘Als ik het geweten had, had ik het gestopt.’ Er zat heel veel druk op, volgens Gilbert, Cor moest per se dood. Jesse Remmers was een van de uitvoerders, naast Sjaak burger.

Er zit nog een duidelijk ander veiligheidsaspect aan het feit dat ik meneer Remmers noem. Dat zit in de privésfeer, dat wil ik niet en plein publiek delen. U zult begrijpen: het gevaar wordt erger. Er is nog iets, dan hebben we ’t maar gehad, daar ben ik eerder terughoudend in geweest, vooral naar Stijn Franken en de advocaat van Fred Ros, dat is ook een vriend van mij, mensen die ik ken. Voor de volledigheid moet u weten dat nadat de zitting met Fred Ros was geweest, ik met mijn broer op het kantoor van Stijn Franken was omdat er zorgen waren over de verklaring. De advocaat van Ros heeft gezegd dat het goed was en dat ze binnenkort even samen zouden komen. Mijn broer was ervan overtuigd dat Ros niks in zijn nadeel verklaart, ik duid dat in dat verband.

Ik heb ook nog voor u dat ik wel degelijk wat heb gezegd over een opname die ik later heb ingeleverd. Ik maakte opnames met verschillende apparaatjes. In de inrichting bij Wim – toen het over Ter Haak ging – heb ik dat ook gedaan. Ik luister ze na, dat vind ik niet fijn om te doen, ik heb de opnames, ik heb later geconstateerd dat ik op één opname wel degelijk de naam van Ter Haak noem. Dat heb ik ingeleverd bij een rechercheur, kennelijk is dat niet terechtgekomen bij het OM.

Ik heb dat zelf opgezocht en ingeleverd. Dat stukje wil ik best laten horen, waarop ik gewoon nadat ik in de auto zit, na het bezoek, naar buiten was gegaan met Sonja. Sonja moest nog de was regelen voor Wim, ik ging vast naar de auto toe. Ik was benieuwd of ik iets had opgevangen. Ik heb het apparaat losgekoppeld, dan zegt ik duidelijk het volgende, ik wil dat laten horen Ik zeg het volgende, ik wil het laten horen: (draait meteen het fragment af, een paar seconden, is voor ons niet te verstaan). Dan zeg ik tegen mijn zusje dat hij zegt dat het Ter Haak is (Robert ter Haak zou – vermoedelijk onbewust, als ‘lokker’ hebben gefungeerd bij deze aanslag). Ik heb die nu opnieuw ingeleverd. Die had ik dus al een keer eerder ingeleverd.

Rechter: Dat was kennelijk zoekgeraakt. Weet u niet wie die rechercheur is?

Astrid: Jawel, maar het lijkt me niet goed die naam nu te noemen.

Rechter: Maar dat zou het OM misschien wel prettig vinden.

Officier van justitie Lars Stempher: Het OM weet dat nu.

Rechter: Als er geluidsopnames ten gehore worden gebracht, is het prettig als het via het OM gaat, dat u het aan hen geeft. Is dat akkoord?

Astrid: Prima.

Rechter: Over de berijder van de motor en de schutter die liquidatie Cor hebben gepleegd, u zegt nu: dat zijn geweest Burger en Remmers.

Astrid: Ik kan alleen zeggen wat Ariën Kaale heeft verteld. Daar is een opname van. Die heeft het OM, maar er zitten veiligheidsaspecten aan. Onze ervaring met het OM is dat als je lang wacht, wonden alleen maar etteren, ik geef liever nu openheid van zaken. Dan is het aan het OM wat ze ermee doen. Voor de mensen eromheen hoop ik niet dat ze er vijf jaar op moeten wachten, zoals wij, maar dat is niet mijn probleem.

Rechter: Heeft uw broer zich uitgelaten over Burger?

Astrid: Hij heeft mij die naam gegeven.

Rechtbank: U zei: ik had het van Kaale.

Astrid: Nee, Jesse Remmers heb ik van Kaale gehoord, Burger van mijn broer. Mijn broer heeft ook de naam van Jesse genoemd in een van de gesprekken rond dat boek (mijn boek over Cor van Hout)

Rechter: Dat heb ik gezien.

Astrid: Wij hebben geprobeerd het OM te helpen, vervolgens kwamen we in een situatie dat we altijd moesten zeggen dat we beveiligd werden, maar dat was niet zo. Het was een sprekend voorbeeld van een tang. Je helpt, je zit in een situatie, maar je kunt niet meer terug. Dat wilde ik toelichten.

Advocaat Janssen: Is er ook een opname van het gesprek met Ariën Kaale?

Astrid: Klopt.

Janssen: Is die nu ingeleverd?

Astrid: Klopt.

Janssen: Heeft u nu wel alles ingeleverd?

Astrid: Wat ik heb, heb ik ingeleverd, los van mijn privécollectie. Die gaat niemand wat aan. Wat ik nu heb, heb ik ingeleverd. Ik zal mijn best doen om te vinden wat ik van belang vind. Zoals het gesprek met mijn broer over Jocic, dat het één groot spel was.

Janssen: Heeft u voor uzelf kopieën gehouden?

Astrid: Daar heeft u al eens naar gevraagd bij de rechter-commissaris.

Janssen: Ik niet, ik denk Stijn. Maar advocaten zijn net als het OM: één en ondeelbaar.

Astrid: In dat verband wil ik u nog wel wijzen op uw eerdere bijstand aan een van de medeverdachten in de zaak Goudsnip, meneer Janssen.

Janssen: Dat weet ik.

Astrid: De deken is daar ook van op de hoogte, neem ik aan?

Janssen: Daar ga ik geen discussie over voeren. Als u daar iets over vindt, weet u wat u moet doen.

Astrid: Zoals u mij nu neerzet in Goudsnip, weet u dat er andere standpunten door u zijn ingenomen in die zaak.

Janssen: Daar gaan we ’t nu niet over hebben.

Astrid: Jawel, daar gaan we het wel over hebben.

Rechter: Als dat problemen oplevert, moet u dat via het OM kenbaar maken.

Astrid: U moet begrijpen dat ik elke keer te maken met advocaten die een afspiegeling zijn van het soort advocaten dat we hebben. Ik vind het niet kies en ik zou dat zelf niet doen. Zijn cliënt zegt dat ik geen nette advocaat ben. Ik laat mij dat door niemand zeggen. Je gaat niet over mij reputatie als advocaat zo praten. Daarom heb ik alle correspondentie tussen Stijn Franken en Chrisje Zuur (kantoorgenote van Franken) geprint. Die wil ik u geven. Dat gaat over Goudsnip en Kolbak en alles wat met mijn broer samenhangt. Ik heb geen zin in dit soort verdachtmakerij van de kant van meneer Janssen en consorten.

Janssen: Ik ben nog niet eens begonnen met verdachtmakerij.

(Astrid blijft doorpraten, de rechter probeert er tussen te komen. Mevrouw Holleeder, mevrouw Holleeder, hallo)

Rechter: Mevrouw Holleeder, u gaat al in galop, neemt u van mij aan dat uw reputatie als advocaat bij de rechtbank onberispelijk is, wat er verder wordt gezegd over u is bijzaak. Dat ei heeft u gelegd. Is het goed als meneer Janssen u wat gaat vragen? Dank u wel.

Aldus deze episode. De halfbroer van Jesse Remmers: dat is een beetje beeldspraak. ‘Godfather’ Greg Remmers had verschillende jongens die hij als een soort pleegzonen beschouwde en die soms enige tijd in zijn gezin werden opgevangen. Gilbert, zoon van Henk Rommy (de zwarte cobra) was daar één van.

 

Sjaak Burger is vaak genoemd als betrokkene bij de aanslag op Cor van Hout, op 24 januari 2003 in Amstelveen, maar dat is nooit verder gekomen dan het geruchtencircuit. Er is een compositietekening gemaakt van iemand in wie velen Jesse Remmers herkennen. Die zou kort voor de aanslag op een parkeerplaatsje vlak bij de plek van de aanslag zijn gezien door een getuige. De aanslag werd gepleegd door twee personen op een rode motor, die uit een zijstraat kwam scheuren toen Cor en Robert ter Haak op de stoep stonden te wachten op hun auto.

De motor werd enkele kilometers verderop gedumpt in een brede sloot achter restaurant ’t Kalfje in Amstelveen. Het is niet duidelijk waarom. De twee personen zijn gehelmd en lopend in Amstelveen gezien. Het waren beiden vrij grote forse mannen. Het staat vast dat Fred Ros de rode motor heeft bestuurd, dat verklaart hijzelf, maar hij zegt dat hij de motor alleen even heeft neergezet bij een woning van Greg Remmers, de vader van Jesse, en dat hij op de dag zelf niet heeft gereden. Het Openbaar Ministerie hecht formeel geloof aan die verklaring, omdat Ros anders niet als kroongetuige had kunnen worden ingezet.

Gezien de beschrijving van deze twee mannen lijkt het iets aannemelijker dat Fred Ros en Sjaak Burger – of personen met hun postuur – op de motor hebben gezeten dan dat Jesse Remmers een van de twee was. Jesse is kleiner en tenger. Bovendien: als Jesse (rechts op de tekening) op die parkeerplaats stond, kan hij moeilijk op de motor hebben gezeten, tenzij de getuige hem daar ruimschoots eerder heeft gezien en hij daarna op de motor zou zijn gestapt.

Er is ook een foto van iemand die op de rode motor zit terwijl deze door een rood stoplicht rijdt in Zaandam. Dat is iemand met een fors postuur, maar die is nooit door iemand herkend. Dat was overigens ruimschoots vóór de liquidatie.

 

 

Holleederproces: dag 3

$
0
0

Verslag van het verhoor van Willem Holleeder in de Bunker, op vrijdag 9 februari. Het begon maandag 5 februari; donderdag 8 was de tweede zitting, dit is de derde.

Voorzitter van de rechtbank is Frank Wieland, de officieren van justitie zijn Lars Stempher en Sabine Tammes. Er zijn twee andere rechters: Benedicte Mildner en Margo Somsen. De advocaten zijn Sander Janssen en Robert Malewicz.

De ondervraging is aan de hand van de verklaring die Holleeder op advies van een rechter tijdens een vorig proces heeft opgeschreven: zijn verhaal. Een handgeschreven verklaring van 127 A4’tjes. Daar heeft een hele tijd een embargo op gezeten. Toen dat eraf was, heeft de recherche een verificatie-onderzoek gedaan, om na te gaan of bepaalde beweringen die Holleeder hier doet, kunnen kloppen. Dat komt tijdens het verhoor een aantal keren ter sprake. Het vorige verhoor eindigde met de bemoeienissen van Holleeder met Willem Endstra (geliquideerd in mei 2004)

De ondervraging wordt gedaan door Benedicte Mildner, door de voorzitter aangeduid als ‘de oudste rechter’.

Rechter: De ontvoering van uw broer Gerard, 11 oktober 1999. Het heeft maar kort geduurd, u zat toen vast, u bent daarover ondervraagd, de hoofdvraag was: waarom is hij ontvoerd? Heeft dat betrekking op u? U heeft verklaard dat Sam Klepper erachter zat

Holleeder: 100 procent.

Rechter: U heeft eerder gezegd: de gokhallen waren van Endstra. Sam wilde zijn geld van Endstra terug, op deze manier wilde hij u onder druk zetten om Endstra te bewegen dat geld aan hem terug te geven. U heeft altijd gedacht dat Sam erachter zat en dat Mieremet daar niks van wist.

Holleeder: Het begint bij de flat aan de Nachtwachtlaan, waar die wapens waren gevonden.

Rechter: Dat was de reden dat u vastzat.

Holleeder: Ja. Vlak ervoor zijn we er langs gereden, toen zei Sam: “Die woning heb je wel overgenomen, maar daar liggen allemaal wapens.” Vlak daarna werd ik aangehouden, toen dacht ik: je hebt de weg vrijgemaakt om zelf naar Endstra te gaan. Hij was al bezig zijn geld terug te halen. Mieremet wilde nog doorgaan met Endstra. Mieremet had gezegd: “Ik betaal jou je geld, maar dan moet je later niet gaan janken.” Toen kwam de ontvoering van Gerard erbij. Degenen die dat gepleegd hadden, hadden al tegen mijn broertje gezegd dat het van Sam kwam.

Rechter: De weg vrijmaken: omdat u de tussenpersoon was?

Holleeder: Ja.

Rechter: Heeft dat uw omgang met Sam Klepper veranderd?

Holleeder: Nee. Ik ben altijd wel op mijn qui-vive geweest. Klepper was niet zo’n vriend als Cor. Ik ging met hen om vanaf dat broodje eten. Vriendschappelijk. Je kon altijd wel wat van hun verwachten, je moest altijd je woorden kiezen, voorzichtig zijn.

Rechter: De ontvoering van Gerard veranderde die omgang niet?

Holleeder: Nee. Ik zat tussen Endstra en hun. Die ontvoering was vervelend. Ik heb gekeken of er een probleem uit zou komen, toen ik vrijkwam. Ik ben daarna gewoon verder met ze gegaan. Het was achter de rug, het verhaal lag er. Ik kon er niks tegen inbrengen.

Rechter: In de Kolbakzaak zijn u tapgesprekken voorgehouden, van u met Kaatee (Marcel Kaatee, boekhouder van de gokhallen op de Wallen) en van Gerard met u. Het lijkt dat u wordt aangesproken, niet Endstra.

Holleeder: Klopt. Dat hebben ze tegen hem gedaan, het was om een beetje druk op mij te zetten.

Rechter: Kaatee zegt: “Jij hebt geld geleend.” U zegt dan: ja.

Holleeder: Ik zeg: “Jaja.” Ik heb geen geld geleend, van niemand. Ik had geen geld van hun, ik zou nog geen euro van hun lenen. Ze zetten druk op Endstra. Die jochies kunnen wel zeggen: “Je broer moet betalen,” maar ik had geen schuld.

Rechter: Er werd gesproken over een bedrag van 10 miljoen.

Holleeder: Ja.

Rechter: Heeft Gerard verteld hoe hij de ontvoering had ervaren?

Holleeder: Ja. Hij vond het vervelend, maar het was geen echte ontvoering, hij moest alleen mee om geld op te halen.

Rechter: Was hij bang?

Holleeder: Ja, natuurlijk. Als ze bij je thuis komen, ben je bang.

Rechter: U bent een familieman, wat deed dat met u?

Holleeder: Verschrikkelijk. Er is een tapgesprek van mij met Klepper. Daar ziet u dat ik het heel erg vind. Ik bel die Klepper, ik weet dat hij erachter zit. Dan moet je zorgen dat er verder niks gebeurt.

Rechter: U zegt: ik vond het heel erg, maar ik ben gewoon met ze verder gegaan.

Holleeder: Hoe ik over ze dacht is niet veranderd. Ze hadden me ook al een miljoen afgeperst. Mensen vinden dat misschien een zwak verhaal, maar als je problemen met hun hebt, heb je nog meer ellende. Iedereen moet zijn eigen keuze maken. Als ik met iemand een probleem heb, los ik het op een normale manier op. Mijn broertje is anders, hij is een gewonere jongen dan ik. Mijn geluk is dat ik eruit ben gekomen en Klepper heb benaderd, dat is van belang geweest en toen kon ik snel zien dat het over was.

Officier van justitie Sabine Tammes: Heeft u iets voor uw broer gedaan?

Holleeder: Ik heb altijd alles gedaan wat nodig was. Wat zou ik moeten doen?

Tammes: Hebt u er met hem over gesproken?

Holleeder: Ja.

Tammes: Wat heeft u daarbij gevoeld?

Holleeder: Ik vind het heel zielig. Hij is niet zo zwak hoor. Het is vervelend.

Advocaat Sander Janssen: Meneer verwijst naar een gesprek met Sam Klepper, van 11 oktober, als hij zelf in de gevangenis zit. Uit dat gesprek blijkt dat Sam Klepper ook weet dat de mensen die de ontvoering hebben gedaan, zijn naam hebben genoemd.

Rechter: Bij de rechter-commissaris verklaart u dat Ronald van Essen was veroordeeld en dat mensen nog steeds bij Endstra langs gingen. Ze waren bang dat dit de aandacht van justitie zou trekken en dat hun geld dan in gevaar zou komen. Sam heeft toen besloten Van Essen te liquideren. De vrouw van Van Essen is afgekocht en u is gevraagd u er niet mee te bemoeien. Dat heeft u ook niet gedaan. Door wie was u dat gevraagd?

Holleeder: Door Klepper. “We gaan het oplossen en je bemoeit je er niet mee.”

Rechter: Daar luistert u dan naar?

Holleeder: Natuurlijk.

Rechter: U was tussenpersoon voor Endstra en criminelen, u behartigde de belangen, maar u bemoeit zich er dan niet mee.

Holleeder: Nee.

Rechter: U hoorde van Endstra wie Van Essen was, u wist dat hij geld had gegeven. Dat hebt u van hem gehoord, en ook van Klepper en Mieremet zelf. Er was een gesprek op de Apollolaan, bij het eerste verlof van Van Essen.

Holleeder: Klopt. Zijn vrouw was erbij. Ik heb toen een autootje geregeld voor Ricardo. Dat was toen ik met hun op kantoor was.

 

(De aanslag op Ronald van Essen was op Tweede Kerstdag 1999. Hij was met zijn familie in zijn benedenwoning in de Minervalaan, in Amsterdam-Zuid en was rond half zeven ’s avonds even naar buiten gelopen om te bellen. Toen zijn zoontje Ricardo twintig minuten later ging kijken waar zijn vader was, trof hij hem bewusteloos achter het stuur van zijn Mercedes, met het portier open. In de linker zijruit zat een kogelgat. Van Essen was in zijn hoofd geraakt en raakte blijvend verlamd. Op de begrafenis van Cor van Hout, in januari 2003, was hij in een rolstoel aanwezig)

 

Rechter: Op de vraag of u tussen Ronald en Endstra in stond, zei u nee. U zegt: Klepper en Mieremet hebben mij allebei verteld dat ze dit hebben gedaan in naam van Endstra. U wordt veel toevertrouwd.

Holleeder: Ja.

Rechter: U zegt dat u denkt dat ze het samen hebben gedaan. U heeft er niet met Endstra over gesproken.

Holleeder: Nee. Soms is het makkelijker om iets in het midden te laten.

Rechter: U vond het moeilijk.

Holleeder: Ik weet dat hij mensen niet terugbetaalt, maar ik vond hem geen moordenaar. Ik had het moeilijk gevonden als het wel zo was.

Rechter: U zei: “Het klopt wel dat Klepper en Mieremet aartsleugenaars waren, maar ik denk wel dat het klopt.”

Holleeder: Je weet het niet. Ik heb de bevestiging niet gezocht, ik heb een beetje mijn hoofd in het zand gestoken.

Rechter: Uw relatie met Endstra was niet zo dat u kon zeggen: “Ik hoor van Klepper en Mieremet…” Denkt u dat hij niet tegen u had durven liegen?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik heb het niet gevraagd.

Rechter: Na de aanslag is er contact met de familie Van Essen.

Holleeder: Ik moest met Klepper mee naar de Chinees bij het Olympiaplein.

Rechter: Daar was Jan Femer ook bij.

Holleeder: Nee. Jan Femer heeft wel met Sam die onderhandelingen gedaan. Ik was met Klepper, ik moest achter in de zaak gaan zitten, hij was met andere mensen. Hij riep mij en zei: “Die meneer heeft een probleem met jou.” Toen moest ik terug.

Rechter: Van wie moest u achterin gaan zitten?

Holleeder: Van Klepper. Hij sprak met – ik weet niet wie die man was. Er is gezegd dat Ton van Dalen erbij gezeten heeft. Ik ben ernaar toe gelopen, toen zei hij: “Die meneer heeft een probleem met jou.” Toen moest ik weer achterin de zaak gaan zitten en daarna zei hij: “Je bemoeit je er niet mee.”

Rechter: Als hij zei: u gaat achterin zitten, dan deed u dat.

Holleeder: Waarom zou ik dat niet doen?

Rechter: Zo lagen de verhoudingen.

Holleeder: Ja.

Rechter: Endstra is afgekocht voor een bepaald bedrag, dat is betaald aan Gaby als voorschot. Daarna heeft u er nooit meer iets over gehoord. Er is in geld betaald en in natura.

Holleeder: Drugs.

Rechter: Femer zou garant staan?

Holleeder: Femer heeft de hasj geleverd, Sam het geld.

Rechter: Femer zou garant staan.

Holleeder: Als het onverkoopbaar zou zijn. Omdat hij geleverd heeft.

Rechter: Wat vindt u van die regeling?

Holleeder: Het slaat nergens op. Ronald had gewoon geld tegoed. Hij had gewoon geld moeten hebben. Ik vind dat Endstra dat gewoon had moeten geven.

Rechter: Wat deed dat met uw gevoel over uw eigen vordering?

Holleeder: Daar ga je wel over nadenken. Iedereen gaat daar over nadenken. Je kan niet bij elk wissewassie alles omdraaien, je zit in dat verhaal.

Rechter: Wat bedoelt u met elk wissewasje?

Holleeder: Ik moet misschien beter Nederlands praten. Bij elk dingetje wat gebeurt, dat je denkt: zal het wel goed zitten? Dan ga je weer door.

Rechter: Heeft u het wel met Endstra besproken?

Holleeder: Ja. Ik heb altijd gezegd dat hij geld moest geven. Er was iemand naar me toegekomen, die had gehoord dat Gaby eten moest stelen in de supermarkt. Dat kén toch niet? Toen heb ik tegen Endstra gezegd: “Je moet echt wat geven. Ze heeft toen wel wat geld gekregen.”

 

(Gaby is de partner van Van Essen. Er zou als afkoopsom 250.000 gulden zijn betaald en een partij van 250 kilo zwarte paak. Maar de hasj was niet goed, die was nat geweest en moest eerst opnieuw worden geperst)

 

Rechter: Gisteren heeft gezegd dat u in de bovenwereld wilde. Dan gebeurt er zoiets, Van Essen wordt neergeschoten. Heel dramatisch. Gaby wordt afgekocht, dat bespreek je toch met een goede vriend als Endstra?

Holleeder: Dat heb ik besproken.

Rechter: Gewoon confronteren: dit kán toch niet!

Holleeder: Natuurlijk heb ik dat gedaan. Hij zei: het komt goed, maak je niet druk, ik regel het.

Rechter: Dit was toch de regeling?

Holleeder: Nee, dat is onzin, dit was niet de regeling. Met de Driesens was het hetzelfde verhaal, die staan voor de deur op de Apollolaan, ze moesten geld hebben. Een paar dagen later zijn die klanten doodgeschoten omdat ze geen geld hadden.

 

(Endstra had voor een groep Brabantse criminelen 30 miljoen gulden geïnvesteerd in Mega Sport Breda; de tweelingbroers Rob en Eric Driesen (44) beheerden dat. Toen investeerders hun geld opeisten, werden de broers drie dagen gegijzeld. Ze werden vrijgelaten en kregen als boodschap mee dat ze met geld terug moesten komen. Ze klopten bij Endstra aan, bij diens kantoor aan de Apollolaan, maar kregen nul op het rekest. Daarna werkten de broers mee aan de moordaanslag op Ron Nyqvist, die voor 20 miljoen zou hebben geïnvesteerd. De aanslag mislukte: de autobom richtte maar weinig schade aan. Nyqvist ging uitzoeken hoe de vork in de steel zat en schoot enkele dagen later, op 20 mei 2001, de broers dood)

 

 

Holleeder: Je zit in een verhaal waar je niet één twee drie uit kunt stappen. Ik begrijp dat u er anders over denkt, het is een andere wereld. Je moet roeien met de riemen die je hebt. Mijn broertje wordt ontvoerd, daar kan ik niets aan doen. Je moet gewoon door, anders wordt het nog erger.

Rechter: De manier waarop je ermee omgaat, zijn toch keuzes. Waarop is uw reactie gebaseerd? Wat deed het met uw gevoel?

Holleeder: Zo heb ik die vraag niet benaderd. Natuurlijk is het vervelend. Als Van Essen wordt neergeschoten, denk je: “Dit kan dus iedereen gebeuren.” Wat had ik moeten doen? Tegen Endstra moeten zeggen: “Geef me mijn geld terug?” Hij zou het regelen.

 

Advocaat Janssen: Er is uitgebreid onderzoek in deze zaak gedaan. Ricardo van Essen is gehoord, Ton Van Dalen, het verhaal van de natte hasj wordt bevestigd. Er zijn wel wat recente ontwikkelingen geweest die op onderdelen het verhaal bevestigen. Omdat het in vogelvlucht wordt behandeld, schuift de tijd in elkaar. Wat in de afgelopen tien minuten is behandeld, beslaat een periode van vijf jaar. De anekdote over Gaby dat ze geen geld meer had om eten te kopen, was bijvoorbeeld een hele tijd na de aanslag.

Rechter: U zei dat Endstra en u zouden worden doodgeschoten, u als eerste, omdat Endstra moest betalen. “Klepper zei dat ‘ze’ me wilden vermoorden om Endstra onder druk te zetten.” Wie zijn ‘ze’?

Holleeder: Dat ging om de groep van Van Dalen. Dat was dat moment van die Chinees.

Rechter: Klepper had Gaby geld gegeven. Het belang was dat Endstra ongeschonden bleef. Van Essen had tientallen miljoenen guldens bij Endstra geïnvesteerd. Dat heeft u van Endstra en van Van Essen zelf gehoord.

Holleeder: Ja. Dat is besproken in IJmuiden.

Rechter: U zegt dat de familie Endstra groot geworden is met het geld van Van Essen.

Holleeder: Klopt.

Rechter: Van Essen was een van de eersten die zich met xtc bezighield, daar ging veel geld in om.

 

Rechter Margo Somsen: Wat was uw rol in het restaurant?

Holleeder: Ik moest gewoon mee. Klepper deed een beetje stoer en bijdehand.

Rechter: Klepper zei dat u een probleem met Van Dalen had.

Holleeder: Femer zei dat ze ons – Endstra en mij – iets wilden aandoen, toen is dit gesprek geweest. Klepper zei: “Met die meneer heb jij een probleem.”

Rechter: Wat was de bedoeling?

Holleeder: Dat weet ik niet, dat was echt Klepper. Hij deed altijd dit soort dingetjes. Ik heb het verder niet gevraagd. Ik krijg de indruk van deze ondervraging: ik heb natuurlijk een naam. Die is gecreëerd in de media. Degene die wordt beschreven in de media, dat ben ik niet, dat is een leven gaan leiden, dat wordt alleen maar erger. Ik was wel degelijk onderdanig aan Mieremet en Klepper, daar had ik niks tegenin te brengen. Ik heb wel dat miljoen betaald. U bent aan zoeken naar zoals ik in de media wordt afgeschilderd, maar dat ben ik niet. En ik ben niet zoals ik door mijn zussen word  afgeschilderd, ik ben een heel ander iemand. Ik ga niet aan Sam vragen: “Waarom moet ik in die hoek zitten?” Daar zal hij een reden voor hebben. Iedereen heeft er zijn mening over, ik heb het op mijn manier gedaan en in mijn ogen heb ik het goed gedaan: ik ben er nog, er zijn allemaal mensen overleden. Ja, ik heb met Mieremet en Klepper rondgelopen, dan gaan mensen daar dingen over zeggen, maar ik ben nooit anders geweest dan ik ben en dat is mijn enige kracht. Ik heb geen haantjesgedrag, ik ben gewoon mezelf, ik ga geen bijdehante vragen stellen, ik doe mij ding. Ik heb zó vaak tegen Endstra gezegd: “Geef die mensen hun geld terug.” Dat geldt niet alleen voor Van Essen, ook voor die Driesens, als hij die jongens wat geld had meegegeven was er niks gebeurd. Ik ben niet degene die wordt beschreven in de media. Ik krijg een beetje de indruk dat het OM dat probeert te onderdrukken en mij ernaar douwt dat ik een gevoelloos mens ben. Ik heb juist heel veel gevoelens. Natuurlijk doet het me wat als mijn broertje ontvoerd wordt. Toen die poging op Cor is geweest in Amstelveen kwam Astrid naar me toe. Cor had gezegd: “Je broertje gaat eraan.” Dat zegt-ie altijd als-ie dronken is, dat is geen nieuws. Toen kwam Astrid naar me toe: “Het kan ook Gerard zijn die ze bedoelen.” Dat heeft ze tegen Gerard verteld, dus Gerard overspannen. Toen heb ik hem een week in Maastricht laten zitten omdat hij bang was. Cor ging na de aanslag met Sonja naar België. Sonja heeft daar uitgevogeld wat hij bedoelde, toen zei Sonja: “Het is echt niks.” Toen heb ik mijn broertje terug laten komen. Natuurlijk geef ik om mijn broertje. Dat was het.

Officier van justitie Lars Stempher: In 1999 heeft u contacten met Sam en John, in een iets onderdanige positie?

Holleeder: Ik moet doen wat ze zeggen.

Stempher: Dan komt u vast te zitten voor die wapens in de Nachtwachtlaan, Gerard wordt ontvoerd, Sam zet druk op Endstra via u. Voedt dat uw angst richting Klepper?

Holleeder: Toen ik dat miljoen betaald heb en voorin die auto moest zitten… Ik heb niet zoveel met angst, maar ik weet dat dingen gevaarlijk kunnen zijn. Ik ben altijd op mijn qui-vive met Klepper en Mieremet. Taalgebruik is al gevaarlijk. Je kunt niet zomaar zeggen tegen hun wat je tegen een ander zegt. Ik ben altijd voorzichtig gebleven. Ze zijn onvoorspelbaar. Ik veroordeeld voor die zaak met Friedländer, maar wat er in werkelijkheid is gebeurd: Johnny komt naar beneden bij een vriendinnetje van hem en hij zegt: die Pel moet eraan, want hij was hier aan de deur.

 

(Vastgoedhandelaar Rolf Friedländer, oud-voorzitter van de Amsterdamse ijshockeyclub Amstel Tigers, zou door Klepper en Mieremet zijn afgeperst, met Holleeder als tussenpersoon. Ze zouden een probleem hebben verzonnen: zoon Pel Friedländer dreigde te worden geliquideerd omdat hij een relatie had gehad met de vriendin van een Joegoslaaf. Holleeder was bij Friedländer geweest om de boodschap over te brengen: de vrouw van Friedländer was een ex-vriendin van hem. Volgens Holleeder ging het erom dat Pel een oogje had op een vriendin van Mieremet)

 

Holleeder: Je kunt dan wel bijdehand gaan doen, maar ik ben altijd heel voorzichtig geweest. Ik heb de belangen van Cor gediend, mijn eigen belangen en die van Endstra. Op een voorzichtige manier. Taalgebruik is daarbij een heel belangrijk punt. Ik vind het best als ik iemand zijn auto moet wassen. Ik ben best wel slim, ik kan wel met mensen omgaan, er wordt me best veel verteld, maar ik zal nooit iemand verraden. Ik ben geen mens zonder gevoelens, ik ben niet gewetenloos, het omgekeerde is waar.

Stempher: Heeft u vertrouwen gehouden in Endstra?

Holleeder: Ik weet dat hij zoveel geld had en ik heb er altijd vertrouwen in gehad dat hij vroeg of laat zou betalen. Ik heb vaak gezegd: “Wim, ga die mensen betalen, het is niet houdbaar meer, het loopt een keer fout.” Hij bleef doorgaan. Dan neem je het weer voor lief, dan denk je: het komt wel goed.

Stempher: Bent u niet bang geweest voor Endstra?

Holleeder: Nee, nooit.

Stempher: In oktober is de ontvoering van Gerard, Sam Klepper zit er volgens u achter. Die is onvoorspelbaar. Dan de aanslag op Van Essen. Blijkt dat Endstra erachter zit, met Klepper.

Holleeder: Dat zegt Klepper.

Stempher: U zegt: “Ik wil het eigenlijk niet weten.” Maar u zit er wel voor minimaal 8 miljoen in, en Klepper is tot alles in staat. Dan wordt de naam van Endstra genoemd, denkt u dan niet: loop ik gevaar?

Holleeder: De ontvoering van mijn broer was snel over. Daar bleef een vervelend iets over, met name voor mijn broer. Ik heb alles voor hem gedaan. Ik kon dit niet voorkomen. Ik heb er met hem over gesproken. Wat had ik moeten doen? Had ik iets tegen Klepper moeten doen. Wat zou u doen?

Stempher: Ik ben nooit in die positie geweest, daar hoef ik gelukkig niet over nadenken. Maar als Gerard wordt ontvoerd, wordt het ook persoonlijk naar u toe. De vraag is: keek u toen anders tegen Endstra en Klepper aan? Zo niet, als dat het antwoord is, is het ook goed.

Holleeder: Ik heb tegen Klepper altijd hetzelfde aangekeken vanaf dat ik dat miljoen heb betaald. Hij kan zoveel zeggen, ik weet wat hij gedaan heeft. Ik ben weloverwogen met hem omgegaan, om problemen te voorkomen.

Stempher: Instrumenteel, u had hem nodig.

Holleeder: Ja.

 

Rechter: Over de liquidatie van Sam Klepper, in oktober 2000, heeft u gezegd dat Sam en John ruzie hadden Jocic. Magdi Barsoum en Jocic waren geript, Sam en John moesten 10 miljoen betalen. Ze hebben zich laten oppakken. John is daarna naar België verhuisd. Sam wilde niet betalen, John wel. Sam is geliquideerd en daarna heeft John alsnog betaald. Sam moest bij Barsoum komen.

Holleeder: Ze werkten zo: ze gingen nooit samen. Dat was altijd gescheiden. Als het iets zakelijks was, ging Johnny er alleen heen. John heeft Sam gebracht en toen is hij mij komen halen. “We gaan Sam ophalen.” Dat was de normale gang van zaken.

Rechter: Als je dit zo leest lijkt er een relatie tussen die problemen en dat u werd opgehaald.

Holleeder: Zo is dat niet. We gingen hem ophalen. Dat hij bij Barsoum zat, wist ik niet. Met de zaken van Sam en John, buiten Endstra, heb ik mij niet bemoeid. Nul. Dat was strikt gescheiden.

Rechter: U was op afroep voor hen beschikbaar.

Holleeder: Als ik tijd had reed ik er naar toe.

Rechter: Sam zei dat ze moesten betalen, John wilde dat, Sam niet. Op de dag van de liquidatie van Sam Klepper heeft u John bij Broodje RAI getroffen. U bent met John naar Moszkowicz gegaan, daar hoorde u van een liquidatie op het Gelderlandplein. Daar bent u naar toe gegaan en toen hoorde u dat het Sam was.

Holleeder: Ja.

Rechter: John hoorde dat Jocic erachter zat. Jocic had een man  gebeld vóór de liquidatie en gezegd: kijk maar op teletekst. Na de liquidatie had Jocic weer naar die man gebeld en gezegd: “Heb je ’t gezien?” Een paar dagen later hebt u John naar een gesprek met de CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid) gebracht. Er is een verificatie-onderzoek geweest en dan blijkt dat dit niet klopt.

Holleeder: Ik heb het gelezen, ik weet zeker dat ik hem daar naar toe heb gebracht. Ik weet niet of hij bij de CIE is geweest of bij de gewone politie. Ik heb staan wachten bij het hoofdbureau op de Elandsgracht, bij een café. Hij zei dat hij het erover had gehad.

Advocaat Janssen: Op dit thema staan nogal wat vragen open. U zegt: het klopt niet. Die conclusie zou ik nog niet trekken.

 

Rechter: Kunt u zich dit herinneren?

Holleeder: Op de avond zelf, toen we aankwamen, wilden we onder het lint door. De politie heeft ons meegenomen naar het bureau, dat is er tegenover, maar dat was maar twee tellen. Hij heeft toen wel even met iemand gesproken, maar waar ik het over heb, dat is op het hoofdbureau.

Rechter: Barsoum bemiddelde tussen Jocic en Mieremet.

Holleeder: Nee. Mieremet had gevraagd of ik naar Stanley Hillis wilde gaan om te vragen of die wilde bemiddelen. Ik had contact met Norbert Stok. Ik zei: “Ik geloof die Norbert Stok niet.” Toen heeft hij mensen naar Barsoum gestuurd. Die kwam met hetzelfde verhaal: dat hij moest betalen. Tegen Barsoum had hij gezegd: “Ik ben nu met Hillis bezig.” John heeft niet onderhandeld, dat was Hillis.

Rechter: U zou met Hillis meegaan naar Parijs om het geld te geven, toen heeft u een waarschuwing gekregen van Sonja om niet te gaan. Mieremet vond dat Sandra mee moest betalen, dat heeft ze ook gedaan.

Holleeder: Ja.

Rechter: Ze heeft eerst cash geld opgehaald, later van een buitenlandse rekening. Hillis heeft het geld aan Jocic gegeven, u heeft er niets van gehad.

Holleeder: Nee.

Rechter: U wist dat Sandra het deel van Sam aan Jocic heeft betaald. 5 miljoen mark. Dat ging via John, u en Hillis. Toen moest ze ook nog 4,5 miljoen betalen. Dat had ze gedaan, tegen uw advies in.

Holleeder: Ik had gezegd: dat moet je niet doen, ik zeg wel tegen Hillis dat jij je deel al betaald hebt. Mieremet was op het geld van Sandra uit.

Rechter: Wat vond u ervan dat ze het toch heeft gedaan?

Holleeder: Dat was haar keuze. Wat had ik anders moeten doen?

Rechter: Had zij een keuze?

Holleeder: Ik heb die keuze voorgesteld. Ik kan niet zeggen: je mag niet betalen.

Rechter: Ik die tijd ging het heel slecht tussen Sandra en Johnny.

Holleeder: Ja. Daarom heb ik ook gezegd: ik zou niet betalen, de kans dat je het niet terugkrijgt, is groot.

Rechter: De kans dat John haar iets zou aandoen, was er ook. Hij dreigde. Had ze een keuze?

Holleeder: In die context niet. Dat is haar ding geweest. Ik heb dat gezegd voordat hij haar is gaan bedreigen. Dat dreigen kwam pas later, toen kwam hij naar de Lexington toe.

Rechter: Had ze na de dreiging nog een keuze?

Holleeder: Nee, na de dreiging had ze geen keuze.

Rechter: U adviseert niet-betalen? Was die bedreiging dan niet te voorzien?

Holleeder: Het probleem met haar en Jocic was opgelost. Ik heb gezegd: ik zou niet betalen. Ik had tegen Jocic kunnen laten zeggen: “Sandra heeft haar deel betaald.” Ik was het er niet mee eens dat ze alles moest betalen. Na de dreiging bij Lexington heeft ze die keus gemaakt.

Rechter: Ze heeft ook nog een miljoen voor de beveiliging van Mieremet betaald. U had toen nog geen relatie met Sandra.

Holleeder: Klopt.

Rechter: Die 1 miljoen heeft Sandra aan u gegeven in de PC Hooftstraat en dat heeft u aan John gegeven.

Holleeder: Klopt.

Rechter: Over de aanslag op Klepper heeft u gezegd dat u dat erg vond, “laat mij er lekker buiten.” U heeft geprobeerd Johnny te helpen.

Holleeder: Ik had Johnny ook kunnen laten rotten.

Rechter: Ik zie een driehoek: u heeft geadviseerd aan Sandra. Dat kan botsen.

Holleeder: Toen nog niet, toen was het nog de bedoeling dat ze allebei de helft zouden betalen.

Rechter: Heeft u dat met John besproken?

Holleeder: Ik heb gezegd dat ik vond dat Sandra haar deel had betaald.

Rechter Somsen: Waarom heeft u hierover in Kolbak niet verklaard? Dan zegt u dat u er niks mee te maken heeft gehad.

Holleeder: Dat heb ik voor Sandra gedaan, omdat ze last kon krijgen met de Fiod. Het was niet mijn ding, ik had geen probleem met Jocic. Daarom heb ik het klein gehouden.

 

Officier van justitie Tammes: Klopt het nou dat ik u net heb horen zeggen: ik zou tegen Jocic laten zeggen dat ze al had betaald?

Holleeder: Ja.

Tammes: Waarom heeft u dat dan niet gedaan? Waarom heeft u dat niet tegen Jocic gezegd?

Holleeder: Ik had geen contact met Jocic.

Tammes: U kon het Hillis laten zeggen.

Holleeder: Ik heb het met Hillis besproken, die vond het ook belachelijk. Hij kon het zo aan Jocic zeggen.

Tammes: En waarom is dat dan niet gebeurd?

Holleeder: Omdat Sandra zelf wilde betalen. Zij wilde geen gezeur.

Lars: Dat advies: “Ik zou niet betalen.” U wist waar Sam en John toe in staat waren.

Holleeder: Sam was dood.

Stempher: Weet ik. Toen het u zelf overkwam, zei u: “Ik hoefde niet te weten of dat mislukte transport er wel of niet was, ik heb dat miljoen gewoon betaald, ik wilde geen bloedbad.” Kunt u mij eens uitleggen, in die context, waarom uw advies was om niet te betalen?

Holleeder: Het was nog vóór de bedreiging. Johnny had gezegd dat Sandra de helft moest betalen en hij de andere helft. Hij kon op dat moment niet bij zijn geld en daarom moest Sandra dat betalen.

Lars: U wist waar Mieremet toe in staat zou zijn.

Holleeder: Dat heeft er niks mee te maken, hij had toen nog niet gedreigd.

Stempher: Als je dan kijkt naar uw situatie…

Holleeder: Dat was in 1996, dit was vier jaar later. En nu was Sam er niet bij, hij was in zijn eentje. Ik heb het gewoon gezegd uit goede wil, ik heb Mieremet geholpen omdat hij mij dat vroeg, ik heb Sandra geholpen omdat zij er alleen voor stond.

Stempher: U dacht niet dat Sandra risico zou lopen?

Holleeder: Nee.

Stempher: Als ze dan in Lexington wordt bedreigd door Mieremet, heeft u toen uw advies aangepast?

Holleeder: Nee.

Stempher: Waarom niet?

Holleeder: Omdat ze resoluut zei dat ze ging betalen.

Stempher: Denkt u dat Jocic achter de aanslag op Klepper zat?

Holleeder: Ik dacht eerst van niet. Later heb ik van Mieremet gehoord dat het wel zo was, die had het uitgevogeld.

Stempher: Heeft u er onderzoek naar gedaan?

Stempher: Nee, maar mijn advocaat wel. Ik heb tegen hem gezegd: ik zou goed uitkijken met die Norbert, of dat wel klopt. Hij had die jongens naar Barsoum gestuurd.

Stempher: Had u contact met Johnny over of Jocic erachter zat?

Holleeder: Ik heb toch gezegd dat ik eraan twijfelde? Hij kwam zelf met het verhaal van Norbert. Die was naar het clubhuis gekomen, ze kenden elkaar, toen kwam Johnny: “Jocic zit erachter.” Ik heb dat later een beetje uitgezocht: kan het ook wat anders zijn? Hij heeft zelf beslist dat het wel zo was.

Stempher: U zegt: ik heb wat uitgezocht. Wat dan?

Holleeder: U heeft die tap toch gelezen? Ik heb het gevraagd aan mensen die het kunnen weten. Ik heb daar gevraagd wat ze ervan wisten, omdat ze uit de regio kwamen waar Jocic vertoefde. Dat was in Serajevo. Toen hebben die mensen gekeken en die zeiden: dat is helemaal niet zo.

Stempher: Met wie was u in Serajevo?

Holleeder: Met Paja.

Stempher: Mric. Zijn het dan de contacten van meneer Mric geweest die zeiden dat Jocic er niet achter zat?

Holleeder: Dat is daar gebeurd met wat eten en drinken, het is niet allemaal zo rechtlijnig. Ik heb tegen Johnny gezegd dat hun denken dat hij er niet achter zit. “Als ik jou was zou ik uitkijken met die Norbert.” Ik heb iedereen geholpen, aan het eind van de rit heb ik alleen maar gezeik. Ik heb er niks aan verdiend, ik hoef er ook geen geld van, maar ik heb het gezeur, alles wordt mij verweten. Ik vind het niet normaal hoor.

Janssen: We hebben hier een veelheid aan bewijsmiddelen, in taps, in getuigenverklaringen, we kunnen stap voor stap het hele traject onderbouwen, dat wil ik wel gezegd hebben.

 

Rechter: Over uw relatie met Sandra: u heeft haar leren kennen via Sam, toen ze zijn vrouw was. U verklaart: “Ze was weleens met Ria Eelzak in Broodjeszaak Anton in de PC Hooft, daar sprak ik af met Sam en John, dan zag ik haar ook. Ik zag haar ook weleens bij Maike thuis, die heeft haar een dag na de dood van Sam gezien. Ze kwam ook in het clubhuis van de Hells Angels.” U kreeg een relatie met haar doordat u af en toe op bezoek ging bij haar, op verzoek van Endstra of John Mieremet.

Holleeder: Of van haarzelf. Ze belde mij ook steeds of ik langs kon komen. Daar zijn tapgesprekken van.

Rechter: Toen kreeg u een relatie. U zegt: het is een knappe vrouw.

Holleeder: Gewoon aardig. Knappe vrouw.

Rechter: U zei: “Ik heb voor 2006 niet met haar samengewoond. Dat was ook vanwege haar kinderen.”

Holleeder: Klopt.

Rechter: Ze maakte schoon bij u.

Holleeder: Waar ik met haar was, maakte ze schoon. Waar ik niet met haar was, maakte ze natuurlijk niet schoon.

Rechter: Ze had altijd een sleutel, behalve van de flat in IJmuiden. U heeft verklaard: “Toen ik vastzat in Kolbak pakte ze elk jaar een ton van mijn cash geld en vanaf 2002 gaf ik haar elke maand 6000 euro.”

Holleeder: Ja.

Rechter: U heeft verklaard dat Sandra altijd heeft geweten welke liquidaties Sam en John hebben gepleegd.

Holleeder: Het is eigenlijk een beetje flauw dat ik dat verklaard heb, maar het is wel waar. Ze heeft ook verteld over Van Essen, dat Sam en John dat hadden gedaan.

Holleeder: Ja. Het enige punt: ze had wel toegang met de sleutel in Amstelveen, Den Haag en Wassenaar.

Rechter: Niet van IJmuiden.

Holleeder: Nee.

Rechter: U heeft verklaard: het is niet waar dat ik Sandra’s geld van Endstra heb.

Holleeder: Nee, natuurlijk niet.

 

Rechter Wieland: ik ga met u de volgende onderwerpen bespreken: de tweede poging tot liquidatie van Cor, de liquidatie, de erfenis, de Achterdam en het goud. De tweede poging tot liquidatie was op 22 december 2000. U heeft daarover gezegd: wat Astrid en Sonja vertellen is niet waar.

Holleeder: Er zijn veel tapgesprekken. Er is een heel verhaal gemaakt, over de lamellen dat ze van mij daar wat mee moesten doen. Dat is gewoon flauwekul. Uit de tapgesprekken blijkt ook dat ik mijn familie helemaal niet bedreig. Ik heb mijn zus niet gevraagd of die lamellen zo moeten staan. Als ik Cor iets had willen aandoen, had ik gewoon met hem af kunnen spreken.

Rechter: Cor was vaak dronken, een moeilijk mens, en ook riep hij dat hij mensen zou laten vermoorden. U moest dan op allerlei mensen inpraten.

Holleeder: Hij bedoelt het ook echt niet zo, maar hij zei het over mij en over Sonja. Sonja had er veel moeite mee. Hij zei het ook tegen anderen, in de kroeg, en dan kwamen er mensen naar mij toe en dan legde ik het uit. Dat ze het niet serieus moesten nemen. Het was ook niet serieus.

Rechter: Is dat een verklaring voor die tweede aanslag?

Holleeder: Ik denk: Mieremet heeft gezegd dat hij het gedaan heeft, dus dan denk ik dat hij het heeft gedaan.

Rechter: U wilde niet steeds weten waar Cor was, u sprak hem nog wel na Citypeak.

Holleeder: Op een bepaald moment zijn we weer gaan afspreken. Ik heb hem gewaarschuwd dat ze hem iets aan wilden doen.

Rechter: U zegt: “Bij de verdeling van 1996 is niks misgegaan.” Daarna zag u hem minder vaak, meestal via Sonja.

Holleeder: Meestal was het een vaste afspraak. Als iemand niet kon, lieten we Sonja bellen.

Rechter: U maakte nooit telefonische afspraken?

Holleeder: Dat doe ik sowieso nooit, dat is een beetje mijn dingetje. Zo deed ik dat met Endstra, met Cor. Met Cor had ik geen telefonisch contact, dat kon een probleem zijn als het uitlekte, met Mieremet en Klepper.

Rechter: Dat begrijp ik.

Holleeder: Mieremet en Klepper kregen informatie van de politie. Dat zou uit kunnen komen.

Rechter: U kon Cor moeilijk vinden?

Holleeder: Ik kon hem wel vinden. Of hij was in Frankrijk bij de paardenkoersen of in het weekend bij Murk.

Rechter: Wat is Murk?

Holleeder: Een café in Utrecht waar al die gokkers zitten.

Rechter: Hoe vaak zag u elkaar?

Holleeder: Dat onthoud ik niet, dat schrijf je niet op.

Rechter: Bij de rechter-commissaris zei u: “Eens in de twee, drie maanden. Het was niet zakelijk, maar sociaal. Hij wilde weten hoe was met Mieremet en Klepper.” Wie begon daar dan over?

Holleeder: Dat weet ik niet.

Rechter: U zei: “Ik heb hem weleens gewaarschuwd voor Spic en Span. Dan hoorde ik dat ze wisten waar Cor was en dat Sam dan wegliep.”

Holleeder: Dat was één voorval. Er kwam iemand binnen die zei: “Ik weet waar-ie zit.” Dan liep Sam met die persoon weg. Die wilde dat niet bespreken waar ik bij was. Dat was voor mij voldoende om Cor te waarschuwen.

Rechter: Dat was wederzijds: Cor heeft u gewaarschuwd om niet naar Parijs te gaan, met Jocic. Wat deed Cor met die waarschuwing?

Holleeder: Als ik hem waarschuwde waar hij was, paste hij dat wel aan.

Rechter: De dood van Cor, uw contact met Sonja: u zag haar regelmatig.

Holleeder: Ze was mijn lievelingszusje.

Rechter: Weet u wanneer Cor en Sonja uit elkaar zijn gegaan?

Holleeder: Dat weet ik precies. Sonja heeft tot 1996 een heel naar leven gehad, daarna is Cor nog maar heel incidenteel thuis geweest. Vanaf toen had ze een rustiger leven. Wel contact, met Cor, maar veranderd. Ze spraken elkaar één keer in de week, over geld en zo. Naar gelang Cor tijd had.

Rechter: U sprak met Cor over geld voor Sonja?

Holleeder: Sonja stuurde mij naar Cor. In haar verklaring zegt ze dat ze later pas wist dat Cor een vriendinnetje had. Dat is niet waar, dat wist ze al. Ze vroeg: “Hoe gaat dan met mij? Krijgen wij ons geld nog?”

Rechter: Cor zegt: “Met Sonja heb ik het gehad, maar ik zal altijd voor de kinderen betalen.” Als hem iets zou overkomen, ging alles naar de kinderen. Had dat met die dreiging te maken?

Holleeder: Je weet dat er altijd wat kan gebeuren. Hij vroeg ook: “Als er met jou wat gebeurt?” Toen heb ik gezegd: “Dan mag jij het hebben.” Was een grapje.

Rechter: U zegt dat zijn familie, Jan Boellaard en Frans Meijer geld zouden krijgen.

Holleeder: De familie allemaal 100 ruggen en Jan en Frans 250. Hij zei tegen mij dat hij dit tegenover Sonja zou bevestigen. Ik weet niet heter dan dat hij dit gedaan heeft.

Rechter: Hij had een testament gemaakt.

Holleeder: Ja, maar daar staat niks in. Hij heeft tegen mij gezegd: de Achterdam is voor de kinderen, en de rest van de bezittingen. In dat testament staat niet wat ze zouden erven. Er staat alleen: “Alles wat van mij is, is voor de kinderen.”

Rechter: U weet dat een testament vóór mondelinge afspraken gaat. Zou dat een probleem zijn?

Holleeder: Achteraf wordt het anders gespeeld, ik ben er altijd vanuit gegaan dat Sonja de mondelinge afspraken gewoon na zou komen.

Rechter Mildner: Het idee is dan: de kinderen erven het, Sonja gaat het regelen.

Holleeder: Ja. Er staat ook niks in over de film, maar Cor heeft gezegd: “Ik wil die film niet.” Ik ga ervan uit dat zo’n mondelinge afspraak voldoende is.

Rechter: Francis was al meerderjarig.

Holleeder: Dat kan. Dat is het verschil tussen hoe ik denk en hoe u het zou regelen. Bij ons is de afspraak: als de kinderen het erven, heeft Sonja het beheer en zij regelt het voor de kinderen. Als Francis meerderjarig is, krijgt ze nog niet meteen de toezegging over het geld.

Officier van justitie Tammes: Is het weleens bij u opgekomen dat Cor er misschien anders over dacht? Er stond iets heel anders op papier: niemand een cent, behalve de kinderen. Dat is een heel ander verhaal dan wat u hier opdist.

Holleeder: Dat testament heeft hij gemaakt omdat hij wist dat Sam Klepper geliquideerd zou worden. Als veiligheid.

Tammes: Hoe wist hij dat dan?

Holleeder: Daar gaan we het later over hebben.

Tammes: Daar moet u even over nadenken?

Holleeder: Nee.

Tammes: Waarom zegt u het dan niet?

Holleeder: Waarom wel?

Tammes: Ik vraag u dat.

Holleeder: Cor wist dat die liquidatie zou komen.

Tammes: Hoe wist hij dat?

Holleeder: Cor hoorde bij de groep Jocic. Cor is gelieerd aan de groep Jocic.

Tammes: Daar leidt u dan uit af dat hij wist dat het om Sam Klepper zou gaan.

Holleeder: Anders had Cor niet heel gauw dat testament gemaakt en was hij niet naar Dubai gegaan. Ik ken Cor, die was niet van testamenten, hij heeft het gedaan omdat hij dacht dat er uit die hoek wat zou komen. Hij heeft dat later tegen mij gezegd, mevrouw Tammes.

Tammes: Meneer Holleeder, zullen we even voor de rest van al deze zittingen…

Holleeder: O ja: mevrouw de officier.

Tammes: Ja. Dank u.

Rechter Wieland: U vertelde nu meer dan net. Maar er was dus een aanleiding om dat testament te maken.

Holleeder: Ja. Hij was altijd tegen testamenten.

Rechter: Dan blijft toch staan dat alleen zijn kinderen erin staan.

Holleeder: Hij wist dat hij erop aangekeken zou worden. Als Klepper het zou overleven.

Rechter: Kan het zijn dat Cor eigenlijk iets anders wilde met zijn erfenis dan u dacht?

Holleeder: Nee. Dan had hij dat wel gezegd. Ik heb hem gesproken zes maanden voordat hij overleden is. Als dat veranderd zou zijn, had hij het wel gezegd.

Rechter: Heeft Cor u ooit verteld over dat testament?

Holleeder: Nee.

Rechter: Toen hij doodging kwam dat testament als een verrassing.

Holleeder: Ik had het in de wandelgangen van Sonja gehoord. In de Goudsnipzaak (dat was dus lang na de dood van Cor)

Rechter Wieland: Vertelde Sonja ook dat de wensen van Cor anders waren dan in het testament stond?

Holleeder: Nee.

Rechter: De 100.000 gulden naar de familie van Van Hout. Daar wist Sonja van? Was de relatie zo dat ze dat zou doen? Hoe was de relatie?

Holleeder: Die was goed. In die zin: normaal gesproken zou ze dat geven. Dat het allemaal anders is gelopen, weet ik nu pas. Zo ken ik Sonja niet. De Sonja die ik nu zie, is een heel andere dan die ik ken. Als Cor zegt: “Zo gaat het” en Sonja zegt: “Hij heeft het mij verteld” dan is dat voldoende. Zo hebben we altijd geleefd.

Rechter Mildner: Cor ging dood in 2003.

Holleeder: In de jaren daarna is er niet gesproken over een testament.

Rechter: U ging ervan uit dat Sonja betaald had.

Holleeder: Ja. Na 2003.

Rechter: In 2006 komt u vast te zitten. Wist u toen of er betaald was?

Holleeder: Ik dacht dat het betaald was.

Rechter: Wanneer kwam u erachter?

Holleeder: Toen ze zei dat het geld in beslag genomen was. Ik zat vast. Toen zei ze dat het geld niet aan Meijer en aan die moeder had gegeven. Van dat testament heb ik nooit geweten, daar heb ik het ook nooit met Cor over gehad.

Rechter: Wanneer kwam u daar achter?

Holleeder: In 2003. Op de dag van de moord is dezelfde dag de familie van Cor gekomen voor het geld van de erfenis. Sonja heeft tegen iedereen gezegd: er is een testament.

Rechter: Heeft u aan Sonja gevraagd wat erin stond?

Holleeder: Nee. Robbie Grifhorst had alles op zijn naam, maar het was van ons drieën. Zo hebben we altijd geleefd. Dat testament heeft hij misschien gemaakt zodat ze het niet zo makkelijk kunnen pikken. De Achterdam: daar stond alles op toonderaandelen. Als hij het had veranderd, had hij het wel gezegd. Hij hoefde niks te geven, het was zijn keus. Hij zei letterlijk: “Wim, als mij wat gebeurt, mijn familie krijgt allemaal 100.000, Frans en Jan 250.000, je weet: als Sonja het geld in haar zak heeft komt het er moeilijk uit, jij moet wel toezicht houden dat het gebeurt.” Sonja zei tegen mij dat ze het zou doen, daar vertrouwde ik blind op. Sonja zei in 2003 ook dat ze de Achterdam ging verkopen en dat ik mij er niet mee moest bemoeien. Dat heb ik ook niet gedaan.

Tammes: Ik hoor nu twee redenen: dat Klepper zou gaan en dat die aandelen aan toonder gepikt zouden kunnen worden.

Holleeder: Ik probeer uit te leggen hoe het werkt. U moet het niet door de war halen.

Tammes: Ik haal niets door de war. Ik hoor twee redenen opsommen.

Holleeder: U hoort wat u wil horen.

Tammes: Waarom heeft hij nou een testament gemaakt? Omdat hij wist dat Klepper zou gaan of om die aandelen?

Holleeder: Het ging om Klepper.

Tammes: Dat hele verhaal van aandelen toonder heeft u dus zelf verzonnen.

Holleeder: Dat heb ik zelf verzonnen. Dat is om het uit te leggen, maar dan zal ik niks meer uitleggen, als u dat makkelijker vindt.

Tammes: Het wordt een beetje verwarrend.

Holleeder: Het is niet zo verwarrend, mevrouw Tammes, het is heel simpel…

Tammes: Nog één keer, meneer Holleeder, ik wil niet met mijn naam genoemd worden.

Holleeder: Da’s waar ook.

Rechter Mildner: Er was een testament. U zegt: voor mij gold de mondelinge afspraak. Maar Cor kiest ervoor om naar een notaris te gaan. Dat is niet niks. Daar staat wat anders dan de mondelinge afspraak. Waarom?

Holleeder: Hij heeft heel snel dat testament gemaakt, het was een paar dagen voor die liquidatie, toen is hij gauw naar Dubai gegaan. Ik kan alleen maar denken hoe Cor denkt. Voor mij blijft die mondelinge afspraak staan. Ik weet zeker dat dat voor Cor ook zo was geweest. Dat hij zijn geld alleen aan zijn kinderen wilde geven en niet aan zijn moeder. Zijn moeder had niks. Sonja had alles. Ik begrijp dat het voor uw rechtbank moeilijk te begrijpen is. Ik weet honderd procent zeker dat Cor wilde dat zijn moeder geld kreeg en dat Frans en Jan geld kregen. Dat is wat we afspreken, het staat alleen niet op papier. Papier is niks waard. Met Grifhorst stond het ook op papier, maar het was niet van Grifhorst.

Rechter: Kwam het door de haast?

Holleeder: Nee. Er staat ook niet in het testament dat ze de Achterdam erven, en het huis in Nigtevecht, en het huis in Spanje. Alleen: al mijn bezittingen zijn voor de kinderen. Wij zijn mensen die dingen afspreken. Er staat niet wat er naar de kinderen gaat. Alleen het huis in Nigtevecht stond op zijn naam. Dan zouden ze alleen het huis in Nigtevecht erven, er staat verder niks op zijn naam. Dat huis zat een hypotheek op. Wat hebben ze daaraan?

Rechter: Wat heb je dan aan een testament?

Holleeder: Goeie vraag. Dat Sonja ermee kan zwabberen: zo is het. Als iemand doodgaat rennen ze er allemaal naar toe om wat te halen.

Rechter: Sonja wist van de afspraken van Cor?

Holleeder: Ja.

Rechter: Hoe kan dan dat Sonja tegen de familie Van Hout zegt: “Er is een testament, jullie krijgen niks. Alles is voor de kinderen.”

Holleeder: Zij wisten dat de Achterdam van Cor was. Als er staat: “Alles gaat naar de kinderen,” dan is het voor hun ook normaal dat alles naar de kinderen gaat. Maar er staat niks op papier, het enige dat Sonja eraan had: ermee zwaaien naar mensen die zeggen dat ze geld van Cor krijgen. Daar zal het voor opgemaakt zijn. Er staat niks in.

Rechter: Dat weet ik, daarom praten we er ook zo lang over. Waarom zegt Sonja niet: alles gaat naar de kinderen, maar jullie krijgen 100.000 gulden?

Holleeder: Dat is het punt. Vanaf dat moment ging Astrid het allemaal regelen. Sonja heeft die afspraak gemaakt, maar toen Cor was overleden heeft Astrid de leiding genomen en gezegd: niemand krijgt wat. Bassie Vermeulen was bij de liquidatie, hij werd gearresteerd omdat hij het wapen had. Op het bureau heeft hij gevraagd om zijn advocaat, maar dan komt Rob Meerman, de vriend van Astrid. Die komt hem vragen waar het geld van Cor is. Het is Astrid die gezegd heeft dat er niet betaald moest worden. Zij stuurde Rob Meerman er gewoon naar toe voor het geld. Daar zijn tapgesprekken van.

Lars: In het testament staat: al mijn bezittingen zijn voor de kinderen. Maar een zin als: 100.000 is voor die en die, dat had er wel bij gekund.

Holleeder: Ja, dat had gekund. Hij had er ook bij kunnen zetten: de Achterdam is van mij, die is ook voor de kinderen.

Stempher: Als Cor geliquideerd is, had de Achterdam middels aandelen aan toonder verkocht kunnen worden, van dat geld hadden Meijer, Boellaard en de familie betaald kunnen worden. Het frustreert u dat dat nooit gebeurd is.

Holleeder: Ik ben teleurgesteld in Sonja. Frans had recht op geld. Uit het dossier weten we dat hij om geld vraagt, maar hij had er ook recht op. Je hebt een juridisch verhaal en je iets wat niet op papier staat. Dat is hetzelfde als criminelen die geld geven aan mensen om wit te wassen, en die vergeten dat terug te betalen. Het was de wens van Cor, er was geld zat, ze had het gewoon kunnen geven. Het is niet omdat Sonja het regelde, maar omdat Astrid het regelde. Ik begrijp niet waarom u vindt dat hij dat van die 250.000 als enige in het testament had moeten zetten.

Stempher: Dan zou het voor die personen duidelijk zijn dat ze daar recht op hebben.

Holleeder: Maar de bezittingen staan er toch ook niet in. Alleen dat huis in Nigtevecht, maar dan moeten ze geld meebrengen.

Stempher: Dat niet-betalen van Sonja speelt later ook, na 2012. Ik hoorde u zeggen dat u best bereid om advies te geven, maar dat het uiteindelijk de keuze van de mensen zelf is. In dit geval was het de keuze van Sonja om wel of niet de laatste wil van Cor uit te voeren. Ze heeft er blijkbaar voor gekozen dat niet te doen. Dan houdt het toch op?

Holleeder: Dat is niet zoals ik Sonja ken. Ik heb me helemaal niet met de Achterdam bemoeid. Ik hoorde pas toen ik vastzat in Kolbak dat ze niet betaald had. Ze heeft mij gevraagd: bemoei je er niet mee, Astrid regelt het. Astrid heeft het zo geregeld dat niemand wat kreeg. Nog erger: Bassie Vermeulen reed in een autootje dat hij van Cor had gekregen, dat moesten ze terughebben. Ik heb gezegd: dat moet je teruggeven, die auto stond niet eens op Cor zijn naam. Die Astrid stuurt Rob Meerman – als Cor nog op de grond ligt in Amstelveen – al voor geld. Als dat in je hoofd komt, dan ben je er al eerder mee bezig geweest. Dat vind ik een schande. Zo erg zijn ze bezig geweest met dat geld.

Stempher: U zegt hier vandaag: ik ben erachter gekomen dat die betaling niet is gedaan en daarna heb ik het losgelaten.

Holleeder: U luistert gewoon niet! Kunnen we dat nog terugdraaien?

Stempher: Zullen we zeker doen.

Holleeder: Ik heb letterlijk gezegd… Ik ga het niet eens zeggen.

Janssen: Hij heeft gezegd: “Sonja heeft gezegd: Astrid gaat het regelen, ik heb mij er helemaal niet mee beziggehouden. Pas in de Kolbakzaak ben ik erachter gekomen dat er niet betaald was.”

Stempher: We spraken erover dat als meneer advies geeft en mensen daar niet naar luisteren en Sonja haar eigen keuze maakt, hij het dan niet loslaat.

Holleeder: Dat héb ik toch gedaan!

Stempher: Dan zullen we het daar later nog over hebben. Zeker weten.

 

Janssen: Dit verzandt in een semantische discussie. Meneer de officier kiest als formulering: je handen ervan afhalen. Dat impliceert dat die handen erop zitten. Die handen zaten er niet op. Ik zie het vaker gebeuren, we moeten erop beducht zijn dat we niet langs elkaar heen gaan praten.

Rechter: We zien het gebeuren.

Stempher: Wanneer heeft Cor u verteld dat hij wetenschap had van aanslag op Klepper?

Holleeder: Precies weet ik het niet. Het was niet vóór de aanslag op Klepper, wel vóór Cor.

Stempher: Vlak ervoor?

Holleeder: Daar ga ik me niet op vastpinnen, u probeert elk woord om te draaien, ik ken uw tactiek nou zo’n beetje. Het was na de liquidatie van Klepper en voor die van Cor. Je kan toch niet precies weten wanneer iemand iets gezegd heeft, dat slaat toch nergens op?

Stempher: Dat hangt er vanaf hoe vaak je contact heb.

Holleeder: Dat weet je toch niet, ik houd toch geen boekhouding bij.

Stempher: Bepaalde dingen weet u nog heel goed, sommige minder.

Rechter: Cor wordt in januari 2003 geliquideerd, u bent naar Sonja toegegaan, u maakt dan een wandeling in het Amsterdamse Bos.

Holleeder: Wanneer?

Rechter: Met Sonja en Astrid.

Holleeder: Over dat huis in Spanje.

Rechter: Ja.

Holleeder: Dat is onzin.

Rechter: Hoe is er over het huis in Spanje gesproken dan?

Holleeder: Helemaal niet.

Rechter: Volgens de verklaring moest Sonja het huis in Spanje opgeven om de schutters te betalen die Cor geliquideerd hebben. U zei: het lijkt mij onzin om eerst iemand te liquideren om dan te betalen.

Holleeder: Om dan te gaan zoeken om te betalen. Ja, dat lijkt mij onzin.

Rechter: Mij niet. De afgelopen dagen had u het over jullie wereld en een kwestie van goed vertrouwen.

Holleeder: Het lijkt mij sterk. Wat ik ervan denk, is het onzin. Dat huis in Spanje wilde ik niet hebben. Over dat huis hebben Astrid en Sonja zoveel leugens verteld. Het is gewoon onzin, het is echt niet gebeurd.

Rechter: Waarom zeggen ze dat dan?

Holleeder: Ze zeggen heel veel andere dingen, dat komt allemaal een beetje zo uit. Ik heb nooit met Sonja gesproken in het Amsterdamse Bos. Ik ben bij Sonja geweest de eerste dag. Toen heb ik niks gezegd. Toen moest Astrid ineens weg, die moest wat regelen. De tweede dag ben ik bij Sonja geweest, toen ging ze meteen over de rooie dat die familie voor de deur had gestaan, daar ging ze over tekeer. Ik ben de volgende dag teruggegaan en heb gevraagd: ‘Wat ga je doen met de Achterdam? Houd het wat het is, anders krijg je een probleem met de Fiod en justitie.” Ze zei: Astrid gaat het regelen. Ik heb gezegd dat ze dat niet kan. Ze zei: “Astrid regelt het, bemoei je er niet meer mee.” En dat heb ik niet gedaan.

Rechter: U zegt: ik zit ook niet achter de liquidatie van Cor.

Holleeder: Nee.

Rechter: U denkt dat Mieremet ervoor verantwoordelijk is.

Holleeder: Ja. Mieremet had na de liquidatie van Klepper een miljoen op het hoofd van Cor gezet. Hij wist dat Cor met Jocic omging.

Rechter: U zei: “Cor was teleurgesteld dat de eerste aanslag op Mieremet was mislukt, dat Mieremet dat had gehoord en dat dat voor hem een reden temeer was om Cor te laten liquideren.”

Holleeder: Nee, Cor heeft gezegd: “Dat is jammer.” Meer niet. Mieremet had een miljoen op het hoofd van Cor gezet en 10 miljoen voor Jocic, dat was overal bekend. Op een bepaald moment hebben ze elkaar gesproken in Volendam. Beiden hadden er geen vertrouwen in, als iemand zegt: “Het is over.” In mijn ogen: Mieremet had het al twee keer geprobeerd, ik denk: de derde keer ook.

Rechter: U had Cor een paar dagen voor zijn dood op straat gezien, hij was alleen.

Holleeder: Hij was niet alleen.

Rechter: U zegt: “Ik ging niet meer om met Mieremet, na het interview in De Telegraaf in 2002, ik had geen zicht op waar hij mee bezig was.” Had u het gevoel dat u er daarvoor wel zicht op had?

Holleeder: Toen ik met ze omging, had ik wel zicht op wat ze deden. Of ze met Cor bezig waren.

Rechter: Of ze een plan hadden hem te laten liquideren?

Holleeder: Ja.

Rechter: Hoe deed u dat dan?

Holleeder: Dat hoor je, dat zie je. Iemand die binnenkomt. Meer kan ik er ook niet aan doen.

Rechter Mildner: U kwam Cor tegen, toen zou hij hebben gezegd dat alles rustig was. Vroeg Cor daarnaar?

Holleeder: Hij zal erover gesproken hebben.

Rechter: Wie was erbij?

Holleeder: Die was er niet bij, die heeft staan wachten, ik heb met Cor een rondje gelopen.

Rechter: Is dat Ed Sweering?

Holleeder: Ja.

Rechter: Wilde Cor van u weten of het rustig was?

Holleeder: Het is moeilijk een gesprek te reproduceren zonder dat je de behoefte hebt om het te onthouden. Ik denk: “Hoe is het? Heb je nog wat gehoord?” En dat ik heb gezegd dat het rustig was.

Rechter: U zei: “De volgende dag hebben Sonja en ik een rondje gelopen bij haar huis.” U bent zo’n buitenmens?

Holleeder: Dat doe ik sowieso altijd, ook om even rustig te praten.

Rechter: Wat wordt er dan besproken?

Holleeder: Over de Achterdam.

Rechter: Waarom buiten?

Holleeder: Het hoeft niet altijd iets belangrijks te zijn. Ik ben graag buiten. Ik rijd altijd op een scootertje, ik ben altijd graag buiten.

Rechter: Maar het is ook handig als iemand iets niet mag horen.

Holleeder: Ja, dan hoef je je niet te beperken, als iemand wat wil zeggen.

Rechter: Wat moest er besproken worden?

Holleeder: Ik heb gezegd dat ze de Achterdam beter kan laten zoals het is.

Rechter: Alleen u en Sonja.

Holleeder: Ja.

Rechter: U zei: “Sonja zei dat Cor bezig was de Achterdam te verkopen. Dat verbaasde u, er kwam veel geld uit. Cor hoefde er niks voor te doen. De kip met gouden eieren. Sonja zei dat er 1 miljoen betaald was en dat er nog 9 miljoen zou komen.” In onze wereld is dat een koopcontract.

Holleeder: In mijn wereld is het pas geregeld als je alles betaald hebt.

Rechter: Dat is toch raar. Iemand zegt: de kip met gouden eieren is te koop. De ander zegt: ik geef je nu 1 miljoen, volgende week de andere 9.

Holleeder: Het is wat Sonja mij verteld heeft. Ik heb dat opgeschreven. Ik vond het ook raar. Het kan dat Cor een miljoen aangepakt heeft en dat het later verkocht zou worden, maar in mijn ogen is dat niet het geval, ik vond het ook raar.

Rechter: Wat ik niet snap is dat u denkt dat u dat nog terug kan draaien. Degene die al een miljoen heeft betaald voor die kip, zegt toch: hoepel op?

Holleeder: Dat was niet de discussie. Ze had ‘m al verkocht en Cor had al een miljoen gehad. Dat zei ze.

Rechter: Wat ik niet snap: u had haar geadviseerd alles bij oude te laten. Er waren alleen toonderaandelen. Dan denk ik: het is een hoerenkast, heb je dan toonderaandelen, bestaat dat?

Holleeder: Dat had Robbie Grifhorst in mekaar gezet. Het was geregistreerd op de Antillen.

Rechter: Sonja zegt: “Ik wil doorgaan met de verkoop.” U heeft gezegd: wel gewoon belasting betalen, anders gaat het fout.

Holleeder: Ik heb gezegd: je moet niet verkopen en als je het wel doet, moet je belasting betalen omdat justitie en fiscus erop zitten.

Rechter: Zou dit zich niet onttrekken aan justitie?

Holleeder: Dat denk ik niet. In Citypeak hebben ze ’t van Cor willen afpakken. Toen heeft Cor een deal gesloten met Teeven, dat-ie ’t mocht houden. Teeven had iets onrechtmatigs gedaan, daarom mocht hij het houden.

Rechter: U wist niet wie die toonderaandelen had?

Holleeder: Nee. Ik heb alleen gezegd: “Als er zoiets gebeurt als met Cor, justitie heeft er al die jaren achteraan gezeten en ze hebben geprobeerd hem te onteigenen in de Citypeak-zaak. Dat is niet gelukt, door Teeven, maar justitie wist dat Cor de Achterdam had, dus als hij komt te overlijden gaan ze meteen kijken.”

Rechter: Justitie wist dat het eigendom was van Cor?

Holleeder: Ja.

Rechter: Wat ik niet snap is dat u tegen Sonja zegt dat ze alleen die toonderaandelen moet verkopen.

Holleeder: Sonja zei: “Ik ga toch verkopen.” Toen heb ik gezegd: “Als je verkoopt, verander niks, laat iedereen er blijven werken, dan kun je de toonderaandelen verkopen, dan valt het niet op. Als je alles verandert, wordt het één drama.”

Rechter: Dat moeten we even op ons in laten werken. Sonja zei: “Astrid zou het regelen en aan Bertus Hassing verkopen. Ik zei dat Astrid daar geen verstand van had.” Hoe ver was Astrid met haar studie?

Holleeder: Ze was al advocaat.

Rechter: Dan is het toch geen probleem?

Holleeder: Je hebt goeie advocaten en slechte. Astrid was strafrechtadvocaat, ik dacht: “Dat ken ze niet.” Sonja zei: “Astrid gaat het verkopen,” ik heb gezegd: “Dat kan ze niet.”

Rechter: U zegt: “Ik heb met Rem, Martin Erkamps, geregeld dat de familie van Cor Sonja met rust zou laten.”

Holleeder: Sonja begon over Rem, ik heb gezegd: ik ga er wel even naar toe, ik heb tegen Rem gezegd: “Sonja heeft heel wat aan haar hoofd, Cor is net dood, jullie moeten haar met rust laten, jullie krijgen gewoon waar je recht op hebt, wat Cor wil dat je krijgt.”

Rechter: De familie van Cor staat daar aan de deur. De oude moeder staat met haar hand… Sonja heeft miljoenen in haar achterzak. En u zegt dat ze zich nog even op afstand moeten houden. Ze kon toch wel 100.000 gulden betalen?

Holleeder: Ze had dat miljoen niet, dat had Cor al gekregen. Zij zou 9 miljoen krijgen. Toen zijn die mensen aan de deur gekomen, daar was Sonja heel boos over.

Rechter: Hoe was de relatie tussen Sonja en familie van Cor? Vanmorgen zei u: die was best.

Holleeder: Sonja bracht het zo omdat Cor net dood was. U heeft volkomen gelijk: ze kan dat toch gewoon betalen. Als je 9 miljoen krijgt, je moet een miljoen weggeven, wat is het probleem. Ik weet dat Sonja wel had betaald, waarom moet je die mensen teleurstellen. Astrid heeft dat in elkaar gedraaid. Net zo goed als dat Bassie die auto terug moest geven. Astrid is alleen maar bezig à la minute met dat geld.

Rechter: De familie was wat te snel aan de deur.

Holleeder: Rem en Adje zijn er geweest. Thomas is ook aan de deur geweest.

Rechter: U zegt: “Ik heb niets uit de erfenis gekregen, dat hoefde ik ook niet, ik heb ook nooit gereageerd op verhalen dat ik achter de moord op Cor zat en dat ik de Achterdam had ingepikt, om Sonja te beschermen. Zolang ze boos op mij zijn, doen ze haar niks aan.” Wie zou haar iets willen aandoen?

Holleeder: Dat kan van alles zijn. Ruzie over een erfenis, er kan van alles gebeuren, dan kunnen ze Sonja in elkaar trappen. Het zijn geen lekkerdjes. Als iemand slecht over mij praat, ik ben al zoveel gewend, dat interesseert me echt niet. Als ik tegen iedereen had gezegd dat ik de Achterdam niet had, was het een ander verhaal geweest. In die opnames refereer ik daar aan, in dat gesprek tussen mij en Sonja, dat ik zeg: ik heb dat gezeik met die familie omdat jij dat geld niet gegeven hebt.

Rechter: Waarom verklaart Rem belastend over u?

Holleeder: Dat weet ik niet. Gisteren hadden we het over Witzenhausen, vandaag over Rob Meerman. Astrid is advocaat, die zet verklaringen in elkaar. Waarom Martin dat verklaart? Omdat-ie niet goed bij zijn hoofd is, het slaat nergens op.

Rechter: Ook de dingen die Thomas tegen Teeven heeft gezegd?

Holleeder: Thomas heeft tegen Teeven gezegd dat ik de Achterdam had. Na die verklaring van Thomas is er meteen een inval gedaan bij de boekhouder van de Achterdam. Iedereen dacht dat ik de erfenis had. Daar heb ik dat gezeur door.

Rechter: Wanneer hoorde u dat Thomas bij Teeven zat te praten?

Holleeder: Dat zag ik pas in het dossier, ik heb dat niet eerder geweten.

Rechter: Cor zei zes maanden voor zijn dood dat de Achterdam voor zijn kinderen was.

Holleeder: Hij zei tegen mij: “Als er met mij wat gebeurt, gaat de Achterdam naar de kinderen.” Hij zei niet: zorg dat het verkocht wordt.

Rechter: U praatte toen met Cor op verzoek van Sonja, omdat Cor een andere vrouw had. U zei: “Een paar dagen voor zijn dood heb ik hem nog gesproken.” Dan is er iets geks gebeurd. Kennelijk heeft hij niet met u gedeeld dat hij de Achterdam had verkocht.

Holleeder: Dat had-ie ook niet.

Rechter: Is er in de tussentijd dan iets gebeurd waardoor Sonja tegen u zegt: Cor heeft de Achterdam verkocht.

Holleeder: De ruzie is omdat ze liegt en ontkent. Ze zei: “Cor had de Achterdam al verkocht omdat jij al met hem bezig was.” Ze zijn gewoon door blijven liegen. Nu, achteraf, nu ze wel hebben verklaard dat ze de Achterdam nog hadden na de dood van Cor, is pas uitgekomen hoe het zit.

Rechter: U denkt dat Astrid meedeelt in het geld van de Achterdam. Hoeveel?

Holleeder: Ze hebben in totaal 9 miljoen gekregen.

Rechter: Hoeveel voor Astrid?

Holleeder: Dat weet ik niet, maar ze is niet voor niks bezig. Ze heeft hier haar kans in gezien. Ze heeft achter het geld van Cor aan gezeten en echt niet om het aan Sonja te geven. Dat maak ik ook op de ruzie over de film. Astrid heeft ineens aandelen in die film. Hoe komt ze daaraan? Ik ben ervan overtuigd dat ze ook aandelen heeft in de Achterdam. Ze is zich aan het verrijken. Ze heeft mij ook nog bestolen.

Rechter: U zegt: “Ik denk dat het om zwart geld gaat, ik weet niet waar het is.” Over het goud zegt u: “Ik wist niet dat er goud was na de dood van Cor.”

Holleeder: Ik wist wel dat hij goud had, maar hij zei dat hij dat verkocht had aan Muis, een heler.

Rechter: U zegt: “Astrid en Sonja hebben dat goud bedacht om het te kunnen verantwoorden in Goudsnip.” Uit het verificatie-onderzoek blijkt dat Ad van Hout verklaart dat hij in 2003 in opdracht van u in elkaar is geslagen door Hugo Broers. Dat goud lag bij hem thuis. Hij had een paar kilo aan Sonja gegeven en toen is het bij Wim terechtgekomen.

Holleeder: Mensen vertellen allemaal verhalen, ik heb alleen geweten dat er goud verkocht was. Ik heb met Sonja en Astrid gezeten, toen ze gezegd hebben: we gaan het zo in elkaar zetten. Kijk, Thomas is een heel aardige jongen. Hij stashte de drugs voor Cees Houtman. Thomas is geen crimineel, dat is gewoon een timmerman. Hugo Broers heeft gezegd: we rippen die boel. Er is niet gesproken over goud, ze wilden de stash van Cees Houtman hebben. Dat is ook verklaard.

Rechter: Ad verklaart dat Cor ruzie had gekregen met Van der Bijl, daarom had hij een jaar voor de liquidatie het goud in opdracht van Cor aan Sonja had gegeven. Dat wist u niet?

Holleeder: Ik twijfel daaraan, anders had ze het wel verteld.

Rechter: Het gaat om heel veel. 40 kilo goud.

Holleeder: Dat zegt-ie.

Rechter: Eerst had Ad 32 kilo en was er 8 kilo bij Van der Bijl. En vóór de liquidatie van Cor heeft Ad die 8 kilo van Van der Bijl gekregen.

Holleeder: Dat goud is er gewoon niet. Ik heb er zelf bij gezeten toen ze het verhaal over het goud hebben bedacht.

Rechter: Sonja had tegen u gezegd dat het goud verkocht was. Dat was niet zo, maar dat had ze gezegd om van u af te komen.

Holleeder: Ja.

Rechter: Over uw geld. Van het losgeld was 8 miljoen gulden over. Na de verdeling in 1996 kreeg u 11,5 miljoen, 8 miljoen heeft u bij Endstra ingelegd. Dat was een behoorlijk rendement. Van 2 miljoen in 1983 tot 11,5 miljoen.

Holleeder: Ja, we hebben goede zaken gedaan.

Rechter: 11,5 miljoen. Een deel ervan was verkregen doordat u geld had uitgeleend en met rente teruggekregen. Dat ging ook om drugs.

Holleeder: Ik doe niet in drugs, ik leen alleen geld.

Rechter: O, da’s grappig, zo kun je ’t ook zien. Als je drugs financiert, hou je je niet bezig met drugs, alleen met financiering.

Holleeder: Die mensen deden in drugs. Ik leende hun geld.

Rechter: Dan ben je toch ook bezig met drugs?

Holleeder: Nee. Ik moet mijn geld terug hebben, ook als het fout gaat. Als ik iemand geld leen, doe ik niet in drugs.

Rechter: Wat was er dan tegen dat Cor in drugs zat?

Holleeder: Als Cor gepakt was met drugs, was ik daarbij betrokken. Als ik iemand geld leen, zeg ik: “Ga je gang.” Als diegene wordt gepakt, dan ben ik mijn geld kwijt. Maar dan heb ik nog wel een vordering. Ik investeer niet in drugs.

Rechter: Af en toe hoor ik u Cruyffiaanse wijsheden verkondigen. Het is misschien morele kwestie. Ik zie uw wenkbrauwen fronsen. Als u iemand geld leent, wilt niet weten wat iemand ermee doet?

Holleeder: Ik wil je alleen geld lenen, ik wil zoveel terug.

Rechter: Na uw relatie met Sandra had u geld verstopt. Ook een bedrag bij Astrid. Dat durfde u wel aan?

Holleeder: Je moet het sowieso ergens leggen. Astrid was advocaat. Zwart geld kun je niet makkelijk leggen, dat is altijd een gok.

Rechter: U zegt: “Ik had ook legaal geld. Vóór 1996 verdiend op de Wallen. Maar ik kreeg ook sleutelgeld voor woningen die hij verhuurde. Dat was zwart. Ik had wit geld uit Naris, daarmee heb ik het seksmuseum gepacht en later als tussenpersoon van verbouwingen van woningen.”

Holleeder: Klopt.

Rechter: U zegt: “Ik had met Astrid afgesproken dat zij de huur voor Sandra zou betalen, wat Sandra weerspreekt.” Waarom weerspreekt Sandra dat?

Holleeder: Het is heel gemakkelijk voor een advocaat om drie verklaringen in elkaar te zetten om iemand op te ruimen. Astrid heeft Sandra in haar kamp getrokken. Door de ruzie heb ik haar geen geld meer gegeven.

Rechter: Waarom zegt Sandra dat het niet waar is?

Holleeder: Omdat ze mij wil belasten.

Rechter: U zegt: “Sandra heeft tegen mij verklaard.” Waarom ontkent ze dat van die huur?

Holleeder: Ze ontkent ook dat ik haar 6000 per maand gaf. Het kan zijn omdat dat van Astrid moet, of omdat ze anders een nog groter fiscaal probleem heeft.

Rechter: We zullen het haar vragen als ze hier is. U zegt: “Ze pakte 100.000 euro per jaar, ze is een nagelstudio begonnen om ook wat wit geld te hebben. Toen dit begon had ik 1,4 miljoen bij Astrid staan.”

Rechter Mildner: Kan iemand anders weten waar uw geld was?

Holleeder: Bij mijn weten alleen Astrid en ik heb tegen Sandra gezegd dat het bij Astrid was. Sonja wist het ook. Verder niemand.

Rechter Wieland: Over de zaak Goudsnip: u heeft verklaard dat toen u vastzat voor Kolbak dat Astrid u gevraagd heeft te verklaren dat Cor zijn geld vooral met gokken verdiende. Maar het is niet waar, zegt u, als we zulke bedragen hadden gewonnen, hadden we daarvan het bewijs wel bewaard. Daar kan ik me wel wat bij voorstellen, dan had u legaal geld. Wit geld.

Holleeder: Ja.

Rechter: Cor gokte veel, hij verloor ook veel. Hij verdiende elke maand 75.000 gulden zwart met de Achterdam.

Holleeder: En daarnaast nog wit. Dat was een jaarlijkse opbrengst van ongeveer 2,8 miljoen. Thomas gaf elke maand 75 ruggen zwart.

Rechter: Over het beslag op het geld van de Achterdam zegt u: “Toen ik vastzat voor Kolbak was alles goed tussen Sonja en mij. Toen vertelde Sonja dat het geld van de Achterdam in beslag was genomen. En dat ze nooit geld aan Frans Meijer en Jan Boellaard en aan de familie van Cor had gegeven.”

Holleeder: Daar was Astrid bij.

Rechter: U verklaarde eerder: “Ze was alles kwijt. Ik vond het zielig voor Sonja. Ze kon van mij geld krijgen, ik had nog cash liggen van de verdeling van 1996.” In een latere verklaring zegt u: “Ik zag Astrid niet vaak. Later zei Astrid dat ze niks van de Achterdam wist. Ik denk dat ze het geld van de Achterdam hebben weggesluisd, maar ik weet niet waar naar toe.”

Holleeder: Klopt.

Rechter: In 2017 zegt u over Goudsnip dat de gesprekken van Astrid met Johan Verhoek van belang zijn. De Hakkelaar. “Ze heeft heel lang een relatie met hem gehad, in ieder geval toen ik vrijkwam in 2012 was het nog zo en in 2014 heb ik haar auto bij hem voor de deur gezien. Astrid is niet de nette advocaat die ze pretendeert te zijn. Verhoek is van belang om te laten zien wie Astrid werkelijk is. Ze heeft zich dat gezeur met de Achterdam aangehaald om zichzelf te verrijken.” Dan wordt gevraagd of dat de waarheid is en dan zegt u: “Dat moet u aan Astrid vragen. Mijn verdediging ligt bij Astrid, niet bij Verhoek of Hassing of andere mensen.” U verwijst dan naar het Fiod-onderzoek. “Ik wil wel zeggen hoe het zit,” zegt u, “maar ik wil niets over Verhoek zeggen. Sonja heeft een dag na de dood van Cor gezegd dat Cor het al had verkocht aan Hassing. Dat was die mysterieuze koper. 1 miljoen was al betaald, 9 miljoen zou ze nog krijgen.” Kende u die Hassing?

Holleeder: Die kende ik. Van de paardenkoersen, met Cor. Ik ben weleens bij hem thuis geweest.

Rechter: U heeft niet gezegd: “Je hebt een miljoen aanbetaald, maar dat moet je terugdraaien, Sonja moet de Achterdam houden?”

Holleeder: Nee. Astrid beweert dat ik achter de Achterdam zit en dat ik Cor doodgeschoten heb omdat ik nog steeds achter de Achterdam aan zou zitten. Dus ik schiet Cor dood omdat ik de Achterdam wil hebben en dan gaat Astrid de volgende dag de Achterdam verkopen en dan zeggen ze: “We hebben de Achterdam niet.” Terwijl ik dan Cor vermoord moet hebben. Als ik Cor vermoord had, hoefde ik niet naar Astrid, dan kon ik gewoon naar de boekhouder gaan en zeggen: ik ben de eigenaar. Want het zijn gewoon aan-toonder-stukken. Ze kunnen wel allemaal verhalen in mekaar zetten, maar het slaat nergens op. Dan had ik Sonja ook niet hoeven adviseren om het zo te laten.

Rechter: Wie was de boekhouder?

Holleeder: Tangenberg.

Rechter: U zegt: “Ik wil met tapgesprekken aantonen dat Astrid er belang bij heeft Verhoek erbuiten te laten.” Wat bedoelt u daarmee?

Holleeder: Ik weet dat ze Verhoek erbuiten wilde laten bij het OM en dat ze niet vervolgd zouden worden.

Rechter: De deal van Sonja en justitie. In januari 2013 werd dat bekend. U zegt: “Ik zag water branden.”

Holleeder: Ja. Omdat Sonja mij verteld had dat alles weg was. Ik kende Sonja als iemand die altijd eerlijk was. Ik vond het een gekke leugen. Ik ben betrokken geweest bij verzinnen van het verhaal over het goud. Dan gaat ze tegen mij zeggen: “Ik heb het niet.” Ik probeer er doorheen te komen. De leugens worden steeds gekker. Dat is de Sonja die ik niet ken.

Rechter Mildner: Wat maakt het u uit? U heeft uw 11 miljoen.

Holleeder: Het maakt mij niks uit. Maar op het moment dat iemand die je heel goed kent allemaal gekke leugens gaat vertellen… Ik heb toch gelijk gehad, aan eind van de rit. Ik dacht elke keer: “Het klopt niet, Neus, je moet niet paranoia worden, het blijft wel je zuster.” Ik wilde weten waarom het niet klopte. Ik ben er toen niet achter gekomen dat ze valse verklaringen aan het afleggen waren. Het is nu toch uitgekomen dat het niet klopte.

Rechter: Wat stond er voor u op het spel?
Holleeder: Dat wist ik toch niet?

Rechter: En nu?

Holleeder: Mijn leven! Ze proberen mij levenslang aan te smeren! Het begint met die film en er komen steeds meer leugens bij. De deal met justitie, waar ben je mee bezig?

Rechter: Is het dan het principe dat ze niet tegen u mag liegen?

Holleeder: Als je gewend bent om met iemand om te gaan die nooit liegt en dan ineens wel.

Rechter: Er staat mij bij: het was toch Cor zijn geld?

Holleeder: Het ging om geld dat ze niet aan Meijer en Boellaard en de familie heeft gegeven.

Rechter: Wat kon er gebeuren met u of uw geld als ze tegen u zou liegen over de Achterdam?

Holleeder: Ik probeer erachter te komen waarom ze liegt. De ruzie ging alleen om de film. Als je een deal gesloten hebt van 1,1 miljoen is dat opmerkelijk en als je daar gekke leugens over gaat vertellen.

Rechter: Wat zou ze aan de politie kunnen vertellen?

Holleeder: Mensen kunnen liegen. Als je een deal sluit voor 1,1 miljoen, is de vraag: hoe krijg je zo’n deal? Daar staat iets tegenover. Toen ben ik gaan vragen, heb op mijn manier een beetje druk gelegd. Een beetje dreigen, een beetje doen, de leugens werden steeds gekker.

Rechter: Nu zegt u: ik had gelijk

Holleeder: Als ze zegt: “Het is mijn geld,” dat is het geld voor de familie van Cor. De familie van Cor wist dat Cor de Achterdam had. Die familie woont daar. Dat ik er niet achter gekomen ben, komt doordat ik mezelf steeds heb wijsgemaakt: het is wel mijn familie.

Rechter: U zei: “Ik weet niet wat ze aan de politie vertellen.”

Holleeder: Als zo’n deal wordt gesloten, vragen ze wat ze van mij weten. Als mijn zussie een deal sluit voor 1,1 miljoen en ze had nergens over gelogen, was er niks aan de hand. Het gaat mij niet om het geld. Mijn doel is: er wordt gelogen over die film, de leugens werden alleen maar gekker. Sonja zei: “Cor had het al verkocht, hij was bang van jou.” Dan denk ik: waar ben je mee bezig?

Rechter Wieland: Dit is de brug naar die ene tape waarmee u een bekende Nederlander bent geworden, voor zover u dat niet al was. Bij de Bergmankliniek. Daar bent u tekeergegaan. Omdat ze al die jaren tegen u gelogen had. Heeft u daarna nog contact met haar gehad?

Holleeder: Ik heb daarna wel met haar gesproken. Ik heb ruzie gehad omdat ze liegt. Natuurlijk heb ik geschreeuwd. Had ik misschien niet moeten doen, maar dat is het enige stukje dat ze eruit geknipt hebben. Er is iets wat niet klopt. Daarom gebruik ik een beetje dreigende taal, dat doe ik met anderen ook. Een beetje dreigen om te kijken waar het zit. Het was zo onredelijk, ik begrijp het nog niet. Ik heb dit niet verdiend.

Rechter: U bent emotioneel mens. Het lijkt me dat je eerder je emoties toont dan dat je iemand volkomen verrot scheldt.

Advocaat Janssen: Dat is ook emoties tonen.

Rechter: Toen werd u eigenlijk van een Bekende Nederlander een psychopaat, dat monster

Holleeder: Ik heb inderdaad geschreeuwd. Ik ben een simpele jongen uit de Jordaan. Mijn zusters schreeuwen ook. Ik heb geschreeuwd uit onmacht. Ik ben alleen blijven proberen. Sonja gaat het recht praten, toen ben ik boos geworden, dat is aan de hand van hoe dat loopt. Eerst heb ik het geprobeerd via Astrid, dat zij zou zeggen wat er aan de hand was. Dat ging niet. Toen heb ik dat gesprek met Sonja gehad. Ik heb dingen gezegd die ik niet had moeten zeggen, maar dat maakt me niet dat monster dat ze creëren. Als ik ruzie heb, ga ik schreeuwen, ik ben een jongen van de straat. Ik had nooit verwacht dat ze me iets zou aandoen. Ik heb alles voor haar gedaan, zij voor mij ook. Hetzelfde met Peter de Vries. Als je alle verklaringen op een rij zet, is er nog nooit een onvertogen woord geweest. Ik heb met hem nooit gesproken over liquidaties. In 2006 ga ik de gevangenis in. Er is niks aan de hand. Hij maakt een uitzending over Endstra. Het contact blijft goed. In 2012 kom ik eruit, nog niks aan de hand. Ineens heeft Astrid dingen gezegd en in februari 2013 gaat hij met ze naar het OM om valse verklaringen af te leggen. Hij zegt ’s avonds, na de zitting, bij RTL Boulevard dat hij mij niet heeft geconfronteerd: dat kon-ie niet, dan zou hij me dwingen om te zeggen van wie ik dat weet. Is ook gelul. Hij heeft Frans Meijer in Paraguay verraden. Cor heeft hem altijd gevraagd wie Frans verraden heeft. Dat heeft hij nooit gezegd. Waarom kan hij niet hetzelfde doen met de zusters? Dat zit mij ook dwars. Hoe ken dat nou, denk ik dan, iemand die altijd zo secuur is en iedereen aanspreekt over hoor en wederhoor. Als ik hem hoor op tv over andere journalisten, dat ze geen wederhoor toepassen, dan zie ik water branden. Het enige verhaal is dat ik in 2012 begon te morren dat ik die film niet wilde. Zou dat het zijn? Peter is ook een emotioneel mens, het kan zijn dat hij een verkeerde inschatting heeft gemaakt, dat hij Astrid echt heeft geloofd. Maar dan heeft hij nog een fout gemaakt door mij niet te confronteren. Als journalist of als vriend had mij op de hoogte moeten stellen van wat hij gehoord heeft. Dan had ik mij kunnen verdedigen. Dan was het misschien niet zo ver gekomen en was hij niet met hun meegegaan naar het OM. Astrid zegt dat ik een psychopaat ben, maar ik schreeuw. Astrid schreeuwt ook, ze heeft bij het OM de deur er bijna uitgetrapt omdat iets haar niet zinde. Ik heb Sonja nooit met één vinger aangeraakt. Ik heb wel geschreeuwd, maar ik heb haar niks aangedaan, tot de dag van vandaag hou ik nog van haar.

Rechter: Dat maakt u emotioneel.

(tijd stil, slokje water)

Rechter: Over Thomas zegt u: “In 2004 vroeg Sonja mij of ik Thomas wilde zeggen te stoppen met rond te vertellen dat Sonja een seksuele relatie met Peter de Vries had. Ik had Thomas sinds 1996 niet meer gezien. Sonja zei dat hij eigenaar van café De Hallen was en dat hij daar altijd tot zeven uur was. Ik ben gegaan, Thomas was daar, ik heb hem gevraagd of ik hem alleen kon spreken. Thomas zei dat hij het niet meer overal zou rondbazuinen. Hij vroeg mij haar te bellen en te vragen of zij ook naar De Hallen wilde komen, dan zou hij het zelf tegen haar zeggen. Sonja is gekomen met Francis.”

Holleeder: Klopt.

Rechter: Dan denk ik: da’s óók raar!

Holleeder: Want?

Rechter: U gaat naar Thomas. Die zegt: “Ik zal het niet meer doen.” En: “Ik zal ook tegen Sonja zelf zeggen.” Dan wordt Sonja die kant op getrommeld en die komt dan om Thomas te horen zeggen: “Ik zal niet meer zeggen dat je een relatie hebt met Peter de Vries.” Ik zou er mijn bed niet voor uitkomen. Leg dat eens uit, ik snap dat niet.

Holleeder: Sonja heeft mij ernaar toe gestuurd. Thomas praat slecht over andere mensen, dat doet hij zijn hele leven. Thomas zegt: “Ik heb Sonja al heel lang niet meer gezien, bel haar even, ik wil het haar zelf ook zeggen.”

Rechter: Dat vond ze de moeite waard.

Holleeder: Als ik tegen Sonja zeg: kom even naar de Nieuwmarkt, dan komt ze ook.

Rechter: U zegt: kom even. En dan komt ze. Dan zegt ze niet: ik geloof het zo ook wel?

Holleeder: Zo ben ik altijd met Sonja omgegaan. Kom even naar de Achterdam, of: rij even naar de benzinepomp, dan komt ze er gewoon aan. Daar was niks vreemd aan.

Rechter: U zegt: “Ondertussen was Cees Houtman ook gekomen. Ik kende hem vanuit Spanje, van de Houtmangroep, we hebben gezellig gesproken.” Wij hadden het idee dat Cees Houtman en Thomas van der Bijl het helemaal niet zo gezellig meer vonden met u.

Holleeder: Dat is niet waar. Sjors (van Kleef) had ruzie gekregen met Cees. Cees heeft mij gevraagd om aan Sjors te vragen: als hij betaald had, dat hij niet nog een keer weer gaat beginnen. Heb ik Sjors gevraagd, die zei: geen enkel probleem. Later heeft Mieremet iedereen opgestookt dat ik erachter zat.

Rechter: U zegt: “Sonja is vrij snel weggegaan, ik ben nog een paar uur blijven hangen. Het is dus niet zo dat Sonja moest komen om tegen Thomas te zeggen dat ik geen geld van de Achterdam had.” Wat mij eerlijk gezegd op het eerste gezicht veel logischer lijkt.

Holleeder: Als dat waar was, zou Thomas toch niet bij Teeven hebben gezegd dat ik de Achterdam had?

Rechter: U zegt: “Die verklaring van Sonja is onzin. Veel mensen dachten dat ik de Achterdam naar me toe had getrokken.” Dat bevestigt toch het verhaal van Sonja?

Holleeder: Nee. Dan had Thomas toch tegen Teeven gezegd: hij heeft de Achterdam niet.

Rechter: U zegt: “Ik dacht dat het verhaal over de Achterdam van familie van Cor kwam omdat ze ontevreden waren over de erfenis.”

Holleeder: Ik zou Thomas hebben vermoord omdat hij gezegd zou hebben dat ik de Achterdam had. Thomas heeft verklaard dat ik achter de moord op Cor zat omdat ik de Achterdam heb afgepikt. Wat er niet in staat – maar dat is in 2009 uitgeluisterd in hoger beroep, dat had Teeven eraf geknipt, net als hij met Peter Petersen gedaan had – dan zegt de verbalisant tegen Thomas: “Waarom zit Willem achter de moord op Cor?” Thomas zegt: “Ik denk omdat hij de Achterdam heeft ingepikt.” Waarom zal ik me daar druk over maken? Ik heb het niet eens gehoord. Daarom heb tegen Sonja gezegd: “Ik heb alleen maar ellende van jou.” Dat gaat alleen maar om die familie en de Achterdam. Thomas heeft alleen gezegd dat hij denkt dat ik de Achterdam heb. Daarom ga ik hem vermoorden? Dat lijkt me sterk.

Rechter: Thomas ging weleens met u naar Frankrijk, en naar Hillis? U ging met Hillis om?

Holleeder: Nee. Cor zei tegen mij: “Ga bij De Allesweter langs en ga bij Hillis langs.” Ik heb Thomas meegenomen naar Hillis omdat we ook wat moesten bespreken over de Achterdam, hij is een paar dagen met mij meegereden. Thomas is een hele lieve jongen, hij had alleen een giftige tong. Ik wist niet dat hij met Teeven sprak. Er is niks naar mij toe gekomen dat Thomas mij zou willen vermoorden. Dat slaat nergens op.

Rechter Somsen: Over het geld van Sandra bij Endstra. Een half jaar na de dood van Sam is er nog gesproken over geld dat ze nog tegoed had van Endstra. Dat was uw taak: de bewaker van de bank. Endstra had gezegd dat ze 7 miljoen zou krijgen. “Sandra noch ik hebben dat geld ooit gekregen.”

Holleeder: Klopt.

Rechter: U zegt: “Ik weet niet of ik toen al een relatie met Sandra had. Later, toen we wel een relatie hadden, vertelde ze over haar geld in Liechtenstein.”

Holleeder: Dat was wel véél later, hoor. Toen ze dat ging halen met Hillis.

Rechter: Over die 7 miljoen zei Endstra dat hij er tijd voor zou nemen, hij kon haar alleen maar wit betalen.

Holleeder: De mensen zaten allemaal op wit geld te wachten.

Rechter: Na het interview in De Telegraaf zegt Endstra dat het goed komt. Dat blijft verbazen.

Holleeder: Als Endstra niet gesloopt was, was het goed gekomen. Hij had geld genoeg om het op te lossen. Dat risico heb ik genomen toen ik met hem in zee ging, Het is extreem uit de hand gelopen door dat artikel. Als Mieremet Van den Heuvel niet had kunnen gebruiken om dat geld af te persen bij Endstra, was dit niet gebeurd. Nu werden er rekeningen opgezegd, iedereen wilde zijn geld terug, het was één drama.

Rechter: U zegt regelmatig: als dit niet was gebeurd. Nu noemt u het artikel. Daarna kreeg Endstra het zwaar. Daar was u toch bij? U zag dat er problemen ontstonden.

Holleeder: Ja. Het probleem tussen Mieremet en Endstra was wel opgelost geworden. Endstra was rijk zat, maar dat artikel heeft zoveel schade aangericht, toen werd de boel onzeker. De krant is daar onderdeel van geweest. Als dat niet was gebeurd, had je een heel ander verhaal gehad. Mieremet probeerde Endstra kapot te maken. Dat artikel is de doodsteek geweest voor Endstra.

Rechter: Zijn reputatie in de nette wereld, daar ging het om.

Holleeder: Ook in de onderwereld. Hillis heeft in een heel vroeg stadium geld aan Endstra gegeven. In dezelfde tijd als Van Essen. Tien miljoen. Toen kwam dat verhaal in de krant. Hillis heeft tegen Endstra gezegd, daar ben ik bij geweest, dat was die ontmoeting met die ijsmuts, toen heeft Hillis gezegd: “Je hebt het moeilijk, de groep wil die 10 miljoen terug, het hoeft niet met winst, dat kan later.” Niet alleen de bovenwereld wilde geld terug, ook die boeven.

Rechter: U verklaarde u dat er een gesprek was tussen Sandra en Wim. Sandra heeft gezegd dat ze geld tegoed had van haar man. 7 miljoen. Maar daar heeft u zich niet mee bemoeid.

Holleeder: Nee. Het eerste wat Endstra ging doen was Mieremet betalen, die was het lastigst. In mijn achterhoofd wist ik dat het een moeilijk verhaal zou worden. Endstra heeft teveel naar de pijpen van Mieremet moeten dansen.

Rechter: U bent veroordeeld voor afpersing van Endstra. U zegt dat u dat niet heeft gedaan.

Holleeder: Dat heb ik ook niet gedaan.

Rechter: U bent er wel voor veroordeeld.

Holleeder: Ja. Dat kan gebeuren.

Rechter: Endstra werd geliquideerd. U zegt: “Op de dag van de liquidatie heeft Sonja mij gebeld, ik reed bij Utrecht, ik heb haar gevraagd naar de carpoolplaats bij Abcoude te komen.” Waarom?

Holleeder: Ik heb met haar gesproken, ik heb me door haar af laten zetten in Zuid. Ze begon door de telefoon over Endstra, toen heb ik gezegd: we zijn bijna daar.

Rechter: Waarom op die plek?

Holleeder: Ik kwam vanuit het buitenland, Sonja woont daar vlakbij, dus dat was makkelijk.

Rechter: Waarom rijdt u niet naar haar toe?

Holleeder: Als ik Sonja wilde spreken was het altijd: “Kom even naar die pomp.” Dat ging altijd zo.

Rechter: Dat roept vragen op. Waarom?

Holleeder: Zo doen we dat altijd. Dat kan iets onbenulligs zijn. Zo spreek ik met iedereen af. Daar is niks geheimzinnigs aan. Als ik met Astrid afspreek, is het ook: “Loop even naar beneden.” Dan hoef ik de auto niet parkeren. Als ik met de scooter in de stad ben, rijd ik er gewoon naar toe. Met de auto ben je een half uur of drie kwartier bezig.

Rechter: Dan nog roept het vragen op: waarom?

Holleeder: Om alles. Om een videoband. Of om wat te vragen. Dat doe ik met alles.

Rechter: U heeft haar kort gesproken en ze heeft u meegenomen naar Amsterdam. Wat deed u met uw eigen auto?

Holleeder: Ik was met een vriendin, die is doorgereden, ik ben bij Sonja ingestapt.

Rechter: U heeft niet gezegd: “Het was hij of ik.” U bent naar Haico Endstra geweest, en naar Trix (zus van Haico) en naar IJmuiden. Wilde Haico de deur niet opendoen?

Holleeder: Ja, dat heeft hij later verklaard.

Rechter: Toen heeft u later een afspraak gemaakt.

Holleeder: Bij Jan Tabak in Bussum. Hij heeft gezegd: de familie stelt op prijs dat ze geen contact meer wilden. Ik heb gezegd: dat is goed.

Rechter: Waarom wilde u dat contact?

Holleeder: Of ik iets kon doen. Hij wist niks, ik ook niet, de familie wilde rust. Ze wilden met niemand contact.

Rechter: Wat wilde u van Haico?

Holleeder: Of hij iets wist, waarom het gebeurd was.

Rechter: Hoe vond u het dat ze geen contact meer wilden?

Holleeder: Vervelend. Maar dat vind ik een normale reactie, die mensen zijn over hun toeren. Als er iemand doodgeschoten is, heb je er recht op om met rust te worden gelaten. Dat iemand als Astrid op dezelfde dag geld gaat halen, dát snap ik niet.

Rechter: U heeft geprobeerd uit te zoeken wie er achter de moord zat, maar dat is niet gelukt. U zegt: “Als ik naast hem had gelopen, had ik ernaast gelegen.”

Holleeder: In verband met het geld. Het gaat altijd om geld met die moorden. Tenzij het passioneel is.

Rechter Wieland: We zetten er een punt achter, maandag gaan we verder.

 

Holleeder en De Allesweter

$
0
0

Panorama onthult dat Paja Mric De Allesweter is. De veelbesproken onbekende figuur die een belangrijke rol speelt in het proces tegen Willem Holleeder. Of Paja inderdaad de echte Allesweter is, zullen we waarschijnlijk nooit officieel weten omdat niemand die het echt weet er belang bij heeft het te vertellen. Dit is wat er tot nu toe in het proces tegen Holleeder over De Allesweter aan de orde gekomen is.

Optredende personen:

Rechters:  Frank Wieland, Benedicte Mildner en Margo Somsen

Officieren van justitie: Sabine Tammes en Lars Stempher

Advocaten: Sander Janssen en Robert Malewicz

(eerste dag, 5 maart)

Lars Stempher haalt de schriftelijke verklaring aan die Holleeder zelf heeft opgesteld en waar lange tijd een embargo op zat. Dat embargo is op 11 mei 2017 opgeheven. Vanaf die tijd heeft het Openbaar Ministerie gelegenheid gehad te toetsen wat Holleeder daarin naar voren brengt. Dat verhaal begint bij de Heinekenontvoering en hij bespreekt daarin ook de door hem en Cor van Hout en Grifhorst gedane investeringen, zijn contacten met De Allesweter en het gebrouilleerd raken met Cor vanHout.

Volgens zijn verklaring was Holleeder benaderd om langs te gaan bij een man, die vanwege zijn kennis over wat er speelde in de onderwereld De Allesweter werd genoemd. Die zou hem hebben verteld dat Sam Klepper en John Mieremet het op hem en Cor van Hout hadden voorzien. Hij had het advies gekregen niet samen met Cor in één auto te gaan zitten. Holleeder nam de waarschuwing serieus, Cor niet. Met als gevolg de eerste aanslag op Cor op 27 maart 1996 in de Deurloostraat, waar Sonja en zoon Richie bij waren. Daarna hadden Willem en Rob Grifhorst een boete van 1 miljoen gulden betaald. Tot woede van Cor.

In het verhoor van ’s middags gaat Holleeder daar uitvoerig op in. Pikant detail: volgens hem heeft Sandra den Hartog altijd geweten welke liquidaties Sam en John hebben gepleegd. Volgens Holleeder is door Sandra’s toedoen Erwin Tra geliquideerd: hij had Sandra beledigd op het Rembrandtplein, toen zij daar met vriendinnen aan het drinken was. Ze had bij Sam Klepper, haar partner, hierover geklaagd, wetend wat dit voor gevolg zou hebben. Ook De Allesweter wist hiervan.

Stempher: “Het zal u niet verbazen dat wij graag in gesprek gaan met De Allesweter.” Pogingen om bij Holleeder de naam te achterhalen leverden niets op. “Het OM zet dan ook vraagtekens bij – indien er al sprake zou zijn van een bestaand persoon – de rol en de aanwezige kennis van De Allesweter.” 

Rechter: U kende Sam en John van vroeger. De Allesweter vertelde hoe gewelddadig ze waren. Ze wilden u samen pakken, hij adviseerde u niet meer samen met Cor in één auto te gaan. Cor nam dit niet serieus, u wel.

Holleeder: Cor nam het wel serieus, maar hij was geen man van discipline. Toen dit speelde, vlak voor het gebeurde in de Deurloostraat, woonde Cor nog in Amstelveen, maar hij woonde natuurlijk wel al apart ergens. Maar hij kan het dan niet volhouden en dan gaat-ie er langs en dat gebeurt het. We wisten wat er stond te gebeuren.

Rechter: “We mochten het tegen niemand zeggen, maar de volgende dag werd ik er op de sportschool al op aangesproken. Het verhaal dat er wraak genomen zou worden.”

Holleeder: Ik had tegen Cor gezegd dat hij het tegen niemand mocht zeggen, maar de volgende dag op de sportschool zei Hennie Smit: “Geldt dat voor mij ook?” Ik zei: “Ik weet niet waar je ’t over hebt.” “Dat ze ons dood gaan schieten.” Toen hebben we wel ruzie gekregen.

Rechter: U had Sonja gewaarschuwd: niet in de auto met Cor, zeker  niet met kinderen.

Holleeder: Klopt

Rechter: Dan zegt u: “De Allesweter vroeg of ik weer langs wilde komen. Sam had besloten om Cor alleen te pakken. Toen ik het Cor vertelde geloofde hij het niet. Ik heb tegen Sonja gezegd: je moet nog meer opletten.” De Allesweter, die naam is al een paar keer gevallen.

Holleeder: Die naam is mij in Kolbak ook gevraagd, maar die man heeft me geholpen, die naam ga ik niet noemen, ik ga die man niet in problemen brengen.

Rechter: ’t Is een bijzondere figuur. Hij lijkt wel een soort priester, bij wie mensen hun verhaal doen. En als jij dan dit of dat doet, dan komt het wel goed.

Holleeder: U moet het zo zien dat als Cor niet eigenwijs was geweest, dan had er niks hoeven gebeuren in de Deurloostraat. Ik ben die man daar erkentelijk voor. Ik ga die man niet noemen. Het is géén priester.

Rechter: Het is iemand die van de hoed en de rand weet, een vertrouwensman, hij bemiddelt, geeft adviezen.  Er zijn wel wat namen gevallen. Er zijn verklaringen van getuigen, het is die of die. Mink Kok is genoemd.

Holleeder: Mink Kok is het niet.

Rechter: Na de aanslag in de Deurloostraat bezoekt u Cor in het ziekenhuis. Dan zegt hij: “Het is niet te geloven, Neus, toch die twee leipies.” U zegt: “Ik heb het huis niet aangewezen. Veel mensen wisten waar hij woonde. Eem goede vriend van Mieremet woonde achter Cor.” In de Kolbakzaak (de afpersing van Endstra, waar Holleeder voor is veroordeld) gaat het over het Wildschutgesprek (café Wildschut, in Amsterdam). Dat is de bemiddeling waar we het over hadden. U hield Klepper en Mieremet aan de zijkant. U hoorde van Endstra dat hij geld had aangenomen van hen.

Holleeder: U haalt alles door elkaar. Dat gesprek bij Wildschut had niks met geld van Endstra te maken. Ik wist van De Allesweter dat er betaald moest worden en ik heb om bemiddeling gevraagd van Mink om zeker te weten dat als ik dat miljoen zou hebben betaald, dat het dan ook over zou zijn. Dat Endstra geld aangepakt heeft van allerlei mensen is een ander verhaal.

Rechter: Die 1 miljoen: dat ging erover dat er een drugstransport was geript en als er 1 miljoen werd betaald was dat uit de wereld.

Holleeder: Er werd gezegd: of het wordt een bloedbad of er wordt een miljoen betaald. Gezien dat je had te maken met Klepper en Mieremet, was het echt een bloedbad geworden. Ik heb ervoor gekozen dat miljoen te betalen, voor Sonja, de kinderen, mijn familie en Robbie (Grifhorst). Daarnaast hadden we alle bezit op straat staan, voor mij was het simpel opgelost door het miljoen te betalen, het was mijn manier om het op te lossen.

Rechter: In 1997 hoorde u van Endstra dat hij geld had aangenomen van hen, ze hadden ook een bijnaam: Spic en Span. U zei: “Endstra vroeg mij als spreekbuis te fungeren, hij wilde liever niet met hen op kantoor worden gezien. Mink had me nog gewaarschuwd dat Endstra geen geld van hen moest aannemen. Ik heb Mink later opgezocht om te vertellen dat ik het niet had kunnen tegenhouden. Ik heb meerdere keren gezien dat Endstra geld aannam van Klepper en Mieremet.” U wilde geen criminele activiteiten meer. U sloot uw ogen daarvoor. U zegt: “Ik deed het niet om wit te wassen, maar om Wim te helpen. Ze hebben mij gebruikt als ingang tot Endstra. Zo was ik nuttig, dus veilig.”

Holleeder: Ja, zo is dat.

Rechter: U zegt: “Grifhorst kende Endstra. Toen we bezig waren met investeren, kwamen we bij Endstra. Dat is die acht miljoen zwart.” Zegt u dan. Dat geld was toch witgewassen?

Holleeder: Wij hebben ons geld afgegeven aan Grifhorst. Hij stond niet in Nederland ingeschreven. Voor hem was wit geld hetzelfde als zwart geld. Alle bedrijven stonden op zijn naam. Dat geld is contant gemaakt en contant verdeeld. Als we geen verdeling hadden gehad, was het wit gebleven, maar dan stond het op Robbie zijn naam.

Rechter: Over de boete van 1 miljoen na het drugstransport zegt u: “Ik wist dat het probleem met Sam en John moest worden opgelost.” U wilde eerst wachten wat Sam en John zouden zeggen. U bent met zijn allen naar Frankrijk gegaan. U zegt: “Ik wilde het zonder geweld doen. Al ons geld was in panden en  bedrijven gestoken, ik heb advies aan De Allesweter gevraagd. Thomas beheerde de Achterdam. Op advies van Cor ben ik ook met Stanley Hillis gaan praten. Thomas ging met mij mee, hij bleef tijdens het gesprek in de auto zitten. Hillis wilde niet met Sam en John praten omdat hij hen ook zat was. De Allesweter vertelde toen over de 1 miljoen voor Sam en John. Grifhorst wilde het met z’n drieën betalen. Grifhorst was ook bang dat er iets met de panden en bedrijven zou gebeuren.” Wat voor bedrijven?

Holleeder: De gokhallen, bijvoorbeeld. Ze konden de boel in de fik steken, of een wapen leegschieten, dan ga je ook dicht.

Rechter: Of een handgranaat.

Rechter: De Allesweter zou garant staan. Ook hier weer die onbekende machtige persoon. Mink Kok had ook een garantie gegeven. U zegt: “Rob betaalde tweederde, ook voor Cor, ik één derde. Dat had ik contant.” Waar kwam dat zo gauw vandaan?

Holleeder: Dat had ik gewoon liggen, we verdienden wel geld, natuurlijk.

Rechter: “Ik heb betaald om leven van Cor te redden en onze bezittingen veilig te stellen. Ik ben daarna met Thomas naar Cor in Frankrijk gegaan. Ik heb het aan Cor verteld, die was boos, hij wilde niet betalen.” U moest teruggaan en zeggen dat hij Sam en John met lood zou betalen. U zegt: “Ik heb wat bijbetaald, Rob en ik hebben het opgelost.”

Rechter: Waarom was het zo principieel voor Cor?

Holleeder: Dat was Cor, hè? ’t Is niet alleen principieel, het was  ook egoïstisch van Cor, er hadden ook anderen mee te maken die gevaar lopen. Er was echt geen keuze om het anders op te lossen. Je kunt wel in het buitenland gaan zitten, maar ik heb bewust direct betaald, ’t is maar geld, klaar is kees. Als hij niet had gezegd: “Ik heb niet betaald,” was er niks aan de hand geweest. Hij wil Don Vito zijn en is dat zelf gaan schreeuwen, ik heb het niet tegen hun gezegd.

Rechter: Wist u iets van die rippartij?

Holleeder: Nee, daar had ik geen zicht op.

Rechter: U heeft een miljoen neergelegd zonder te weten of ze enig verhaal hadden?

Holleeder: Cor zei: “Het is niet waar.” Dan nog was de keus: 1 miljoen betalen, of een bloedbad. Als mensen als Mieremet die dingen uitspreken, is er geen weg terug.

Rechter: U zegt: “Thomas en ik zijn direct weer weggegaan, Cor heeft overal rondverteld dat hij niet had meebetaald.”

Holleeder: Hij heeft het wel gezegd waar hij kwam, het kwam wel bij hun terecht.

Rechter: Grifhorst wilde met alles stoppen, hij was bang dat de problemen niet waren opgelost, daarom is in 1996 alles verdeeld.

Holleeder: Robbie zei: “Ik ben er echt klaar mee. Robbie heeft ook geen leuke tijd met Cor gehad. Cor heeft hem lopen treiteren: “Je hebt gestolen. Je hebt een boot gekocht.” Cor was een moeilijke man, voor Robbie was dit de druppel: nou stop ik ermee.

Rechter: U zegt: “De Allesweter zei dat het voor mijn veiligheid goed was als ik af en toe een kop koffie met Sam en John ging drinken. Aan de andere kant had Hillis juist gezegd geen afspraken met deze mannen te maken. Cor wilde geen contact. Hij wilde nog steeds met lood betalen. Ik ben af en toe met Sam en John gaan koffie drinken en een broodje eten.”

Donderdag 8 februari.

Rechter: Ik kom weer bij De Allesweter. Ik probeer het nog een keer.

Holleeder: Sorry, ik ben zoals ik ben, die man heeft mijn leven gered. Dat Cor is neergeschoten is omdat hij eigenwijs was en toch weer naar dat huis wou.

Rechter: Die Allesweter was iemand uit de onderwereld?

Holleeder: Ja.

Rechter: Was hij ook in de bovenwereld?

Holleeder: Nee.

Rechter: In welke onderwereld?

Holleeder: Dat weet ik niet, hij deed alles.

Rechter: Was het iemand waar tegenop gekeken werd?

Holleeder: Er zijn bepaalde mensen – dan kunnen we Hillis nemen, die is toch dood – die weten heel veel. Het was iemand in die context, die alles weet.

Rechter: Hillis was het niet.

Holleeder: Nee.

Rechter: Een van de mensen die voorbijkomt in al die zaken?

Holleeder: Dat ga ik niet zeggen, ik ga niks uitsluiten

Rechter: U heeft nog nooit gezegd wie het is?

Holleeder: Ik heb het nooit gezegd. Er zijn mensen die het weten, ik heb het nooit gezegd, ook niet tegen Sam en John.

Rechter: Bas van Hout weet het ook?

Holleeder: Ja.

Rechter: Is dat dezelfde Allesweter?

Holleeder: Ja.

Rechter: Bas van Hout weet het. Hij zegt: “Ik heb met De Allesweter gesproken, die heeft mij veel verteld over het milieu.” Hij heeft ook veel aan Bas van Hout verteld over u en uw positie. Hij zegt later: “Ik ben naar Holleeder gegaan en heb gevraagd of het klopt.”

Holleeder: Ja.

Rechter: Dus Bas van Hout gaat u vertellen: “Dit zegt De Allesweter.” Hoe weten wij nou dat wat u vertelt niet het verhaal van Bas van Hout is?

Holleeder: Om te beginnen: de term Allesweter komt bij Bas van Hout vandaan. Zo is het in het dossier terechtgekomen.

Rechter: U noemde die man niet zo.

Holleeder: Nee. Ik heb wel tegen Cor gezegd wie het was. Cor wist precies wie het was. Wij noemden hem geen Allesweter, wij noemden hem gewoon bij naam

Rechter: Hoe kan ik weten dat u niet vertelt wat Bas van Hout vertelt maar dat u dit zelf meegemaakt heeft?

Holleeder: Iedereen weet dat ik dat miljoen heb betaald. Heel veel mensen in de onderwereld weten dat er problemen waren, er zijn ook heel veel mensen die weten wie De Allesweter is.

Rechter: Wie wist dat dat miljoen is betaald?

Holleeder: Iedereen in Amsterdam wist dat.

Rechter: De Allesweter zei: “Er zijn problemen met Klepper en Mieremet, er is een schuld bij Cor. Het ging om een hasjtransport. Of ook harddrugs?”

Holleeder: Het ging om een drugstransport. Ik heb gewoon aangenomen wat ze gezegd hebben. Klepper en Mieremet waren op dat moment één van de gevaarlijkste mensen in Nederland.

Rechter: Dat wist u?

Holleeder: Dat heb ik gehoord van De Allesweter.

Rechter: Dat wist u daarvoor niet?

Holleeder: Nee.

Rechter: U zegt: “Ik wist het niet want ik had vastgezeten.”

Holleeder: Cor kreeg een waarschuwing van Klepper bij König (exclusieve herenmode)in de PC Hooftstraat. Daar was hij naar binnen gestormd, daar stond ik bij. Hij waarschuwde, hij liep weg, en hij zei: “Maar je bent er nog niet vanaf, jongen.” Daarna ben ik bij De Allesweter geweest en die heeft gezegd: je moet het oplossen.

Rechter: In de PC Hooft: wist u toen al over dat conflict met drugs?

Holleeder: Nee.

Rechter: Wist Cor het?

Rechter: U leefde in de onderwereld. U was sinds 1992 vrij. Wat had u dan in die vier jaar opgepikt over Klepper en Mieremet? Eigenlijk niet veel.

Holleeder: Pas toen de problemen begonnen, die waarschuwing in de PC Hooftstraat, toen is dat gaan spelen. Zonder De Allesweter had ik dat niet geweten.

Rechter: Heeft u zich ooit afgevraagd of het waar was, van die schuld?

Holleeder: Dat heb ik maandag al gezegd: ik ben rationeel. Heel simpel. Er is een probleem: of het wordt een bloedbad, of je betaalt. Cor zegt: “Het is niet zo.” Hun zeggen: “Het is wel zo.” Het maakt mij niet uit wat ze zeggen, ik wilde van het gezeur af.

Rechter: Hoe had u contact met De Allesweter?

Holleeder: Er was een jongen die naar me toe kwam.

Rechter: De Allesweter vertelde dat Klepper en Mieremet u en Cor samen wilden pakken. Het probleem was met Cor, maar als ze u zouden laten leven, zou u wraak nemen.

Holleeder: Daarom wilden ze ons samen in één auto.

Rechter: Het advies van De Allesweter was: niet meer samen in één auto. Cor nam dat niet serieus, u wel.

Holleeder: Cor deed laconiek, zoals Cor was: “Ach, die leipies.”

Rechter: U heeft Sonja gewaarschuwd dat ze niet met Cor in één auto moest gaan, zeker niet met de kinderen.” Wat deed ze daarmee?

Holleeder: Sonja was op de hoogte van wat er gebeurde, het was natuurlijk stom dat ze met Cor Ritchie is wezen halen bij school, maar ze zal er niet onderuit hebben gekund, Cor had Sonja onder de duim. Ze wist wel dat ze gevaar liep. Ik heb veel geweten, maar als ik die tapgesprekken lees weet ik nog geen tiende van wat er toen gaande was. Sonja had echt geen mogelijkheid om te doen wat ze wilde. Ze kon niet zeggen: Ik rij niet mee.” Hij zat al een tijd in Buitenveldert, toen is hij toch terug gegaan naar de Deurloostraat, toen hebben ze hem gepakt.

(Dit gaat over de eerste aanslag op Cor, in 1996, toen hij samen met Sonja en Richie naar de woning in de Deurloostraat reed en hij door een schutter onder vuur werd genomen. Dat deze aanslag grotendeels mislukte kwam mede doordat ze langer in de auto waren blijven zitten dan normaal, omdat er een liedje van Guus Meeuwis op de radio was en Richie dat nog graag even wilde horen. De schutter was daardoor vermoedelijk wat van zijn à propos)

Rechter: Dan moet u weer bij De Allesweter komen, die zegt: “Sam heeft besloten Cor alleen te pakken.” Het lukte niet met u samen. Toen u Cor dat vertelde, nam hij dat niet serieus.

Holleeder: Hij zei letterlijk: “Je moet Cor op vakantie sturen, hij moet een tijdje wegblijven ze gaan hem nou alleen pakken.” Dat heb ik tegen hem gezegd: “Je moet op vakantie.” Cor zei: “Slap gelul.”

Rechter: U zou toch niet meer samen met Cor in één auto zitten?

Holleeder: We moesten ergens naar toe, toen heb ik hem opgepikt. We zouden meteen de stad uitgaan, toen zei hij: “Ik heb nog een afspraak met Leen.” Ik heb achteraf van Sam gehoord dat Leen Bosnie toen de boel had gelokt. Het was vóór de tijd dat De Allesweter mij had verteld wat er aan de hand was, maar ze waren toen al met ons bezig. Sam Klepper vertelde later, toen Cor was neergeschoten, dat we geluk hadden gehad omdat we waren doorgereden.

(over de periode na de aanslag)

Holleeder: Cor wilde het eigenlijk anders oplossen.

Rechter: Hoe dan?

Holleeder: Hun neerschieten natuurlijk.

Rechter: In uw verklaring zegt u: Cor wilde het in het begin ook zonder geweld oplossen.

Holleeder: Ja, maar dat ging niet. Cor zei: “Los het op!” Toen heb ik betaald en zei Cor: “Rot maar op.”

Rechter: U zegt: “Ik ben vanuit Frankrijk naar Nederland gegaan om advies te vragen aan De Allesweter en op advies van Cor ben ik met Stanley Hillis gaan praten.

Holleeder: Cor had met Stanley in Scheveningen gezeten. Daarna was Stanley bij mij in Alkmaar gekomen. Toen we verlof hadden gingen we altijd bij Hillis in de Warmoesstraat een biertje drinken, hij had daar een paar cafés en coffeeshops. Hillis had een bepaalde positie in de onderwereld. Hij was een grote baas, hij was de enige waar Klepper en Mieremet ook bang voor waren. Cor zei: “Ga naar De Allesweter en ook naar Hillis.”

Holleeder: Hillis zei: “Ik ben ze ook zat, ik ben er klaar mee, ik heb geen trek dat ze hier weer voor de deur komen.” Toen ben ik weggegaan. Die deur was dicht. Toen ben ik alleen met De Allesweter verder gegaan

(het gaat verder over de betaling van 1 miljoen, De Allesweter stond garant)

Rechter: Hoe ver ging zijn macht?

Holleeder: Heel ver.

Rechter: Dus Klepper en Mieremet luisterden naar De Allesweter.

Holleeder: Ja.

Rechter: Hoe werkte dat dan?

Holleeder: Ik heb hem gevraagd: “Als ik dat miljoen betaal, sta jij garant?” Hij zei: “Ik sta garant, maar betrek Mink Kok er ook bij, dan heb je een dubbel slot op een slotje.”

Rechter: Klepper en Mieremet. U kreeg het advies van De Allesweter om af en toe een kop koffie met hun te drinken.

Holleeder: Ik het gewoon gedaan omdat ik dacht dat ik het moest doen. In het begin is het geen pretje geweest.

Rechter: Vertrouwden ze u?

Holleeder: In het begin niet. Ik moest voorin zitten, dan zaten zij achterin, gewapend, er was van beide kanten spanning. De eerste keer ga je ernaar toe, weet je niet waar je naar toe gaat, je weet niet hoe het afloopt. Het enige wat ik in mijn zak had was de toezegging van De Allesweter en van Mink dat het opgelost was, maar dat moet je eerst nog maar zien.

Rechter Somsen: De Allesweter had u verteld welke moorden Klepper en Mieremet hadden gepleegd. Wie waren die slachtoffers?

Holleeder: Michael Vanenburg, bijvoorbeeld en een zwager van hem, best wel veel. Sam heeft ook bepaalde liquidaties bekend aan John van den Heuvel.

Rechter: Welke zwager?

Holleeder: Die ging met de zuster van Ria Eelzak.

Vrijdag 9 februari

Rechter: Thomas ging weleens met u naar Frankrijk, en naar Hillis? U ging met Hillis om?

Holleeder: Nee. Cor zei tegen mij: ga bij De Allesweter langs en ga bij Hillis langs. Ik heb Thomas meegenomen naar Hillis omdat we ook wat moesten bespreken over de Achterdam, hij is een paar dagen met mij meegereden. Thomas is een hele lieve jongen, hij had alleen een giftige tong. Ik wist niet dat hij met Teeven sprak. Er is niks naar mij toe gekomen dat Thomas mij zou willen vermoorden. Dat slaat nergens op.

Het bericht over De Allesweter en de link naar Panorama staat hier

Astrid en de Hakkelaar

$
0
0

In het verhoor van Astrid Holleeder van vrijdag 23 maart kwam haar relatie met drugsbaron Johan Verhoek, alias De Hakkelaar, ter sprake. Geruchten over een meer dan zakelijke relatie tussen hen deden al jaren de ronde, maar tot nu toe had geen van beiden zich hierover ooit formeel uitgelaten. Dat Astrid zakelijke belangen van hem behartigde was bekend en ook dat hij een rol speelde in de Goudsnipzaak, het hete hangijzer rond de erfenis van Cor van Hout. Dat gaat over prostitutiepanden op de Achterdam in Alkmaar waarvan het vermoeden was dat deze waren aangekocht met losgeld van de Heinekenontvoering (1983).

De schim van De Hakkelaar dook op toen de gemeente Alkmaar in 2009 in het kader van de wet Bibob probeerde vergunningen in te trekken. De betreffende panden stonden op naam van ‘partners’. Onder wie Liz, de vrouw van Bertus Hassing, een bekend onroerend-goedhandelaar; Netty Grifhorst, de vrouw van Robbie Grifhorst, die een cruciale rol speelt in de afhandeling van het Heinekenlosgeld én: Marie-José van E.; haar advocaat beschuldigde de burgemeester Bruinooge van Alkmaar van tunnelvisie: “Het feit dat zij getrouwd is geweest met Johan ‘De Hakkelaar’ V. wil niet zeggen dat die daadwerkelijk de touwtjes in handen heeft. Maar waar rook is, is kennelijk vuur.”

De relatie van Astrid met Verhoek was een heikel punt, dat Holleeders advocaat Sander Janssen aansneed aan het slot van zijn verhoor van Astrid. Holleeder zelf liet zich nauwelijks horen: hij krijgt later – in mei – nog gelegenheid Astrid van repliek te dienen. Het gedeelte van het verhoor van Astrid over haar connectie met Verhoek zit ingeklemd tussen twee momenten waarop Holleeder zich even laat horen. Dat begint met een venijnige discussie met officier van justitie Lars Stempher.

Astrid had ‘broer Wim’ ervan beticht een officier van justitie naar zich toe te hebben laten komen, een officier met wie hij kennelijk een goede band had. Dat gaat over de bekende crimefighter Koos Plooij, die officier van justitie was in de zogenaamde Kolbakzaak, over het afpersen van rijke zakenmensen uit de vastgoedwereld. Holleeder was een van de verdachten.  In april 2010 bleek dat er sprake was van ernstige bedreiging aan het adres van Plooij. In de media werd al snel verband gelegd met de lopende strafzaak, maar even later werd duidelijk dat het uit een heel andere hoek kwam (van de zogenaamde tattoo-killers, een bende huurmoordenaars). 

Stempher: Hebt u collega Plooij laten komen?

Holleeder: Nee, hij heeft mij bij hem laten komen. Het was een verzoek van meneer Plooij. Toen in de media kwam dat ik achter de bedreiging op meneer Plooij zat, dat hoorde ik tijdens het transport, heb ik op de zitting meteen tegen meneer Plooij gezegd dat het absolute onzin was. Meneer Plooij heeft mij uit de cel laten ophalen, of ik bij Plooij kon komen. Stijn Franken (zijn vorige advocaat)  is daar bij geweest. Hij zei dat hij het op prijs stelde dat ik dat meteen zei.

Stempher: Dank u.

Rechter: U wilde dat niet horen, mevrouw? U doet de vingers in uw oren.

Astrid: Ik word helemaal kotsmisselijk van dat konkelen en al die shit, ik kan het niet aanhoren, ik vind het nog vreselijker dan overal waar ik over moet verklaren, hij blijft doorgaan, hij moet een keertje stoppen.

Rechter: Negeert u hem, kunnen we verder gaan?

Advocaat Sander Janssen: In de Goudsnipzaak gaat het over een Lexus die op naam stond van Roel Tangenberg (de boekhouder van de panden op de Achterdam). Die is na het overlijden van Cor verkocht.

Astrid: Die is door Roel verkocht, daarin heeft Johan Verhoek bemiddeld voor hem.

Janssen: Dit item heeft in de stukken op de usb-stick opvallend veel aandacht gekregen. Die vragen op de usb-stiuck, daarvan zegt u dat u die niet heeft opgeschreven. (In het onderzoek was een usb-stick in beslag genomen waarvan de gegevens waren gewist, maar die door de politie terug konden worden gehaald)

Astrid: Nee.

Janssen: Roel verklaart dat die auto verkocht is via Johan Verhoek, niet aan Johan Verhoek. Hij zegt: “Die heeft de factuur gemaakt.” Wat opvallend is: aan Roel Tangenberg wordt gevraagd bij de politie of hij die usb-stick met vragen en allerlei bestanden, die bij de belastingdienst is terechtgekomen, of hij die van Johan Verhoek heeft gekregen. Waarom wordt dat aan hem gevraagd?

Astrid: Geen idee

Janssen: Ik heb het aan hem gevraagd. Hij zegt: “Het was gewist. Een speciale dienst heeft het teruggehaald. Ik weet zeker dat Johan Verhoek dingen heeft gedaan naar de advocaten toe, hij heeft weleens papieren en sticks gehaald en gebracht.” In dit verband noemt hij Johan Verhoek daar nadrukkelijk bij.

Astrid: Die is er ook bij aanwezig geweest, dat zie je in alle correspondentie. Er zijn besprekingen geweest met José (de partner van Verhoek, die een deel van de Achterdam op haar naam kreeg) en Liz (de partner van Bertus Hassing, idem) en iedereen. Ze hebben allemaal in de spreekruimte van het kantoor van de advocaat (Stijn Franken) gezeten. Iedereen kon zijn eigen aandeel weerspreken. Ik heb aantekeningen van Roel meegenomen. U confronteerde mij met een bandje. Roel Tangenberg was erbij en heeft aantekeningen gemaakt. Ik was er niet bij.

Janssen: Toen ze bij Sonja zaten om te praten over de erfenis?

Astrid: Iedereen maakt aantekeningen.

Janssen: Het gaat over het telefoongesprek waarin Ariën Kaale zegt: “We zitten de erfenis te bespreken” en dat Tangenberg daar zit met Ed Sweering.

(Ariën Kaale was een vriend van Cor van Hout. Hij was erbij toen Cor op 24 januari 2003 in Amstelveen werd geliquideerd. Kort daarna waren er allerlei besprekingen over de erfenis. Ed Sweering was ook een goede vriend van Cor en had een administratiekantoor) 

Janssen: Daar heeft u aantekeningen van van Roel Tangenberg?

Astrid: Ja, maar dat is zoveel, dat ga ik niet eens voorlezen.

Janssen: Gaat u die aantekeningen aan het Openbaar Ministerie geven? Die zitten toch niet in Goudsnip?

Astrid: Dat weet ik niet.

Janssen: In de verklaringen van Tangenberg staat dat hij er alle weekenden mee bezig is geweest. Ik dacht dat hij bedoelde: samen met de verdachten.

Astrid: Ik heb alle aktes opgevraagd van de Peperstraat. Robbie Grifhorst heeft het nagekeken met Roel Tangenberg,

(Grifhorst werd ervan verdacht samen met Cor van Hout Heinekenlosgeld te hebben geïnvesteerd in winkelpanden in de Peperstraat in Zaandam) 

Janssen: Er was ook een bijeenkomst met Sonja, Robbie en u en Johan Verhoek.

Astrid: En José.

Janssen: Het is een precair onderwerp: u weet dat er berichtgeving rondgaat over die meneer Johan Verhoek

Astrid: Dat is voor mij geen precair onderwerp. Je kan erover vragen wat je wil.

Janssen: En over de relatie die u met hem zou hebben gehad.

Astrid: Ja. Nou, ik zou het heel graag willen, maar ik ben niet zijn type. Wat bedoel je met een relatie? Zoals jij met een van je collega’s?

Janssen: Nee, dat bedoel ik niet.

Astrid: Wat voor relatie heb jij met je collega’s?

Janssen: Geen seksuele.

Astrid: Oooo! Het gaat om seks! Seks heb ik met verschillende mensen, waar ik zin in heb. Je gaat niet vragen naar mijn seksleven, kom op zeg.

Janssen: Het gaat niet om de seks. Een man-vrouw relatie?

Astrid: Nee, die heb ik niet met hem.

Janssen: Zijn dochter heeft daarover verteld.

Astrid: Ik zie natuurlijk wel hoe dat gaat op internet, dat laat ik maar, een stalker moet je geen aanknopingspunten geven. Ik heb het meisje op verzoek van haar ouders geprobeerd uit haar verslaving te halen door haar te laten chaufferen. Zij heeft mij naar Rotterdam gebracht, daar heb ik bewijs van, ik heb toen met meneer Teurlings (vermoedelijk advocaat Mark Teurlings, die ze regelmatig sprak, maar die kan zich geen afspraak in Rotterdam herinneren) zitten praten. Zij kwam me ophalen met de auto van haar oom. Toen ik terugliep naar de auto zat ze op het dashboard te snuiven. Mijn dochter stond op het punt te bevallen, toen heb ik het stuur overgenomen. Ze heeft de hele weg zitten krijsen dat ze nog naar de dealer moest. Ik zou haar nog betalen, ze moest geld hebben. Ik heb haar afgezet bij haar vader, die heeft mij teruggebracht. Ik heb gezegd: “Sorry, dit ga ik niet meer doen.” Ik heb wat stukjes (de dochter heeft een website) bij me hoe zij Rutte afbeeldt met een touw om zijn nek, Pechtold als Hitler, dat ik in een zeecontainer en een kofferbak moet. Ik heb voor u een map waarin haar moeder vertelt hoe het meisje zich heeft ontwikkeld. De bedreigingen naar haar moeder hebben tot een strafzaak geleid. Als je dat leest, rijzen de haren je te berge. Ik word nu al jaren gestalkt door dat kind, mijn dochter wordt door haar gestalkt, iedereen, en je kan er niks tegen doen, alles wat je zegt maakt het erger. Als we het hebben over betrouwbaarheid: ik kan er niks aan doen dat dat meisje ziek is. Het is te triest voor woorden.

Janssen: Het gaat mij erom dat ze dingen vertelt over die relatie en wat zij daarvan gezien heeft.

Astrid: Dat ik met mijn voeten op het dashboard zit in een kort rokje? Meneer, heeft u mijn benen gezien? Ik loop niet in een kort rokje. Dat wil ik niemand aandoen. Ik zie er niet uit als een vrouw, ik zie eruit als een…

Rechter: Advocaat!

Astrid: halve man.

Janssen: Met wie u een relatie heeft kan mij normaal gesproken niets schelen, maar in dit geval speelt meneer Verhoek een rol in het Goudsnip-verhaal.

Astrid: Bertus Hassing ook. Lig ik dan ook in bed met Bertus Hassing?

Janssen: Als u een relatie heeft met de op één na beroemdste crimineel van Nederland kan dat van belang zijn.

Astrid: De één na beroemdste crimineel? De man is veroordeeld voor feiten die in 1989 en 1991 zijn gepleegd. Hij is vanaf dat moment alleen over die feiten lastig gevallen. Hij is een vriend van mij, ik heb het recht hem te verdedigen. De reden waarom hij bij mij boven een verdieping huurde, was omdat hij zijn dochter elke dag ging verzorgen. Elke dag medicijnen ging brengen. Ik ken niet die crimineel, ik ken de mens. U hebt zelf bij Zomergasten lopen verkondigen dat u de mens achter de crimineel ziet.

Janssen: Zomergasten? Dat zal niet, u bedoelt dat radioprogramma. Dan bent u na mijn moeder en meneer Stempher de derde die daarnaar geluisterd heeft.

Astrid: Ik heb het uitgewerkt, ik weet precies wat u daarover zegt. Als mijn broer na 1989 niks meer had gedaan, was het ook prima geweest. Als Johan Verhoek morgen een moord pleegt, wil ik niet meer met hem omgaan.

Janssen: U zegt: “Ik heb met die man geen relatie gehad.” Ik zeg dat de Fiod (de belastingdienst, die onderzoek deed in de Goudsnipzaak) en de politie denken dat dat wel zo is. Weet u dat?

Astrid: Nee.

Janssen: In oktober 2012 is hij met een arrestatieteam om zes uur ’s morgens uit uw woning gehaald. (Astrid woonde toen in de Scheldestraat in Amsterdam)

Astrid: Dat klopt.

Janssen: Omdat ze weten dat hij daar is. In een proces-verbaal staat dat ze hem al langere tijd hebben geobserveerd, en op grond van de tijdstippen dat hij uw woning binnengaat en eruitkomt, zijn auto parkeert en wat u samen met hem doet aannemen dat u al langere tijd een relatie heeft met elkaar.

Astrid: Dus zij hebben mij zien neuken met hem?

Janssen: Dat hebben ze niet opgeschreven.

Astrid: Verhoek huurde bij mij een bovenverdieping. Dat is een aparte opgang, daar zijn ze ook naar binnen gevallen. Op dat moment zat hij bij mij aan de koffie.

Janssen: Om zes uur ’s morgens.

Astrid: Ja. Ik ga om half zeven de deur uit. Dan hoef ik mijn broer niet te zien. Om zes uur hoor ik allerlei gedoe, ik ben met mijn armen in de lucht gaan staan, als ik dat niet doe schieten ze mij misschien neer. Die arrestatie was voor witwassen, een vervolg op Goudsnip, over geld van 1989/91, toen dacht ik: “Da’s bijzonder.” Laat dat nou net die officier van justitie zijn waar ik sinds 2011 mee in gesprek was.

Janssen: Dat hij bij u was had te maken met de verdieping die hij huurde.

Astrid: Ook omdat we samen strafzaken deden en we waren een andere business aan het opzetten. We maken samen muziek. Ik kan heel goed zingen, hij kan goed gitaarspelen. Dat vinden wij van elkaar. (Johan Verhoek maakte ooit samen enkele platen, als het duo Johan en Ans, met als bekendste single ‘Alles in het leven duurt maar even’) 

Janssen: Het gaat niet alleen over de Scheldestraat, er staat ook dat verdachte Johan en Astrid Holleeder een aantal malen gezamenlijk de nachtelijke uren op camping De Zonnehoek in Hilversum als op camping Het Monnikenbos in Soest en op de Scheldstraat hebben doorgebracht.

Astrid: Dat kan.

Janssen: Dat heeft toch niet te maken met het huren van een ruimte?

Astrid: We maken samen muziek, we doen de strafzaken samen, van alles en de schoonheid van de natuur heb ik ook dankzij meneer Verhoek leren kennen.

Janssen: Het maakt mij niet uit dat u een relatie met hem hebt, ik wil graag dat u daar eerlijk over bent.

Astrid: Ik slaap ook met collega Menno van Gaalen op één kamer, dan denken ze ook dat wij getrouwd zijn. Mij doet het niks, maar dat komt misschien omdat ik meer van vrouwen houd dan van mannen.

Janssen: Met een kantoorgenoot is toch wel iets anders.

Astrid: Hoezo dat?

Janssen: Met een kantoorgenoot heb je een zakelijke relatie, dan kan het zijn dat je samen een kamer deelt.

Astrid: Als ik met jou morgen naar de camping wil en er is maar één slaapkamer, dan slapen we ook in één ruimte en dan ga ik je echt niet verkrachten, daar hoef je niet bang voor te zijn.

Janssen: Daar ben ik helemaal niet bang voor.

Rechter: Meneer Janssen:, hoe lang blijft u nog…

Astrid: U kan mijn relatie met meneer Verhoek niet besmeuren, u moet mensen niet vals gaan beschuldigen.

Janssen: Ik houd u voor wat er in een proces-verbaal staat.

Astrid: Die relatie is niet zoals jij hem wil zien. En mijn broer. Sonja neukt ook met Peter de Vries. Als Sonja Peter de Vries één keer heeft gezien zonder dat er iemand bij was, is het veel, hoe die met elkaar hebben lopen neuken, ik weet het niet, maar hij moet zich wel gaan verdedigen in RTL Boulevard. Kijk uit met je fratsen. Dicht mensen geen rol toe die er niet is.

Janssen: Ik lees voor wat de politie vermoedt.

Astrid: Dat is diezelfde club waarmee ik zit te praten over hém, ik word er een beetje iebelig van.

Janssen: Dit is de Fiod in Utrecht.

Astrid: Weet u wie dit onderzoek geleid heeft?

Janssen: Nee, zegt u het maar.

Astrid: Dat weten ze zelf wel. Ik zit met de CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid)  te praten, vanaf 2011. Over hem. Die ik alles doorgeef wat hij doet. In 2011 praat ik met hem over die Dino Soerel-kwestie en dan ga ik met de CIE-officier praten.

Janssen: Heet-ie Hennie?

Astrid: Volgens mij heet hij Ligie van zijn voornaam.

Janssen: U wilt de naam niet noemen. U suggereert van alles over de rol van een officier van justitie die niet fris zou zijn.

Astrid: Toen Wim werd vrijgelaten is aan Betty Wind (officier van justitie) gevraagd waarom hij niet werd vervolgd. Hij was een zielige zwakke man.

Janssen: U wil die naam niet noemen.

Astrid: Dat moet Wim maar doen.

Janssen: U zegt: “De officier die bij de inval was en bij andere zaken.” U heeft toch een idee wie het is? Wilt u niet zeggen wie het is? Weet u wie het is?

Astrid: Ik heb wel een idee.

Janssen: U wil het niet zeggen?

Astrid: Nee. Dat is veiligheid.,

Janssen: Ik vind dat u dat moet zeggen. Denkt u dat die officier u iets wil aandoen?

Astrid: U ziet hoe we beloond worden. (Astrid beklaagt zich vaak over de manier waarop ze worden beveiligd, terwijl ze volgens haar voortdurend bedreigd wordt door broer Wim die vanuit de EBI in Vught moordenaars op haar af probeert te sturen) 

Holleeder: Krijgen we dat verhaal weer!

 

 

Komt Maartjes moordenaar nu vrij?

$
0
0

Wordt de tbs van de moordenaar van Maartje Pieck (15) uit Kampen met een jaar verlengd of komt hij op vrije voeten? Vanmiddag 2018 buigen de rechters in Zwolle zich over deze vraag. In De Stentor vertellen haar ouders en zus wat dit met hen doet. “De dag dat hij vrijkomt, voelt voor ons als de dood.” Maartje werd op 11 juli 2000 vermoord toen ze in Kampen folders rondbracht door de nu 55-jarige Jan H.

Moeder Mieke Pieck (61): “Het wordt een moeilijke dag. Opnieuw. Je bent nooit klaar voor de dag dat de moordenaar van je kind vrijkomt.” Ze gaat niet naar de zitting. “Als ik eenmaal weet hoe hij er uitziet, vrees ik dat ik hem straks overal denk te zien lopen.”

Dochter Lotte (32) ook niet, alleen vader Erik. Hij is er alleen op de eerste zitting niet bij geweest. Jan H. is al geruime tijd op onbegeleid verlof en heeft een baan buiten de kliniek. De kans is groot dat hij de kliniek mag verlaten en is hij vrij om te gaan en staan waar hij wil. Ook in Kampen.

In het boek Moordenaars in Nederland staat een reconstructie van deze moord. Over de blunders van de politie, de buurman die Jan H. een alibi geeft en hoe hij tegen de lamp loopt door een botsing met een ree. En het verschil met andere ‘lustmoorden’ (Marianne Vaatstra, Andrea Luten)

Het hoofdstuk over Maartje Pieck staat hier

 


Holleederproces: dag 4

$
0
0

Verslag van het verhoor van Willem Holleeder, in de Bunker in Osdorp, van dinsdag 13 februari. Dit is de vierde dag. Het begon maandag 5 februari;  donderdag 8 was de tweede zitting, vrijdag 9 februari was de derde, dinsdag 13 februari de vierde.

Voorzitter van de rechtbank is Frank Wieland, de officieren van justitie zijn Lars Stempher en Sabine Tammes. Er zijn twee andere rechters: Benedicte Mildner en Margo Somsen. De advocaten zijn Sander Janssen en Robert Malewicz.

De ondervraging is aan de hand van de verklaring die Holleeder op advies van een rechter tijdens een vorig proces heeft opgeschreven: zijn verhaal. Een handgeschreven verklaring van 127 A4’tjes. Daar heeft een hele tijd een embargo op gezeten. Toen dat eraf was, heeft de recherche een verificatieonderzoek gedaan, om na te gaan of bepaalde beweringen die Holleeder hier doet, kunnen kloppen. 

De ondervraging wordt gedaan door Benedicte Mildner.

Rechter: Op dinsdag 26 februari 2002 is de eerste poging tot liquidatie van John Mieremet, bij het kantoor van advocaat Hingst. U zegt: “Na het interview in De Telegraaf had ik geen contact meer met Mieremet.” Daarvoor zag u hem al minder omdat hij was ondergedoken in Duitsland. U sprak weleens met hem af in Keulen. Hij was ook veel in België?

Holleeder: Vóór de poging was hij vaak in Duitsland, hij was steeds mobiel, na de moord op Klepper (oktober 2000). Hij was op de vlucht.

Rechter: Die ochtend kwam hij uit België.

Holleeder: Zou best kunnen.

Rechter: U had hem nog gesproken.

Holleeder: Hij belde. Hij vroeg wat ik ging doen. Ik zei: niks. Hij zei dat hij niet kwam.

Rechter: Had u nou een telefoon of niet?

Holleeder: Ik had meerdere telefoons. Ik maakte met bepaalde mensen vaste afspraken, daar hoorde hij niet bij. Hij kon mij gewoon bellen.

Rechter: In Kolbak zegt u: ik had geen telefoon.

Holleeder: Hij kan me toch niet bellen als ik geen telefoon heb?

Rechter: Hij zou niet naar Amsterdam komen. Ria belde.

Holleeder: Ik weet niet precies wie me belde, ik heb contact gehad met Ria.

Rechter: Zij belde u?

Holleeder: Ik heb gewoon normaal contact gehad met Ria en hem via Ria nog aan lijn gehad toen hij in PEN-ziekenhuis (penitentiair ziekenhuis in Scheveningen) lag. Tot aan dat moment in De Lucht, de brief met Sandra, waarin stond wat zij nog tegoed had. Maar er waren nog andere verhalen. Ook dat Magdi Barsoum erachter zat. Daarna heb ik een afspraak gemaakt met Johnny. Hij bleef in de auto zitten en zwaaide met die brief van Jan Guyt (Jan Guyt was de boekhouder van Sam Klepper). Hij zei: “Zit jij er soms achter?” Vanaf dat moment heb ik hem niet meer gezien. Ik heb Ria nog wel een keer gezien, voor de rest heb ik geen contact meer gehad.

Rechter: Op de dag van de aanslag bent u met Ria naar het ziekenhuis gegaan. U had contact met Ria over dat Mieremet naar het PEN-ziekenhuis ging.

Holleeder: Dat heeft Bram Moszkowicz geregeld.

Rechter: Vond u dat vervelend?

Holleeder: Nee, dat was goed voor zijn veiligheid. Prima. Ik heb met Bram geregeld dat Ria op bezoek kon komen. Ik zeg nog tegen Ria: dat moet hij zeker doen, voor zijn veiligheid.

Rechter: Sandra zegt dat zij bij u komt in Amstelveen en dat u “boos en dronken” bent. U zegt: “Onzin, ik ben niet gaan drinken, ik moest super-alert zijn in verband met investeringen.”

Holleeder: Bij een aanslag wordt iemand die slachtoffer is ook onder de loupe genomen.

Rechter: Ria zat toch gewoon in een bedrijf?

Holleeder: Als ze er echt op gaan zitten, wordt het toch een ander verhaal. Je weet ook niet wat Mieremet opgeschreven heeft. Hij schreef altijd alles op.

Rechter: Waarvoor was dat dan slecht?

Holleeder: Dat er een probleem zou komen met Endstra. Mijn geld zat ook bij Endstra en ik zorgde voor Endstra.

Rechter: U had niet gedronken, u zegt: “Ik drink alleen als ik ga stappen en Sandra hoefde mij geen eten brengen.” Gebeurde dat vaker?

Holleeder: Ik eet eigenlijk altijd buiten de deur. Dat eten brengen is onzin. Ook dat ze eten moest brengen toen Cor was doodgeschoten, om vijf of zes uur. Dat slaat helemaal nergens op. Ik eet altijd buiten de deur. Ik eet bijna nooit thuis. Stukkie kaas uit de ijskast.

Rechter: Misschien dat u deze dag dacht: laat ik even niet in een restaurant gaan zitten?

Holleeder: Nee.

Rechter: Waarom niet?

Holleeder: Ik ben gewoon in de weer geweest met Ria. Het is onzin. Ik begrijp het wel: dat moet ze zeggen van Astrid.

Rechter: U dacht niet: deze dag blijf ik binnen, er komt misschien iets dat op mij gericht is.

Holleeder: Nee, ik ren er nooit voor weg.

Rechter: Met Sam Klepper wel.

Holleeder: Nee, Mieremet is binnen gebleven. Ik ben gewoon op straat gebleven. Na de eerste aanslag op Cor in de Deurloostraat bleef ik ook op straat, ik doe gewoon wat ik wil. U ziet toch dat ik contact heb gehad met Ria?

Rechter: U heeft niet zoiets gezegd als: “Ik snap het niet, het was zo goed gepland.” Wat Sandra zegt.

Holleeder: Echt onzin. Ik wist ook niet dat hij naar Amsterdam kwam. Dat is weer zo’n leugen, dat is absoluut niet waar.

Rechter: Wat deed hij bij Hingst?
Holleeder: Die was van iedereen advocaat. Barsoum, Hillis, Mink. Niet van mij.

Rechter: Waarom was hij aantrekkelijk als advocaat?

Holleeder: Weet ik niet. Daar kun je van alles bij bedenken. Er zijn wel meer advocaten als Hingst.

Rechter: Ik mag hopen van niet.

Holleeder: Jan Femer kwam er ook; Jocic ook. Ik had mijn eigen advocaat: Bram Moszkowicz

Rechter: De ontmoeting in De Lucht. Was Sjors Kool (neef van Sam Klepper) daar ook met Ria?

Holleeder: Volgens mij was Ria alleen. Zij kwam altijd alleen. Het is misschien een beetje onhandig en stom geweest met die brief, ik heb daar geen kwaad in gezien, die opstelling lag al klaar.

Rechter: Mieremet lag in het ziekenhuis

Holleeder: De timing was misschien achteraf verkeerd, op dat moment heb ik daar niet aan gedacht, Jan Guyt was gewoon hun fiscalist.

Rechter: U heeft voor Sandra die afspraak gemaakt en niet gedacht: misschien staat zijn hoofd wel ergens anders naar.

Holleeder: Jan Guyt zei: Johnny ligt ook zijn bed te rekenen.

Rechter: Had u Mieremet nog gebeld?

Holleeder: Ik heb gewoon Ria gebeld, zoals ik wel vaker deed.

Rechter: Je had ook even kunnen wachten.

Holleeder: Achteraf is dat zo. Ik heb er niet bij stilgestaan dat het zo’n impact zou hebben.

Rechter: Heeft u het hier nog met Sandra over gehad?

Holleeder: Sandra wilde het wel, die wilde haar geld hebben, er was al spanning tussen Sandra en Mieremet. Jan Guyt is fiscalist, hij zei: “Hij moet het toch wel weten. Als Johnny doodziek is, zit hij nog te rekenen.” Hij heeft mij later met die brief geconfronteerd: wat is dat?

Officier van justitie Tammes: U zegt: “Sandra wilde het ook.” Heeft u het met haar besproken?

Holleeder: Wat?

Tammes: Of u haar die brief zou geven.

Holleeder: Sandra is erbij geweest bij Guyt. Die weet er alles van.

Tammes: Wat heeft Sandra daarover gezegd?

Holleeder: Niks over de timing.

Tammes: Dat vond Sandra ook.

Holleeder: Ze heeft niet gezegd dat ik het niet moest doen. Het is niet mijn geld.

Tammes: Dat verbaast mij.

Holleeder: Waarom?

Tammes: Dat u er zo achteraan zit.

Holleeder: Ik probeer altijd iedereen te helpen.

Tammes: Met geld in ieder geval.

Holleeder: Hoe bedoelt u?

Tammes: Dat u probeert dat geld te krijgen.

Holleeder: Ik? Waar haalt u dat vandaan?

Tammes: Ik zei dat ik verder geen vragen had.

Holleeder: Ik had een vraag aan u.

Tammes: Ik hoef hier niet de vragen te beantwoorden.

Rechter: Had het niet even kunnen wachten?

Holleeder: Achteraf wel. Of dan had ik naar het ziekenhuis moeten gaan, maar Ria was degene die de zaken deed, Ria had alles op haar naam. Voor hetzelfde geld was het geen verkeerde timing geweest. Ik ben niet voor mijn eigen geld gegaan. Het was het geld van Sandra.

Rechter: In Kolbak komt het ook aan de orde. Over het verhaal met Mieremet en dat Sandra bij Ria op bezoek is geweest, over 90 miljoen. U zegt dan: daar weet ik niks van.

Holleeder: 90 miljoen, daar weet ik niks van. Ik heb inderdaad gezegd dat ik met Goudsnip en Hillis rekening heb gehouden. Als ik het zou zeggen van die 90 miljoen, had ze daar ook nog een aanslag op gekregen.

Rechter: U zegt: “Ik wilde het geld van Sandra beschermen.”

Holleeder: Niet beschermen, want ze heeft het niet gehad, ik heb er rekening mee gehouden dat ze niet achteraf een aanslag zou krijgen. Wat voor Sonja gold in Goudsnip, geldt voor haar in de Fiod-zaak.

Officier van justitie Stempher: U zegt: de verklaring van Sandra over hoe u was kort na de mislukte poging op Mieremet, klopt niet, ik moest super-alert zijn. Waaruit bestond dat?

Holleeder: Dat ik niet dronken ben.

Stempher: Waaruit bleek dat u super-alert was? Alert op wat?

Holleeder: Alert op wat er gaat gebeuren. Ik sprak met Ria af.

Stempher: Er kon van alles gaan spelen. Wat dan?

Holleeder: Op het feit dat als er wat gaat gebeuren, dat Endstra niet geraakt zou worden. Ik zal een voorbeeld geven. Toen Mieremet een keer was aangehouden ben ik bij Ria geweest en hebben we samen het kantoor van Mieremet uitgespit en alle stukken die betrekking hadden op Endstra verbrand in de bak van de manege. Ik kan me niet precies alles herinneren. Ik weet wel dat ik niet thuis ben geweest met Sandra om te eten, ik eet altijd buiten de deur. Ik ga ook zelf alleen bij Dynasty zitten of bij Le Garage en ik zit niet achter de poging op Mieremet.

Lars: U weet niet hoe die avond is gelopen. U vult in: ik ging eigenlijk nooit thuis eten.

Holleeder: Ik zit niet achter de poging op Mieremet, dat is alleen al genoeg. Ik heb het niet met Sandra besproken.

Stempher: U weet niet hoe het die avond gegaan is, wel dat het niet zo is. U bent vrij stellig.

Holleeder: Ik kan stellig zijn omdat ik niet achter die poging zit. Ik ga helemaal niet thuis eten. Een stukkie kaas als ik heel laat thuis ben.

Stempher: U gaf net aan dat u bij De Lucht de brief van Jan Guyt aan Ria heeft gegeven. U zegt: “Ria had de zaken op haar naam staan.” Het was toch Johnny die erover besliste, het waren toch Johnny zijn centen en zaken?

Holleeder: Toen Johnny vastzat op verdenking van het schieten op Cor, toen heb ik de zaken van Endstra ook met Ria geregeld, niet met Johnny. Daar maakt hij met Endstra ruzie over, dat gaat over één aandeel. Toen Johnny vastzat wilde Endstra een andere structuur maken in de BV’s. Hij had één aandeel extra nodig van Ria. Dat zag Johnny ook als dat er geld afgepakt zou worden. Als Johnny er niet is of in het ziekenhuis ligt of vastzit, dan regel ik het.

Stempher: Dat eerste voorbeeld: dat Johnny daar niet blij mee was…

Holleeder: Dat is achteraf. Dit was een voorbeeld. En met die brief was hij ook niet blij. Het zijn zaken die ze zelf moeten regelen. Het was Sandra’s geld, ik heb Sandra geprobeerd te helpen. Ik heb niet Johnny bewust erbuiten gehouden. Dat was met dat aandeel ook zo. Dat hij het niet begrijpt, is omdat hij zelf wel zo denkt.

Rechter: De moord op Cees Houtman op 2 november 2005. U zegt: Ik heb Cees Houtman niet afgeperst en anderen niet gevraagd hem te bedreigen.

Holleeder: Klopt.

Rechter: U bent wel onherroepelijk veroordeeld hiervoor. Bent u er zich van bewust dat wij vooralsnog niet anders kunnen dan ervan uitgaan dat het wel gebeurd is?

Holleeder: Dat zal ik even uitleggen. De rechtbank in Kolbak gaat net zoals u uit van stukken die u voorkrijgt. Dat wil niet zeggen dat die beslissing anders had kunnen zijn geweest als er andere stukken waren geweest. Cees Houtman heeft mij gevraagd: ik moet George van Kleef betalen, vraag jij dan als ik betaald heb dat het dan over is.

Rechter: Wat over is?

Holleeder: Dat hij niet nog een keer moet betalen.

Rechter: Denkt u dan dat Van Kleef erachter zou kunnen zitten?

Holleeder: Nee, het was bekend dat Cees Houtman ruzie had met Van Kleef. Dat ging over een paar transporten, waarvan Cees zei dat het gepakt was, terwijl hij het zelf in zijn zak had gestoken. Dat is hun verhaal.

Rechter: U zegt: bepaalde stukken, en dat die niet compleet zijn. Als de rechtbank en het Hof en de Hoge Raad andere stukken hadden gehad, was de uitkomst anders geweest.

Holleeder: Mogelijk. Neem de twee processen-verbaal met verklaringen van Thomas van der Bijl en Peter Petersen. Bij Petersen heeft Teeven het stuk eraf geknipt waar Petersen uitlegt dat het helemaal niet zo is dat er panden gekocht zouden worden in de Scheldestraat.

(Peter Petersen (45) is op 3 maart 2009 voor hotel Jan Tabak in Bussum in zijn auto doodgeschoten. Hij had zaken gedaan met Endstra en was vriend en zakenpartner van Cees Houtman. Justitie probeert hem te linken aan de afpersing door Holleeder, Petersen zelf ontkende dat en zei dat het ging om ‘een oud bonnetje’. In het milieu gaat rond dat de moord op Petersen achteraf ‘totaal onnodig’ is geweest en dat er wat misverstanden waren geweest)

Hetzelfde geldt voor Thomas van der Bijl, die beweert dat ik achter de moord op Cor zit, “dat denk ik omdat hij de Achterdam heeft.” Dat is eraf geknipt. Ik heb het over Teeven, niet over dit OM, deze officieren geven alle stukken die gevraagd worden, dat is voor mij nieuw, ik ben gewend met Teeven te moeten werken. Teeven heeft een verklaring tegen mij gekocht in Duitsland, van de broers Van Lent. Die hadden negen jaar gekregen in Duitsland voor drugstransport. Ze hadden een lijst opgeteld waar ze over konden verklaren. Dat wisten ze van Mieremet, ze woonden bij Mieremet in Neerpelt. Teeven heeft die jongens naar Nederland gehaald. Ze hadden twee jaar gezeten, toen zijn ze vrijgelaten. Verklaringen van de Van Lents zijn..

Rechter: U wil zeggen: Teeven deed dingen.

Holleeder: De verklaringen van de Van Lents maken duidelijk hoe het gegaan is met Houtman en Endstra.

Rechter: U zegt: er zijn nieuwe stukken. Daar moeten wij naar kijken.

Holleeder: Ik wil daar graag een toelichting op geven.

Rechter: Liever later.

Holleeder: Dit OM heeft stukken boven water gehaald. Al die punten: dat komt allemaal bij Mieremet vandaan, dan wordt ineens alles duidelijk.

Advocaat Sander Janssen: Er is nader onderzoek geweest in de zaak Houtman. Er zijn nadere stukken over het pandje in De Scheldestraat, de betrokken makelaars zijn gehoord: Terborg en Van Eijsden.

Rechter: Terborg legt kraakhelder uit hoe het gegaan is, maar in Kolbak zei de officier: ging het er niet meer om hoe u dácht dat het zat dan hoe de juridische constructie precies was?

Holleeder: Nee, ik heb vanaf dag één al gezegd dat het al verkocht was. Nadat het krantenartikel er was in 2002, of daarvoor, was Endstra al begonnen met die stukken te verkopen. Ik wist al dat de Scheldestraat er niet in zat. Hij kan dat niet van Endstra gekocht hebben, want Endstra had het al verkocht.

Rechter: Er zijn mensen die zeggen dat Houtman van u niks met dat pandje mocht doen. Terborg zegt: “Het ging ineens niet meer door, ik weet niet waarom.” De officier van justitie in Kolbak: ging het er niet om dat u dácht dat het zo was.

Holleeder: Nee, want ik wist dat het zo was. Dat een officier dat dan zegt, dat is standaard: als ik rood zeg, zegt de officier groen.

Janssen: Cees Houtman heeft zelf gezegd dat de panden onder stroom stonden. De getuigen zeggen allemaal: er was nergens sprake van dreiging, ze konden gewoon worden verkocht, dat brede verhaal wordt helemaal niet herkend.

Rechter: Over Cees Houtman heeft u gezegd: “Ik heb nooit met mijn zus of Sandra over liquidatie gesproken, niet gezegd: het was hij of ik.” De liquidatie van Mieremet in Thailand, dat was in dezelfde week in november (2005). Thomas van der Bijl: hetzelfde. U heeft nooit tegen Astrid gezegd dat u de opdracht voor Thomas had gegeven

Holleeder: Het is gewoon onzin.

Rechter: U heeft er niets mee te maken.

Holleeder: Ik zat vast ook. En ik had geen reden ook. Voor die onzin, dat hij gezegd zou hebben dat ik achter de moord op Cor zat, voor die onzin allemaal? Die jongen heeft niks gezegd, niks gedaan. Wat Houtman en Petersen van Mieremet hebben gehoord, hebben zij tegen hem gezegd.

Rechter: Daar gaan we het later over hebben.

Holleeder: Dat dacht ik!

Rechter: Plannen van anderen om u te vermoorden. “Ik heb nooit gehoord dat Houtman en Van der Bijl mij iets wilden aandoen.” Endstra ook niet, Willem van Boxtel (leider van de Hells Angels Amsterdam) ook niet.” Wat zei Moszkowicz?

Holleeder: Bram vroeg of ik langs wilde komen. Ik zei: “Zeg maar door de telefoon.” Hij zei: “Het is belangrijk, ze willen je wat aandoen bij de Hells Angels.” Dat kwam van John van den Heuvel. Toen heb ik Van Boxtel gebeld en gezegd: “Ik kom even langs.” Ik ben er meteen naar toe gegaan.

Rechter: In Kolbak zegt u dat u zich niet kan voorstellen dat het zo was. “Ondenkbaar dat Endstra mij wilde liquideren.” U zei toen dat u geen geld had bij Endstra.

Holleeder: Ik had wel geld bij Endstra. En ik had geen conflict bij hem.

Rechter: Nu weten we dat u wel geld bij Endstra had geïnvesteerd.

Holleeder: Al die vragen die u nu stelt komen bij Mieremet vandaan, door die verklaringen van Van Lent. De verhalen over liquidatie worden steeds mooier en spannender, maar het is heel simpel: als Endstra mij had willen liquideren, had hij daar geen mensen voor hoeven benaderen. Mieremet wilde mij vermoorden. Mieremet kon mij niet vinden. Als Endstra mij werkelijk had willen vermoorden, had hij alleen maar hoeven zeggen waar ik was. Ik sprak gewoon met Endstra. Hij had alleen maar tegen Mieremet hoeven zeggen: zo laat is hij daar.

Rechter: En de verklaring van Bram Zeegers (getuige in de Kolbakzaak die vermoedelijk door een overdosis overleed)

Holleeder: Dat is ook zo’n advocaat als Hingst. Hij heeft het ook gehoord van Endstra, dat verhaal komt bij Mieremet vandaan. Het is een spel. Mieremet en Klepper waren spelletjes aan het spelen.

Rechter: U zegt dat u dat Van Thomas en Cees over Van Kleef stoere praat vindt, “ik acht hen niet in staat iemand om te leggen.”

Holleeder: Er zijn maar weinig mensen die wel doen.

Rechter: U heeft daar een beeld bij.

Holleeder: Ik vind dat dat mensen zijn die daar een andere opvatting over hebben. Ik weet dat Cees Houtman niet veel met Mieremet te maken wilde hebben omdat Mieremet dat soort dingen deed. Thomas van der Bijl is een timmerman, die praat alleen maar na wat hij gehoord heeft. Ik acht ze niet in die context dat ze dat soort dingen kunnen doen.

Rechter: Waar komen die verhalen dan vandaan?

Holleeder: Bij Mieremet. Zal ik het dan maar vertellen? Het is net alsof ik als een of andere gek zit te praten, de officieren zitten te lachen. U vraagt het mij en nu wilt u het niet horen. Nu krijgt iedereen de indruk: hij is niet goed bij zijn hoofd, hij zegt maar steeds: Mieremet!

Rechter: We gaan het er later over hebben.

Janssen: Ik vind het wat ongemakkelijk. Meneer wil het onderbouwen en dan zegt u elke keer: daar gaan we het nu niet over hebben. Breek het onderwerp dan af.

Rechter: Mijn vraag ging erover dat u zei: ik zie ze niet in staat.

Holleeder: Dat is precies waar het om gaat. Die mensen hebben die plannen niet gemaakt. Ik heb al gezegd dat het Mieremet is, maar u wil dat niet horen. Als hun mij iets aan hadden willen doen, hadden ze ook niemand hoeven zoeken. Het contact tussen Mieremet en Cees Houtman en Peter Petersen was er, met een tussenpersoon. Die Van Lent is dubieus, maar wat niet dubieus is, dat is wat Thomas van der Bijl heeft gehoord. Mieremet zegt dingen tegen Van Lent en ook tegen anderen, ook tegen de tussenpersoon tussen Mieremet en Cees Houtman en Petersen. Er is maar één man die iedereen probeert te vermoorden, daar is iedereen in betrokken. Van Lent zegt ook een hoop onzin, maar de dingen die Thomas van der Bijl zegt over mij, die zegt Van Lent ook. Dus dan klopt het verhaal wel.

Rechter: Uw punt is duidelijk.

Stempher: U bent gebeld door Moszkowicz in verband met die dreiging. U zegt: “Vertel het maar door de telefoon.” Dat verbaast mij een beetje.

Holleeder: U verdraait het.

Stempher: U zei: “Vertel het maar door de telefoon.” Waarom u meende dat hij dat door de telefoon kon zeggen als u nog niet wist waar het over ging.

Holleeder: Omdat hij vertelde dat hij het van John van den Heuvel had gehoord. Daar zijn twee tapgesprekken over.

Stempher: Ik betwist niet dat u dat niet gezegd heeft. U bent altijd voorzichtig, telefoon wegleggen, fluisteren, waarom nu niet?

Holleeder: U wil het niet begrijpen. Omdat het woord Van den Heuvel was gevallen. Als Van den Heuvel het weet, kan het ook door de telefoon. Bram zegt: “Van den Heuvel kwam met een verhaal.” Dan zeg ik: “Vertel maar door de telefoon.” Als Van den Heuvel het weet, weet heel Nederland het.

Stempher: Ik hoor het u zeggen.

Holleeder: Denkt u dat Van den Heuvel dingen niet zegt?
Stempher: Ik zou het niet weten.

Holleeder: Ik hoor het u zeggen.

Stempher: Ik hoor u net zeggen dat er een tussenpersoon was tussen Mieremet, Peter Petersen en Cees Houtman. Wie was dat?

Holleeder: Die mensen zijn opgeroepen, die moeten als getuigen komen.

Janssen: Dat staat toegelicht in het verzoek aan de rechter-commissaris.

Stempher: Dan laten we het hierbij.

(er volgt een schorsing, na de hervatting staat het geluid niet aan waardoor iedereen op de pers- en publieke tribune het begin mist en de rechter neemt niet de moeite te vertellen wat er al is besproken. Pas een eind verderop blijkt het te gaan over zijn contact met Danny Kuiters)

Rechter: Leefde Sam Klepper nog?

Holleeder: Nee.

Rechter: Was de aanslag op Mieremet al geweest, 2002?

Holleeder: Kan ik niet met zekerheid zeggen. Volgens mij daarna.

Rechter: Hij zou vrij moeten zijn geweest, in 2003 zat hij vast. Dan gaat u bij hem op bezoek

Holleeder: Als u dat zegt.

Rechter: “Paar keer mee gegeten, aardige jongen.”

Holleeder: Niks bijzonders, gewoon gezellig, beetje dollen, niets zakelijks.

Rechter: Astrid heeft u gewaarschuwd voor hem. Zij kende iemand bij justitie.

Holleeder: Dat heeft ze al gezegd toen ik nog vastzat.

Rechter: Zij wist dat van iemand die ze kende bij justitie.

Rechter: Toen u vrijkwam kreeg u bij Joffers een klap van Dick Vrij. Daarna bent u er met Dick en Danny Kuiters over gaan praten en toen bleek dat er niks aan de hand was.

Holleeder: Toen ik die klap heb gekregen, heb ik met Dicky om de hoek gezeten in de Cornelis Schuyt. Het was een misverstand van beide kanten, ik heb het met hem en Danny uitgesproken. Het waren roddels van andere mensen. Van mijn kant was het omdat Astrid het had gezegd. Hij had mij gevraagd er met hem over te praten, juist omdat Astrid dat gezegd had.

Rechter: Wie was hij?

Holleeder: Danny Kuiters.

Rechter: U kreeg de klap van Dick Vrij?

Holleeder: Er waren geen problemen. Astrid had gezegd dat er problemen waren met Danny, daarom heb ik hem ontlopen. Hij wilde mij spreken omdat hij roddels had gehoord.

Rechter: Welke?

Holleeder: Dat weet ik niet precies meer. Er was wat, daardoor heeft Dicky mij die klap gegeven. Als Astrid niets had gezegd, was er niks gebeurd, was ik gewoon naar de afspraak gegaan, nu is mijn kaak gebroken geweest.

Rechter: Ik kan me niet goed voorstellen: u wordt een gebroken kaak geslagen, daarna wordt erover gepraat, maar u kunt zich niet herinneren hoe het kwam.

Holleeder: Het was een roddel, het sloeg helemaal nergens op. Als ik eerder gewoon had afgesproken en niet naar Astrid had geluisterd, was er niks aan de hand geweest.

Rechter: Had het iets met Dino Soerel te maken?

Holleeder: Dat weet ik niet meer. We hebben even gepraat. Als het opgelost is, is ’t over, dan ga ik weer verder. Hij kan er ook niks aan doen dat hij zo sterk is. Pech.

Rechter: U zegt: “Danny wilde met mij afspreken, Astrid had gezegd dat ze mij wat wilden aandoen.” Waarom slaat Dick Vrij dan die gebroken kaak en niet Danny?

Holleeder: Ze wilden met mij afspreken, dat heb ik niet gedaan.

Rechter: De afspraak was ook namens Dick. Is Danny ook bij u op bezoek geweest toen u vastzat?

Holleeder: Nee, ik heb nooit mensen op bezoek, alleen familie, voor de rest niemand.

Rechter: U ging gezellig bij Danny op bezoek, hij niet bij u.

Holleeder: Nee, ik bel niet, ik schrijf niet, ik zit al twee jaar helemaal alleen, ik krijg geen bezoek, ik bel met niemand, gewoon rustig.

Rechter: “Nu gaan Danny en ik goed met elkaar om. We zijn vrienden.”

Holleeder: Goeie kennissen. In Amsterdam zeg je al gauw vriend.

Rechter: Hoe vaak zag u elkaar ongeveer?

Holleeder: In de periode van de Hells Angels een enkele keer, na die klap wat vaker. Regelmatig wat eten en drinken, gezellig.

Rechter: Elke week, elke maand?

Holleeder: Soms zat er een tijd tussen, soms was het twee keer in de week, gezellig normaal, zoals ik met iedereen omga.

Rechter: Bij de rechter-commissaris is u gevraagd naar de reden van de klap van Dick Vrij. U zei: “Ik wil het niet vertellen.” Is dat nu ook zo?

Holleeder: Dat komt wel zo over (lacht). Ik wil daar verder inderdaad niks over zeggen.

Rechter: U zou bij andere mensen hebben geïnformeerd. Waarom zegt u niet gewoon: dat wil ik niet zeggen.

Holleeder: Omdat het niet zo’n groot probleem was. Het wordt groter gemaakt dan het is, maar ik wil het toch niet zeggen. Dat is alles.

Rechter: Uit het verificatieonderzoek blijkt dat u elkaar regelmatig zag. Dino Soerel is met u bij  Kuiters op bezoek bent geweest in de p.i. in 2003. Op de terugweg bent u in de PC Hooftstraat aangehouden in de auto van Soerel is een verborgen ruimte, op de plek van de airbag en daar worden wapens, drugs en geld gevonden. Dick Vrij, hoe kent u hem?

Holleeder: Vanuit de iT (destijds populaire discotheek in Amsterdam, waar Dick Vrij portier was).

Rechter: Wanneer?

Holleeder: Toen wij de Wallen hadden.

Rechter: Kent u hem langer dan Danny?

Holleeder: Veel langer.

Rechter: Wist u dat ze met elkaar omgaan?

Holleeder: Ja, hij ging ook wel op bezoek.

Rechter: Bij de Hells Angels, was Dick daar toen ook?

Holleeder: Nee.

Rechter: Kwam hij daar wel?

Holleeder: Niet dat het me bijstaat, maar het zou zomaar kunnen.

Rechter: U was bezig uit de onderwereld te komen. Wat zat er voor u in om met Danny Kuiters om te gaan?

Holleeder: Weet u wat het is? Ik ben al bijna zestig. Ik heb heel veel mensen leren kennen. Ik maak voor mezelf onderscheid. Ik hoef niet te weten wat iemand doet. Het is niet zwart-wit. Ik ken al die mensen, maar ik doe er geen zaken mee.

Rechter: Als je je leven echt wil veranderen, kies je andere vrienden.

Holleeder: Ik heb Danny niet gezien in de tijd dat ik met Endstra was. O ja, toch wel. Dat in 2002 met Mieremet, pas daarna is de ellende gekomen. Ik heb altijd wel contact gehad met iedereen.

Rechter: U zegt: dat deed ik voor Endstra. Maar u ging ook wel met de onderwereld vriendschappelijk om.

Holleeder: Ik kom veel mensen tegen, ik loop niet weg van een relatie. Ik ken ook nette mensen die half in de onderwereld zitten, dan zou ik met mijn neus omhoog moeten lopen of in mijn eentje ergens gaan zitten. Toen ik eruit kwam, heb ik geprobeerd netjes te werken. Die columns geschreven, dat is ook weer verpest, het word je niet makkelijk gemaakt. Ik ben gerust een grote boef, maar ik ben niet arrogant en ik heb geen liquidaties gepleegd.

Rechter: Van een wat andere orde: Ariën Kaale junior. Dat was een contact van Cor?

Holleeder: Die zat met ons in Bankenbosch (gevangenis in Veenhuizen). Ik had bijna geen contact met hem.

Rechter: U zegt: een aardige jongen.

Holleeder: Ja, lachen, zuipen, vreten, ken hem meer van verhalen. Wat ik hoorde van andere mensen,.

Rechter: Leg mij uit.

Holleeder: Dat weet ik niet een twee drie. Een keer met Cor op het Gelderlandplein. Een paar keer in de kroeg, dat is alles.

Rechter: Hij moest nog geld aan Sonja geven.

Holleeder: Ik heb gezegd dat hij moest betalen. Sonja zegt dat hij betaald heeft. Hij zegt dat hij het aan mij betaald heeft, maar ik heb het niet gekregen.

Rechter: Waarom moest hij Sonja betalen?

Holleeder: Ze had nog geld tegoed dat Cor hem had geleend. Ik ben naar de kroeg geweest waar hij zat.

Rechter: Sonja zegt ook dat hij dat geld aan u heeft gegeven.

Holleeder: Het is allemaal leuk en aardig met die verklaringen, alles wordt onder mekaar beïnvloed. Ik heb het geld niet aangepakt.

Rechter: Jesse Remmers. Hij is veroordeeld, het is nog in cassatie. U zegt: “Endstra zei me dat hij zijn vader kende en dat zijn zonen aardige jongens waren. Ik kwam Jesse weleens tegen in het uitgaansleven.”

Holleeder: Ja. Ik heb hem weleens gezien, ik ben bang om datums te noemen, ik kan het niet met zekerheid zeggen

Rechter: Een keer op de Wenckebachweg. Kende u hem toen al goed: “Hé, daar heb je Jesse?”

Holleeder: Als je hem een keer gezien hebt, vergeet je hem niet.

Rechter: Waarvan kende u hem?

Holleeder: Van de Bulldog of zo. Horecagelegenheden. Het terras bij de Bastille, zomers, dat hij langsliep en hallo zei. De hele Bulldog zit vol met boeven. Op zondag is het standaard.

Rechter: Kunt u een voorbeeld geven?

Holleeder: Van iemand die een boef is?

Rechter: Die Jesse kent?

Holleeder: Kan best zijn dat ik ergens bij iemand was die hem kent. Cor heeft ook een keer gezegd dat het aardige jongen was. Dan komt zo’n jongen erbij, daar praat je mee, wat drinken. Niks zakelijks. Dan kun je ook geen ruzie krijgen.

Rechter: Die keer op de Wenckebachweg: Jesse vraagt u of u wist waar hij contant een auto kon huren. Hier zullen we ’t later zeer nog over hebben. Of u meeging.

Holleeder: Hij vroeg: “Waar kan ik een auto huren.” Ik zei: “Verderop, ik loop wel mee, maar je moet wel een rijbewijs bij je hebben.” Toen zei hij: “Dat heb ik niet, dan kom ik later terug.” Toen stond La Serpe er, ik heb hem achterop de scooter naar die jongen gebracht die auto’s verhuurde. La Serpe zegt dat ik heb gezegd: “Als je een andere auto wil, moet je maar zeggen via Dino.” Dat slaat nergens op.

Rechter: Zag u Jesse weleens in Rotterdam?

Holleeder: Niet dat mij bijstaat

Rechter: Nooit met hem afgesproken?

Holleeder: Nee, nooit in mijn leven. Alleen die auto huren, dat was de enige keer dat ik wat met hem afsprak.

Rechter: Wat deed u daar?

Holleeder: Ik was bij het clubhuis (van de Hells Angels, dat was toen nog op de Wenckebachweg).

Rechter: Daar staan nu allemaal nieuwe huizen

Holleeder: Ik heb ze niet gezien.

Rechter: La Serpe kwam later pas?

Holleeder: Dat weet ik niet, er zat iemand in de auto.

Rechter: Er is op dit punt verificatieonderzoek gedaan. Heeft u dat gelezen?

Holleeder: Nee, daar heb ik niks van gelezen.

Rechter: Er is een verklaring van La Serpe over de ontmoeting in het Arsenaal. En van Lydia van Hulst.

Holleeder: Dat is van dat konijn, hè? Dat kan ik mij nog herinneren.

(dat is een heel verhaal, dat eerder uitvoerig ter sprake is gekomen. Lydia was een vriendin van Fred Ros, kroongetuige in het Passageproces. Lydia is gehoord als getuige, waarbij haar is gevraagd naar een gesprek tussen haar en Holleeder in Club Jackie in Rotterdam. Zij kan zich dat gesprek nog goed herinneren omdat ze die avond Jesse Remmers daar heeft ontmoet én omdat ze die avond te laat was omdat zij onderweg een konijntje had aangereden. Lydia had daar afgesproken met haar vriendin, die een relatie had met Dino Soerel. Volgens Lydia moet dit etentje in december 2005 zijn geweest, volgens Dino kon dat niet kloppen)

Rechter: Dat er een feestje is in club Jackie in december 2005. Met Lydia, Jesse Remmers, Dino Soerel.

Holleeder: Ik ben wel in de Jackie geweest, maar ik kan me daar niks van herinneren. Ik kan me Jesse in die periode helemaal niet herinneren, dat hij daarbij was. Wat ik wel zeker weet: ik heb niet afgesproken met hem te eten of naar Jackie te gaan.

Rechter: Dan is er nog Siem Wulfse. Die was portier en die zegt dat hij u alleen maar binnenliet als u met Jesse en Fred Ros was, die kende hij.

Holleeder: Dat heb ik wel gelezen. Later verklaarde hij dat hij mij doorlaat omdat ik met Endstra en Bakker was, twee makelaars, in Powerzone.

Rechter: Hij heeft zich vergist

Holleeder: Dat heeft hij ook verklaard. Ik ken Fred Ros niet, ik heb hem nooit gezien, nooit gesproken. Ik ben ook niet met Remmers naar de Powerzone geweest.

Rechter: Peter La Serpe, daar gaan we nog mee spreken. Hij is ook veroordeeld in Passage. Ik neem aan dat dat wel onherroepelijk is.

Holleeder: Of hij krijgt er nog meer geld bij.

Rechter: U heeft hem één keer gezien op de Wenckebachweg. Hij zegt dat hij u vaker heeft gezien. Dino Soerel: ook veroordeeld in Passage. Uw naam wordt in het arrest van het Hof genoemd.

Holleeder: Dat heb ik gelezen, daar ben ik natuurlijk helemaal niet blij mee. Hier geldt ook: het is aan de hand van stukken die dan voorhandig zijn. Meijering (de advocaat van Dino Soerel) heeft mij op zitting steeds belast, daarom heeft het Hof mij genoemd, dat is niet correct geweest.

Rechter: Meijering deed dat dan namens zijn cliënt.

Holleeder: Dat weet ik niet, ik kan me niet voorstellen dat Dino dat op die manier zou willen. Dino weet dat ik met hem omging, dat er taps zijn en observaties, zo stom is hij niet, hij heeft zich verkeerd laten adviseren door Meijering. Ik ben ervan overtuigd dat Dino dit niet uit zichzelf zou doen, hij weet dat er taps zijn en hij is niet gek.

Rechter: Ik kan me daar zo weinig bij voorstellen. Meneer Janssen die hier dingen zou gaan zeggen waar u het niet mee eens zou zijn.

Holleeder: Als je naar je advocaat luistert… Ik luister ook naar meester Janssen.

Advocaat Sander Janssen: Het verschilt per advocaat, hoe dat gaat.

Holleeder: Ik kom uit een andere wereld, u bekijkt alles juridisch en logisch zoals u zelf leeft. Dat ik Sonja vroeg naar Abcoude te komen, dan bent u verbaasd dat ze komt. Als u zo gebeld wordt door uw familie, zegt u: “Ik heb effe geen tijd.” Bij ons is de omgang met mensen heel anders. Heel veel mensen luisteren wel naar hun advocaat.

Rechter: Deze dingen zijn niet om te lachen, meneer Holleeder!

Holleeder: Waarom lacht u dan?

Rechter: U zegt dat Meijering dingen heeft gezegd waar Dino Soerel niet achter staat.

Holleeder: Ik heb gezegd dat hij het niet zelf bedacht heeft. Hij volgt zijn advocaat. Ik kan me niet voorstellen dat Dino zelf gezegd heeft: “Zo moet je dat doen.” Hij is niet zo stom, hij is echt wel een slimme jongen. Ik wil er verder niks over zeggen hoe het gelopen is, het is zo wel genoeg. Dat ze mijn naam alleen maar hebben genoemd. Dat heb ik mijn hele leven al, in het begin als er in de media over je geschreven wordt ben je daar niet blij mee, later denk je: het zal wel. Je weet zelf wel wat er waar en wat niet. In dit geval ben ik er niet blij mee en in principe ben ik al veroordeeld door het Hof, maar ook het Hof heeft niet alle informatie. Iedereen denkt dat ik al veroordeeld ben, iedereen zegt dat. Ik heb er vertrouwen in dat ik mij nog kan verdedigen. Het Hof heeft uitspraak gedaan zonder dat alle stukken zijn meegewogen. Het Hof neemt als bewijs dat ik tegen Astrid heb gezegd dat Ros de motor niet heeft gereden. Dat is pertinent niet waar. Ros verklaart zelf dat hij op die motor heeft gezeten, alleen die bewuste dag niet, dan ga ik toch niet zeggen: “Hij heeft er nooit op gezeten?”

Rechter: Terug naar uw vriendschap. Dat was het toch?

Holleeder: Ja.

Rechter: Ik heb hem leren kennen in de laatste fase Bankenbosch en daarna in Hoorn. We gingen weleens wat drinken. “Het is gewoon een aardige jongen.” U ging veel met hem om. Wat sprak u in hem aan?

Holleeder: Dat het een aardige jongen is. Ik heb Dino leren kennen in Bankenbosch. Toen hebben we in Hoorn gezeten, daarna heb ik hem een hele tijd niet gezien. Pas toen Klepper was doodgeschoten en Mieremet mij vroeg naar Hillis en om geld te brengen naar Jocic, kwam ik Dino weer tegen; ik heb altijd contact gehouden met Dino. Dino en Hillis kenden elkaar, Dino was een beetje met Hillis. Ik kan niks anders zeggen dan dat het een heel aardige jongen is.

Rechter: Het is haast een zakelijke benadering: als ik contact met Hillis wil, kan dat via Dino.

Holleeder: Dat was in het begin. Als je elkaar beter leert kennen, wordt het anders.

Rechter: Zat Hillis toen al bij Endstra?

Holleeder: Ja.

Rechter: U kwam elkaar tegen in de Bulldog, op zondag. U sprak toen nog niet met hem af. Later werd het anders. U vertelt over hardlopen met Endstra en anderen van de sportschool.

Holleeder: Dat was nog voordat Klepper werd doodgeschoten. Ik heb een keer hardgelopen met jongens van een sportschool uit Purmerend.

Rechter: Ging Endstra ook mee?

Holleeder: Ja.

Rechter: Kenden ze elkaar?

Holleeder: Dat weet ik niet. Dino houdt zich altijd afzijdig. Altijd rustig en apart. Endstra liep wel mee met hardlopen.

Rechter: Dino was een vriend, u bent weleens bij hem thuis geweest. Had hij geld bij Endstra?

Holleeder: Nee.

Rechter: Hoe goed was u bevriend?

Holleeder: Gewoon bevriend.

Rechter: Bij elkaar over de vloer?

Holleeder: Dat heb je al gauw. Even wat eten, hardlopen in Purmerend, dat gaat vanzelf. Zo ging het ook met Mieremet en Klepper.

Rechter: Close?

Holleeder: Dat is wat snel gezegd. Ik kon het goed met hem vinden. Eten, sporten. Mensen doen makkelijk uitspraken. Ik heb met Dino nooit gesproken over liquidaties en andersom ook niet, hij heeft daar niks over laten vallen, er zijn genoeg andere mensen die dat wel doen, dat je denkt: nou…

Rechter: U zei: “We spraken altijd meteen af voor de volgende keer.” U kon hem ook bellen?

Holleeder: Ik bel niet zo vaak. Ik bel meestal vrouwen.

Rechter: Of Mieremet

Holleeder: Die kon mij gewoon bereiken. Dino kon mij ook bellen. Ik liep over het algemeen met piepers. Dat is lekker rustig. Dat is niks crimineels. Ik had altijd meerdere piepers. Mijn vriendinnen hebben allemaal een aparte pieper.

Rechter: De functie van een pieper: die kan een mobiele telefoon toch ook hebben?

Holleeder: Zo heb ik altijd geleefd. Peter de Vries had ook mijn piepnummer. Astrid had ook mijn piepnummer. Mijn familie had ook mijn piepnummer. Iedereen had mijn piepnummer. Allemaal van verschillende piepers. Als ze allemaal dezelfde hebben gaat-ie de hele dag af.

Rechter: U ging vaak bij zijn huis hardlopen. Een buurvrouw vertelt dat. Tot de detentie in Kolbak, in januari 2006. U ging weleens naar de Bulldog en naar de Koemarkt in Purmerend. U ging niet uit in Rotterdam.

Holleeder: Ik heb hem daar weleens gezien. Wat ik doe: uit eten, gezellig. Naar de Blijker. Ik ben niet zo van discotheken en onzin, en lawaai, ik ben meer van kroegjes in de Jordaan. Maar ik ben hem weleens tegengekomen in het BED of in de Baja. Zou best kunnen.

Rechter: Er zijn gebeurtenissen in juli 2003, u ging samen bij Danny Kuiters op bezoek, was het in die tijd?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik wist wel dat hij naar Rotterdam ging, maar dat heb ik niet zo meegemaakt. Ik ben er weleens geweest, ook in Jackie’s, dat vond ik nog wel redelijk, met een paar vriendinnetjes.

Rechter: Kerst 2005.

Holleeder: Wat is daarmee?

Rechter: Dat u daar samen was. Dat u een feestje vierde.

Holleeder: Met een vriendinnetje?

Rechter: En Dino Soerel.

Holleeder: Dat is dat konijnenverhaal! Dat zegt me niks.

Rechter: U bent goed gebleven met Dino tot u vast kwam te zitten. Geen problemen met Dino. Als u bij de rechter-commissaris wordt gevraagd of u gebrouilleerd bent met  Dino zegt u: “Ik beroep me op mijn zwijgrecht.” Zegt u dat nu ook?

Holleeder: Ik heb nooit ruzie met hem gehad, tot de dag van vandaag.

Sander Janssen: Hij zegt: “Op advies van mijn advocaat beroep ik mij op mijn zwijgrecht.” Stijn Franken was toen zijn advocaat, het had te maken met het verschoningsrecht van de advocaat, niet van Holleeder.

Holleeder: Ik heb gezegd dat ik niet gebrouilleerd ben.

Rechter: U heeft Dino na uw detentie niet meer gezien. U heeft even met elkaar in dezelfde p.i. gezeten, maar u heeft om overplaatsing gevraagd.

Holleeder: Ja. Om het zo zuiver mogelijk te houden.

Rechter: Hoe verdiende Dino zijn geld?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik vraag nooit waar mensen hun geld mee verdienen.

Rechter: Wat dacht u?

Holleeder: Ik heb gezien dat hij veroordeeld is voor drugs.

Rechter: Hij ging niet naar kantoor.

Holleeder: Nee. Hij moet wel wat gedaan hebben, maar dat is zijn zaak. Als ik in de gevangenis kom, vertellen mensen waar ze voor zitten. Dan zeg ik: “Dat hoef je niet te vertellen, ik vertel het jou ook niet.” Ik wil het niet eens weten.

Rechter: U wist wel dat hij onderwereld was.

Holleeder: Dat is een groot woord, maar dat hij op een niet-legale manier zijn geld verdiende dacht ik al.

Rechter: Er zijn ontmoetingen op straat, er zijn observaties, er is verificatie gedaan. Had Dino een bijnaam?
Holleeder: Ik noemde hem gewoon Dino.

Rechter: En hij u?

Holleeder: Willem.

Rechter: Haaiesnaaier?

Holleeder: Dat heb ik gelezen, dat slaat nergens op, ik heb dat nooit gehoord. Ik ben geen haaiesnaaier. Ze zeggen weleens Holly, maar haaiesnaaier slaat echt nergens op.

Rechter: In Kolbak zei u: “Hillis en Soerel hadden vanaf 92/93 een relatie met Endstra. Daar wil ik niet op ingaan.”

Holleeder: Ik kan me niet voorstellen dat ik Soerel daarbij genoemd heb.

Rechter: U bent samen aangehouden met die auto, u wist niet dat die verborgen ruimte erin zat.

Holleeder: Nee, wist ik niet.

Rechter: Endstra had ook zo’n auto.

Holleeder: Allemaal hadden ze zo’n auto. Ik, Klepper en Mieremet, dat was normaal.

Rechter: Dat kwam allemaal van dezelfde garagehouder.

Holleeder: Dat weet ik niet.

Rechter: U wilde uit die onderwereld komen, maar u ging wel met die mensen om.

Holleeder: Het is niet zo zwart-wit. Ik ken die mensen, als ik geen zaken met ze doe, ga ik nog wel met ze om. Anders kan ik niemand meer gedag zeggen.

Rechter: Ali Akgün?
Holleeder: Ken ik niet. Misschien een keer gezien in de Bulldog.

Rechter: Hij was ook verdachte in Passage. Doodgeschoten in december 2014 in Istanboel. U heeft Dino en Ali vast weleens ergens samen gezien. Waar?

Holleeder: Dan denk ik in de Bulldog.

Rechter: Sjaak Burger. Ook veroordeeld in Passage. U zag hem weleens in de Bulldog.

Holleeder: Ja. En toen hij eruit was weleens met Puk.

Rechter: Lucas Boom. Die boeven kwamen allemaal op zondagmiddag in de Bulldog.

Holleeder: ’s Avonds.

Rechter: Lucas Boom kende hem ook?

Holleeder: Ja. Bij Lexington

Rechter: Heeft u ooit met Lucas Boom over Sjaak Burger gesproken?

Holleeder: Nee. Wat ze samen doen is voor mij niet van belang.

Rechter: Lucas Boom is doodgeschoten op 2 juni 2015, u kende hem uit de Scheldestraat, “hij zat elke dag bij Oceania.”

Holleeder: Ik kende hem hooguit een jaar.

Rechter: U had toch wel iets opgebouwd. Vertrouwen.

Holleeder: Nou, vertrouwen. Ik heb wat geïnvesteerd in hem omdat ik geld moest verdienen. Meer niet.

Rechter: “We gingen stappen, ik wist dat hij in de drugshandel zit. Maar zo is ons contact niet begonnen.”

Holleeder: Nee, ik reed door de Scheldestraat en toen riep-ie me steeds en toen ben ik een keer gestopt. Het is een aardige jongen, “kom een keer wat drinken,” zo gaat dat.

Rechter: “Mensen waar ik vriendschap mee heb doe ik geen zaken mee.”

Holleeder: Vriendschap is een groot woord. Echte vriendschap heb ik met Cor gehad.

Rechter: En Soerel?

Holleeder: Dat is vriendschappelijk. Lucas Boom net zo.

Rechter: Over Soerel zei u: met vrienden doe ik geen zaken.

Holleeder: Ik deed sowieso geen zaken met Soerel. Lucas Boom was een uitzondering, omdat ik toen minder geld had en dacht: “Dan maar weer zo.”

Rechter: Dan bedoelt u: investeren in drugs.

Holleeder: Geld lenen. Mensen investeren in drugs, ik niet. Ik moet altijd mijn geld terug en rente.

Rechter: Bij de rechter-commissaris zegt u over Lucas Boom: “Toen heb ik geïnvesteerd in drugshandel.”

Holleeder: Bij Lucas Boom was dat anders, toen had ik geen andere keus. Alles was geblokkeerd, daar deelde ik ook mee in het risico. Als het was gepakt of geript was ik mijn geld kwijt.

Rechter: Sonja haalde geld voor u op, u gaf dat aan Lucas Boom. U had een vordering van 85.000 euro op hem. Toen werd u aangehouden, dat geld heeft u niet gekregen.

Holleeder: Klopt.

Rechter: U heeft Sonja nog wel naar hem toegestuurd.

Holleeder: Ja. Maar ik heb het geld niet gekregen. Ik heb sowieso geen geld meer, dat hebben mijn zusters.

Rechter: Het kan zijn dat Sonja het gekregen heeft, maar niet tegen u heeft gezegd.

Holleeder: Ja.

Rechter: Heeft u nog contact gehad met Lucas Boom hierover?

Holleeder: Nee, als ik vastzit heb ik met niemand contact.

Rechter: U ging bij Boom investeren, de inleg kreeg u meestal eerder terug en die legde Sonja terug, de winst hield u in uw zak. U legde 50 of 70 ruggen in, de winst was vaak 100 procent. Hoe vaak heeft u bij hem geïnvesteerd?

Holleeder: Een paar keer.

Rechter: Hoe lang ging u al met Boom om? Ik neem aan dat u niet gaat investeren als u er geen vertrouwen in heeft.

Holleeder: Dat moet je altijd afwachten. Je hebt met zoveel factoren te maken.

Rechter: Maakte u een inschatting?

Holleeder: Dat was gewoon een gok. Als het een paar keer goed gaat, kun je met de winst werken.

Rechter: Iemand waar nog niet gevraagd is: Pjotr Raap

Holleeder: Weleens in het clubhuis gezien, bij de Hells Angels. Zijn vriendin werkte daar achter de bar.

Rechter: Wanneer?

Holleeder: Weet ik niet.

Rechter: Leefde Sam Klepper nog?

Holleeder: Volgens mij leefde die nog. Hij was een vriend van Lucas Boom, ik heb hem na 2012 weleens gezien in de Scheldestraat.

Rechter: Had hij ook iets met drugs te maken?

Holleeder: Niet dat ik weet. Volgens mij niet.

Rechter: Evert Hingst. Doodgeschoten op 31 oktober 2005. U kende hem via Endstra, hij had een flat van Endstra gekocht, die had u opgeknapt. Wist u dat het voor hem zou zijn?

Holleeder: Nee, ik heb me vergist. Ik heb daar twee flats opgeknapt, die van Hingst heb ik wel gezien, maar die was al verbouwd. Endstra zei dat die al was verkocht aan die advocaat.

Rechter: U heeft hem weleens ontmoet in het kader van dat hij bij Endstra was.

Holleeder: Hij wilde zo’n huissie in Vinkeveen bij Endstra kopen.

Rechter: U zag hem verder niet?

Holleeder: Nee.

Rechter: U zegt dat de betalingen aan Jocic via Hingst kunnen zijn gegaan. Mensen die problemen met elkaar hadden, zagen elkaar op de stoep bij Hingst.

Holleeder: Wie?

Rechter: Jocic en Mieremet.

Holleeder: Dat was de groep Jocic. Joegoslaven. Jocic zat zelf vast. Jocic had problemen met Mieremet. Hingst was ook de advocaat van Mieremet.

Rechter: Wist u wat Hingst deed voor die klanten? Hij kwam niet in de zittingszaal.

Holleeder: (lacht) Nee. Hij deed voor iedereen alles, voor die boeven. De laatste tijd was hij een beetje doorgeslagen, iedereen aan het rippen. Voor Hillis deed hij dingen.

Rechter: Waar denkt u dan aan?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik had geen contact met die Hingst, “een aardige gozer en de mazzel.” Zo zijn er zoveel van die advocaten.

Rechter: Mink Kok kwam er ook?

Holleeder: Ja.

Rechter: Weet u wie Evert Hingst heeft doodgeschoten?

Holleeder: Nee.

Rechter: Wie de opdracht heeft gegeven?

Holleeder: Nee.

Rechter: Heeft u daar weleens over nagedacht?

Holleeder: Nee, ik zou bij god niet weten wat.

Rechter: Hoorde u wel dat hij zijn eigen klanten bedonderde?

Holleeder: Hij ging overal langs om te zeggen dat hij geld kreeg. Hij had altijd veel geld.

Rechter: Lucas Boom: waarom is hij doodgeschoten?

Holleeder: Nee.

Rechter: Weleens over nagedacht?

Holleeder: Zo goed kende ik hem niet. Ik heb hem misschien een jaar gekend. Wat moet je daar nou over na gaan denken.

Rechter: U wist veel.

Holleeder: Mensen vertellen mij veel. Dat zijn dingen waar ik belang bij hem. Lucas Boom is niet iemand bij wie ik wil weten wat er is gebeurd. Ik weet bij god niet wat ze allemaal uitgespookt hebben. Het zal niet voor niks zijn.

Rechter: Stanley Hillis, doodgeschoten op 21 februari 2011. Cor had Hillis in de p.i. in Scheveningen leren kennen.

Holleeder: Ik in Alkmaar.

Rechter: Cor had gezegd dat u goed voor Hillis moest zorgen.

Holleeder: We hadden zo’n babbelbox. Hij zei: “Hillis komt die kant op. Zorg een beetje voor hem, eten, telefoonkaarten.”

Rechter: Was Hillis iemand waarvoor gezorgd moest worden?

Holleeder: Niet in de zin dat je dat zou zeggen, maar hij had niet zoveel geld als wij. Hij kwam veel eerder als mij vrij. Hij kwam vrij toen ik in Alkmaar zat.

Rechter: Wat wist u van hem?

Holleeder: Niks. Dat hij handig was, dat hij kon timmeren, dat hij van alles kon maken met zijn handen.

Rechter: En die cafés in de Warmoesstraat?

Holleeder: Dat was later, hij is gaan werken voor Klaas Bruinsma. Toen wij eruit kwamen had hij die cafés en coffeeshops.

Rechter: U wist alleen van horen zeggen, uit de media, wat Hillis bij Bruinsma deed. Wat was dat?

Holleeder: Allemaal drugs natuurlijk.

Rechter: “Het contact met Hillis ging verder toen Cor en ik problemen kregen met Klepper en Mieremet, daar wilde Hillis niks mee te maken hebben, met die 1 miljoen. Ik heb Hillis daarna nog gezien toen ik namens Mieremet heb gevraagd of hij de problemen met Jocic kon oplossen.”

Holleeder: Ja.

Rechter: Hillis had met Jocic gesproken, Mieremet moest 10 miljoen Mark betalen. U kwam hem weer tegen toen hij geld had geïnvesteerd bij Endstra.

Holleeder: Dat was op het moment dat Mieremet dat Telegraaf-artikel had gepubliceerd. De groep Hillis had al eerder geïnvesteerd bij Endstra. 10 miljoen. Dat liep gewoon. Na het stuk in De Telegraaf wilde Hillis zijn inzet weer terug en eventueel later de winst.

Rechter: Wanneer had hij geïnvesteerd?

Holleeder: Ver daarvoor.

Rechter: Was u toen al bij Endstra?

Holleeder: Volgens mij toen nog niet.

Rechter: Dus voor 1996.

Holleeder: Ja, dat denk ik, ik weet het niet.

Rechter: Na het artikel wilde hij geld terug.

Holleeder: Hij zei: “Ik begrijp dat je het moeilijk hebt, de inleg wil ik terug.”

Rechter: Zei hij dat tegen u?

Holleeder: Ik zat er eerst tussen en daarna heb ik Hillis zelf met hem laten praten; daarna was er een gesprek tussen Hillis en Endstra, daar was ik bij. Ik vond het redelijk van Hillis. Anderen wilden alles terug.

Rechter: Ging er een dreiging vanuit?

Holleeder: Dat weet ik niet. Hillis is gewoon Hillis. Ik heb hem geen dreigingen horen uiten.

Rechter: Had hij een bepaalde reputatie?

Holleeder: Hij had wel een reputatie dat hij niet makkelijk was. Dat hoorde ik van Klepper en Mieremet, die waren wel beducht voor hem. Hillis werd wel gevreesd.

Rechter: En Endstra?

Holleeder: Die wist wel wie Hillis was.

Rechter: Was hij bang voor Hillis?

Holleeder: Endstra is bij mij nooit bang overgekomen. Dat heb ik nog steeds niet begrepen, hij zei altijd alleen maar: ja, komt goed.

Rechter: Kwam Hillis ook bij Endstra op kantoor?

Holleeder: Nee. Niemand kwam op kantoor.

Rechter: Later ook niet?

Holleeder: Dat denk ik niet. Ik ben bij twee gesprekken geweest. De andere weet ik niet. Ik heb niet meegemaakt dat het is opgelost.

Rechter: Endstra hield u wel op de hoogte.

Holleeder: Hij heeft tegen mij gezegd dat het goed zou komen. Dat kan best zijn. Hij heeft mij er niet meer naar toe gestuurd.

Rechter: In Kolbak heeft u er niks over gezegd, waarom nu wel?

Holleeder: A omdat hij dood is en B omdat dit nu het belangrijkste moment in mijn leven is.

Rechter: Is er verband tussen de dood van Hillis en Endstra?

Holleeder: Ik weet niet wie erachter zit, ik weet het echt niet. Ik weet alleen dat Endstra met heel veel mensen problemen had.

Rechter: Astrid zegt dat u dik was met Hillis. U zegt: dat is onzin, dat praat ze na van de achterbankgesprekken.

Holleeder: Ja. Dat is ook zo.

Rechter: U heeft Hillis één keer op Ibiza gezien.

Holleeder: Ja, hij had daar een antiekwinkel. Ik was daar. Hij vroeg: “Kom effe mee naar mijn antiekwinkel kijken.”

Officier van justitie Tammes: U kwam Hillis tegen op Ibiza. Hoe kwam u hem daar tegen?

Holleeder: Dat weet ik niet.

Tammes: Toevallig?

Holleeder: Ik wist wel dat ze daar zaten. Al die mensen. Ik weet niet precies met wie.

Tammes: Wie zijn ‘al die mensen’?

Holleeder: Dat doet er niet toe. Dat weet ik niet precies. Het is zo lang geleden.

Tammes: Dat zegt u elke keer.

Holleeder: Dat zegt u, maar doordat ik het elke keer zeg wordt die tijd niet korter.

Tammes: Ik vraag u: was het toevallig of had u een afspraak?

Holleeder: Ik had geen afspraak gemaakt.

Tammes: Dus toevallig.

Holleeder: Dat denk ik.

Lars Stempher: U was bij twee gesprekken tussen Hillis en Endstra. Waar?

Holleeder: Bij het Beatrixpark waar Endstra woont. Daar was een ontmoetingsplek. In het park.

Stempher: Van wie ging het initiatief uit?

Holleeder: De eerste keer van Hillis, dat ik het tegen Endstra moest zeggen, de tweede keer kwam het initiatief bij Endstra vandaan.

Stempher: De eerste keer: hoe legde Hillis contact met u?

Holleeder: Hij heeft me door iemand laten vragen of ik een afspraak wilde maken met Endstra. Toen zei Endstra: “Doe maar daar en daar zo laat.”

Stempher: U zegt: er zat iemand tussen, maar u weet niet wie. Hoe weet u dan dat er iemand tussen zat.

Holleeder: Omdat ik dat zeker weet.

Stempher: Weet u het niet of wilt u het niet zeggen?

Holleeder: Dan wil ik het niet zeggen.

Stempher: U wilt het gewoon niet zeggen. Laten we dan voor eens en altijd helder zijn: ik weet het niet of ik wil het niet zeggen, dat is nogal een verschil. Dat heeft ook met geloofwaardigheid te maken. U weet wel dat er iemand tussen zit, er is wel een herinnering. Het is voor iedereen prettiger…

Holleeder: Da’s afgesproken.

Stempher: dan zegt u: ik wil het niet zeggen.

Holleeder: Afgesproken.

Stempher: Dan is de volgende vraag: waarom niet?

Holleeder: Alles wat ik hier zeg staat meteen op internet. Die mensen krijgen allemaal gezeur, als ik een naam noem. Ik heb één keer wat over Verhoek gezegd, staat het meteen in Quote.

Stempher: Vorige week noemde u ineens wel een naam. Nu niet omdat uw zusje en Peter de Vries het meteen wereldkundig maken?

Holleeder: Ik had al over Leen Bosnie verklaard. U heeft vaak gevraagd hoe het zit. Ik dacht: nu kan ik het zeggen. Omdat hij in relatie stond tot Bosnie. Sorry dat ik het gezegd heb.

Stempher: U moet niet zo flauw doen.

Holleeder: Dat vindt u flauw.

Stempher: Een beetje wel.

Rechter: Paja Mrzic. “Die heb ik leren kennen via de email van iemand die ik niet wil noemen.” Was dat Freek Hambaken?

Holleeder: Dat wil ik nog steeds niet zeggen.

Rechter: Hij was het niet?

Holleeder: Ik ga niks zeggen.

Rechter: U zegt: “Mrzic was een vriend, we aten af en toe wat. Hij speelde een rol in de Kolbakzaak, de afpersing van Endstra. Endstra heeft hem hooguit één keer gezien. Endstra kan niet weten of ik close was met hem.” Wat was uw relatie met Mrzic?

Holleeder: Het is een aardige man. Hij had een boetiek in Den Haag en later een restaurant en Den Haag. Ik ging er af en toe langs, kopje koffie drinken of een broodje eten. Toen hij dat restaurant had woonde ik in Den Haag, dan ging ik bij hem eten. Gezellig, beetje kletsen.

Rechter: Er is verificatieonderzoek gedaan. Een tapgesprek in het onderzoek Domino, van 2 maart 2000. U zou Sam Klepper bellen. Die zegt dat hij gebeld is door Paja, u en Sam spreken af Paja te ontmoeten in Hilton.

Holleeder: Ja, daar ben ik bij geweest, dat ging over dingen die Sam met Paja ging bespreken. Het was in het Apollo Hotel.

Rechter: U zegt bij de rechter-commissaris dat Paja met Klepper en Mieremet omging voor uw tijd. Dit is 2000.

Holleeder: Ze waren nog wel bevriend. Paja had een afspraak in het Apollohotel, in die bar.

Rechter: Uit tapgesprekken blijkt dat Paja regelmatig in Amsterdam was. Er zijn observaties van 1 en 2 september in Amsterdam, in de Spieghelstraat, op het terras van De Omval. In 2004. Er is een proces-verbaal over wildplassen. U was samen met hem.

Holleeder: Klopt.

Rechter: Het idee is dat u altijd naar Den Haag ging.

Holleeder: Hoofdzakelijk Den Haag, hij kwam een enkele keer naar Amsterdam.

Rechter: Een paar keer in Amsterdam, is dat die keren die ik noem, of nog meer?

Holleeder: Niet veel.

Rechter: Toen Sam was doodgeschoten bent u met Johnny naar Den Haag gegaan, naar hem. Johnny heeft met hem over gesproken, John heeft daar niets over gezegd.

Holleeder: Wel dat het over geld ging. Zij hebben apart gesproken.

Rechter: U had wel begrepen dat Mieremet Jocic wilde betalen. Wat heeft Paja met Jocic?

Holleeder: Het zijn tegenpolen. Die hebben ruzie met elkaar.

Rechter: Begreep u dat?

Holleeder: Sam wilde niet betalen omdat hij geen kant wilde kiezen. Mieremet was met Paja wezen praten. De ruzie is gekomen door Sam en John.

Rechter: Ging Mieremet advies vragen?

Holleeder: Ik denk een soort verantwoording afleggen.

Rechter: Wat dacht u?

Holleeder: Niks. Prima.

Rechter: Zo lagen de verhoudingen: dat Mieremet moest betalen.

Holleeder: Hij heeft het niet gezegd omdat hij anders een probleem zou hebben met Paja. Uit beleefdheid.

Rechter: U heeft eerder Mieremet niet omschreven als een persoon die dingen uit beleefdheid deed.

Holleeder: Je hebt toch wel waarden en normen. Mieremet is een hard iemand, maar juist met dat soort mensen heb je wel een grote vorm van beleefdheid dat ze dingen van tevoren melden. Dat is niks bijzonders.

Rechter: Dat hoorde u van Mieremet.
Holleeder: Achteraf hoorde ik het. Van Mieremet.

Rechter: Heeft u het er ooit met Paja over gehad?

Holleeder: Zou zomaar kunnen, dat weet ik ook niet.

Rechter: Dan gaat het nog over de bodyguard van Sam, of die er iets van wist.

Holleeder: Dat wist ik echt niet. Die zag ik voor het eerst toen ik in Broodje Rai kwam. Net voor het schieten. Johnny had gebeld of ik een broodje kwam eten. Ze zaten daar binnen, met een Joegoslaaf. Ze zeiden: een bodyguard.

Rechter: Later gaat Sam naar huis.

Holleeder: Nog geen uur later.

Rechter: Dat verhaal met die televisie.

(toen Sam Klepper werd geliquideerd waren hij en zijn lijfwacht bezig met het transport van een televisietoestel en konden beiden niet alert reageren. Er is gedacht dat dit opzet was van degenen die de aanslag hadden beraamd) 

Tammes: Ging u ook wel met Paja uit?

Holleeder: Ja.

Tammes: Waar?

Holleeder: Weleens in Rotterdam. In het BED. En in Den Haag en Scheveningen.

Tammes: Richard Geisterfer, ook veroordeeld in Kolbak, voor de afpersing van Houtman. U vertelt dat u hem kent.

Holleeder: Hij bracht ons wel eens terug als we verlof hadden gehad, naar Bankenbosch

Rechter: U heeft veel mensen tijdens detentie leren kennen.

Holleeder: Dat zie je bij Cor helemaal, dat gaat bij iedereen zo. Je leert mensen daar kennen, is gezellig, dan ontloop je elkaar niet.

Rechter: U zocht Cor nog weleens thuis op. Waar woonde hij toen?

Holleeder: In Zuid, bij de Churchilllaan.

Rechter: Richard was een vriend van u, geen zakelijk contact. U bent nooit met hem bij Türkeyimspor (de voetbalclub van Ali Akgün) geweest.

Holleeder: Nee. Onzin.

Rechter: Mensen kunnen u wel tegelijk in de Bulldog hebben gezien. Ook tegelijk met Soerel en Akgün?

Holleeder: Dat weet ik echt niet meer. Het zou raar zijn als ik het wel zou weten. Ik heb geen zin in een groep. Ik kom alleen, ik ga alleen.

Rechter: Met Geisterfer had u weleens een afspraak voor een kroegentocht.

Holleeder: Dat is wat anders, dat is in de Jordaan, gewone kroegjes, een beetje met de scooter heen en weer rijden.

Rechter: Hij had als bijnamen Bolle Richard en Leen. René Deene, ook veroordeeld afpersing Houtman. Richard en hij waren vrienden?

Holleeder: Het zijn vrienden met betrekking tot de Houtman-groep.

Rechter: Ook uw vrienden?

Holleeder: Vriendschappelijk allemaal. Gezellig. Leuk, hallo.

Rechter: George van Kleef, doodgeschoten op 10 november 2005. “Ik kende hem via Sonja.”

Holleeder: Ik kende hem als eerste van de Hectorstraat, daar was hij mijn buurman, zo heb ik hem leren kennen. Sonja was altijd bij hem, die ging met hem om, met de kinderen.

Rechter: Er is verificatieonderzoek over de relatie tussen u en Van Kleef; Houtman zei tegen de CIE dat George zijn oude gabber was en dat hij nu met u was.

Holleeder: Hij is misschien één keer meegeweest met wat drinken. Ik ken hem als mijn buurman. Hij heeft een keer aangebeld: “Je douche lekt al maanden, kun je er wat aan doen.” Toen heb ik het gemaakt en toen bleek dat hij een compagnon van Cees was. Hij was echt op zichzelf.

Rechter: Van Kleef en Richard bleven bevriend?

Holleeder: Ja.

Rechter: En René Deene.

Holleeder: Die was met zijn zuster, die hebben kinderen.

Rechter: Er is een observatie van 12 augustus.

Holleeder: Ja, die auto hebben we gezien, we stonden met z’n allen voor dat café, toen hebben we naar ze gezwaaid.

Rechter: Magdi Barsoum. Doodgeschoten op 2 maart 2002. “Ik ken hem van de Wallen, alleen van groeten. Mieremet en Klepper zeiden dat ze hem hadden geript.”

Holleeder: Sam zei dat ze moesten betalen.

Rechter: Er is een verklaring van De Graaf, van de politie, die zegt dat Barsoum in het najaar van 2001 tegen hem heeft gezegd dat hij werd bedreigd door de groep rond Hillis. Wist u daar iets van?

Holleeder: Nee.

Rechter: Hij was bang. Hij verbleef een tijd bij zijn broer in Buitenveldert. Op de woensdag voor zijn dood had hij nog de groeten van Stanley gekregen, die wilde hem spreken. Magdi heeft aan De Graaf verteld dat u vlak voor zijn dood bij hem bent geweest, in zijn zaak, de Redlight Bar, op 2 maart 2002, vlak nadat Mieremet was neergeschoten.

Holleeder: Daar ben ik niet geweest. Ik heb daar niks te zoeken gehad.

Rechter: Barsoum heeft tegen De Graaf gezegd dat u in de zaak was en tegen hem had gezegd: het is afgelopen, er is geen gevaar neer, de kust is veilig.

Holleeder: Ik herken het niet. Ik weet alleen dat Mieremet een prijs op zijn hoofd had gezet. Dat wist iedereen. Dat heeft hij meteen gezegd toen Sam doodgeschoten is. Later heb ik Mieremet er niet meer over gehoord, en het er ook niet met Magdi over gehad. Ik ben nooit bij hem in zijn kroeg geweest. Ik was degene die contact had met Hillis voor Barsoum, het kan niet kloppen.

Rechter: Bram Zeegers zegt dat Endstra tegen hem heeft gezegd dat Endstra met Mieremet in zaken is gegaan omdat u schuld heeft bij Mieremet en bij Barsoum.

Holleeder: Dat slaat helemaal nergens op. Ik kan me niet voorstellen dat Endstra dat gezegd heeft. Zeegers is net zo’n advocaat als Hingst. Mieremet heeft veel meer onzin gezegd tegen iedereen.

Rechter: Hoe kan het dat Mieremet met Endstra in een bedrijf zat, terwijl veel andere mensen die geld hadden geïnvesteerd dat niet hadden?

Holleeder: Mieremet was scherper en slimmer dan de rest. Anderen hebben Endstra op zijn woord geloofd, Mieremet zorgde dat er ook daden bijkwamen.

Rechter: Mink Kok. Hij heeft een hele tijd vastgezeten voor wapenhandel. U kende hem via Hillis, hij was voor hem een zakenpartner. Wat voor zaken?

Holleeder: Wat ze precies deden weet ik niet.

Rechter: Wapenhandel?

Holleeder: Nee, dat wilde Hillis niet, daar hebben ze ruzie over gekregen.

Rechter: Wanneer deden ze zaken?

Holleeder: Dat is al uit de tijd van Sam en John. De IRT-affaire, dat zijn hun.

Rechter: Had Mink geld bij Endstra?

Holleeder: Niet dat ik weet.

Rechter: U was bij Mink op bezoek toen hij in de p.i. zat, dat was op 30 augustus 2005. U was met Sandra bij hem op bezoek. Sandra heeft hem wat uitgelegd.

Holleeder: Mink wilde weten wat er aan de hand was tussen haar en Johnny. Ik heb gezegd: “Dan kom ik wel langs, dan kan Sandra het zelf uitleggen.” De verhalen werden steeds groter.

Rechter: Waarom moest Mink dat weten?

Holleeder: Omdat hij alles graag wil weten.

Rechter: Ik hoor Allesweter, maar…

Holleeder (lacht):  Nee. Hij was bevriend met Sam, hij wilde weten of het klopte wat Johnny deed.

Rechter: Was dat nuttig?

Holleeder: Dat weet ik niet. Hij kent veel mensen. Mink vroeg via via: hoe gaat het met Sandra en John. Toen heb ik gezegd: maak maar een afspraak, dan ga ik er wel naar toe.

Rechter: Via wie?

Holleeder: Ik weet het niet zeker. Mag ik het ook half goed zeggen? Volgens mij was het Bas van Hout die de afspraak gemaakt heeft. Iemand had mij benaderd en toen heb ik Bas van Hout gevraagd.

Rechter: Mink kon u niet gewoon bellen?

Holleeder: Nee, ik had alleen een piepnummer. Ik had niet zo’n relatie met Mink dat hij mijn piepnummer had.

Rechter: Bas van Hout had uw nummer wel.

Holleeder: Ja.

Rechter: Hoe stond het er toen voor tussen Sandra en Mieremet? Die 90 miljoen?

Holleeder: Ze had haar geld niet gekregen. Johnny had haar nooit betaald.

Rechter: Dat was nog steeds actueel?

Holleeder: Ja.

Rechter: Mink Kok zegt dat hij u verwijt dat u Mieremet bij Endstra heeft geïntroduceerd. Wat vindt u daarvan?
Holleeder: Daar vind ik niks van. Iedereen kan mij wel de schuld geven, het is Endstra die het zelf aanpakt.

Rechter: Waarom denkt u dat Mink dat anders zag?

Holleeder: Iedereen denkt zoals hij is. Mink is een aardige gozer.

Rechter: Hij had iets van: je weet toch hoe dat uit kan pakken met Mieremet, waarom heb je dat nou gedaan?

Holleeder: Als Endstra eerlijk was geweest, was er niks gebeurd. Het lag aan Endstra zelf, dat hij niet wilde betalen.

Rechter: Mink Kok heeft daar een ander beeld over.

Holleeder: Ja.

Rechter: Mink Kok heeft gecorrespondeerd met Endstra, vanuit de p.i., Endstra schreef hem.

Holleeder: Kleine briefjes, die heb ik zelf gezien.

Rechter: Een pakketje met 23 pagina’s.

Holleeder: Heb ik niet gezien.

Rechter: Er zijn tussen Endstra, Kok en u ontmoetingen geweest in het Amsterdamse Bos.

Holleeder: Met hardlopen.

Rechter: U wil dan niet zeggen waar het over ging, u zegt dan: het ging over hardlopen. Was dat geen bespreking?

Holleeder: Nee. Ik heb wel een bespreking gehad met Kok en Endstra op het kantoor van Endstra op oudejaarsavond. Maar dat hardlopen met Endstra: daar was hij bij.

Rechter: In Kolbak zegt u: “Ik wil niet zeggen waar dat over ging.”

Holleeder: Misschien is er nog een ander gesprek geweest. Op oudejaarsdag hardlopen, daar was hij bij.

Rechter: U zegt ook dat u denkt dat het voor Endstra niet zo uit de hand was gelopen met Mieremet als Kok vrij was geweest.

Holleeder: Dat denk ik nog steeds. Kok is ook degene geweest toen ik dat miljoen moest betalen, dat als er wat zou gebeuren, zij problemen met hun zouden krijgen. Het slotje op het slotje. Als Klepper nog had geleefd, was alles besproken geweest met Mink. Johnny had niet zonder Mink wat kunnen doen.

Rechter: Hoe kwam Mink aan deze status?

Holleeder: Dat was zo, hij had een bepaalde status. Hij was samen met Sam en Jan Femer, dat waren drie vrienden.

Rechter: Hij was al een tijdje vast. Dan had hij geen invloed meer.

Holleeder: Mink is iemand anders, daar komt iedereen op bezoek.

Rechter: Was hij machtig?

Holleeder: Ik weet alleen wat ik van Klepper en Mieremet heb gehoord. Ik weet dat zij naar hem luisterden.

Rechter: De laatste twee: Frans Meijer en Jan Boellaard. U vertelt dat Cor en u Frans hebben onderhouden toen hij in de gevangenis zat. U heeft Boellaard nog eens een woning gegeven.

Holleeder: In de Laurierstraat. Mijn ex-vrouw woonde daar, toen ik eruit kwam gingen we naar de Nachtwachtlaan, die woning heb ik aan Boellaard gegeven.

Rechter: U zegt: “Ik heb met Frans en Jan nooit besproken dat ze nog geld zouden krijgen van de film.”

Holleeder: Ja.

Rechter: U had van Sonja en Astrid gehoord dat ze daarvoor langs waren gekomen.

Holleeder: Astrid wilde geld van de film, daarvoor waren ze in 2011 al naar Astrid en Sonja gegaan.

Rechter: Meende u wat u tegen Sonja zei?

Holleeder: Nee, het zijn gesprekken om erachter komen wat er speelde. Er is nooit een enkele dreiging geweest. Het zijn puur de woorden die ik heb gebruikt. Te veel en te erg, maar er is nooit iets van terechtgekomen.

Rechter: Boellaard heeft in juli 2017 een verklaring afgelegd dat via een brief Cor de afspraak met hem heeft gemaakt dat als er een film zou worden gemaakt, de opbrengst onderling zou worden verdeeld. Toen Cor nog in Parijs zat. En dat er een gesprek is geweest met Peter de Vries op het kantoor van Van den Ende.

Holleeder: Ik weet van een gesprek met Peter de Vries, maar dat was toen ik nog vastzat. Ik weet van een gesprek met Astrid, in Het Kalfje. Ik weet dat Cor het tegen Frans Meijer heeft gezegd toen hij belde vanuit Frankrijk dat het door drieën gedeeld zou worden.

Rechter: Die brief?

Holleeder: Daar weet ik niks van, maar het zou zomaar kunnen.

Rechter: Geen van beiden heeft contact met u opgenomen?

Holleeder: Ja, Frans Meijer. Toen ik vrijkwam.

Rechter: Na Kolbak.

Holleeder: Nee. Toen niet. Ik had geen contact met ze.

Rechter: Wat zat er voor mensen in om met u om te gaan?

Holleeder: Die mensen zijn niet de hele dag met hun werk bezig, die werken heel weinig, die willen de hele dag niks anders dan drinken en een broodje eten en gezellig doen, die hoeven niet naar een baas.

Rechter: Gold dat voor u ook?

Holleeder: Ik heb voor Endstra proberen te werken, op de Wallen, er is niks leuker dan werken, het is best saai, de hele tijd broodjes eten, niet dat je zegt: wat top. Je hebt niks te doen. Beetje sporten. Da’s het verhaal.

 

 

Charly, een moordvrouw

$
0
0

In de vroege ochtend van vrijdag 19 juli 1996 staat een met een mes bewapende jongeman te posten bij een villa in een Limburgs dorpje. Hij wacht op de man die straks naar buiten zal komen. Die schurk moet dood! Niet dat de jongeman persoonlijk iets tegen de villabewoner heeft, maar een mooie vrouw heeft hem opgestookt en als huurmoordenaar ingeschakeld. Wat de jongen met het mes niet weet is dat die droomvrouw hem alleen leugens verteld heeft.

‘Goed dat je die boom daar voor het raam hebt weggehaald,’ zegt Charly. Het is april 1996. In de royale keuken van de villa in het Noord-Limburgse Plasmolen praten Charly en Peter over het weer. En over de tuin. ‘Die boom?’ denkt Peter. Het dringt niet meteen tot hem door, maar ergens in zijn achterhoofd gaat een alarmbelletje rinkelen. ‘Wat bedoel je, Charly?’ vraagt hij. Zijn hersens draaien intussen op volle toeren. Wanneer heeft hij die boom daar laten weghalen? Dat was in november 1993. Eind november. En wanneer is Charly bij hem ingetrokken, wanneer is zij voor het eerst bij de villa geweest? Koude rillingen lopen hem over de rug. ‘De boom die daar zo dicht voor het raam stond,’ zegt Charly, die nu ook voelt dat ze een dramatische vergissing heeft gemaakt. ‘Maar jij kunt helemaal niet weten, dat daar een boom heeft gestaan…’ zegt Peter. Dan pas dringt in alle hevigheid tot hem door hoe hij de afgelopen jaren in de maling is genomen. Charly’s zus zegt later: ‘Peter had haar ontmaskerd; de spiegel die ze zichzelf voorgehouden had, was aan gruzelementen.’ Maar in plaats van beschaamd en betrapt haar biezen te pakken, bedenkt de beeldschone droomvrouw Charly een duivels plan.

Als je van Nijmegen naar Venlo rijdt, langs de oostelijke oever van de Maas, kom je vanzelf door Plasmolen. Met zijn uitbundige groen, sfeervolle restaurants en talrijke villa’s die in de heuvels verscholen liggen, is het een van de mooiste plekjes van Limburg. Bij het benzinestation van Shell kun je rechtsaf. Daar loopt een weg naar de Maas, die gebruikt wordt door mensen die hun boot te water laten.

Op vrijdag 19 juli 1996, om zes uur ‘s morgens, is het doodstil in dit gebied, waar ook een kleine villawijk ligt. Het is bewolkt maar droog, de zomer staat op het punt te beginnen. In de villa op nummer 8 is Peter D., de 53-jarige directeur van een technisch bouwbedrijf, een half uur eerder opgestaan. Zijn 29-jarige vriendin Charly slaapt door. Peter stapt elke morgen om kwart over zes in de auto om naar kantoor te rijden. Zijn Mercedes staat geparkeerd onder de carport, naast de woning.

Wat hij niet weet is dat zich op deze vroege ochtend een ongenode gast op zijn terrein bevindt. Om precies te zijn: onder de carport, verscholen achter een pilaar. Het is een man van 24 jaar, met lang haar dat hij in een paardenstaart draagt. In zijn rechterhand heeft hij een Nighthawk, een dolk met een heft van 13 en een lemmet van 15,5 centimeter. Hij is tot het uiterste gespannen, opgefokt. Dit keer moet het lukken. De vorige dag is het misgegaan. ‘Verkeerd gereden,’ had hij tegen zijn opdrachtgeefster gezegd. ‘Verslapen’ klinkt zo lullig voor een huurmoordenaar. Maar op dit moment denkt hij niet aan geld, maar aan de man die zo meteen naar de auto zal lopen. Hij kent hem alleen van een foto, maar hij haat hem zoals hij eerder alleen als kind heeft gehaat. Hoor hem eens fluiten onder de douche. Het lachen zal hem straks wel vergaan!

Peter D. loopt niet rechtstreeks naar de auto. Hij gaat eerst even bij zijn kippen kijken. Als hij bijna bij de poort is, hoort hij een vreemd geluid. Hij loopt terug¼ ‘en toen kwam er ineens een man op mij afspringen. Een junk, met een groot mes in zijn hand. Hij zei niets, helemaal niets. Hij kwam voor mij staan en stak met het mes op mij in. Als een wilde. Ik vroeg of hij geld moest hebben. Hij zei nog steeds niets. Het was idioot. Hij zag eruit als iemand die gestoord is. Ik heb eerst gevochten, maar toen dacht ik: ‘dit kan ik nooit winnen, ik ga maar op mijn buik op de grond liggen, dan houdt hij misschien op.’ Het hielp niets, hij stak mij keihard in de rug. Ik weet niet hoe vaak. Ik ben opgestaan. Hij rende weg.’

Met het mes in zijn rug strompelt Peter naar de voordeur, die hij met veel pijn en moeite weet te openen. Dan laat hij zich vallen. Een halve minuut later gaat het automatische alarm af. Het signaal komt binnen bij een centraal meldpunt, maar ook in het huis klinkt een luid waarschuwingssignaal. Charly schrikt wakker. Ze loopt naar beneden en treft Peter aan: badend in het bloed maar nog bij volle bewustzijn. ‘Wat heb je nou gedaan?’ roept ze verschrikt uit. ‘Zie je dat niet? Ik ben neergestoken!’ Charly wil het mes eruit trekken, maar dat lijkt Peter geen goed idee. ‘Niet aankomen!’ Hij zegt dat hij het koud heeft, dat Charly 06-11 moet bellen. Ze haalt een dekbed en legt dat voorzichtig over hem heen, ervoor wakend het mes niet aan te raken. Even later arriveert de ambulance. Peter vloekt, en excuseert zich daarvoor. Hij is bij zijn volle bewustzijn en heeft verschrikkelijk veel pijn. Gedachten malen door zijn hoofd. Wie zit hierachter, wie wil hem vermoorden en waarom? Charly?

II

De zeven messteken zijn net niet dodelijk. De artsen van het Nijmeegse Radboudziekenhuis slagen erin het leven van Peter D. te redden. Hij heeft verschrikkelijk veel geluk gehad: hij komt er weer bovenop, maar het zal lang duren voor hij lichamelijk weer de oude is. De dader had duidelijk de bedoeling hem te doden. Maar wie is de dader en wat is zijn motief? Al bij het eerste verhoor zegt Peter tegen de rechercheurs dat het Charly geweest moet zijn, maar de politie slaagt er in de eerste weken niet in daar ook maar een greintje bewijs voor te vinden: Charly gedraagt zich als de perfecte huisvrouw.

Als Peter na een week naar huis mag en daar verder verpleegd kan worden, loopt zij zich het vuur uit de sloffen. Zelfs goede kennissen die ook in eerste instantie dachten dat zij er wel iets mee te maken zou hebben, komen na een paar weken tot de conclusie dat dit onmogelijk is. Zo lief en aardig, beleefd en bezorgd als ze is. Nee, Charly kan het niet geweest zijn. Er zijn echter twee dingen die Peter erg aan het denken zetten. Waarom loog Charly over het tijdstip waarop ze ‘s nachts thuis was gekomen? En in het ziekenhuis wond ze zich er erg over op dat de politie zoveel werk maakte van ‘een aanslag door zo’n junk. Die vinden ze toch niet meer. In Rotterdam was de politie allang met zo’n zaak gestopt. Het is alleen maar omdat je rijk bent.’

Zij kon het weten; ze had zelf bij de Maasstedelijke politie gewerkt. Ze was er echter ontslagen omdat ze een greep in de kas had gedaan – en niet wegens reorganisatie, zoals ze zelf steeds verkondigde. Het is echter een feit dat het Limburgse rechercheteam alles op alles zet om de zaak op te lossen. Al snel werpt het nijver speuren zijn vruchten af. Op de ochtend van de aanslag hebben twee krantenbezorgsters in de buurt van de villa een zwarte VW Golf gezien. Het meisje met de bromfiets  zag dat de auto met gierende banden wegreed. Toen hij haar tegemoet kwam, dekte de bestuurder zijn gezicht af met zijn arm. Het meest opvallende aan de auto waren de felroze fluorescerende ruitenwisserbladen. Bij nader inzien is diezelfde auto de krantenbezorgster twee dagen eerder ook al opgevallen. Er rijden immers niet zoveel auto’s met roze ruitenwissers. En zeker niet om zes uur ’s morgens!

Het signalement van de auto wordt doorgegeven aan naburige politiekorpsen en op 1 augustus volgt een doorbraak: in Helmond ziet een agent een auto met roze ruitenwisserbladen. Weliswaar is het geen VW Golf, maar hij lijkt er wel veel op. Het is een Mazda 323 en hij staat op naam van ene Angelique G. uit de Wezelstraat in Helmond.

Het rechercheteam neemt de tip serieus: de Wezelstraat is al eerder in het onderzoek opgedoken. De telefoonspecificatie van Peter en Charly is uitgeplozen; tussen 1 mei en 19 juli heeft Charly 140 keer gebeld met een zekere Ramon van O., een 31-jarige vrijgezel uit Helmond. Ze heeft ook 18 keer contact gezocht met een zekere Monique, de zus van Ramon. Monique woont in de Wezelstraat… Charly belde ook 9 keer naar Angelique G., de buurvrouw van Monique en eigenares van de Mazda…

Nog steeds is er geen link met de aanslag, maar de politie besluit de Mazda van Angelique in de gaten te gaan houden. Op 16 augustus is het raak. De auto wordt aangetroffen in het plaatsje Budel. Een jongeman met een paardenstaart is de bestuurder. Hij is kennelijk aan het verhuizen; er zit een gehuurde aanhangwagen van Boedelbak achter. De politie vraagt de gegevens op van de huurder, die zich heeft moeten legitimeren met een kopie van zijn rijbewijs. Het is de 24-jarige Joop S., die op dat moment aan het verkassen is naar een kraakpand in het Belgische Hamont.

De rechercheurs grijpen niet meteen in: het is beter eerst meer bewijs te verzamelen. Op 9 september wordt Joop in Nederland aangehouden, een dag later volgt huiszoeking in België. Bij het fouilleren treft de politie een buzzer aan. De printgegevens worden opgevraagd en dan blijkt dat Joop tussen 1 mei en 3 september 36 keer gebeld heeft met Angelique G., de eigenares van de Mazda. Op 10 september worden ook Angelique en Charly aangehouden. Op 11 september legt Joop S. een volledige bekentenis af. Hij legt precies uit waarom hij het gedaan heeft en voor wie. De politie is verbijsterd: het is te bizar voor woorden!

‘Die vrouwen worden je dood nog eens,’ zeiden vrienden wel eens gekscherend tegen Peter D. De succesvolle directeur wordt door iedereen omschreven als een opgewekte, joviale en gulle man. ‘Een goedzak’ zegt iemand, ‘maar wel met een bovengemiddelde zwakte voor vrouwelijk schoon.’ Zijn huwelijk, waaruit twee kinderen werden geboren, strandde 22 jaar geleden. Peter heeft altijd goed gezorgd voor zijn ex, zijn kinderen en voor vriendinnen met wie hij later relaties begon. Uit die hoek verwachtte hij geen problemen en zeker geen moordaanslag. Ook op zakelijk gebied kon hij zich geen conflict voor de geest halen. Geen processen, geen ontslagen werknemers. De enige op wie hij geen vat kon krijgen, was Charly.

III

De zaak-Charly wordt gekenmerkt door leugens, vuige roddels, gemene insinuaties en geldzucht. Het begint al met de manier waarop Charly en Peter elkaar hebben ontmoet. ‘In een restaurant in Antwerpen,’ zegt Peter. ‘Eind november 1993. Ik was daar met vrienden, zij met vriendinnen. We zijn die avond uitgeweest en ik heb haar na afloop naar huis gebracht. Ze woonde toen in Roosendaal. Ik gaf haar mijn kaartje.’

Officier van justitie mr. David van Delft drukte het, voor de rechtbank in Roermond, wat plastischer uit: ‘Charly S. is door Peter D. uit het bordeel bevrijd en liefdevol en goed verzorgd opgenomen in zijn woning.’ Het zou om een luxueus huis van plezier te Moordrecht gaan. Een week na de eerste ontmoeting neemt Charly contact op. Met Sinterklaas 1993 komt ze voor het eerst bij Peter in zijn villa. Pas tweeënhalf jaar later verspreekt ze zich over de boom voor het keukenraam. Dan blijkt dat ze een week eerder stiekem poolshoogte heeft genomen: voor ze met Peter in zee ging wilde ze weten wat voor vlees ze in de kuip had en of hij echt zo rijk was als ze dacht.

Peter heeft het zwaar te pakken van zijn mooie Charly. Hij is trots op haar en hij wil alles doen om er, ondanks het leeftijdsverschil van 23 jaar, een succesvolle relatie van te maken. Er zijn wel een paar minpuntjes, maar die neemt hij op de koop toe. Hij is zelf toch ook niet volmaakt? Het valt hem op dat Charly veel liegt. ‘Van de tien woorden die ze gebruikt liegt ze er negen,’ laat Peter zich eens ontvallen tegen een kennis. Achteraf zegt hij: ‘Ik wist wel dat ze loog, maar het waren allemaal kinderachtige leugentjes.’

Echt vervelend is dat ze bedreigd wordt door een ex-vriend, bij wie ze – naar eigen zeggen – veel schulden heeft. En Peter geeft haar het geld. Tienduizenden guldens. Hij helpt haar ook met haar carrière. Charly gaat een cursus volgen voor mannequin, bij Model 2000 in Nijmegen. Ze is niet alleen het mooiste, maar ook het beste meisje van de klas. Vervelend is dat ze dat zelf ook erg goed weet. ‘Ze was arrogant, ziekelijk jaloers en voelde zich verheven boven de anderen,’ zegt iemand die haar van de cursus kent. Ze vertelt daar ook dat ze miljoenen zal erven, dat Peter en zij gaan trouwen en dat ze allebei graag een kind willen. Ze koopt daadwerkelijk een trouwjurk van ¦ 3600,- ‘maar Peter mag het nog niet weten.’

Als de bruiloft er steeds maar niet komt, geeft ze als reden dat haar broer ziek is. Ze vertelt er alleen niet bij welke ziekte hij heeft. Schizofrenie… ‘Ze is zelf net zo, alleen weet zij het op een ongelooflijk sluwe manier te camoufleren,’ zegt iemand die haar goed kent. Er zijn veel mensen die vinden dat Charly erg vreemde verhalen vertelt. Over een oom die vermoord is op de Antillen, over Peter die op jacht gaat met Prins Bernhard… ‘Het is geen kwaaie meid, maar ze leeft in een fantasiewereld.’ Haar eigen zus zegt: ‘Charly kan de dingen in het leven zodanig omdraaien dat ze precies in haar straatje vallen.’ En: ‘Ze speelde voortreffelijk toneel.’

Het woord arrogant komt vaak voor bij de beschrijvingen van Charly, maar alleen als het gaat om mensen die haar maar een enkele keer hebben gezien. Zodra ze iemand beter leert kennen, valt dat masker van arrogantie weg en maakt ze een uiterst sympathieke indruk. Op bijna iedereen. Slechts enkelen doorzien haar en vinden haar ‘een vreemd en onbetrouwbaar meisje, waar je niet van op aan kunt.’ Of ‘een grote fantaste die indruk wilde maken met geld en dure dingen.’

Hoe goed ze de rol van aardig meisje speelt, hoe ze mensen weet te manipuleren, blijkt ook uit het feit dat ze zelfs de psychiater in de luren legt. De man slikt de bizarre nonsens over haar jeugd voor zoete koek en trekt zijn conclusies op basis van ongecontroleerde gegevens. Officier van justitie mr. Van Delft ziet het anders: Charly is ‘geslepen, sluw en slecht, ze weet andere mensen op slinkse wijze voor haar karretje te spannen en ze is een pathologische leugenaarster.’

Maar als zelfs een psychiater erin tuint, is het niet zo vreemd dat ook Peter D. op het verkeerde been wordt gezet. Aanvankelijk gaat het een tijdje redelijk. Charly neemt Model 2000 over. Peter pompt er geld in. Vele tienduizenden guldens. Maar het wordt geen succes: van elk tientje dat er binnenkomt, geeft Charly er drie uit en bovendien bemoeit ze zich alleen met de leuke dingen: het bezoeken van shows, de contacten met aspirant-modellen. Het wordt een bodemloze put.

Storender voor de relatie is een voorval uit augustus 1995. Charly vraagt Peter elke morgen wat hij die dag precies gaat doen. Op een middag, als Peter onverwacht thuiskomt, wordt hem duidelijk waarom: Charly ligt met een blote jongen van 17 jaar in bed. ‘Mijn neefje’, zegt ze, ‘we deden niks.’ Maar voor Peter knapt er iets. In januari 1996 komt gevoelsmatig een eind aan de relatie. Peter en Charly maken een schitterende vakantiereis naar Amerika. ‘Op papier leek het ideaal, in werkelijkheid was het shit. Charly was alleen maar uit op cadeautjes. Toen we terug waren, op 12 februari, heb ik tegen haar gezegd: ‘Je zegt dat je van me houdt, maar je houdt niet van mij.’ Dat ontkende ze, maar voor mij was het over. Ze kon hier blijven wonen zolang ze geen ander huis had, maar onze relatie was voorbij. We gingen onze eigen gang.’

Geleidelijk aan vielen Peter de schellen van de ogen. Het incident met de boom voor het keukenraam, in april 1996, was de volgende fase. ‘Ze voelde zich vreselijk betrapt, maar ze gaf toe dat ze hier dus een keer eerder was geweest. Om te kijken of ik getrouwd was, zei ze, maar we wisten allebei precies waar het om ging. Wat voelde ik me toen beflikkerd!’

Maar het werd nog veel erger. Op een morgen, in de tijd dat alles nog goed was, vertelde Peter dat hij die dag naar de notaris zou gaan. Hij wilde zijn testament veranderen. Hij vertelde Charly dat zij aanspraak kon maken op eenderde deel van zijn vermogen. Charly wist dat dat neerkwam op 2 à 3 miljoen gulden, plus de villa van 1 miljoen. Peter ging die dag inderdaad naar de notaris, maar die vond de wijziging niet zo’n goed idee. ‘Wacht eerst maar eens een paar jaar,’ adviseerde hij.

De notaris had enkele jaren op de Antillen gewerkt en kende de familie S. Maar dat zei hij toen nog niet tegen Peter. Net zomin als Peter Charly vertelde dat de wijziging niet was doorgegaan. Als ze later informeerde hoe de testamentaire zaken afgehandeld waren, antwoordde hij ironisch: ‘Dat kan niet beter. Alles is perfect geregeld.’ Charly had niet door dat dit Peters humor was: het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt. Ze bezat een boel kwaliteiten, maar bepaald geen gevoel voor humor. Later vond de politie tussen haar spullen het boek ‘Ken uw Recht’; de pagina die begon bij het hoofdstuk ‘Partner als erfgenaam’ was aangegeven met een ezelsoor. 

IV

‘Kinderachtige leugens’, noemde Peter het. Maar zelden zullen er over iemand zulke doortrapte, gemene, duivelssluwe onwaarheden zijn verteld als over hem. Met maar één doel: een moordaanslag uitlokken, zelf buiten schot blijven en een miljoenenerfenis opstrijken. Het toeval helpt Charly een handje. Toen ze 17 was, had ze tijdens een vakantie in Spanje een zekere Ramon van O. uit Helmond ontmoet. Het was een vakantieliefde, die zich terug in Nederland nog even voortzette. Daarna was er geen contact meer.

In 1994 vindt Ramon in een oude agenda het adres van Charly en haar toenmalige vriendin. Hij waagt er een telefoontje aan en tot zijn verrassing neemt Charly kort daarna contact met hem op. Ze blijkt niet eens ver bij hem vandaan te wonen. Achter de rug van Peter begint ze een hartstochtelijke liefdesaffaire met Ramon, die zelfs voortduurt tot na de aanslag. Overdag verzorgt ze Peter, ‘s avonds gaat ze naar Ramon. De liefde komt overigens meer van haar kant. Ramon vindt het vooral prettig dat Charly zo rijk is en hem een baantje als chauffeur zal bezorgen bij haar modellenbureau.

Samen met een nieuw Nederlands modetalent reizen ze naar Parijs, naar de modeshow van Paco Rabanne. Charly kent de modeontwerper nog van de HTS in Den Haag waar ze in het seizoen 1987/88 drie maanden lang de opleiding volgde. Ook een andere nieuwkomer hoort tot de kennissenkring van Charly en Peter. Charly helpt hem met zijn eindexamenshow van de Kunstacademie in Arnhem, in 1994. Beide heren zijn overigens als de dood dat hun naam in verband wordt gebracht met Charly en haar moordlustige praktijken: dat zal hun reputatie geen goed doen.

De ‘leningen’ van Peter werden overigens gaarne geaccepteerd en terugbetalen was niet het sterkste punt van de dankbare ontwerpers. In geheel andere kringen voelt Charly zich overigens ook prima thuis. Ze komt veel over de vloer bij Monique, de zus van Ramon, woonachtig in de Wezelstraat. Daar ontmoet ze ook buurvrouw Angelique, die daar kind aan huis is. En Angelique wordt de spil in het complot. Alle giftige pijlen die Charly afschiet, treffen doel. Peter D. wordt afgeschilderd als een man die haar mishandelt en seksueel misbruikt, die gefascineerd is door kinderporno (de affaire Dutroux is op zijn hoogtepunt), huurmoordenaars in dienst heeft en in drugs handelt. Maar het allerergste: hij misbruikt kinderen.

Charly neemt het dochtertje van Angelique op schoot en zegt: ‘Je moet er toch niet aan denken dat hij dit met jouw dochter zou doen.’ Het is allemaal des te erger omdat Charly zelf vroeger seksueel misbruikt is door een oom. Zegt ze. En Angelique gelooft het grif. Bovendien is Charly erg populair in de Wezelstraat: ze strooit met geld en cadeaus. Duur speelgoed voor de kinderen, een wasdroger hier, een belastingschuld daar, het kan niet op. Het toeval wil dat Angelique een heel goede vriend heeft, een vertrouwenspersoon, die bijna wekelijks over de vloer komt. De meeste mensen denken dat ze broer en zus zijn, zo close is hun relatie. Het is drugverslaafde Joop S., van beroep jointjesdraaier in een koffieshop in Budel. Hij is in zijn jeugd écht seksueel misbruikt. De verhalen die Angelique hem vertelt over Peter D. maken hem dan ook woedend. Die man moet dood! Bovendien heeft Joop veel schulden.

Eind mei is Joop op een middag bij Angelique op bezoek. Ze hebben het over Charly, die ‘s morgens weer bij Monique haar nood heeft geklaagd en duidelijk heeft laten blijken dat ze iemand zoekt om Peter op te ruimen. ‘Wat schuift dat?’ vraagt Joop. ‘Ik doe het voor  10.000 gulden. Angelique vervolgt: ‘Maak er maar ¦ 15.000,- van, dan heb ik er ook nog wat aan.’ Een paar dagen later is Charly weer op bezoek. Angelique heeft een kandidaat gevonden. ‘Hij doet het voor  15.000,- en een pistool.’ Charly vindt het goed. Angelique zal verder bemiddelen: Joop en Charly moeten zo weinig mogelijk contact hebben. ‘Het pistool kost ¦ 3000,-’, zegt Joop. ‘Dat is akkoord’, zegt Charly, ‘maar hij moet er wel zelf voor zorgen.’ Joop wil een foto van Peter en een adres. Een paar dagen later – het is dan begin juni – komt Charly een envelop brengen, met een briefje van honderd, twee foto’s en een papier met het adres en de routebeschrijving. Ze vertelt Angelique dat Peter altijd om kwart over zes ‘s morgens van huis gaat. Op de foto’s staat Peter met, zoals Charly het omschrijft, ‘een of andere blonde snol van de vakantie.’ De honderd gulden zijn voor Angelique. ‘Zomaar’. Het andere geld komt nog. ‘Dat kan niet in één keer. Dat valt op.’

Van zaterdag 6 tot zaterdag 13 juli is Charly met de twee modeontwerpers in Parijs. Een week of drie daarvoor is het honorarium via allerlei omwegen tot Joop gekomen. Charly heeft Ramon 10.000 gulden gegeven. Eigenlijk voor een nieuw bankstel, maar Ramon wil er een auto voor kopen. Hij is de koning te rijk en is al ijverig en enthousiast op autojacht. Hij is dan ook boos en teleurgesteld als Charly zegt dat hij die 10.000 gulden aan Angelique moet geven. ‘Je weet wel waarvoor.’ Ramon baalt er vreselijk van en stribbelt tegen. Pas als Charly zegt: ‘Jij krijgt wel nieuw geld,’ gaat hij overstag. Met een zuur gezicht brengt hij de envelop met geld naar Angelique. ‘Dit moet ik van Charly aan jou afgeven,’ zegt hij. Angelique piept Joop op, die onmiddellijk komt, vergezeld van zijn vriendje Luc, een afkickende junk.

Als Joop het geld heeft geteld, stappen ze met z’n drieën in de auto en rijden ze naar Plasmolen om het traject te verkennen. Luc ligt stoned op de achterbank, hij begrijpt amper waar het om gaat. Hij denkt dat Joop de benzinepomp in Plasmolen wil overvallen en snapt niet waarom ze door al die straatjes achter het station moeten rijden. ‘Dat is het huis,’ zegt Angelique tegen Joop. Ze rijden er maar één keer langs en zelfs dat valt al genoeg op. Daarna gebeurt er even niets. Charly is immers naar de modeshow in Parijs. Op maandag 15 juli, de dag van de vliegramp met de Hercules, komt Charly weer bij Monique op bezoek. Ze vertelt dat Peter en zij donderdag op vakantie gaan en dat ze dat absoluut niet wil. Met andere woorden: de aanslag moet vóór die tijd gepleegd worden.

Monique weet uiteraard niet dat er helemaal geen vakantie gepland is, maar dat Charly om een heel andere reden in tijdnood zit: op maandag 22 juli verlaat ze Peter definitief. Ze heeft hem verteld dat ze een woning kan krijgen in Rotterdam. Voor de inrichting had ze 19.000 gulden nodig. Peter wilde haar dat pas na de 22ste geven, maar Charly had er sterk op aangedrongen dat ze het eerder zou krijgen. Achteraf is duidelijk waarom: ze had het nodig om de aanslag te financieren. Het verhaal over de Rotterdamse woning was compleet uit haar duim gezogen. Een extra reden waarom het uiterlijk vrijdag de 19de moest gebeuren, is dat dat Peters laatste werkdag voor de vakantie is. Daarna zou hij een hele tijd niet zo stipt om kwart over zes van huis gaan. Gezien de tijdsdruk is het wel heel merkwaardig dat het geld de omweg via Ramon moest maken, ook al omdat hij nou juist zoveel mogelijk buiten beeld moest blijven.

Monique brengt Charly’s bericht over aan Angelique, die Joop oppiept. Joop komt. Hij heeft geen pistool kunnen vinden, maar hij had toch al besloten het met een van de messen uit zijn verzameling te doen. Joop zal de auto van Angelique als vervoersmiddel gebruiken. Zijn eigen auto maakt te veel lawaai en is te opvallend.

Donderdag 18 juli moet het dus gebeuren. Angelique zet de wekker op 06.20 uur. Als ze naar buiten kijkt, ziet ze dat haar auto weg is en die van Joop er staat. Even na 7.00 uur belt Joop. ‘Het is niet doorgegaan,’ zegt hij. In de loop van de ochtend komt hij langs. ‘Verkeerd gereden’, zegt hij. In werkelijkheid heeft hij zich verslapen. Angelique belt met Charly, die zegt dat ze de vakantie wel een dag zullen verschuiven en dat Peter op de gewone tijd naar zijn werk zal gaan. Met andere woorden: vrijdagmorgen moet het gebeuren. En dit keer verslaapt Joop zich niet. Hij doet zijn ding. Even na halfacht komt hij strompelend en met grote, gespannen ogen bij Angelique. Hij omhelst haar en vertelt hoe het is gegaan. Dat hij mank loopt omdat hij die man geschopt heeft. Dat hij Peter drie keer met het mes heeft gestoken. Dat hij bij een paal is gaan staan, bij de auto, en dat er steeds lampen aan en uit gingen, elke keer als hij bewoog. Daarom had hij er één lamp uitgedraaid. ‘Die man begon al te gillen toen hij mij zag. Ik heb hem gestoken en toen heeft hij mijn petje van het hoofd geslagen. Toen hij was gevallen, heb ik hem nog in zijn gezicht getrapt. Ik moest het mes achterlaten omdat hij zich omdraaide. Ik kon het niet meer pakken en toen ben ik weggerend.’ Op de terugweg heeft hij langs de kant van de weg een jointje gerookt.

Anderhalve week later komt Charly voor het eerst weer langs bij Angelique. Ze zegt dat het resterende geld nog komt, maar dat dat niet direct kan omdat de politie haar in de gaten houdt. ‘Niet direct’ wordt: ‘Nooit meer.’

 

IV

Op 9 en 10 september worden Joop, Charly en Angelique aangehouden; Ramon blijft nog even buiten schot. Pas als de politie Charly vertelt dat Ramon buiten haar nóg een vriendin had, betrekt ze hem erbij en vertelt ze van de envelop met ¦ 10.000,- en dat Ramon echt wel wist waar dat geld voor was, toen hij het aan Angelique moest geven. De rechtbank in Roermond veroordeelt Charly en Joop tot acht jaar gevangenisstraf, Angelique tot vier en Ramon tot twee jaar. De officier van justitie vindt de straffen te laag en gaat in hoger beroep. Voor het Hof in Den Bosch eist procureur-generaal mr. J. Wubben tegen Joop en Charly elk twaalf jaar en tegen Ramon en Angelique vier jaar. Hij is niet zo onder de indruk van de uitvluchten die alle betrokkenen verzonnen. ‘Het doet mij denken aan krabben op het strand: terugtrekken als je bedreigd wordt, achterwaarts bewegen, maar wel je achtervolgers in het oog houden. Allemaal proberen ze hun aandeel te relativeren.’ Charly’s advocaat, mr. R. Julicher, wil vrijspraak. ‘Er is geen sprake van uitlokking, Charly heeft nooit gevraagd en nooit gezegd dat Peter vermoord moest worden. Met de uitvoering heeft ze niets te maken gehad, ze wekt alleen onbewust een sterk appèl tot hulp op bij haar omgeving. Bovendien heeft ze Peter na de aanslag wel geholpen: ze had hem ook kunnen laten liggen.’

Volgens de advocaat van Joop, mr. J. Marchal, heeft zijn cliënt door de aanslag ‘afgerekend met zijn eigen verleden van seksuele mishandeling. Voor geld alléén zou ik het nooit hebben gedaan,’ zegt hij, ‘het was een explosie van haat en woede.’

Mr. Arthur van der Biezen, de advocaat van Angelique, voert aan dat zijn cliënte in de periode dat het zich afspeelde aan een postnatale depressie leed. Ze was net bevallen, met de keizersnee en de wond wilde niet helen. Ook had ze veel zorg om het kindje van buurvrouw Monique dat een hartafwijking had. Bovendien had Joop zelf aangeboden de moord te plegen en had zij uiteindelijk geen cent ontvangen voor haar rol. Charly zou misbruik gemaakt hebben van Angelique’s kwetsbaarheden: Angelique was kneedbaar materiaal in de handen van intrigante Charly. In een slotwoord zegt Angelique zelf: ‘Het spijt me ontzettend voor meneer D. en dat ik dacht dat Charly een vriendin van mij was.’

De advocaat van Ramon, mr. R. Huijs, vindt dat zijn cliënt onmiddellijk in vrijheid gesteld moet worden. Ramon houdt zelf een lang betoog waarin hij omstandig uitlegt dat hij het gepraat over de aanslag niet serieus nam. Wat dat betreft komt het hem goed uit dat een bepaalde getuigenverklaring pas binnenkomt als het onderzoek al is afgesloten. Een vriendin van Charly vertelt daarin dat Ramon en Charly in maart 1996 al iemand zochten om de aanslag uit te voeren.

Van het slotwoord van Charly zijn slechts flarden verstaanbaar. ‘Een incident… Dat betreur ik… Ik heb niet steeds verhalen verteld. Het spijt mij…’ Het zal haar vooral voor zichzelf spijten: na de arrestatie bedreigt ze Peter. Als ze weer vrij is, zal ze het karwei afmaken. Het is allemaal zijn schuld: Peter heeft haar verslaafd gemaakt aan haar luxeleventje, en het is uiteindelijk zijn schuld dat haar dat nu is ontnomen.

De enige die oprecht berouw lijkt te hebben, is Angelique. Zij schuift de schuld niet op de anderen, maar steekt de hand in eigen boezem. ‘Ik begrijp nog steeds niet dat ik niet beter heb nagedacht, dat ik me zo heb laten manipuleren. Ik heb er ongelooflijk veel spijt van dat ik me zo heb laten meeslepen. Ik had beter moeten nadenken en minder emotioneel moeten zijn.’ Angelique heeft Peter ook een brief geschreven waarin ze haar spijt betuigt. Peter: ‘Daar heb ik meer waardering voor dan voor die Ramon. Charly heeft mijn Rolex en mijn camera gestolen en aan Ramon gegeven. Ik heb gevraagd of ik ze terug kon krijgen. Dat wilde hij niet.’ Zó overtuigend kon Charly liegen dat Peter er zelfs nu nog intrapt: Charly heeft gezégd dat ze de camera en het horloge aan Ramon heeft gegeven. Maar Ramon weet van niets.

Krabben die zich terugtrekken… De niet bij name te noemen, inmiddels zeer bekende modeontwerper die toch een week lang met Charly en Ramon optrok en die de dag vóór de aanslag tot drie uur ‘s nachts bij Charly was, lijdt aan een ernstige vorm van geheugenverlies. ‘Ik weet niet waar u ‘t over heeft,’ zegt hij. ‘Charly? Dat zegt mij niets.’

Intussen probeert Peter D., alleen in zijn grote villa, zijn leven weer wat op orde te krijgen. Zijn huis was een onneembare vesting geworden. Toen hij pas uit het ziekenhuis kwam, en Charly hem verzorgde, is hij bedreigd. ‘Dit keer een mesje, volgende keer een kogeltje,’ zei een anonieme beller. Peter is ervan overtuigd dat Charly daar de hand in heeft gehad, om de aandacht van zichzelf af te leiden. Hij heeft niet echt het gevoel dat zijn leven gevaar loopt, maar het gevoel van onveiligheid blijft. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen. ‘Als ik alleen in bed lig, met de deur op slot, ben ik toch nog bang!’

(aanleiding voor plaatsing van deze reportage – uit het boekje Moordvrouw! – is de aanhouding van de ex-vrouw van de in november 2017 in Neerpelt vermoorde zakenman Marcel van Hout. Kort voor zijn dood had hij haar in zijn testament opgenomen als enige erfgename. Zie hier)

Gerard Meesters: dood om zus

$
0
0

Het is een even unieke als gruwelijke moord in de Nederlandse misdaadgeschiedenis. In november 2002 wordt onderwijzer Gerard Meesters, die nooit een vlieg heeft kwaad gedaan, in de hal van zijn huis doodgeschoten. Niet door een misverstand, maar omdat ze eigenlijk zijn zus moesten hebben. Haar konden ze niet vinden, dus moest er maar iemand anders boeten. Haar broer. Getrouwd, vader van twee kinderen.

Het geeft aan hoe ongekend wreed de Engelse drugsbende te werk ging waar de zus in verzeild was geraakt. Het zal toeval zijn, maar kort nadat in april 2018 in Amsterdam Reduan Bakkali is vermoord omdat zijn broer zich heeft gemeld als kroongetuige, meldt het Openbaar Ministerie dat de moord op Gerard Meesters opnieuw wordt onderzocht. Het is zoals het Hof Leeuwarden in het arrest schreef: dat het neerschieten van een onschuldige burger getuigt van een in ons land tot dusver nog zelden getoonde wreedheid.

Janette Meesters

Op donderdagavond 28 november 2002 wordt in Groningen de 52-jarige onderwijzer Gerard Meesters in de hal van zijn huis doodgeschoten door een Britse crimineel. De bende waar de Brit deel van uitmaakt had iets te verhapstukken met zijn zus Janette (46), die samen met een vriendin de bende zou hebben bestolen van een partij drugs.

Janette en vriendin Madeleine (Brussen) waren met een busje aan het rondtrekken in Frankrijk en Spanje en hadden zich ingelaten met een Britse drugsbende, waarschijnlijk zonder te beseffen met wat voor loodzware criminelen ze te maken hadden. Ze zetten zich in voor het vervoer van een partij hasj en op een gegeven moment moeten ze op het idee zijn gekomen een partij achterover te drukken, of ze zijn slachtoffer geworden van anderen die hun de schuld gaven.

Madeleine Brussen

Hoe dan ook, de wraak was hard. Bendeleden hadden op een of andere manier het telefoonnummer en adres van een familielid van Janette in handen gekregen, broer Gerard in de Uranusstraat in de Groningse wijk Paddepoel.

Op 24 november 2002 komt er een viertal mannen bij Gerard Meesters aan de deur. Het zijn Amsterdammers, onder aanvoering van een man die later nog veel in het nieuws zou komen: Gwenette Martha. Hij gaat om met andere bekende jongens, zoals Dino Soerel, inmiddels veroordeeld tot levenslang in het Passageproces. Gwenette Martha is naderhand geliquideerd, maar in 2002 loopt hij vrij rond. Hij heeft net als Dino kennelijk contacten in Britse drugskringen.

Zelf heeft Gwenette niks met de affaire van Janette en Madeleine te maken, hij fungeert slechts als boodschappenjongen voor zijn Britse kennissen. Gwenette is in het gezelschap van drie kennissen. Eén van hen is een broer van Boneke Belserang. Deze Boneka is in februari 2009 bij Leiderdorp geliquideerd. Hij was een jeugdvriend van Gwenette.

Hoe dan ook, de vier mannen bellen aan bij Meesters. Gwenette doet het woord. Hij vraagt of Meesters weet waar hij zijn zus Janette en diens vriendin Madeleine Brussen kan bereiken. Meesters weet het niet, hij heeft al geruime tijd geen contact meer met Janette. Gwenette haalt dan een vloeitje (Mascotte) te voorschijn en schrijft daar een Spaans telefoonnummer op waarop Meesters hem kan bereiken. Dat nummer moet hij bellen om te vertellen waar Janette zit. Als hij dat niet doet komen ‘ze’ terug en dan zal het niet bij praten blijven.

Meesters belt de politie en gaat voor alle zekerheid die nacht met vrouw en twee kinderen uit huis: ze voelen zich niet veilig. De politie doet niet veel, behalve een keer extra rondrijden in de buurt. Dat het gevaar zo groot zou zijn had niemand verwacht.

Maar ‘ze’ komen terug.

Niet Gwenette en de broer van Boneka, dit keer zijn het twee Engelsen. Leden van de beruchte Britse bende van Robert Dawes. Het zijn Steve Barnes en Daniel Sowerby. Op donderdagavond rond zeven uur komen ze bij Meesters aan de deur en schieten hem dood, met acht kogels. Ze hebben hun slachtoffer niet eens meer de kans gegeven informatie te verstrekken, het is een pure liquidatie. Niet lang daarna luistert de politie een telefoongesprek af waarin een van de bendeleden zegt: “Ja, we hebben met diegene afgerekend. Niet met haar persoonlijk, maar we hebben wraak moeten nemen op iemand in haar nabijheid. We wilden het niet doen, maar we hadden geen andere keus.”

Huurbusje

Wat had Janette misdaan? Janette is het zwarte schaap van de familie. In het najaar van 2002 trok ze met vriendin Madeleine Brussen door Spanje, in een huurbusje. Bij een alcoholcontrole werden ze aangehouden. Beide dames hadden stevig gedronken, ze mochten niet verder rijden en het busje werd in beslag genomen en ging terug naar de verhuurder. Daar bleek dat er in het busje 350 kilo softdrugs zat. De huurmaatschappij schakelde de politie in, Janette en Madeleine waren al ondergedoken: die zagen de bui al hangen. Probleem was dat er volgens de eigenaar van de drugs geen 350 kilo in het busje had gezeten, maar 1500. Waar waren de andere 1150 kilo’s? Hadden de Groningse dames de boel een beetje belazerd?

Tijdens het proces tegen een aantal verdachten van de liquidatie van Meesters, dat in 2005 bij de rechtbank in Groningen diende, werden heel wat achtergronden duidelijk. Zo bleek dat het telefoonnummer dat Meesters op 24 november kreeg terug te leiden is tot Tony Spencer, een belangrijke pion in de beruchte criminele familie Dawes uit Nottingham. De drugs die Janette en Madeleine in Spanje hadden gestolen waren van Rob Dawes, die Tony inschakelde om de boel te regelen. Tony schakelde twee Britse criminelen in: Steven Barnes(29) en Daniel Sowerby(47). Steven had ruzie gehad met de familie Dawes: hij zou een kleine hoeveelheid drugs hebben gestolen. Hij werd gruwelijk mishandeld en verbannen naar Nederland, waar hij blindelings alle bevelen vanuit Engeland moest opvolgen.

Gestuntel

Daniel Sowerby was in 1978 in Engeland tot levenslang veroordeeld wegens moord. In 2000 wist hij te ontsnappen en dook hij onder in Nederland. In 2003 werden ze aangehouden voor de moord op Meesters. Steven bleek een maand na de moord in Spanje op het matje te zijn geroepen bij Robert Dawes waar hij helemaal in elkaar was geslagen. Door zijn gestuntel was de politie hem op het spoor gekomen. Na zijn arrestatie legde Steven Barnes een bekentenis af. Daniel Sowerby niet, maar er viel weinig te ontkennen: zijn vingerafdrukken waren gevonden op het briefje dat hij aan Meesters gaf, met het telefoonnummer. Bovendien waren ze een kwartier eerder met hun auto geflitst op de ringweg van Groningen, wegens te hard rijden.

Korte metten

Barnes verklaarde dat hij Daniel op de dag van de moord wel naar Groningen had gereden, maar dat hij in de auto was blijven zitten. Daniel verklaarde bij de politie dat hij onmogelijk een bekentenis kon afleggen: als hij dat wel zou doen zou het leven van al zijn familieleden in gevaar zijn, de Dawes-familie maakt niet alleen korte metten met ‘verraders’ maar ook met hun familieleden. Zoals ook blijkt uit de moord op de volkomen onschuldige Gerard Meesters: “Als je crimineel bent, moet je je altijd zorgen maken over je familie.”

De uitvoerders werden aangehouden en berecht. Steve Barnes kreeg acht jaar, Daniel Sowerby – de schutter – werd voor de tweede keer tot levenslang veroordeeld. Baas Robert Dawes wist de dans nog geruime tijd te ontspringen, maar ook hij werd opgepakt: in juni 2008, in Dubai.  Waar Janette en Madeleine zijn en of ze nog leven is niet bekend. De politie heeft na de moord op Gerard Meesters wel contact met hen gehad, maar daarna zijn ze met onbekende bestemming vertrokken.

Koen en Annemarie

Rob Zijlstra, rechtbankverslaggever van het Dagblad van het Noorden, heeft deze zaak als geen ander gevolgd. Hij sprak erover met Koen en Annemarie Meesters, zoon en dochter van Gerard. Hij is erbij als Daniel S. terechtstaat in de bunker in Osdorp. Hij vraagt begrip voor zijn situatie. “Jullie moeten begrijpen dat ik niet kan bekennen, dan heb ik geen leven meer. Dit dossier zal gebruikt worden voor de vervolging van de opdrachtgever. Als mij niets overkomt, dan mijn broers wel of neven of nichten.”

Het dossier wordt niet gebruikt. Het Openbaar Ministerie beschuldigt Robert Dawes van het geven van een opdracht tot moord, maar merkt hem niet aan als verdachte omdat ze niet de link zien tussen de moord en Robert Dawes. Er zijn andere prioriteiten.

In november 2015 is Dawes vrij, maar dan wordt hij op verzoek van Frankrijk gearresteerd in Spanje, in zijn villa in Benalmádena. Voor de smokkel van 1300 kilo cocaïne van Venezuela naar Frankrijk.

Belazerd

Rob Zijlstra sprak met de gepensioneerde politieman Roelf Wessels die het onderzoek naar de moord op Gerard Meesters leidde. “Voor ons was het klip en klaar dat we Robert D. moesten hebben. Zijn werkwijze: pak je wat van mij af, 1500 kilo drugs, dan pak ik wat van jou en dat was het leven van een mens, van Gerard.” Dochter Annemarie en zoon Koen voelden zich “belazerd en machteloos.” Ze bezochten de toen 59-jarige Daniel S. in de gevangenis. Hij was ziek: kanker, zonder kans op genezing. Hij toonde geen emotie en ontkende dat hij de schutter was geweest.

Hun hoop op enige openheid was dat Daniel toch niet veel meer te verliezen had, vanwege zijn dodelijke ziekte. Dat bleek mee – of tegen – te vallen: enige tijd later bleek Daniel wonderbaarlijk genezen.

In november 2017 doen Koen en Annemarie aangifte tegen Dawes. In april 2018 laat het OM weten dat er opnieuw naar het dossier is gekeken, dat er vervolgens nieuwe informatie binnen is gekomen en dat dit aanleiding is voor een nieuw onderzoek. Meer wil het OM hierover voorlopig niet kwijt.

 

 

Peter R. versus Willem H.: DWDD 2012, Bunker 2018

$
0
0

Tijdens zijn verhoor als getuige in de Holleeder-zaak op maandag 9 april in de Bunker komt Peter de Vries ineens op de proppen met een door Holleeder getekende verklaring waarin hij afstand doet van alle rechten op het boek en de film over de Heinekenontvoering. Zowel Peter de Vries als Astrid Holleeder hadden al een keer tegen Willem gezegd dat deze verklaring er was, maar hij had ‘m nooit gezien en kon zich ook niet voorstellen dat hij zoiets had getekend.

Er is hier hoe dan ook een merkwaardig spelletje gespeeld. Voor de Amerikaanse verfilming was het van cruciaal belang een afstandsverklaring te hebben van Holleeder. Het leidt weinig twijfel dat deze op enigszins slinkse wijze is verkregen: Peter de Vries had een voorbeeldbrief aan Sonja gegeven en haar precies laten zien hoe en waar Willem moest tekenen. In de veronderstelling dat hij papieren tekende voor zijn ziektekostenverzekering, moet hij zijn handtekening, zijn naam, de plaatsnaam en de datum hebben gezet.

Het lijkt erop dat Holleeder zich terecht in de maling genomen voelde. Toen hij dat ontdekte en erover tekeerging tegen Sonja, werd dat gesprek stiekem opgenomen. Heel Nederland heeft dat inmiddels vele keren kunnen horen, in nieuwsprogramma’s en talkshows.

Dit speelde allemaal in de periode dat Holleeder vrijkwam uit de gevangenis. Op de dag van zijn vrijlating, 27 januari 2012, zit Peter de Vries bij De Wereld Draait Door, met als tafelheer Marc-Marie Huijbregts. Hij heeft ’s middags een ontmoeting gehad met Holleeder en ‘de eerste foto’ gemaakt. Het is om allerlei redenen een gedenkwaardig gesprek.

Het staat hier nagenoeg compleet uitgewerkt, met aanvullingen uit dossiers en van het verhoor van maandag 9 april, waarbij Peter en Willem elkaar in de haren vliegen en Willem Peter ‘een smerige oplichter’ noemt en zegt dat hij eringeluisd is. Een aardig detail aan het eind is dat Matthijs van Nieuwkerk vraagt of Peter het met Willem nog heeft gehad over de film. Voor de goede orde: het gesprek staat als fragment op Youtube. Daar kom je uit als je op bovenstaande afbeelding klikt. Vreemd genoeg stopt het gesprek als het over de film gaat, wie het hele gesprek wil zien moet de complete aflevering terugkijken (dat kan via deze link)

DWDD, 27 januari 2012:

Matthijs van Nieuwkerk kondigt aan dat iemand erin is geslaagd Holleeder op te sporen, een foto van hem te maken en een gesprek met hem te voeren “en dat is Peter R. de Vries. Peter, gefeliciteerd. Waarom is het jou gelukt?”

Peter: Mjah, misschien een beetje geluk en misschien ook een kwestie van dertig jaar dit vak beoefenen en altijd heel consequent doen en ja, dan bouw je relaties op.

Matthijs: Wanneer wist je dat hij vrijkwam?

Peter: Toen iedereen dat hoorde, eigenlijk. Deze week wist ik dat het deze week zou plaatsvinden.

Matthijs: Het zou dinsdag gebeuren. Vandaag. Wist je dat al?

Peter: Ik had wel indicaties dat het eraan zat te komen.

Matthijs: Dan moet je hem bellen, denk ik, je moet een afspraak maken?

Peter: Ja, maar hij heeft geen telefoon, natuurlijk.

Matthijs: Kan je ons vertellen hoe dat gaat?

Peter: Ik heb kenbaar gemaakt,  dat werd eigenlijk veroorzaak door DWDD, die zei: als Holleeder vrijkomt, zou je dan bij ons in de uitzending willen zitten, om daar over te praten. Van de week heb ik in heel veel uitzendingen mensen zien zitten die daar ook hun licht over lieten schijnen. Dan merk je dat het voor een heel groot gedeelte speculeren is. Ik heb toen kenbaar gemaakt: “Ik word ook gebeld, ik heb niet zo’n zin om te speculeren, kan ik Willem niet spreken?” Toen heeft een familielid ervoor gezorgd dat ik wist waar hij was en daar ben ik vanmiddag naar toe gegaan.

Matthijs: In een bos.

Peter: Ja, in een bos.

Matthijs: Waar?

Peter: Een kilometer of dertig, veertig van Amsterdam af.

Matthijs: Spanderswoud, Hilversum?

Peter: Nee.

Matthijs: Geheimzinnig. Daar staat achter boom drie…

Peter: Hij zei eigenlijk van: “Ik had wel even behoefte aan wat frisse lucht.” Daar kon ik me ook wel wat bij voorstellen, als je zes jaar binnen hebt gezeten en alleen op een luchtplaats hebt rondgelopen.

Matthijs: Was hij alleen?

Peter: Er waren familieleden bij.

Matthijs: Oké, laten we even kijken naar het laatste nieuws (overzicht met nieuwsberichten van de afgelopen jaren)

Matthijs: Waar heb je ’t over gehad?

Peter: Voor het grootste deel over zijn gezondheid. Hij maakte mij keer op keer duidelijk dat als ik meer inhoudelijke vragen stelde over waar hij nou ging wonen en hoe hij tegen bepaalde zaken aankeek, dat hij geen interview wilde geven, dat hij ook absoluut de komende weken, maanden, jaren niks met de media zal doen, hij zegt: “Ik ga nergens zitten, ik ga niemand een interview geven, dus ik ga ook niet inhoudelijk op dingen in.” Dat was wel jammer, ik heb het natuurlijk wel linksom en rechtsom geprobeerd, maar hij wilde voornamelijk antwoord geven op vragen over hoe het met hem ging, zijn gezondheid.

Matthijs: Je mocht twee foto’s nemen?

Peter: Nou, mocht, mocht. Ik heb foto’s genomen.

Matthijs: Met je telefoon.

Peter: Gewoon met mijn telefoon.

Matthijs: Ongevraagd?

Peter: Hij liep en kwam op mij toelopen.

Matthijs: Hij zei niet: Wat doe je nou?

Peter: Ik zei:”Ik moet wel foto’s hebben als bewijs, natuurlijk.” Hij zei: “Wat doe je?” Ik zei: “Wat denk je?” “Nee, maar geen foto’s.” Ik zei: “Ja, kom op, Willem, de hele pers zit achter je aan, je kan geen krant openslaan of er staat een foto van je in, kom op zeg.” Nou, toen liet hij dat erbij.

Matthijs: De laatste foto, laten we maar kijken

(De foto wordt getoond).

Tot zover even DWDD. Gaan we naar het getuigenverhoor in de Bunker, donderdag 15 februari

Rechter Frank Wieland: Sonja en Astrid hadden een huisje gehuurd bij Apeldoorn.

Holleeder: Ja.

Rechter: Daar bent u naartoe gegaan? Hoe lang heeft u daar gezeten?

Holleeder: Een paar weken. Toen ben ik een paar dagen bij Sandra geweest en daarna heb ik een woning geregeld in Huizen

Rechter: U hebt met Peter de Vries afgesproken dat hij een foto van u zou maken, de eerste na de vrijlating. Dat is niet helemaal lekker gelopen? U had met hem een prijsafspraak gemaakt.

Holleeder: Ik heb gezegd: dan delen we wel.

Rechter: Weet u wat er is verdiend?

Holleeder: 10 ruggen.

Rechter: Hoe gaat dat dan?

Holleeder: Dat zijn hun dingen.

Rechter: Was er een afspraak over percentages?

Holleeder: We zouden delen.

Rechter: Ik zou zeggen: Ik ben Willem Holleeder, ik wil 80 procent.

Holleeder: Gewoon samen delen.

Rechter: U zegt: ik heb er niets van gekregen?

Holleeder: Jawel. Hij heeft 3000 euro aan Sonja gegeven. Als het goed is.

Rechter: U zegt: “Ik had aanvankelijk niets gekregen, toen heb ik Peter erover aangesproken bij SBS, bij de Arena voor de deur, we kregen woorden.”

Holleeder: Hij zei dat hij het niet van de bank kon halen. Dat is natuurlijk raar, je kan toch gewoon je geld van de bank halen?

Rechter: “Later zei Sonja dat Peter echt geen geld van de bank kon halen, toen werd ik boos op Sonja. Peter zei later dat ik 3500 zou krijgen. Ik heb gezegd dat hij het geld aan Sonja moest geven. Ik heb 3000 van Sonja gekregen.” 

Holleeder: Ja.

Rechter: Dan denk ik: 10.000 ruggen min 3500 is 6500, waar is de rest gebleven?

Holleeder: Ik denk dat hij de belasting eraf gehaald heeft.

Rechter: Het is…

 Tot zover dit verhoor.

Peter de Vries had het over ‘familieleden’ die erbij waren bij dat eerste gesprek, de rechter noemt expliciet Sonja en Astrid. In een eerdere verklaring zegt Holleeder dat zij een huisje voor hem hadden gehuurd bij Apeldoorn en hadden geregeld dat Peter de Vries hem die dag heeft gezien in de bossen bij Zeist. Holleeder zegt dat hij de foto met Peter heeft geregeld om af te komen van alle fotografen die de eerste foto wilden maken en dat ze de opbrengst zouden delen.

Verder bij DWDD, nadat de foto is vertoond.

Matthijs: Wat moeten we zeggen? Sterk vermagerd, denk ik toch?

Peter: Ja, hij is behoorlijk afgevallen, hij ziet er en beetje tanig uit, gelijnd. Hij heeft wel een jas uitgedaan, maar hij was voor mij – ik had hem jaar of vijf niet gezien – toch wel de oude Holleeder, de manier waarop hij sprak.

Matthijs: Het feit dat hij jou gedoogt, jou uitnodigt…

Peter: Hij heeft mij niet uitgenodigd, ik heb hem gevraagd.

Matthijs: Maar dat doet-ie niet voor niks. Word jij ook een beetje gebruikt?

Peter: Nou, gebruikt. Ik ken hem en hij kent mij. Op het moment dat ik dan voor zijn neus sta, want zo is dat gegaan met dat familielid, dan is hij niet zo dat hij zich op dat moment omdraait. Naar mij toe was het ook wel zo, dat als ik dan blijf vragen: “Nou Peter, nou moet je ophouden, niet zeiken, ik heb je net gezegd dat ik niet inhoudelijk op dingen wil ingaan.” Daar is hij dan echt wel gedecideerd in, hij is niet met een natte vinger te lijmen.

Matthijs: Hij is niet vervolgd, ze hebben zes jaar de tijd gehad om de liquidaties rond te maken, dat is niet gelukt. Veel mensen zeggen: schande, raar, dat die man op vrije voeten is, dat hoort niet. Wat vind jij?

Peter: Er spelen twee dingen. Aan de ene kant moet je vaststellen dat Willem Holleeder niet uit het Leger des Heils komt. Aan de andere kant heeft een leger van rechercheurs – en dat waren bepaald geen Bromsnorren of veldwachters-  zich de afgelopen zes jaar op hem gestort. Hij is in de gevangenis zes jaar lang 24 uur per dag onder observatie geweest. Elk telefoongesprek, elk bezoek werd afgeluisterd. Als je dan na zes jaar, met zoveel mankracht, niet genoeg hebt om hem terecht te laten staan…

Matthijs: Dus het is denkbaar dat hij met al die liquidaties waarmee zijn naam in verband is gebracht – die kennen we allemaal inmiddels – dat hij daar niets mee te maken heeft gehad.

Peter: Daar is in ieder geval geen bewijs voor en je moet ervoor uitkijken dat het geen self fulfilling prophecy wordt. Omdat iedereen er maar over schrijft, dus is het zo. Zelfs de politiek zei: “De politie moet dan maar beter zoeken, als ze niks hebben gevonden.” Dat vind ik wel een beetje over de grens gaan, bijna.

Matthijs: Wat denk je zelf?

Peter: Hij komt niet uit het Leger des Heils en het is natuurlijk opvallend dat een behoorlijk aantal mensen uit zijn omgeving niet meer leeft.

Matthijs: Hij had recht op verlof. Dat heeft hij niet genomen, omdat hij dacht: buiten de gevangenis krijg ik de kogel, van links of rechts.

Peter: Dat is niet waar. Dat is een van de dingen die hij vanmiddag dan wel tegensprak, dat zat hem hoog. Hij zegt: “Ik word in de kranten afgeschilderd als een soort lafaard, maar ik heb wel degelijk verlof aangevraagd, maar ik heb het niet gekregen, ik heb er zelfs beroep tegen aangetekend.” Als je in de gevangenis zit wordt er een soort van profiel van je opgemaakt en als dat verhoogd, hoog of extreem is, kom je niet voor die privileges in aanmerking en Holleeder had het predikaat extreem. Hij zegt: “Ik wilde dolgraag naar buiten, ik heb het aangevochten, maar het mocht gewoon niet.” Nou ja, dat was een puntje waar hij dan wel op inging.

Matthijs: Dus dat mag je dan namens hem wel zeggen?

Peter: Nou ja, mag, mag.

Matthijs: Nou ja, hij gaat geen interviews meer geven.

Peter: Nee, nee.

Matthijs: Hoe gezond is hij? We horen: een kwart van zijn hart doet het nog. Hij is niet alleen bedreigd door kogels van links of rechts, maar ook door zijn eigen hart. Klopt dat?

Peter: Ja, die hartkwaal is vrij ernstig, daar zit-ie ook wel mee, daar heb ik vanmiddag wel vrij uitvoerig met hem gesproken.

Marc-Marie: Hoe lang heb je hem gesproken?

Peter: Ik denk: een half uurtje. Daarin heeft hij voornamelijk over zijn harttoestand gesproken. Dat werkt 20 tot 25 procent. Hij zegt zelf: dat hart is helemaal kapot, hij heeft een lage levensverwachting, dat realiseert hij zich ook. Aanvankelijk zeiden de artsen: je hebt nog twee jaar. Nou, die twee jaar zijn er al vijf geworden, maar hij zegt: ik heb geen garantie tot volgende week. Hij moet aan een heel streng dieet, hij  mag absoluut geen zout eten. Dat is ook een van de redenen dat hij zelf kookt. Zodat hij kan zien wat erin gaat. Ja, sommige dingen moet je soms met een korreltje zout nemen, maar dat mag dus niet bij hem.

Matthijs: Flauwe grap zeg (gelach)

Peter: Hij liet mij ook zijn pillen zien, die had hij in zijn jaszak zitten. Dat was een hele apotheek. Het vervelendste van alles is, zegt hij, dat ik door die pillen snel moe ben. Als hij ’s middags  geen twee uur slaapt, komt-ie de dag niet door.

Matthijs: Lekker rustig, denk ik dan.

Peter: Een middagdutje.

Matthijs: Eerst de Jakhalzen, dan praten we verder. Wat hij gaat doen, of hij nog gevaarlijk is etcetera en of we hem niet verheerlijken.

Marc-Marie: En hoe het afscheid was. Loopt hij het bos in en zegt hij: ‘Dáág!’ Dat vind ik wel interessant.

Peter: Dat is nog wel een grappig verhaal.

De Jakhalzen: Jakhals Erik was in de Jordaan, waar Holleeder een huis zou hebben geregeld. Er zijn een paar straatinterviews met Jordanezen, die wordt gevraagd waar het feest is. Dan een interview met Ben Cramer. Hij trad op het feest in het Marriott Hotel, na de vrijlating van Cor van Hout, nadat Cor en Willem hun straf hadden uitgezeten. In een van de verhoren in de Bunker zei Holleeder overigens dat hij daar weinig mee te maken had gehad: het was het feestje van Cor.

Ben Cramer: “Ik kan het me herinneren als de dag van gisteren. Ik hoorde in één keer de band een tune spelen en dat ging als volgt (Ben zingt: “Heerlijk helder Heineken!”) Wat een raar begin van de avond, dacht ik bij mezelf. Het was voor mij gewoon een feest, ja, weet ik veel.

Vervolgens met Auke Kok (‘Biograaf Holleeder’) voor het café in de Jordaan waar Cor en Willem opstonden van de tafel, tijdens de ontvoering, en zeiden: “Kom, we gaan Heineken even zijn chineesje brengen.”

Auke Kok: “Iedereen lachen: ‘haha, die gekke jongens toch.’ Een week later sloegen ze De Telegraafopen en daar stond dat ze het inderdaad waren.”

Ben Cramer: Heineken heeft mij een paar dagen daarna gebeld.

Erik: Freddy!

Ben Cramer: Ja. Hij zei: “Ben, maak je er niet druk om, ik vind het helemaal niet erg, Maar by the way, mag ik je wat vragen (en het is echt waar wat ik nou zeg hè), hij zegt: wat voor bier werd er geschonken?” Ik zeg: Heineken. Hij zegt: “Nou, dan is er toch niks aan de hand?”

Erik loopt met Auke Kok door de Jordaan: “Dit was de weg die hij naar school liep, toen hij nog Wimpie heette.”

Oud-buurvrouw Tante Rietje had een supermarktje. Erik vraagt of het een slechte jongen was. “Nee hoor, volgens mij niet.”

Erik: Liep Willem daar ook al te jatmozen dan?

Tante Riet: Dat zeg ik: bij mij niet.

Erik aan Ben Cramer: Als jij gevraagd wordt, treed je dan weer op?

Ben: Ja hoor.

Erik: Of het nou voor Khadaffi is of voor de Heinekenontvoering…

Ben: Nounou, we moeten het een beetje beperkt houden natuurlijk.

Auke Kok: Of hij nou vanavond ergens  in de Jordaan op de tafel gaat dansen… Hij heeft een heel zwak hart, dan valt hij er zo af.

Erik: Nou en? Dat is een crimineel minder.

Auke: Nee, ik gun iedereen het beste.

Tot zover De Jakhalzen.

Matthijs: Peter, voor je het weet vinden we het een toffe gozer. Zie ook de Jakhalzen, Het is gewoon een gangster, toch?

Peter: Er wordt steeds geroepen: “We moeten oppassen dat we hem niet verheerlijken en: toffe gozer,” maar als ik de publiciteit zie, zie ik alleen maar dat die man in verband gebracht wordt met zware criminaliteit, liquidaties, aanslagen en noem maar op, ik zie eerlijk gezegd die verheerlijking niet.

Marc-Marie: Er is wel een fascinatie toch?

Matthijs: Er is een fascinatie, die deel ik ook wel. Moet hij vrezen voor zijn leven? Een kogel uit een pistool?

Peter: Nou… Ik zou niet met hem willen ruilen, wat dat betreft.

Matthijs: Moet hij achterom kijken?

Peter: Een aantal van zijn veronderstelde vijanden zijn er niet meer, die zijn dood. Maar ik denk dat hij echt wel moet uitkijken. Als je de geschiedenis kent…

Matthijs: Maakt niet uit waar hij is. Waar ook ter wereld. Zuid-Amerika, China, Japan.

Peter: Nederland is wat dat betreft natuurlijk het meest gevaarlijke terrein dan.

Matthijs: Blijft hij in Amsterdam?

Peter: Ik weet niet of hij in Amsterdam is,

Matthijs: Men zegt: hij is een Amsterdammer, hij is verknocht aan die stad.

Peter: Ik denk van niet. Daar wilde hij overigens niet op antwoorden, ik vroeg natuurlijk ook waar hij ging wonen. Dat wou hij niet zeggen. Ik heb de indruk dat-ie wel begrijpt dat-ie zich in Amsterdam bijna niet kan vertonen. Hij vanmiddag letterlijk tegen mij, daar maakte hij zich een beetje zorgen over:  “Ik moet wel een keer naar Albert Heijn eerdaags, en kan dat dan wel?”

Matthijs: Maar Peter, hij gaat toch nooit naar Albert Heijn?

Marc-Marie: Nee!

Peter: Dat zal die wel moeten.

Matthijs: Ze kunnen toch ook langskomen?

Peter: Hij moet natuurlijk toch wel een keer ergens komen, gewoon over straat.

Matthijs: Hij ging toch nooit naar Albert Heijn?

Marc-Marie: Maar nou wil-ie er graag naar toe! Maar heeft-ie nog heel veel geld?

Peter: Ik weet het niet. Hij heeft een ontnemingsvordering van 17 miljoen in de zaak van Paarlberg. Er is overigens nooit aangetoond dat hij dat geld heeft, er is nooit één euro van in zijn richting gevonden. Justitie heeft wel die vordering ingesteld. Mja.

Matthijs: Gaat-ie zelf weer terug de misdaad in?

Peter: Ja, kijk, dat is iets waar hij natuurlijk geen antwoord op geeft.

Matthijs: Jij met al je kennis…

Peter: Ik denk van niet.

Matthijs: Kan-ie iets anders?

Peter: Hij kan niet echt iets anders, maar het is niet raadzaam voor hem om dat te doen en gezien zijn gezondheidstoestand denk ik dat hij wel iets anders aan zijn hoofd heeft.

Marc-Marie: Maar is hij ooit iets geweest, iets anders, zeg maar: een beroep? En dan later crimineel, of is hij altijd crimineel geweest?

Peter: Hij heeft in de aannemerij gezeten, maar ook daar gingen de dingen natuurlijk altijd wel zwart.

Matthijs: Heb je het gehad over je film? Jij gaat de Heinekenontvoering verfilmen.

Peter: Nee.

Matthijs: Er is veel te doen geweest over de film van Maarten Treurniet.

Peter: Daar hebben we helemaal geen woord over gewisseld.

Matthijs: Heeft hij jou een vraag gesteld?

Peter: Hij vroeg wel hoe het met mij ging, maar…

(tot zover het fragment op YouTube, maar het gesprek gaat nog wel even door)

Matthijs: Waarom heb je het niet over die film gehad, eigenlijk?

Peter: Eigenlijk begin jij er nu over, dat ik me realiseer dat we het er met geen woord over hebben gehad. Er waren eigenlijk zoveel andere dingen te bepraten. Ik wilde van hem voornamelijk dingen weten, dus eh, die kant ging het gesprek steeds op. Dat ik wat vroeg.

Achteraf is vast te stellen dat Holleeder al vrij snel van gedachten is veranderd: diezelfde week nog had hij een ontmoeting met misdaadjournalist Bas van Hout en de week erna sprak ik hem in Laren, op mijn verzoek, omdat ik bezig was met een boek over Cor van Hout. In oktober van dat jaar was hij gast in de College Tour van Twan Huys en in de loop der jaren ontwikkelde hij zich tot ‘knuffelcrimineel’ en werd hij veelvuldig in Amsterdam gesignaleerd, in tal van horecagelegenheden. Hij liet zich fotograferen met bekende en onbekende Nederlands. Meestal in het gezelschap van fotograaf Ferry de Kok. Hij schreef een wekelijkse column in Nieuwe Revu.

Als hij vanaf maart 2018 in de Bunker in Osdorp terechtstaat, komen sommige details uit dit gesprek bij DWDDin een heel ander daglicht te staan.

Holleeder die zelf zou gaan koken?

Hij at nóóit thuis.

Over zijn hartproblemen heeft niemand hem ooit nog gehoord. Zijn zussen Astrid en Sonja beweren dat hij hen – en eigenlijk zijn hele familie – al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw heeft geterroriseerd. Het lijkt erop dat ze er meteen al van alles aan hebben gedaan om hem weer terug de gevangenis in te krijgen, wat uiteindelijk ook is gelukt. Met hulp van Peter de Vries.

Dat de film niet ter sprake is gekomen, is niet zo vreemd: daar lag een heel gevoelig punt. Het was natuurlijk al bekend dat Holleeder zich zou verzetten tegen een film – dat had hij eerder gedaan tegen de hier besproken Nederlandse verfilming van Maarten Treurniet, waar zijn personage min of meer uit gehaald is en ingenomen door Martin Erkamps. Voor de Amerikaanse verfilming, met Anthony Hopkins, moest er een afstandsverklaring worden overlegd.

In de zitting van maandag 9 april kwam Peter de Vries ineens met een door Holleeder getekende verklaring op de proppen. Getekend op 4 april 2012, in Amstelveen. Hij doet hierin inderdaad afstand van alle rechten. Peter de Vries leest het stuk voor. Holleeder en zijn advocaat lijken volledig overdonderd. Volgens Holleeder had Sonja hem allerlei papieren voor de ziektekostenverzekering laten tekenen en had hij zijn leesbril niet bij zich. Hij had dit stuk nooit gelezen, “ik ben geen gekke Gerritje, zo’n brief zou ik nooit tekenen. Wat hij nu opleest, alleen een gek tekent dat.”

Het verhoor van donderdag 9 april

Advocaat Sander Janssen: We hebben het eerder gehad over het boek en de film. Over het boek is een afspraak gemaakt tussen u en Cor, de andere ontvoerders hebben nooit aanspraak gemaakt op de opbrengst daarvan.

Peter: Klopt.

Janssen: Op een gegeven moment komt Thomas van der Bijl in beeld.  Hoe is dat gegaan?

Peter: Is dat relevant? Toen we dat boek aan het schrijven waren, was de ontvoering heel recent. Er was vrees bij mij dat Heineken beslag zou kunnen leggen op het boek. Ik wilde niet dat ruim een jaar werk in de prullenbak zou verdwijnen. In overleg met een fiscalist is besloten een contract te maken waarbij Thomas het levensverhaal overnam, daar een betaling voor heeft gedaan, en hij dus eigenaar werd van het levensverhaal van Cor van Hout, waardoor er moeilijker beslag op te leggen zou zijn. Het was een soort constructie.

Janssen: Hij heeft de opbrengst niet zelf gekregen.

Peter: Ik heb elk jaar de opbrengsten naar Thomas overgemaakt.

Janssen: Hij heeft het afgestaan.

Peter: Dat was aan hem. Dat is ook in overleg met de belasting zo gegaan.

Janssen: Daarna komt de film. Dit speelt in 2011. Er was een vraag in hoeverre Boellaard en Meijer en hij het eens waren met die film en of ze zouden meedelen. U hebt daar ook met Boellaard en Meijer zelf over gesproken.

Peter: Ja.

Janssen: Was het eerst Holleeder die contact zocht, of eerst Boellaard en Meijer?

Peter: Willem heeft meerdere keren zich daar tegenaan probeerde te bemoeien. Bij Astrid en Sonja en bij mij.

Janssen: Boellaard en Meijer zijn wel bij u geweest.

Peter: Dat kan ik in mijn agenda wel terugvinden,

Janssen: Wat was hun lezing?

Peter: Zij wilden meedelen in de film, ze vonden dat ze er recht op hadden.

Janssen: Hebben ze zich uitgesproken over het verschijnen van de film?

Peter: Het verschijnen was geen probleem, ik had de indruk dat ze dat wel mooi vonden.

Janssen: Wat was de reden voor hen om te denken dat ze zouden moeten meedelen?

Peter: Omdat ze ervoor gezeten hadden.

Janssen: Waren er afspraken over gemaakt?

Peter: Nee, die afspraken zijn niet gemaakt.

Janssen: Dat weet u?

Peter: Dar weet ik. Ze hebben niet aannemelijk gemaakt dat ze er wel waren, ik heb er veelvuldig contact met Cor over gehad, Cor heeft altijd bevestigd dat er geen afspraken over waren. Hij stopte Frans Meijer en Jan Boellaard weleens wat toe. Boellaard is voor een ander misdrijf veroordeeld, het doodschieten van een douanier, Cor stortte af en toe geld op zijn gevangenisrekening. Maar niet omdat dat moest.

Janssen: Zeiden ze in het gesprek met u dat er wel een afspraak was?

Peter: Nou… ’s Even denken. Zij claimden dat ze vonden dat ze er recht op hadden. Ik heb gezegd: de opbrengsten van het boek vallen in de erfenis van Cor van Hout en Cor heeft in zijn testament bepaald wat er moeest gebeuren. Als hij wilde dat er wat anders mee gebeurde, had hij dat wel aangegeven. Dat heb ik ook de familie van Cor meegedeeld, die na de dood van Cor bij mij aan bel trokken. Cor zou gewild hebben dat zij ook in de erfenis deelden. Adje en zijn zus vroegen of ik daarin wilde bemiddelen, dat ze een aandeel zouden krijgen. Toen heb ik gezegd: “Het spijt me verschrikkelijk, maar Cor heeft een testament en daar staat het niet in. Anders had hij het wel anders gedaan.” Die boodschap heb ik ook aan Meijer en Boellaard gegeven. Ik heb ook gezegd: “Sonja en de kinderen staat het vrij jullie daar wat van te geven, maar bij mij ben je aan het verkeerde adres.”

Janssen: Op die opnames hebben we kunnen horen dat er met Willem Holleeder een hoop gedoe was over die film, hij was boos om dezelfde reden als: “Ik wil die film niet, mijn kind zit op school, het komt weer in de media.” Heeft u daar met hem over gesproken?

Peter: Ja, daar hebben we over gesproken en dat heeft ertoe geleid dat er een verklaring door Willem Holleeder is getekend waarin hij uitdrukkelijk toestemming geeft tot het maken van de film en bevestigt dat hij geen aandeel daarin hoeft te hebben en dat er nooit een afspraak over is gemaakt. Die verklaring is klip en klaar en het verbijstert mij dat hij loopt te chicaneren daarover. Die verklaring is 100 procent duidelijk, er staat in dat die film er komt, dat hij er geen bezwaar tegen heeft, dat hij nooit in het boek heeft meegedeeld en dat dat ook voor de film geldt. What more is there to say?

Rechter: Een handtekening misschien? Heeft hij iets getekend?

Peter: Natuurlijk heeft hij getekend.

Rechter: Waar is die verklaring?

Peter: Die zit in mijn map.

Officier van justitie Sabine Tammes: Wij hebben hem ook.

Rechter: U heeft een fijne neus voor het selecteren van wat u nodig heeft vandaag.

Peter: Sommige dingen zijn belangrijk, meneer de voorzitter.

Holleeder: Mag ik wat zeggen, meneer de voorzitter? Ik heb het net gezien, ik heb alle aantekeningen van Peter de Vries. Het is niet mijn handschrift, pertinent niet, ik schrijf schuin.

Tammes: Uw handschrift zit in het dossier, meneer Holleeder.

Peter: Ik hecht er wel aan om dit misverstand op te helderen. Meneer Holleeder slaat de plank helemaal mis. Hij beschikt over een kopie die inderdaad niet door hem is getekend, dat is zijn handtekening niet. Hij heeft een kopie gekregen waar mijn handtekening op staat, omdat ik heb getekend, omdat ik aan Sonja heb duidelijk heb gemaakt: kijk, hier moet Willem Holleeder tekenen en op deze manier. Dat heb ik haar uitgelegd omdat ze dat niet begreep, ik heb een soort van pro-formahandtekeningetje gezet. Maar ik heb hier de verklaring die door Willem Holleder is ondertekend, hier staat gewoon zijn handtekening onder.

Tammes: Die hebben wij niet.

Peter: Dit is ondertekend en hij heeft erbij geschreven:  Amstelveen, 4 april 2012. Precies zoals ik ook had gevraagd of hij dat wilde doen, omdat ik wilde voorkomen dat hij achteraf zou verklaren dat het niet door hem geschreven of getekend was. Dit is gewoon de verklaring die Willem Holleeder op 4 april 2012 heeft ondertekend. Als u mij toestaat zou ik de inhoud wel willen oplezen.

Holleeder: Mag ik wat zeggen?

Janssen: Wie heeft dit opgesteld?

Peter: Dit heb ik opgesteld.

Janssen: Wat ik hier heb zijn de kopieën hoe het ondertekend moet worden.

Peter: Dit is mijn handschrift, waarbij ik Sonja uitleg dat hij niet alleen zijn handtekening moet zetten, maar ook de datum, zodat later altijd door deskundigen kan worden vastgesteld: dat is onmiskenbaar Willem Holleeder.

Janssen: Heeft Sonja u nog verteld hoe het verder gegaan is?

Peter: Dat Willem dit getekend heeft.

Janssen: En het origineel aan u teruggegeven.

Peter: Vindt u het goed dat ik het u voorlees? Er is al veel gezegd en geschreven, misschien is het voor alle betrokkenen goed om te weten waar hij voor getekend heeft. 

(leest voor)

Ondergetekende, Willem Frederik Holleeder, geboren op 29 mei 1958 te Amsterdam, thans zonder vaste woon- of verblijfplaats, verklaart: in 1986 zat ik samen met Cor van Hout gedetineerd in Frankrijk in verband met de Heineken-ontvoering. Wij hebben samen enkele maanden hotelarrest doorgebracht in Frankrijk. Ik was er getuige van dat Cor van Hout samen met misdaadjournalist Peter R. de Vries afspraken maakte over een boek over het leven van Cor en de ontvoering van Alfred Heineken en Ab Doderer. De beslissing is genomen door Cor van Hout zonder medezeggenschap van de anderen. Ik was geen voorstander van het boek en heb het Cor afgeraden, maar hij nam zijn eigen beslissing. Op mijn verzoek is in het boek benadrukt dat het om het verhaal van hoofddader Cor van Hout ging. Om die reden heb ik in de loop der jaren nimmer meegedeeld in de opbrengst. Ik weet dat Cor een deel van de opbrengst heeft besteed aan Jan Boellaard en Martin Erkamps die gedetineerd zaten. Hij betaalde kleding, kantinegeld en sportartikelen. Dit heeft hij puur uit vriendschap cadeau gedaan. Zover ik weet is nimmer door Cor met een van de andere ontvoerders een afspraak gemaakt dat opbrengsten onderling verdeeld zouden worden. Ik zou dat zeker hebben geweten. Aanspraken van Boellaard, Meijer of Erkamps kunnen derhalve niet op waarheid berusten, dan had ik zelf ook meegedeeld. Tot slot wil ik verklaren dat ik weet dat over het boek van Peter de Vries en Cor van Hout een Amerikaanse verfilming wordt gemaakt door Informant Media uit Los Angeles. Ik heb hier geen bezwaar tegen en verklaar mij daarmee akkoord. Was getekend: Willem Frederik Holleeder, Amstelveen, 4 april 2012.

Rechter: Dank u wel. Meneer Holleeder, om de puntjes op de i te zetten: u verklaarde bij de politie: “As heeft gezegd dat ik getekend heb voor akkoord met de film.” Bij de rechter-commissaris zegt u: “Het rare is dat ze zeggen dat ik geen rechten heb op de film, maar ik vraag me af waarom ik moest tekenen dat ik geen bezwaar had tegen de film. Ik weet niet dat ik heb getekend, ik hoop dat dit in het proces bekend wordt, ik wil dat stuk dat ik getekend heb wel zien.”

Holleeder: Ja.

Rechter: Toen ik het las, dacht ik: hij zegt niet dat hij het niet getekend heeft.

Holleeder: Het is zo: in 2012 is die ruzie begonnen over dat ik recht heb op die film. Ik ben geen gekke gerritje, zo’n brief zou ik van m’n leven nooit tekenen. Wat hij nu opleest, alleen een gek tekent dat. In de nieuwe opname van een gesprek met mij en Sonja zeg ik tegen Sonja: “Ik heb niks getekend.” Sonja zegt: “Jawel.” Ik vraag: “Wanneer dan?” Ik ben bij Sonja gekomen, voor de ziektekostenverzeering, toen heeft ze mij dingen laten tekenen, maar ik had geen bril bij mij. Als ik heb getekend, is het omdat Sonja zei: “Teken effe hier.” Ik heb het niet gelezen. Ik weet sowieso niet dat ik het getekend heb.

Peter: Wel knap dat je zonder bril kan opschrijven: Amstelveen 4 april 2012.

Holleeder: Da’s niet zo moeilijk.

Rechter: Heeft u daar een kopie? Mag ik ‘m even zien?

Peter: U mag ‘m wel even zien.

Holleeder: Je hebt me gewoon opgelicht jongen, met Astrid en Sonja.

Rechter: Laten we het daar een andere keer over hebben.

Holleeder: Ja, dit is mijn handschrift.

Rechter: Is dit uw handtekening? Dan bent u er misschien ingeluisd.

Holleeder: Als ik dit nou getekend zou hebben, zou ik toch niet al die tijd ruzie hebben lopen maken.

Peter: Dat is nou juist precies jouw persoonlijkheid. Dat je iets tekent en mee akkoord gaat en daarna overal weer dwars gaat voorliggen. Dit is precies Willem Holleeder ten voeten uit.

Holleeder: Weet je wat het is? Dit is precies wat Peter de Vries is. Je bent gewoon een smerige oplichter.

Peter: Jij hebt gewoon getekend. Punt uit. Het is een hele duidelijke verklaring, klip en klaar. Je hebt getekend en geschreven waar het was en wanneer.  Het is heel vervelend voor je, Willem, maar dit is hoe het is.

Rechter schorst voor overleg, daarna: “Er zijn een paar kwesties. Ten eerste de map die u heeft, daar is de rechtbank zeker geïnteresseerd in en hoopt dat u met de fijne neus die u heeft getoond met het OM wilt overleggen wat u wilt delen met ons. Dan kunnen we ons kunnen beraden op de stukken.”

De tweede verhoordag van Peter de Vries was gepland voor donderdag 12 april, maar De Vries is dan verhinderd omdat hij zijn tv-programma De Raadkamer dan moet voorbereiden.

Rechter: Aanvankelijk zei u: ik ben er. Later: dat komt verrekte slecht uit. De rechtbank was not amused, het is een kostbare zaak om hier te zijn, die dag is naar de bliksem. Dat was een probleem waar u ons voor stelde. Hoe gaan we dat oplossen? De gedachte is nu dat we afmaken waarmee we begonnen zijn, meneer Janssen heeft voor nog ongeveer vijftien minuten aan vragen en dan gaan we kijken naar een volgende datum.

Peter: Als het dus maar geen donderdag is.

Janssen: In de verklaring maakt hij geen aanspraken op de verdiensten van het boek en verklaart hij dat hij geen bezwaar tegen verfilming door een bedrijf uit Los Angeles. Ik lees niet dat er afstand wordt gedaan van eventuele opbrengsten van een film.

Peter: Ik denk dat helder naar voren komt dat hij meedeelt dat hij nooit enige aanspraak heeft gemaakt of kon doen gelden op een vergoeding, ook niet voor de film, er staat klip en klaar dat hij geen aanspraak heeft en zal hebben.

Janssen: Daarna is er een hoop gedoe geweest over de film. Heeft u hem die verklaring weleens voorgehouden? Zo van: je hebt toch getekend?

Peter: Ik heb het hem niet laten zien, ik had het niet bij me, hij heeft mij een jaar later bedreigd. Toen hebben we er op het kantoor van Stijn Franken ook nog een gesprek over gehad: wat zit je nou te kletsen, je hebt er gewoon voor getekend.

Janssen: Heeft hij toen gevraagd om dat stuk te mogen zien?

Peter: Nee, hij wist gewoon dat hij het getekend had, hij hoefde het niet te zien, het was niet nieuw voor hem.

Holleeder: Helemaal niet!

Janssen: U hoort hem nu, en eerder…

Peter: Ja…

Janssen: Dat neemt u niet serieus.

Peter: Dat heeft u goed geformuleerd.

Rechter Benedicte Mildner: Meneer Holleeder heeft exemplaar waar op geschreven is waar getekend moest worden. Hoe komt hij aan dat exemplaar?

Peter: Dat weet ik niet. Of hij dat heeft.

Rechter: Is het in tweevoud met Sonja meegegaan?

Peter: Ik heb van Sonja één getekend exemplaar retour gekregen.

Rechter: Hoeveel had u aan haar gegeven?

Peter: Ze had er een paar. Ik weet niet wat zij daar verder mee heeft gedaan.

Tammes: Wij hebben dat exemplaar van Astrid gekregen, ik neem aan dat dat exemplaar bij de zusters is gebleven.

(In eerdere verklaringen had Holleeder zich duidelijk uitgelaten over hoe het volgens hem is gegaan met de boek- en filmrechten. Toen hij vastzat in de Kolbakzaak waren er berichten dat Peter de Vries een film wilde maken. Holleeder besprak dat met Sonja, toen ze op bezoek was. Sonja zou hebben gezegd dat de geruchten over een film onzin waren: er zou helemaal geen film komen. Dat gesprek zal nog wel ergens op een tapeje staan, dus het is gemakkelijk na te gaan of dit klopt.

Ook na zijn vrijlating bleef Sonja – volgens Holleeder – beweren dat er geen film zou komen. Toen bleek dat dat wel degelijk het geval was, kreeg hij daar ruzie over met Sonja. Vervolgens had hij het er met Astrid over gehad en die zei dat Sonja precies wist hoe het zat en dat hij er zelf voor getekend had dat hij het goed vond. Hij kon zich dat niet herinneren en hij had nooit een papier gezien met zijn handtekening. Dat kwam pas tijdens de zitting in de Bunker tevoorschijn, toen Peter de Vries het hem liet zien.

Het standpunt van Holleeder – en de anderen – was altijd: géén film. Cor wilde dat beslist niet. Maar als ze er ooit anders over zouden gaan denken, zouden ze daar met z’n vieren van moeten profiteren. Volgens Holleeder wist Sonja dat ook en had Cor het ook zo aan Jan en Frans verteld, maar Sonja vond dat de rechten bij haar en de kinderen hoorden. Dat leidde tot het boze gesprek dat heel Nederland inmiddels tienbtallen keren in allerlei talkshows heeft kunnen horen.)

Janssen: Over de bedreiging bij u aan de deur: klopt het dat er gebeld was voordat hij kwam?

Peter: Volgens mij niet.

Janssen: Ik dacht dat Astrid had verklaard, of Sonja zelf…

Peter: Sonja zelf.

Janssen: Dat ze eerst had gebeld, dat er eerst een discussie was geweest tussen haar en Holleeder over het boek en dat hij boos was en dat hij bij u in de buurt was en dat u tevoren gebeld zou zijn.

Peter: Dat staat mij niet bij.

Janssen: Niet zo lang daarvoor had u contacten gelegd met het Openbaar Ministerie over de verklaring van de dames.

Peter: Ja.

Janssen: In februari 2013 waren de eerste contacten, in april 2013 is het incident. Heeft u ten tijde van de boze aanwezigheid van meneer Holleeder misschien gedacht dat hij op de hoogte zou zijn?

Peter: Dat kwam wel op enig moment bij mij op.

Janssen: Heeft die gedachte mogelijk verdere invulling gegeven aan de ernst van de bedreiging?

Peter: Dat is echt ridicuul, ik weet wat er gebeurd is meneer Janssen, ik ben een misdaadverslaggever die 40 jaar actief is, ik ben menigmaal bedreigd en geïntimeerd, dat kan ik over het algemeen prima handelen, ik doe bijna nooit aangifte, maar de bedreiging die avond – in aanwezigheid van mijn echtgenote – ging alle perken te buiten, en was van dien aard, het was een levensbedreiging, buitengewoon ernstig en heftig, dat had niets te maken met of ik in mijn achterhoofd had dat het misschien te maken had met de verklaringen van zijn zussen.

Janssen: U kende elkaar al 35 jaar, waren er eerder momenten dat hij lelijke dingen tegen u zei?

Peter: Er zijn wel momenten geweest dat hij buitengewoon narrig en nijdig kon zijn, ik herken ik dat aan zijn lichaamstaal, hij gaat rollen met zijn ogen als hij opgewonden raakt, er is wel eens eerder iets geweest, maar dat was niet van dien aard.

Janssen: Niet eerder dat u dacht: nu loop ik echt gevaar.

Peter: Nee, ik had echt het idee; over 30 seconden lig ik hier op de grond voor mijn leven te vechten.

Janssen: Omdat hij u fysiek te lijf zou gaan?

Peter: Hij had motorkleding aan, helm op, handschoenen aan, zware kleding, ik had net gesport, was op blote voeten, hij was in vol ornaat en hij was woest, ik dacht echt: dit is helemaal foute boel, de verbale bedreigingen logen er niet om. Mijn echtgenote is daar oor- en ooggetuige van geweest, die heeft dat meegekregen en precies hetzelfde als ik beleefd.

Janssen: Er zijn videobeelden, geen geluid?

Peter: Nee.

Aldus de zitting. Terug naar DWDD:

Matthijs: Auke Kok heeft ‘de jongensjaren’ geschreven. Er is nu meer te vertellen. Zou jij dat boek willen schrijven?

Peter: Nou ja, dat hangt er dan vanaf wat het verhaal is.

Matthijs: Je hebt toch wel een vermoeden?

Peter: Als dat het verhaal is van: ja maar, ik heb het allemaal niet gedaan, of ik ben nergens bij betrokken geweest. Als dat de pleitnota van zijn advocaat nog eens in soepel Nederland is, daar heb ik niet zoveel belangstelling voor.

Matthijs: Wat zal de sfeer in Nederland zijn? Hij moet een keer op straat. Naar een restaurant. Wordt hij toegelaten?

Peter: Ik denk niet dat hij geweigerd al worden en ze moeten hem natuurlijk wel herkennen. Op het moment dat je ergens binnenkomt, dan zit je vaak al voordat je geweigerd kan worden.

Marc-Marie: Hij heeft toch gewoon zijn straf uitgezeten?

Matthijs: In Amerika werd O.J. Simpson vrijgesproken van iets waarvan iedereen dacht dat hij het had gedaan, er is ook nooit meer onderzoek geweest…

Marc-Marie: Dat is toch anders?

Matthijs: Toch dat veel mensen denken: hij heeft het misschien wel gedaan, maar hij komt er toch mee weg.

Peter: Ik denk niet dat hij geweigerd wordt.

Matthijs: Hoe heb je afscheid genomen? Dat wilde Marc-Marie weten. Je staat in het bos…

Marc-Marie: Hoeveel mensen had hij bij zich?

Peter: Een paar familieleden. Het was wel vermakelijk. Op een gegeven moment liep ik met hem een beetje op, zeg maar…

Matthijs: Geen bodyguards?

Peter: Nee, absoluut niet. Liep ik met hem een beetje op, paadje op, heuveltje over, een beetje in gedachten ook en op een gegeven moment was het gesprek klaar en we hadden eigenlijk al afscheid genomen, ik liep naar mijn auto en hij wilde terug naar zijn familie, toen bleek dat we niet goed hadden opgelet waar we waren. Waren we verdwaald. Ik was de speurneus, zei hij, we hebben daar echt even lopen ronddwalen: waar was het nou ook alweer?

Matthijs: Dus daar liepen twee mannen in een bos…

Peter: Ja, toen waren wij… Hij was al de meest gezochte man van Nederland…

Marc-Marie: De meest verdwaalde.

Peter: …maar toen waren we zelf het spoor bijster.

Matthijs: Peter, bedankt.

Het volgende item is een mini-opera over Holleeder. De tekst is van Tommy Wieringa: Larmento voor een Jordanees.

De jas van staal en steen

glijdt van mijn moede schouders.

Buiten is het licht,

hart, mijn hart, je slagen zijn geteld,

wie leeft met het zwaard,

zal door het zwaard vergaan.

Daar komt het.

Daar komt het aan.

 

Natalee Holloway Memorial Tour

$
0
0

Op zaterdag 28 mei 2005 verdween de Amerikaanse scholiere Natalee Holloway (17) spoorloos op Aruba. Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink volgde de zaak vanaf het begin, maar was nooit zelf op Aruba. Tot voor kort. Hij volgde de voetsporen van Natalee en besprak het scenario met goed ingevoerde Nederlanders op Aruba.

 

Beschermd opgevoed, misschien wat naïef, nooit drank en drugs gebruikt en maagd. Dat is zoals moeder Beth Twitty haar dochter Natalee beschrijft. Het tegenovergestelde van Natalee’s gedrag op Aruba: uitdagend, zwaar aan de drank, drugs gebruikt en met een voor haar onbekende jongen ’s nachts mee naar het strand voor een vrijpartij. Medestudenten die haar zien wegrijden in een auto met drie jongens roepen: “Kom uit die auto, ben je gek geworden?” Maar Natalee gilt lachend uit het raampje: “Oehoe, I stay with him, I love Aruba!”

Alabama

Op donderdag 26 mei 2005 was Natalee’s vijfdaagse reis naar Aruba begonnen, samen met medestudenten van de eindexamenklas van de Mountain Brook Highschool uit Alabama. Ze verblijft met twee vrienden in het Holiday Inn Resort, aan het meest toeristisch stukje strand van Aruba. Vanaf het begin gaat Natalee – meer dan de anderen – los met alcohol. Dat begint ’s morgens om tien uur al. Natalee drinkt red fires, een mix van extra sterke Bacardi rum met cola light. Na een middagslaapje wordt het feestvieren ’s avonds voortgezet.

Op zaterdag 28 mei is Natalee met vriendinnen in het Excelsior-casino van het hotel. Employee Sandy Dirks wordt geciteerd in het boek Jorans Moordmysteries van John van den Heuvel en Bert Huisjes, uit oktober 2010: “Volgens mij was ze alcoholiste.” Die avond vraagt ze om een volle beker met rum met een scheutje cola om een beetje kleur aan de rum te geven. Ze krijgt niet meer dan een dubbele rum. Dirks: “De hele groep waarmee Natalee was dronk veel, maar zij dronk het meest.”

Pokertafel

Op zondagavond 29 mei rond half tien ontmoet ze Joran van der Sloot, een vaste gast aan de pokertafel van het Excelsior Casino. Ze is dan samen met vier vriendinnen. Ze vragen of hij meegaat naar Carlos ’n Charlie’s, een bar in de Weststraat, in het centrum van Oranjestad. Een afstand van zo’n zeven kilometer. De meisjes zijn daar overdag ook al geweest en hebben toen flink gedronken. “Het is onze laatste nacht op Aruba,” zeggen ze uitnodigend. Ze hebben zin in een spetterend afscheid van het eiland, waar alles zo anders is dan in het brave Alama, het ‘Staphorst van de States’. Joran heeft er wel oren naar, ook al moet hij er eigenlijk de volgende morgen vroeg uit, vanwege een tentamen. Maar hij gaat eerst naar huis. Hij is met zijn vader in het casino. Vader Paul wilde weleens weten hoe dat nou ging, dat pokeren.

De Weststraat, waar destijds Charlie’s zat. Die is allang weg

Terwijl zijn vader denkt dat Joran naar bed is, belt Joran met zijn Surinaamse vriend Deepak Kalpoe, of die hem wil ophalen. Deepak komt een poosje later voorrijden, met zijn opgepimpte Honda Civic, samen met zijn broertje Satish. Ze rijden naar Carlos’ n Charlie’s en arriveren daar rond half één. Natalee en haar vriendinnen zijn er dan al een paar uur. Dj Martin had “all the people from Alabama” speciaal welkom geheten en Sweet Home Alabama van Lynyrd Skynyrd gedraaid. Als Joran binnenkomt, is Natalee aan het dansen. Als ze hem ziet, bestelt ze een bodyshot. Ze gaat op de bar liggen, Joran mag de shot van haar buik likken.

Laatste woorden

Om goed één uur gaat Carlos ’n Charlie’s dicht. Natalee stapt met Joran in de auto van Deepak. Ze rijden langs de bushalte waar de andere studenten staan. Een jongen schreeuwt: “Kom uit die auto, ben je gek geworden?” Natalee gilt lachend uit het raampje: “Oehoe, I stay with, I love Aruba!” Het zijn de laatste controleerbare woorden van Natalee, buiten haar conversatie met Joran.

Ze rijden naar het huis van Van der Sloot, aan de Montaña. Een ritje van tien minuten. Bijna op de route naar het hotel, dus niet een heel andere kant uit, al is de vraag of Natalee überhaupt nog richtingsgevoel had op dat moment. Joran vertelt later dat Natalee gezegd heeft dat haar moeder ‘de zus van Hitler’ is. Met andere woorden: ze geniet van haar vrijheid, even weg bij een bemoeizuchtige controlfreak die haar dochter had met veel tegenzin had laten gaan.

We moeten maar aannemen dat het klopt dat Natalee dit heeft gezegd, het is Joran die het vertelt en hij geldt niet als de meest betrouwbare bron. In hoeverre dit is gecheckt bij Deepak en Satish is onduidelijk.

Borsten

Het zal Jorans bedoeling zijn geweest Natalee mee te nemen naar zijn kamer. Dat kan gemakkelijk zonder dat zijn ouders daar iets van merken. Dat ziet Natalee niet zitten: ze wil naar het strand. Deepak start de auto. Satish zit naast hem, op de achterbank beginnen Natalee en Joran hartstochtelijk te zoenen. Volgens het boek masseert ze Jorans kruis, pakt hij haar bij haar borsten en masturbeert hij haar.

De vuurtoren California Lighthouse, een eindje verder naar de Noordpunt, is wederom nog zo’n tien minuten rijden. Het is een toeristische attractie. Overdag krioelt het er van de dagjesmensen, maar ’s nachts is het een bepaald unheimische plek, waar in de verste verte geen levend wezen te bespeuren is. Waarom ze hier naartoe zijn gereden?

Vrijen

Wellicht had Joran gedacht hier even ongestoord met Natalee te vertoeven, terwijl de broers zich zouden terugtrekken, maar Natalee heeft haar zinnen gezet op het strand. Ze rijden terug. Zo’n vijf kilometer. Deepak zet hen af bij Palm Beach, niet ver van Natalee’s hotel. Deepak zegt tegen Joran dat hij moet bellen als hij wil worden opgehaald. Hand in hand gaan Joran en Natalee het strand op. Ze passeren Fisherman Huts. Een plek voor surfers. Je bent geneigd te denken aan een hut van een visser: er staat een houten gebouwtje, inderdaad niet veel meer dan een hut. Een eindje verderop gaan ze op het zand liggen en beginnen ze te vrijen.

Fisherman Huts met op de achtergrond het Holiday Inn

Het is overdag moeilijk voor te stellen: het is bepaald niet afgelegen en je kijkt zo naar de hotels aan Palm Beach. Maar ’s nachts is het een ander verhaal: dan is het hier totaal verlaten.  Het is toch anders als je hier loopt, dan wanneer je er alleen over leest. Hier eindigde het leven van Natalee, dat staat wel zo’n beetje vast. Maar hoe?

Masturberen

De enige die het weet, is Joran. Hij vertelt dat ze geen van beiden een condoom bij zich hadden en dat het daarom bij wederzijds masturberen is gebleven. Waaruit je de conclusie zou kunnen trekken dat Natalee er anders mee ingestemd zou hebben hier te worden ontmaagd. Pas veel later, tijdens de undercoveractie met Patrick van der Eem voor het programma van Peter R. de Vries, vertelt Joran dat Natalee op een gegeven moment was beginnen te trillen en dat ze daarna niet meer bewoog. Zou kunnen: een combinatie van allerlei factoren. Veel alcohol, drugs, opwinding. Een natuurlijke doodsoorzaak, dus. Destijds werd dat als aannemelijk beschouwd: waarom zou Joran haar hebben vermoord? Het was duidelijk dat ze uit vrije wil was meegegaan en in was voor een vrijpartij en dat ze alle remmen al had losgelaten.

Daar is inmiddels wel wat op af te dingen. Bij de politie op Aruba zijn meldingen binnengekomen van meisjes die vertelden dat Joran tegenover hen agressief was geworden toen ze niet meer wilden dan zoenen. En John van den Heuvel meldde dat Joran een opvliegend karakter had, thuis moeilijk te hanteren was, gedragsproblemen vertoonde en onder behandeling stond van een psychiater.

Agressie 

Vijf jaar na de dood van Natalee Holloway, sterft er opnieuw een jonge vrouw in het bijzijn van Joran: Stephany Flores (21) wordt dood aangetroffen op zijn hotelkamer in Peru, met een gebroken nek. Volgens Joran hadden ze ruzie gekregen omdat Stephany stiekem in zijn laptop aan het snuffelen was geweest. Dat kan, maar er is duidelijk sprake van dodelijke agressie. Het is niet zo’n vreemde gedachte dat Natalee toch enigszins bij zinnen kwam toen Joran meer wilde dan zoenen en masturberen. En dat hij ook tegenover haar agressief was toen hij zijn zin niet kreeg.

Er is maar één reden waarom hij haar spoorloos moest laten verdwijnen: omdat uit de sporen zou kunnen blijken dat het anders is gegaan dan hij vertelt. Als Natalee inderdaad een natuurlijke dood was gestorven, dan was dat gemakkelijk te constateren geweest bij een lijkschouwing en had Joran weinig tot niets te vrezen. Het ergste dat hem verweten zou kunnen worden zou zijn dat hij haar al dan niet met haar instemming drugs had toegediend, maar het is zeer de vraag of dat inderdaad zo is. Daar blijkt verder niks van.

Derde man

Er is feitelijk maar heel weinig bekend over wat er is gebeurd. Joran vertelde tegen Patrick van der Eem dat hij samen met een derde, wiens naam hij nooit zou noemen, het lichaam van Natalee heeft laten verdwijnen. Patrick en Peter de Vries hebben daar nooit een vinger achter kunnen krijgen: had Joran het over zijn vader, of over een onbekende vriend of kennis? J

Patrick van der Eem in het programma van Peter de Vries

e kunt er van alles over bedenken, maar je mag aannemen dat als zijn vader die nacht in touw is geweest, zijn moeder daar toch ook iets van moet hebben meegekregen. Dat is even onwaarschijnlijk als dat Joran het in zijn eentje heeft gedaan. Zijn vader is overleden, van hem zullen we geen antwoord meer krijgen. Als hij er inderdaad niet bij is geweest, moet er behalve Joran nog één persoon zijn die weet wat er die nacht op Aruba is gebeurd, maar de kans een van beiden het gaat vertellen is nogal klein,

Keihard

Wat zijn de opties om in het nachtelijk duister van Aruba zo onopgemerkt mogelijk een lichaam spoorloos te laten verdwijnen? Je kunt denken aan de ruige kust bij San Nicolas. Bij de containerhaven, bij het hondenkerkhof, bij de gevangenis. Een tamelijk verlaten gebied, waar je een lijk kunt dumpen in de rotskloven. Misschien in het water, maar de kans is groot dat er dan wel iets van aanspoelt op een van de stranden. Er is maar één ding dat je nagenoeg kunt uitsluiten: begraven. Er is op het vasteland van Aruba geen plek te vinden waar je met alleen een paar scheppen binnen een paar uur een voldoende diep graf kunt graven om iemand in te stoppen. De bodem is keihard. Onbegonnen werk.

Golfstroom

Op een zandstrand dan? Dat zal niemand die enigszins thuis is op het eiland in zijn hoofd halen. Dan moet je een onmogelijk diep gat graven en dan nog is de kans dat het binnen de kortste keren wordt ontdekt levensgroot. Even onwaarschijnlijk als begraven in de rotsbodem. Er is eigenlijk maar één optie: met een boot richting Venezuela. Daar kom je na een paar kilometer in een soort golfstroom, die alles wat daarin terechtkomt meesleurt naar de oceaan. Vissers en andere zeelui van Aruba weten dat. Als Joran door zo iemand is geholpen – en dat is het meest waarschijnlijk – is het zo gegaan. Toeristen op Aruba – en de andere eilanden – hoeven niet bang te zijn voor haaien. Verderop in de oceaan is het een ander verhaal. Het is geen prettige gedachte voor de nabestaanden, maar de mensen die de Caribische zee kennen hebben weinig twijfel of dit is wat er is gebeurd. Dat Natalee letterlijk en doelbewust naar de haaien is gegaan.

Fisherman Huts

Wat kun je er verder nog over zeggen? Dat het alcoholvrije, cleane, beschermde opvoeden van Natalee nogal averechts heeft gewerkt? Dat het misschien verstandiger is als jongeren in een veiliger omgeving, met vrienden en vriendinnen of familie in de buurt, hun eerste – misschien vervelende – ervaringen hebben met seks & drugs en rock & roll? De meeste ouders zullen toch de – wellicht ijdele – hoop hebben dat hun kind niet dronken en in z’n eentje met een stel wildvreemde jongens in een auto stapt, met onbekende bestemming. Of had Natalee gewoon de pech dat ze een potentiële moordenaar tegen het lijf liep?

 

 

Moord Martin Kok: de Colombia-connectie

$
0
0

Op donderdagavond 8 december 2016 wordt Martin Kok geliquideerd als hij seksclub Boccaccio in Laren verlaat. Eerder die dag is er een mislukte aanslag geweest. Inmiddels is er een verdachte aangehouden, maar of dit de echte dader is, is nog erg onduidelijk. Laat de politie kansen liggen om de zaak op te lossen? Een wat geheimzinnige Nederlander die in Colombia woont, had op de dag voor de moord een afspraak met Martin, maar hij kwam niet opdagen. Nu beweert die man dat justitie hem niet wil horen als getuige omdat ze hem ‘onbetrouwbaar’ vinden.

“Dan steekt hij de straat over naar zijn auto, die geparkeerd staat op de Bernard Zweerskade. Zich verheugend op de avond in zijn favoriete bordeel. Later die middag na de lunch pikt Martin om 17.00 uur Chris H. op. Deze Chris, ook wel Scotty genoemd, verblijft in het CitizenM Hotel in Amsterdam-Zuid.”

Donderdag 8 december 2016 was de laatste dag in het leven van Martin Kok. Veroordeeld voor twee moorden, later vooral bekend geworden door zijn website Vlinderscrime waar hij alle mogelijke en vooral ook onmogelijke berichten over criminaliteit plaatste. Het fragment aan het begint komt uit Kokkie, het boek dat journalist Timo van der Eng over hem schreef. Timo was al geruime tijd bezig met het levensverhaal van Martin, toen zijn onderwerp werd geliquideerd. Het boek werd enige tijd na de dood van Martin uitgebracht.

Over de toedracht van de moord was toen nog niet veel bekend. Geruime tijd later werden camerabeelden vrijgegeven van het hotel en kwamen er meer feiten en omstandigheden aan het licht. Er werd een verdachte aangehouden en in mei 2018 trok een getuige aan de bel, die vond dat hij gehoord moest worden door justitie, maar die had daar weinig oren naar. Wat is daar aan de hand?

Even terug naar die donderdag 8 december. Vanaf een uur of twaalf ’s middags was Martin in de Harbour Club aan de Apollolaan, voor een lunch met een aantal misdaadjournalisten. Een initiatief van Martin: het stak hem dat sommige media – vooral grote kranten – berichten van hem overnamen zonder aan bronvermelding te doen. Hij wilde met collega’s proberen om één blok te vormen. De meeste bekende misdaadverslaggevers waren daarbij aanwezig, behalve die van de kranten waar de problemen mee waren.

Autobom

Tijdens deze lunch kwam dit aspect overigens amper ter sprake, het was vooral een ongedwongen bijeenkomst waarin de verslaggevers wat ervaringen uitwisselden. Er werden wat grapjes gemaakt over of ze daar wel veilig waren. Niet zo gek: op 2 juli 2016 had er een zware bom gezeten onder de auto van Martin, bij restaurant Klein Kalfje aan de Amstel. Dat er toen geen doden zijn gevallen, is achteraf een mirakel. Het bleek een uiterst zwaar explosief, dat als het was ontploft grote schade zou hebben aangericht, waarbij mensen die in de directe omgeving waren weinig kans op overleven hadden.

Martin had een kleine auto (op naam van zijn vader), je kon de bom van buiten zo zien. Vermoedelijk was er iets fout gegaan bij het aanbrengen. De bom was voorzien van een zeer sterke magneet. Zo sterk dat hij meteen al tegen het chassis werd getrokken: hij had verder onder de auto moeten komen. Maar het lukte waarschijnlijk niet meer om hem los te krijgen. Eerder al was de auto van Martin beschoten, toen deze bij zijn woning aan de Marianellastraat in Sloten geparkeerd stond.

Dat Martin onder vuur lag, was bekend. Er waren enkele journalisten om die reden niet aanwezig bij de bijeenkomst: die vonden het te gevaarlijk om bij Martin in de buurt te zijn. Achteraf hadden ze gelijk: Martin werd die dag geobserveerd door een moordcommando. Of dat al bij de Harbour Club was, is niet bekend, maar een paar uur later in elk geval wel.

Achterhoofd

Om half vier vertrok Martin bij de Harbour Club. Om kwart voor vijf kwam hij aan bij het CitizenM hotel, ook in Amsterdam-Zuid. Dat is dicht in de buurt, wat hij in de tussentijd heeft gedaan is niet bekend. Martin had hier afgesproken met Scotty, van het bedrijf dat met pgp-telefoons adverteerde op zijn website. Terwijl zij achter in de bar zaten, kwam er bij de ingang, aan de bar, een jonge man zitten met een capuchon over zijn hoofd.

Toen Martin en Scotty om vijf voor half zeven naar buiten liepen, stond deze man hen buiten op te wachten. Eenmaal buiten haalde hij een vuurwapen tevoorschijn en richtte dat van dichtbij op het achterhoofd van Martin. Waarom hij toen niet heeft geschoten, is onduidelijk. Er wordt gezegd dat het wapen haperde, maar dat had geluid gemaakt, dat zou Martin hebben gehoord. Logischer is dat de schutter het toch te druk vond, dat er net iemand in de buurt liep en hij besloot het er nu bij te laten.

Seksclub

Martin en Scotty vertrekken naar seksclub Boccaccio in Laren, een vaste plek voor Martin. Daar vermaken ze zich een aantal uren prima. Martin stuurt vanaf een bed in het bordeel foto’s van zichzelf naar kennissen. Kort daarna, als ze naar buiten lopen komt er een schutter achter de bomen vandaan, die naar de auto van Martin loopt. Martin zit er net in, Scotty staat verderop te wachten. Hij wordt van dichtbij door zijn hoofd geschoten en heeft geen enkele kans op overleven. De schutter verdwijnt ongezien, er is geen vluchtauto gesignaleerd. Scotty gaat ervan door en wordt pas later door de politie gehoord.

Mocromaffia

Waarom deze professionele huurmoord? Er komen al snel twee mogelijke motieven naar voren. Martin had een aantal kopmannen van de zogenaamde Mocromaffia behoorlijk tegen de haren in gestreken. Beschuldigd van van alles en nog wat, belachelijk gemaakt. Hij was van alle kanten gewaarschuwd dat dit in verkeerde aarde viel en dat hij hier beter mee kon stoppen, maar hij liet zich op dit punt niet van de wijs brengen en ging onverdroten door. Dat is één.

Vergismoord

De andere mogelijkheid: Martin was bezig met onderzoek naar de zogenaamde Rotterdamse Douanegate, over de corrupte douanier Gerrit G., die drugstransporten uit Zuid-Amerika doorsluisde en die daarmee in problemen was gekomen. Een heftige affaire, waarin verschillende liquidaties werden gepleegd. Waaronder de bekende vergismoord op Rob Zweekhorst uit Berkel, op 1 januari 2016, die de pech had dat een verdachte in die drugszaak bij hem in de buurt woonde, een beetje op hem leek en op dezelfde tijd zijn honden uitliet. In die zaak speelt een informant uit Colombia een rol. Hij noemt zich Paul en Cornel de Jaeger, komt oorspronkelijk uit Amsterdam en woont al jaren in Colombia. Hij zegt dat hij voor de Amerikaanse narcoticabrigade werkt, en ook goede contacten heeft met Colombiaanse drugskartels.

Stiekem

Deze Paul had vertrouwelijke dossierstukken van de Douanegate in handen gekregen, door zijn samenwerking met de TCI, Team Criminele Inlichtingen. Paul was in Rotterdam geweest en had stiekem gesprekken opgenomen met de corrupte douanier. Die had hij aan het TCI moeten geven, maar hij had kopieën gemaakt en die had hij aan Martin Kok gestuurd, met de bedoeling dat die ze op zijn website zou zetten. Dat liep allemaal een beetje anders, doordat een Nederlandse informant die gesprekken ook in handen had gekregen en ze had doorgesluisd naar andere media, waardoor Martin deze primeur had gemist.

Maar Paul had meer: bij een inbraak bij een officier van justitie uit deze zaak was een usb-stick buitgemaakt met vertrouwelijke informatie. Paul was bereid dit aan Martin te geven. Hij zou daarvoor naar Nederland komen. Martin betaalde 1000 euro voor een ticket en reserveerde een kamer in hotel Krasnapolski in Amsterdam.

Oponthoud

Op 7 december, de dag vóór de moord, zou Paul op Schiphol aankomen, na een tussenlanding in Spanje. Martin reed naar Schiphol om Paul op te halen, maar die bleek niet te zijn gearriveerd met de doorgegeven vlucht. Paul had geen telefoon bij zich, via zijn Colombiaanse vrouw in Colombia konden er wat berichten worden uitgewisseld. Paul zou in Spanje niet door de douane zijn gekomen vanwege bepaalde problemen en was teruggevlogen naar Colombia. Later vertelde hij dat hij samen met een reisgenoot naar Spanje was gevlogen, dat de reisgenoot geen visum had en niet door de douane mocht en dat ze toen maar met z’n beiden waren teruggegaan.

Het is nooit duidelijk geworden of Paul echt in Spanje is geweest en of hij serieus van plan is geweest naar Nederland te komen, of dat hij zich op het laatste moment had bedacht. Achteraf was hij blij dat hij niet gegaan is: Martin had hem mee willen nemen naar Boccaccio en het is de vraag of hij er dan ongeschonden vanaf was gekomen. Scotty had het geluk dat hij zelf met de auto was, Paul zou ongetwijfeld bij Martin in de auto hebben gezeten en als getuige uit de weg zijn geruimd.

Pizzakoerier

Het wordt dan een hele tijd stil rond deze Paul. Intussen gaat het onderzoek verder en wordt er een verdachte aangehouden: Zakaria A. (24) uit Utrecht, die daar bekendstaat als ‘de schietende pizzakoerier’. In juli 2014 had hij het als pizzakoerier aan de stok gekregen met een 22-jarige man en op hem geschoten, in 2015 werd hij hiervoor veroordeeld. In de zomer van 2016 werd in Overvecht Ranko Skecic geliquideerd. Zakaria werd hiervoor aangehouden, maar vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.

In een videoclip van de Maarssense rapper Lijpe speelt Zakaria A. een rol als figurant

In april 2018 wordt deze Zakaria aangehouden voor betrokkenheid bij de moord op Martin Kok, maar er wordt niet bekendgemaakt wat zijn rol zou zijn geweest. Was hij de schutter die achter Martin aanliep bij het CitizenM Hotel? Was hij de schutter bij Boccaccio? Of wordt hij verdacht van contact met een opdrachtgever, tussenpersoon of een uitvoerder?    

Onbetrouwbaar

In mei 2018 duikt Paul uit Colombia ineens weer op, in een interview met NRC Handelsblad.Hij blijkt dan al geruime tijd in Nederland te bivakkeren, op uitnodiging – en kosten – van de advocaten van enkele verdachten in de Rotterdamse douanezaak. De rechtbank wilde hem niet als getuige toevoegen omdat ze hem ‘onbetrouwbaar’ vinden. Hij blijkt een heel verleden te hebben als informant waaruit hij inderdaad niet als erg betrouwbaar overkomt.

Ook het doorsluizen van de stiekem opgenomen gesprekken met corrupte douanier Gerrit G. werd hem door het Openbaar Ministerie en de rechtbank niet in dank afgenomen. Op dit moment dient deze douanezaak in hoger beroep. De advocaten zijn van plan hem hoe dan ook als getuige te laten opdraven, in de hoop dat hij zoveel twijfel kan zaaien over het onderzoek dat dit gunstig uitpakt voor hun cliënten.

In het interview zegt Paul dat hij voor zijn dood veel contact had met Martin Kok, onder andere over de zaak rond de douanier. “Op mijn verzoek gaf een tussenpersoon Kok, op de dag van zijn dood, een usb-stick met informatie over die zaak. Toen dat uitkwam, ben ik gevraagd naar Nederland te komen om daarover te getuigen.”

Tussenpersoon

Of dit inderdaad zo is, moet nog blijken. Niemand weet wie die tussenpersoon is geweest. De enige mogelijkheid om die stick te overhandigen moet op 8 december zijn geweest, de dag van de moord. Paul zou op het vliegveld in Spanje de stick aan iemand gegeven moeten hebben, die hem de volgende dag aan Martin zou hebben gegeven. Geen van de mensen die op 8 december contact hadden met Martin, kan zich daar iets bij voorstellen. Als Martin die stick had gekregen, had hij dat ongetwijfeld gezegd. Het enige mogelijke tijdstip waarop het had gekund, was tussen half vier en kwart voor vijf. Na het vertrek bij de Harbour Club en voor de aankomst bij het CitizenM Hotel.

Informant Paul in de haven van Barranquilla

Paul beweert in het interview dat hij in de zaak van Martin Kok wél als getuige zou worden gehoord. De afspraak was gemaakt, ticket en hotel waren geboekt, maar uiteindelijk ging het niet door “omdat ze mijn veiligheid niet konden garanderen.”

Dat Paul is uitgenodigd voor een verhoor in Nederland, klopt. Vanuit justitie was dit alleen bedoeld om te voorkomen dat ze later het verwijt zouden krijgen dat ze dit losse eindje hadden laten liggen. Het was ook gewoon doorgegaan als hij niet zelf op het laatste moment meer eisen was gaan stellen over zijn beveiliging.

Of Paul inderdaad gehoord gaat worden als getuige in een van de zaken, of beide, is voorlopig nog afwachten. Zijn motief om te getuigen is wel duidelijk: in Colombia loopt hij gevaar, hij wil nu met zijn Colombiaanse vrouw en twee jonge kinderen terug naar Nederland, maar hij heeft hier nogal wat vijanden: in het criminele circuit én bij de opsporingsdiensten.

 

 

‘Klokkies’ in de onderwereld: aftikken naar de dood

$
0
0

Horloges in de prijsklasse vanaf zo’n 30.000 euro zijn in de onderwereld geliefd als ruilmiddel. ‘Klokkies’ worden ze daar genoemd. Sommigen doen er een moord voor, of worden ervoor vermoord. In het proces tegen Willem Holleeder duiken de precisie-uurwerken van veelal Zwitserse makelij te pas en te onpas op. Bijvoorbeeld bij de boete die Heinekenontvoerders Cor van Hout en Willem Holleeder moesten betalen aan de levensgevaarlijke criminelen Sam Klepper en John Mieremet. Omdat Cor in een kledingzaak in de PC Hooftstraat John Mieremet had uitgescholden voor “schele hond.”

Holleeder: “Astrid wil altijd aandacht hebben. Wat ze nu heb, maar de hoofdmoot is geld. Dat heeft ze nooit gehad. ‘Ik wil ook leven zoals jij en Sonja,’ heeft ze altijd gezegd. Nu heeft ze geld, ze zal er wel achter kommen dat dat niks waard is.”

Rechter: “Geld is een beetje de as waar alles om draait.”

Holleeder: “Dat is ook zo, het gaat om geld (…) Astrid is altijd een buitenstaander geweest, die zei: ‘Ik wil dat ook, zoals Sonja, die spulletjes, klokkies, auto’s.’ Nou ken ze dat kopen. Ik hoop dat ze er gelukkig mee is.”

Tijdens het in februari 2018 in de Bunker begonnen proces tegen Willem Holleeder, die wordt verdacht van het opdracht geven voor liquidaties, gaat het veel over geld. En over mooie dingen. Klokkies. Peperdure horloges. Zijn zussen Astrid en Sonja beschuldigen hem ervan dat hij het geld van de erfenis van Cor van Hout – de partner van Sonja – wilde inpikken. Astrid wilde ook ‘klokkies’. Zegt broer Willem. “Nou ken ze dat kopen.” Daarmee doelt hij op de boeken die Astrid schreef over de ruzie met broer Willem. Van het boek Judaszijn al rond een half miljoen exemplaren verkocht.

Veel criminelen hebben iets met peperdure horloges. Audemars Piquet, Rolexen, liefst van een ‘limited edition’. Met prijzen die in sommige gevallen oplopen tot boven de 100.000 euro per stuk. De ‘klokkies’ hebben verschillende functies. Als cadeau aan vrouw of vriendin, als betaalmiddel, als onderpand.

Grote jongen

In 1996 moesten Holleeder en Van Hout twee horloges cadeau doen aan de beruchte criminelen John Mieremet en Sam Klepper. Nadat Cor en Willem hun straf hadden uitgezeten voor de Heinekenontvoering, kwamen ze in aanvaring met dit duo, dat tijdens hun afwezigheid kans had gezien de macht te grijpen in de Amsterdamse onderwereld. Cor van Hout was bepaald niet onder de indruk. Hij kende hen nog uit de tijd dat Sam en John de hulpjes waren van maffiabaas Klaas Bruinsma en had geen enkel respect voor de twee. Cor voelde zichzelf de grote jongen. Daar kwam bij dat als hij gedronken had – wat hij veel deed – hij behoorlijk vervelend kon doen en mensen beledigde. Hij had Sam Klepper al eens belachelijk gemaakt toen die met een wapen in café Arie in de Jordaan op de proppen was gekomen. Klepper was er zo trots op als een pauw, Cor noemde het ‘een berg roest uit de Tweede Wereldoorlog.’

Schele hond

Beide duo’s waren kind aan huis bij de sjieke herenmodezaak König in de PC Hooftstraat in Amsterdam. Klepper en Mieremet waren wel klanten die hier veel besteedden – ze hadden geld genoeg – maar erg geliefd waren ze er niet. Toen ze een keer naar hun idee te weinig korting hadden gekregen, schoten ze een stel etalagepoppen aan flarden. Bij een andere gelegenheid waren ze alle vier tegelijk in de zaak en daarbij noemde Cor – die al weer een behoorlijke slok op zal hebben gehad – John Mieremet ‘schele hond’. Het is een feit dat Mieremet loensde, maar in heel Amsterdam was er niemand die dat in zijn gezicht durfde zeggen. Behalve Cor.

Niet lang daarna kregen Cor en Willem te horen dat Cor op de dodenlijst stond van Sam en John. Zogenaamd voor betrokkenheid bij een drugstransport dat fout was gegaan, maar niemand wist iets van zo’n transport, het was duidelijk dat dit alleen als stok werd gebruikt om de hond te kunnen slaan. Cor nam het niet al te serieus. Willem Holleeder wel: hij kende de reputatie van Sam en John maar al te goed. Hij had inmiddels zakelijk afscheid genomen van Cor: hij vond het te gevaarlijk worden, door al die beledigingen die Cor in dronken buien rondstrooide.

Deurloostraat

Willem had zich aangesloten bij de groep van Klepper en Mieremet, uit veiligheidsoverwegingen. Cor dook, na het bekend worden van de dreiging, wel een beetje onder, maar kwam op gezette tijden toch gewoon naar zijn vaste adres in de Deurloostraat in Amsterdam, waar Sonja met hun kinderen woonde. In maart 1996 volgt daar een aanslag op hem, die gedeeltelijk mislukt: hij wordt wel in zijn gezicht geraakt, maar overleeft. Na operaties duikt hij onder in Frankrijk.

Daarmee is de kous nog niet af. Hij krijgt te horen dat hij en Holleeder 1 miljoen gulden boete moeten betalen aan Sam en John, plus twee dure horloges.

Tijdens het proces in de Bunker zegt Holleeder hierover dat hij samen met Mink Kok – een bekende topcrimineel – bij Sam Klepper is geweest om het op te lossen. “Er is gewoon gezegd: je moet een miljoen betalen. Ik stond voor de keuze: of het wordt een bloedbad, of je betaalt. Bij een bloedbad zou iedereen in gevaar komen.”

Cor was nog altijd woedend en weigerde ook maar iets te betalen.

Holleeder: “Ik vond dat van Cor egoïstisch. Het was best vervelend dat hij neergeschoten was, maar hij had het er wel zelf naar gemaakt.”

Officier van justitie Lars Stempher vindt het de omgekeerde wereld: “Als ik iemand beledigd zou hebben, en er wordt op mij geschoten en daarna krijg ik het verzoek een miljoen af te tikken, dan zou ik daar toch serieus moeite mee hebben.”

Holleeder: “Ik ook. In eerste aanleg dacht ik dat we een miljoen zouden krijgen. Je kunt er alles van vinden. Cor wilde het niet oplossen, ik heb er niet voor gekozen er met Cor liquidaties tegenover te stellen. Het is zuur dat als je voor flikker bent geschoten, dat je moet betalen. Daar heb ik ook nog begrip voor.”

Doorzeuren

Cor en Willem hadden zakelijke belangen met Robbie Grifhorst, alias de Bouwvakker, die het losgeld van de ontvoering voor hen had geïnvesteerd in onroerend goed. Holleeder besloot samen met Grifhorst te betalen, ook het deel van Cor. Maar volgens Holleeder bleef Cor doorgaan met zeuren. Hij liet aan iedereen die het wilde horen weten: “Ik betaal alleen met lood!”

Holleeder: “Als je weet wie Klepper en Mieremet op dat moment waren… Klepper had liever gehad dat het wel geëscaleerd was, die vond het prachtig, dat soort flauwekul. Ik begrijp best dat Cor dat zuur vond, maar hij moet zich ook realiseren dat hij zich overal heeft misdragen en dat het dan een keer fout gaat.”

Holleeder had het bedrag van één miljoen in gedeeltes aan Klepper betaald. Officier van justitie Sabine Tammes vroeg: “En de klokjes, wanneer heeft u die dan gegeven?”

Holleeder: “Daarna.”

Tammes: “Wat waren dat voor klokjes?”

Holleeder: “Ik heb er twee gekocht op het Waterlooplein, de goedkoopste die er waren. Rolexjes, daar waren ze niet blij mee.”

Het ergste gevaar was daarmee geweken, maar Cor was toch nog niet veilig. In 2000 volgde er een nieuwe aanslag, die ook mislukte. Bij de derde aanslag, in 2003, werd hij uiteindelijk definitief vermoord.

DE PECHVOGEL MET MOOIE HORLOGES

In november 2014 is in Haarlem het geruchtmakende Andes-proces, tegen onder anderen Danny K. en freefighter Dick V., die worden verdacht van witwassen van crimineel geld. In hun kielzog zijn de bazen van twee Amsterdamse leveranciers van ‘klokkies’ aangehouden. Topcriminelen waren kind aan huis bij Precision Watches en Exclusive Watches. In mei 2018 liep het slecht af met Jurgen Dankers, van Exclusive Watches: hij zag geen licht meer aan het eind van de tunnel, nadat hij als gevolg van zijn arrestatie zijn bedrijf te gronde had zien gaan.

In het boek Moord, doodslag en andere zaken van advocaat Yehudi Moszkowicz, dat toen nog niet was verschenen, wordt het proces tegen Jurgen Dankers beschreven, in het hoofdstuk De pechvogel met mooie horloges. Hij noemt hem daar Mark. “Een succesvol handelaar en dat is hem aan te zien. Zijn merkkleding, gebruinde gelaat en mooie auto verraden dat het hem voor de wind gaat. Mark zit in de horloges, en dan niet het bescheiden segment. Een instapmodel heeft bij hem de prijs van een modale gezinsauto, voor zijn toppers hebben de meeste mensen een tweede of derde hypotheek nodig.”

In het hoofdstuk beschrijft hij hoe Mark/Jurgen en zijn kantoorgenoot hun klanten ontvangen in een fraai kantoortje in Amsterdam-Zuid. “Het is een bont gezelschap dat over de vloer komt. Uiteraard allemaal mensen die het nodige te besteden hebben. Maar de wereld van de dure uurwerken trekt ook wat meer ‘kleurrijke’ figuren aan. Mensen met grote vermogens maar soms geen officiële bron van inkomsten. Contact met enkele van deze heren zal Mark bijna de das omdoen. Het zal uiteindelijk zelfs leiden tot zijn arrestatie.”

Door de negatieve media-aandacht blijven klanten weg en bestaande klanten vragen hun horloges terug die ze via hem wilden verkopen. Maar dat kan niet meer. Justitie heeft zijn hele handelsvoorraad, ter waarde van enkele tonnen, in beslag genomen. “Binnen enkele weken is alles waar hij jaren aan heeft gewerkt verdampt.”

Het Openbaar Ministerie merkt hem aan als lid van een criminele organisatie, waarbij de namen van Willem Holleeder, Danny K. en Dick V. worden genoemd. Holleeder in een bijrol, het gaat vooral om de andere twee.

Het kantoor wordt 2,5 jaar afgeluisterd. Yehudi Moszkowicz, als advocaat van Jurgen, krijgt de gesprekken aangeleverd op twaalf dvd’s. Hij moet ze allemaal afluisteren. “Wat ik hoor is een eindeloze stroom Amsterdamse gezelligheid. De heren kletsen wat af op het kantoor. Over voetbal, feestjes en natuurlijk horloges. En er staan enkele kleurrijke anekdotes op de band over legendarische matpartijen waar de twee klanten naar eigen zeggen bij betrokken zijn. Tegenstanders gaan in die gesprekken uiteraard allemaal ‘gestrekt’. In een van de anekdotes wordt beschreven hoe een man in een strandtent vijf keer in het gezicht wordt geslagen met een leeg bierfust. ‘Lachen was dat.’”

Nattigheid

Mark/Jurgen heeft aanvankelijk geen idee met wie hij te maken heeft, maar na verloop van tijd voelt hij nattigheid. Een jaar voor zijn arrestatie breekt hij met zijn kantoorgenoot. Bij de rechtbank wordt hij veroordeeld tot vijf maanden.

In hoger beroep draait het vooral om één zin. Ergens in alle afgeluisterde gesprekken heeft Danny tegenover iemand gezegd ‘nog dertig ruggen van Mark te krijgen’. De rechter gaat ervan uit dat dit om ‘Mark’ (Jurgen Dankers) gaat. Net als in het vonnis van de rechtbank. De advocaat grijpt naar het zwaarste middel dat er is, om dit misverstand uit de weg te ruimen: hij wraakt het Hof. Dan geeft de rechter toe dat het een vergissing was. Het wraken gaat niet door, het hof is nu wel doordrongen van de fout. Uiteindelijk wordt Mark/Jurgen vrijgesproken. De laatste regels van het hoofdstuk: “Mark kan weer verder met zijn leven, maar zijn handel is stuk. Zoals wel vaker is dit dus een overwinning met een bijsmaak.”

Nog vóór het verschijnen van het boek blijkt de ‘bijsmaak’ erger dan iemand had kunnen bedenken.

Moord, doodslag en andere verhalen. Door Yehudi Moszkowicz. Singel Uitgeverijen

 


Holleeder en De Allesweter

$
0
0

Panorama onthult dat Paja Mric De Allesweter is. De veelbesproken onbekende figuur die een belangrijke rol speelt in het proces tegen Willem Holleeder. Of Paja inderdaad de echte Allesweter is, zullen we waarschijnlijk nooit officieel weten omdat niemand die het echt weet er belang bij heeft het te vertellen. Dit is wat er tot nu toe in het proces tegen Holleeder over De Allesweter aan de orde gekomen is.

Optredende personen:

Rechters:  Frank Wieland, Benedicte Mildner en Margo Somsen

Officieren van justitie: Sabine Tammes en Lars Stempher

Advocaten: Sander Janssen en Robert Malewicz

(eerste dag, 5 maart)

Lars Stempher haalt de schriftelijke verklaring aan die Holleeder zelf heeft opgesteld en waar lange tijd een embargo op zat. Dat embargo is op 11 mei 2017 opgeheven. Vanaf die tijd heeft het Openbaar Ministerie gelegenheid gehad te toetsen wat Holleeder daarin naar voren brengt. Dat verhaal begint bij de Heinekenontvoering en hij bespreekt daarin ook de door hem en Cor van Hout en Grifhorst gedane investeringen, zijn contacten met De Allesweter en het gebrouilleerd raken met Cor vanHout.

Volgens zijn verklaring was Holleeder benaderd om langs te gaan bij een man, die vanwege zijn kennis over wat er speelde in de onderwereld De Allesweter werd genoemd. Die zou hem hebben verteld dat Sam Klepper en John Mieremet het op hem en Cor van Hout hadden voorzien. Hij had het advies gekregen niet samen met Cor in één auto te gaan zitten. Holleeder nam de waarschuwing serieus, Cor niet. Met als gevolg de eerste aanslag op Cor op 27 maart 1996 in de Deurloostraat, waar Sonja en zoon Richie bij waren. Daarna hadden Willem en Rob Grifhorst een boete van 1 miljoen gulden betaald. Tot woede van Cor.

In het verhoor van ’s middags gaat Holleeder daar uitvoerig op in. Pikant detail: volgens hem heeft Sandra den Hartog altijd geweten welke liquidaties Sam en John hebben gepleegd. Volgens Holleeder is door Sandra’s toedoen Erwin Tra geliquideerd: hij had Sandra beledigd op het Rembrandtplein, toen zij daar met vriendinnen aan het drinken was. Ze had bij Sam Klepper, haar partner, hierover geklaagd, wetend wat dit voor gevolg zou hebben. Ook De Allesweter wist hiervan.

Stempher: “Het zal u niet verbazen dat wij graag in gesprek gaan met De Allesweter.” Pogingen om bij Holleeder de naam te achterhalen leverden niets op. “Het OM zet dan ook vraagtekens bij – indien er al sprake zou zijn van een bestaand persoon – de rol en de aanwezige kennis van De Allesweter.” 

Rechter: U kende Sam en John van vroeger. De Allesweter vertelde hoe gewelddadig ze waren. Ze wilden u samen pakken, hij adviseerde u niet meer samen met Cor in één auto te gaan. Cor nam dit niet serieus, u wel.

Holleeder: Cor nam het wel serieus, maar hij was geen man van discipline. Toen dit speelde, vlak voor het gebeurde in de Deurloostraat, woonde Cor nog in Amstelveen, maar hij woonde natuurlijk wel al apart ergens. Maar hij kan het dan niet volhouden en dan gaat-ie er langs en dat gebeurt het. We wisten wat er stond te gebeuren.

Rechter: “We mochten het tegen niemand zeggen, maar de volgende dag werd ik er op de sportschool al op aangesproken. Het verhaal dat er wraak genomen zou worden.”

Holleeder: Ik had tegen Cor gezegd dat hij het tegen niemand mocht zeggen, maar de volgende dag op de sportschool zei Hennie Smit: “Geldt dat voor mij ook?” Ik zei: “Ik weet niet waar je ’t over hebt.” “Dat ze ons dood gaan schieten.” Toen hebben we wel ruzie gekregen.

Rechter: U had Sonja gewaarschuwd: niet in de auto met Cor, zeker  niet met kinderen.

Holleeder: Klopt

Rechter: Dan zegt u: “De Allesweter vroeg of ik weer langs wilde komen. Sam had besloten om Cor alleen te pakken. Toen ik het Cor vertelde geloofde hij het niet. Ik heb tegen Sonja gezegd: je moet nog meer opletten.” De Allesweter, die naam is al een paar keer gevallen.

Holleeder: Die naam is mij in Kolbak ook gevraagd, maar die man heeft me geholpen, die naam ga ik niet noemen, ik ga die man niet in problemen brengen.

Rechter: ’t Is een bijzondere figuur. Hij lijkt wel een soort priester, bij wie mensen hun verhaal doen. En als jij dan dit of dat doet, dan komt het wel goed.

Holleeder: U moet het zo zien dat als Cor niet eigenwijs was geweest, dan had er niks hoeven gebeuren in de Deurloostraat. Ik ben die man daar erkentelijk voor. Ik ga die man niet noemen. Het is géén priester.

Rechter: Het is iemand die van de hoed en de rand weet, een vertrouwensman, hij bemiddelt, geeft adviezen.  Er zijn wel wat namen gevallen. Er zijn verklaringen van getuigen, het is die of die. Mink Kok is genoemd.

Holleeder: Mink Kok is het niet.

Rechter: Na de aanslag in de Deurloostraat bezoekt u Cor in het ziekenhuis. Dan zegt hij: “Het is niet te geloven, Neus, toch die twee leipies.” U zegt: “Ik heb het huis niet aangewezen. Veel mensen wisten waar hij woonde. Eem goede vriend van Mieremet woonde achter Cor.” In de Kolbakzaak (de afpersing van Endstra, waar Holleeder voor is veroordeld) gaat het over het Wildschutgesprek (café Wildschut, in Amsterdam). Dat is de bemiddeling waar we het over hadden. U hield Klepper en Mieremet aan de zijkant. U hoorde van Endstra dat hij geld had aangenomen van hen.

Holleeder: U haalt alles door elkaar. Dat gesprek bij Wildschut had niks met geld van Endstra te maken. Ik wist van De Allesweter dat er betaald moest worden en ik heb om bemiddeling gevraagd van Mink om zeker te weten dat als ik dat miljoen zou hebben betaald, dat het dan ook over zou zijn. Dat Endstra geld aangepakt heeft van allerlei mensen is een ander verhaal.

Rechter: Die 1 miljoen: dat ging erover dat er een drugstransport was geript en als er 1 miljoen werd betaald was dat uit de wereld.

Holleeder: Er werd gezegd: of het wordt een bloedbad of er wordt een miljoen betaald. Gezien dat je had te maken met Klepper en Mieremet, was het echt een bloedbad geworden. Ik heb ervoor gekozen dat miljoen te betalen, voor Sonja, de kinderen, mijn familie en Robbie (Grifhorst). Daarnaast hadden we alle bezit op straat staan, voor mij was het simpel opgelost door het miljoen te betalen, het was mijn manier om het op te lossen.

Rechter: In 1997 hoorde u van Endstra dat hij geld had aangenomen van hen, ze hadden ook een bijnaam: Spic en Span. U zei: “Endstra vroeg mij als spreekbuis te fungeren, hij wilde liever niet met hen op kantoor worden gezien. Mink had me nog gewaarschuwd dat Endstra geen geld van hen moest aannemen. Ik heb Mink later opgezocht om te vertellen dat ik het niet had kunnen tegenhouden. Ik heb meerdere keren gezien dat Endstra geld aannam van Klepper en Mieremet.” U wilde geen criminele activiteiten meer. U sloot uw ogen daarvoor. U zegt: “Ik deed het niet om wit te wassen, maar om Wim te helpen. Ze hebben mij gebruikt als ingang tot Endstra. Zo was ik nuttig, dus veilig.”

Holleeder: Ja, zo is dat.

Rechter: U zegt: “Grifhorst kende Endstra. Toen we bezig waren met investeren, kwamen we bij Endstra. Dat is die acht miljoen zwart.” Zegt u dan. Dat geld was toch witgewassen?

Holleeder: Wij hebben ons geld afgegeven aan Grifhorst. Hij stond niet in Nederland ingeschreven. Voor hem was wit geld hetzelfde als zwart geld. Alle bedrijven stonden op zijn naam. Dat geld is contant gemaakt en contant verdeeld. Als we geen verdeling hadden gehad, was het wit gebleven, maar dan stond het op Robbie zijn naam.

Rechter: Over de boete van 1 miljoen na het drugstransport zegt u: “Ik wist dat het probleem met Sam en John moest worden opgelost.” U wilde eerst wachten wat Sam en John zouden zeggen. U bent met zijn allen naar Frankrijk gegaan. U zegt: “Ik wilde het zonder geweld doen. Al ons geld was in panden en  bedrijven gestoken, ik heb advies aan De Allesweter gevraagd. Thomas beheerde de Achterdam. Op advies van Cor ben ik ook met Stanley Hillis gaan praten. Thomas ging met mij mee, hij bleef tijdens het gesprek in de auto zitten. Hillis wilde niet met Sam en John praten omdat hij hen ook zat was. De Allesweter vertelde toen over de 1 miljoen voor Sam en John. Grifhorst wilde het met z’n drieën betalen. Grifhorst was ook bang dat er iets met de panden en bedrijven zou gebeuren.” Wat voor bedrijven?

Holleeder: De gokhallen, bijvoorbeeld. Ze konden de boel in de fik steken, of een wapen leegschieten, dan ga je ook dicht.

Rechter: Of een handgranaat.

Rechter: De Allesweter zou garant staan. Ook hier weer die onbekende machtige persoon. Mink Kok had ook een garantie gegeven. U zegt: “Rob betaalde tweederde, ook voor Cor, ik één derde. Dat had ik contant.” Waar kwam dat zo gauw vandaan?

Holleeder: Dat had ik gewoon liggen, we verdienden wel geld, natuurlijk.

Rechter: “Ik heb betaald om leven van Cor te redden en onze bezittingen veilig te stellen. Ik ben daarna met Thomas naar Cor in Frankrijk gegaan. Ik heb het aan Cor verteld, die was boos, hij wilde niet betalen.” U moest teruggaan en zeggen dat hij Sam en John met lood zou betalen. U zegt: “Ik heb wat bijbetaald, Rob en ik hebben het opgelost.”

Rechter: Waarom was het zo principieel voor Cor?

Holleeder: Dat was Cor, hè? ’t Is niet alleen principieel, het was  ook egoïstisch van Cor, er hadden ook anderen mee te maken die gevaar lopen. Er was echt geen keuze om het anders op te lossen. Je kunt wel in het buitenland gaan zitten, maar ik heb bewust direct betaald, ’t is maar geld, klaar is kees. Als hij niet had gezegd: “Ik heb niet betaald,” was er niks aan de hand geweest. Hij wil Don Vito zijn en is dat zelf gaan schreeuwen, ik heb het niet tegen hun gezegd.

Rechter: Wist u iets van die rippartij?

Holleeder: Nee, daar had ik geen zicht op.

Rechter: U heeft een miljoen neergelegd zonder te weten of ze enig verhaal hadden?

Holleeder: Cor zei: “Het is niet waar.” Dan nog was de keus: 1 miljoen betalen, of een bloedbad. Als mensen als Mieremet die dingen uitspreken, is er geen weg terug.

Rechter: U zegt: “Thomas en ik zijn direct weer weggegaan, Cor heeft overal rondverteld dat hij niet had meebetaald.”

Holleeder: Hij heeft het wel gezegd waar hij kwam, het kwam wel bij hun terecht.

Rechter: Grifhorst wilde met alles stoppen, hij was bang dat de problemen niet waren opgelost, daarom is in 1996 alles verdeeld.

Holleeder: Robbie zei: “Ik ben er echt klaar mee. Robbie heeft ook geen leuke tijd met Cor gehad. Cor heeft hem lopen treiteren: “Je hebt gestolen. Je hebt een boot gekocht.” Cor was een moeilijke man, voor Robbie was dit de druppel: nou stop ik ermee.

Rechter: U zegt: “De Allesweter zei dat het voor mijn veiligheid goed was als ik af en toe een kop koffie met Sam en John ging drinken. Aan de andere kant had Hillis juist gezegd geen afspraken met deze mannen te maken. Cor wilde geen contact. Hij wilde nog steeds met lood betalen. Ik ben af en toe met Sam en John gaan koffie drinken en een broodje eten.”

Donderdag 8 februari.

Rechter: Ik kom weer bij De Allesweter. Ik probeer het nog een keer.

Holleeder: Sorry, ik ben zoals ik ben, die man heeft mijn leven gered. Dat Cor is neergeschoten is omdat hij eigenwijs was en toch weer naar dat huis wou.

Rechter: Die Allesweter was iemand uit de onderwereld?

Holleeder: Ja.

Rechter: Was hij ook in de bovenwereld?

Holleeder: Nee.

Rechter: In welke onderwereld?

Holleeder: Dat weet ik niet, hij deed alles.

Rechter: Was het iemand waar tegenop gekeken werd?

Holleeder: Er zijn bepaalde mensen – dan kunnen we Hillis nemen, die is toch dood – die weten heel veel. Het was iemand in die context, die alles weet.

Rechter: Hillis was het niet.

Holleeder: Nee.

Rechter: Een van de mensen die voorbijkomt in al die zaken?

Holleeder: Dat ga ik niet zeggen, ik ga niks uitsluiten

Rechter: U heeft nog nooit gezegd wie het is?

Holleeder: Ik heb het nooit gezegd. Er zijn mensen die het weten, ik heb het nooit gezegd, ook niet tegen Sam en John.

Rechter: Bas van Hout weet het ook?

Holleeder: Ja.

Rechter: Is dat dezelfde Allesweter?

Holleeder: Ja.

Rechter: Bas van Hout weet het. Hij zegt: “Ik heb met De Allesweter gesproken, die heeft mij veel verteld over het milieu.” Hij heeft ook veel aan Bas van Hout verteld over u en uw positie. Hij zegt later: “Ik ben naar Holleeder gegaan en heb gevraagd of het klopt.”

Holleeder: Ja.

Rechter: Dus Bas van Hout gaat u vertellen: “Dit zegt De Allesweter.” Hoe weten wij nou dat wat u vertelt niet het verhaal van Bas van Hout is?

Holleeder: Om te beginnen: de term Allesweter komt bij Bas van Hout vandaan. Zo is het in het dossier terechtgekomen.

Rechter: U noemde die man niet zo.

Holleeder: Nee. Ik heb wel tegen Cor gezegd wie het was. Cor wist precies wie het was. Wij noemden hem geen Allesweter, wij noemden hem gewoon bij naam

Rechter: Hoe kan ik weten dat u niet vertelt wat Bas van Hout vertelt maar dat u dit zelf meegemaakt heeft?

Holleeder: Iedereen weet dat ik dat miljoen heb betaald. Heel veel mensen in de onderwereld weten dat er problemen waren, er zijn ook heel veel mensen die weten wie De Allesweter is.

Rechter: Wie wist dat dat miljoen is betaald?

Holleeder: Iedereen in Amsterdam wist dat.

Rechter: De Allesweter zei: “Er zijn problemen met Klepper en Mieremet, er is een schuld bij Cor. Het ging om een hasjtransport. Of ook harddrugs?”

Holleeder: Het ging om een drugstransport. Ik heb gewoon aangenomen wat ze gezegd hebben. Klepper en Mieremet waren op dat moment één van de gevaarlijkste mensen in Nederland.

Rechter: Dat wist u?

Holleeder: Dat heb ik gehoord van De Allesweter.

Rechter: Dat wist u daarvoor niet?

Holleeder: Nee.

Rechter: U zegt: “Ik wist het niet want ik had vastgezeten.”

Holleeder: Cor kreeg een waarschuwing van Klepper bij König (exclusieve herenmode)in de PC Hooftstraat. Daar was hij naar binnen gestormd, daar stond ik bij. Hij waarschuwde, hij liep weg, en hij zei: “Maar je bent er nog niet vanaf, jongen.” Daarna ben ik bij De Allesweter geweest en die heeft gezegd: je moet het oplossen.

Rechter: In de PC Hooft: wist u toen al over dat conflict met drugs?

Holleeder: Nee.

Rechter: Wist Cor het?

Rechter: U leefde in de onderwereld. U was sinds 1992 vrij. Wat had u dan in die vier jaar opgepikt over Klepper en Mieremet? Eigenlijk niet veel.

Holleeder: Pas toen de problemen begonnen, die waarschuwing in de PC Hooftstraat, toen is dat gaan spelen. Zonder De Allesweter had ik dat niet geweten.

Rechter: Heeft u zich ooit afgevraagd of het waar was, van die schuld?

Holleeder: Dat heb ik maandag al gezegd: ik ben rationeel. Heel simpel. Er is een probleem: of het wordt een bloedbad, of je betaalt. Cor zegt: “Het is niet zo.” Hun zeggen: “Het is wel zo.” Het maakt mij niet uit wat ze zeggen, ik wilde van het gezeur af.

Rechter: Hoe had u contact met De Allesweter?

Holleeder: Er was een jongen die naar me toe kwam.

Rechter: De Allesweter vertelde dat Klepper en Mieremet u en Cor samen wilden pakken. Het probleem was met Cor, maar als ze u zouden laten leven, zou u wraak nemen.

Holleeder: Daarom wilden ze ons samen in één auto.

Rechter: Het advies van De Allesweter was: niet meer samen in één auto. Cor nam dat niet serieus, u wel.

Holleeder: Cor deed laconiek, zoals Cor was: “Ach, die leipies.”

Rechter: U heeft Sonja gewaarschuwd dat ze niet met Cor in één auto moest gaan, zeker niet met de kinderen.” Wat deed ze daarmee?

Holleeder: Sonja was op de hoogte van wat er gebeurde, het was natuurlijk stom dat ze met Cor Ritchie is wezen halen bij school, maar ze zal er niet onderuit hebben gekund, Cor had Sonja onder de duim. Ze wist wel dat ze gevaar liep. Ik heb veel geweten, maar als ik die tapgesprekken lees weet ik nog geen tiende van wat er toen gaande was. Sonja had echt geen mogelijkheid om te doen wat ze wilde. Ze kon niet zeggen: Ik rij niet mee.” Hij zat al een tijd in Buitenveldert, toen is hij toch terug gegaan naar de Deurloostraat, toen hebben ze hem gepakt.

(Dit gaat over de eerste aanslag op Cor, in 1996, toen hij samen met Sonja en Richie naar de woning in de Deurloostraat reed en hij door een schutter onder vuur werd genomen. Dat deze aanslag grotendeels mislukte kwam mede doordat ze langer in de auto waren blijven zitten dan normaal, omdat er een liedje van Guus Meeuwis op de radio was en Richie dat nog graag even wilde horen. De schutter was daardoor vermoedelijk wat van zijn à propos)

Rechter: Dan moet u weer bij De Allesweter komen, die zegt: “Sam heeft besloten Cor alleen te pakken.” Het lukte niet met u samen. Toen u Cor dat vertelde, nam hij dat niet serieus.

Holleeder: Hij zei letterlijk: “Je moet Cor op vakantie sturen, hij moet een tijdje wegblijven ze gaan hem nou alleen pakken.” Dat heb ik tegen hem gezegd: “Je moet op vakantie.” Cor zei: “Slap gelul.”

Rechter: U zou toch niet meer samen met Cor in één auto zitten?

Holleeder: We moesten ergens naar toe, toen heb ik hem opgepikt. We zouden meteen de stad uitgaan, toen zei hij: “Ik heb nog een afspraak met Leen.” Ik heb achteraf van Sam gehoord dat Leen Bosnie toen de boel had gelokt. Het was vóór de tijd dat De Allesweter mij had verteld wat er aan de hand was, maar ze waren toen al met ons bezig. Sam Klepper vertelde later, toen Cor was neergeschoten, dat we geluk hadden gehad omdat we waren doorgereden.

(over de periode na de aanslag)

Holleeder: Cor wilde het eigenlijk anders oplossen.

Rechter: Hoe dan?

Holleeder: Hun neerschieten natuurlijk.

Rechter: In uw verklaring zegt u: Cor wilde het in het begin ook zonder geweld oplossen.

Holleeder: Ja, maar dat ging niet. Cor zei: “Los het op!” Toen heb ik betaald en zei Cor: “Rot maar op.”

Rechter: U zegt: “Ik ben vanuit Frankrijk naar Nederland gegaan om advies te vragen aan De Allesweter en op advies van Cor ben ik met Stanley Hillis gaan praten.

Holleeder: Cor had met Stanley in Scheveningen gezeten. Daarna was Stanley bij mij in Alkmaar gekomen. Toen we verlof hadden gingen we altijd bij Hillis in de Warmoesstraat een biertje drinken, hij had daar een paar cafés en coffeeshops. Hillis had een bepaalde positie in de onderwereld. Hij was een grote baas, hij was de enige waar Klepper en Mieremet ook bang voor waren. Cor zei: “Ga naar De Allesweter en ook naar Hillis.”

Holleeder: Hillis zei: “Ik ben ze ook zat, ik ben er klaar mee, ik heb geen trek dat ze hier weer voor de deur komen.” Toen ben ik weggegaan. Die deur was dicht. Toen ben ik alleen met De Allesweter verder gegaan

(het gaat verder over de betaling van 1 miljoen, De Allesweter stond garant)

Rechter: Hoe ver ging zijn macht?

Holleeder: Heel ver.

Rechter: Dus Klepper en Mieremet luisterden naar De Allesweter.

Holleeder: Ja.

Rechter: Hoe werkte dat dan?

Holleeder: Ik heb hem gevraagd: “Als ik dat miljoen betaal, sta jij garant?” Hij zei: “Ik sta garant, maar betrek Mink Kok er ook bij, dan heb je een dubbel slot op een slotje.”

Rechter: Klepper en Mieremet. U kreeg het advies van De Allesweter om af en toe een kop koffie met hun te drinken.

Holleeder: Ik het gewoon gedaan omdat ik dacht dat ik het moest doen. In het begin is het geen pretje geweest.

Rechter: Vertrouwden ze u?

Holleeder: In het begin niet. Ik moest voorin zitten, dan zaten zij achterin, gewapend, er was van beide kanten spanning. De eerste keer ga je ernaar toe, weet je niet waar je naar toe gaat, je weet niet hoe het afloopt. Het enige wat ik in mijn zak had was de toezegging van De Allesweter en van Mink dat het opgelost was, maar dat moet je eerst nog maar zien.

Rechter Somsen: De Allesweter had u verteld welke moorden Klepper en Mieremet hadden gepleegd. Wie waren die slachtoffers?

Holleeder: Michael Vanenburg, bijvoorbeeld en een zwager van hem, best wel veel. Sam heeft ook bepaalde liquidaties bekend aan John van den Heuvel.

Rechter: Welke zwager?

Holleeder: Die ging met de zuster van Ria Eelzak.

Vrijdag 9 februari

Rechter: Thomas ging weleens met u naar Frankrijk, en naar Hillis? U ging met Hillis om?

Holleeder: Nee. Cor zei tegen mij: ga bij De Allesweter langs en ga bij Hillis langs. Ik heb Thomas meegenomen naar Hillis omdat we ook wat moesten bespreken over de Achterdam, hij is een paar dagen met mij meegereden. Thomas is een hele lieve jongen, hij had alleen een giftige tong. Ik wist niet dat hij met Teeven sprak. Er is niks naar mij toe gekomen dat Thomas mij zou willen vermoorden. Dat slaat nergens op.

Het bericht over De Allesweter en de link naar Panorama staat hier

Astrid en de Hakkelaar

$
0
0

In het verhoor van Astrid Holleeder van vrijdag 23 maart kwam haar relatie met drugsbaron Johan Verhoek, alias De Hakkelaar, ter sprake. Geruchten over een meer dan zakelijke relatie tussen hen deden al jaren de ronde, maar tot nu toe had geen van beiden zich hierover ooit formeel uitgelaten. Dat Astrid zakelijke belangen van hem behartigde was bekend en ook dat hij een rol speelde in de Goudsnipzaak, het hete hangijzer rond de erfenis van Cor van Hout. Dat gaat over prostitutiepanden op de Achterdam in Alkmaar waarvan het vermoeden was dat deze waren aangekocht met losgeld van de Heinekenontvoering (1983).

De schim van De Hakkelaar dook op toen de gemeente Alkmaar in 2009 in het kader van de wet Bibob probeerde vergunningen in te trekken. De betreffende panden stonden op naam van ‘partners’. Onder wie Liz, de vrouw van Bertus Hassing, een bekend onroerend-goedhandelaar; Netty Grifhorst, de vrouw van Robbie Grifhorst, die een cruciale rol speelt in de afhandeling van het Heinekenlosgeld én: Marie-José van E.; haar advocaat beschuldigde de burgemeester Bruinooge van Alkmaar van tunnelvisie: “Het feit dat zij getrouwd is geweest met Johan ‘De Hakkelaar’ V. wil niet zeggen dat die daadwerkelijk de touwtjes in handen heeft. Maar waar rook is, is kennelijk vuur.”

De relatie van Astrid met Verhoek was een heikel punt, dat Holleeders advocaat Sander Janssen aansneed aan het slot van zijn verhoor van Astrid. Holleeder zelf liet zich nauwelijks horen: hij krijgt later – in mei – nog gelegenheid Astrid van repliek te dienen. Het gedeelte van het verhoor van Astrid over haar connectie met Verhoek zit ingeklemd tussen twee momenten waarop Holleeder zich even laat horen. Dat begint met een venijnige discussie met officier van justitie Lars Stempher.

Astrid had ‘broer Wim’ ervan beticht een officier van justitie naar zich toe te hebben laten komen, een officier met wie hij kennelijk een goede band had. Dat gaat over de bekende crimefighter Koos Plooij, die officier van justitie was in de zogenaamde Kolbakzaak, over het afpersen van rijke zakenmensen uit de vastgoedwereld. Holleeder was een van de verdachten.  In april 2010 bleek dat er sprake was van ernstige bedreiging aan het adres van Plooij. In de media werd al snel verband gelegd met de lopende strafzaak, maar even later werd duidelijk dat het uit een heel andere hoek kwam (van de zogenaamde tattoo-killers, een bende huurmoordenaars). 

Stempher: Hebt u collega Plooij laten komen?

Holleeder: Nee, hij heeft mij bij hem laten komen. Het was een verzoek van meneer Plooij. Toen in de media kwam dat ik achter de bedreiging op meneer Plooij zat, dat hoorde ik tijdens het transport, heb ik op de zitting meteen tegen meneer Plooij gezegd dat het absolute onzin was. Meneer Plooij heeft mij uit de cel laten ophalen, of ik bij Plooij kon komen. Stijn Franken (zijn vorige advocaat)  is daar bij geweest. Hij zei dat hij het op prijs stelde dat ik dat meteen zei.

Stempher: Dank u.

Rechter: U wilde dat niet horen, mevrouw? U doet de vingers in uw oren.

Astrid: Ik word helemaal kotsmisselijk van dat konkelen en al die shit, ik kan het niet aanhoren, ik vind het nog vreselijker dan overal waar ik over moet verklaren, hij blijft doorgaan, hij moet een keertje stoppen.

Rechter: Negeert u hem, kunnen we verder gaan?

Advocaat Sander Janssen: In de Goudsnipzaak gaat het over een Lexus die op naam stond van Roel Tangenberg (de boekhouder van de panden op de Achterdam). Die is na het overlijden van Cor verkocht.

Astrid: Die is door Roel verkocht, daarin heeft Johan Verhoek bemiddeld voor hem.

Janssen: Dit item heeft in de stukken op de usb-stick opvallend veel aandacht gekregen. Die vragen op de usb-stiuck, daarvan zegt u dat u die niet heeft opgeschreven. (In het onderzoek was een usb-stick in beslag genomen waarvan de gegevens waren gewist, maar die door de politie terug konden worden gehaald)

Astrid: Nee.

Janssen: Roel verklaart dat die auto verkocht is via Johan Verhoek, niet aan Johan Verhoek. Hij zegt: “Die heeft de factuur gemaakt.” Wat opvallend is: aan Roel Tangenberg wordt gevraagd bij de politie of hij die usb-stick met vragen en allerlei bestanden, die bij de belastingdienst is terechtgekomen, of hij die van Johan Verhoek heeft gekregen. Waarom wordt dat aan hem gevraagd?

Astrid: Geen idee

Janssen: Ik heb het aan hem gevraagd. Hij zegt: “Het was gewist. Een speciale dienst heeft het teruggehaald. Ik weet zeker dat Johan Verhoek dingen heeft gedaan naar de advocaten toe, hij heeft weleens papieren en sticks gehaald en gebracht.” In dit verband noemt hij Johan Verhoek daar nadrukkelijk bij.

Astrid: Die is er ook bij aanwezig geweest, dat zie je in alle correspondentie. Er zijn besprekingen geweest met José (de partner van Verhoek, die een deel van de Achterdam op haar naam kreeg) en Liz (de partner van Bertus Hassing, idem) en iedereen. Ze hebben allemaal in de spreekruimte van het kantoor van de advocaat (Stijn Franken) gezeten. Iedereen kon zijn eigen aandeel weerspreken. Ik heb aantekeningen van Roel meegenomen. U confronteerde mij met een bandje. Roel Tangenberg was erbij en heeft aantekeningen gemaakt. Ik was er niet bij.

Janssen: Toen ze bij Sonja zaten om te praten over de erfenis?

Astrid: Iedereen maakt aantekeningen.

Janssen: Het gaat over het telefoongesprek waarin Ariën Kaale zegt: “We zitten de erfenis te bespreken” en dat Tangenberg daar zit met Ed Sweering.

(Ariën Kaale was een vriend van Cor van Hout. Hij was erbij toen Cor op 24 januari 2003 in Amstelveen werd geliquideerd. Kort daarna waren er allerlei besprekingen over de erfenis. Ed Sweering was ook een goede vriend van Cor en had een administratiekantoor) 

Janssen: Daar heeft u aantekeningen van van Roel Tangenberg?

Astrid: Ja, maar dat is zoveel, dat ga ik niet eens voorlezen.

Janssen: Gaat u die aantekeningen aan het Openbaar Ministerie geven? Die zitten toch niet in Goudsnip?

Astrid: Dat weet ik niet.

Janssen: In de verklaringen van Tangenberg staat dat hij er alle weekenden mee bezig is geweest. Ik dacht dat hij bedoelde: samen met de verdachten.

Astrid: Ik heb alle aktes opgevraagd van de Peperstraat. Robbie Grifhorst heeft het nagekeken met Roel Tangenberg,

(Grifhorst werd ervan verdacht samen met Cor van Hout Heinekenlosgeld te hebben geïnvesteerd in winkelpanden in de Peperstraat in Zaandam) 

Janssen: Er was ook een bijeenkomst met Sonja, Robbie en u en Johan Verhoek.

Astrid: En José.

Janssen: Het is een precair onderwerp: u weet dat er berichtgeving rondgaat over die meneer Johan Verhoek

Astrid: Dat is voor mij geen precair onderwerp. Je kan erover vragen wat je wil.

Janssen: En over de relatie die u met hem zou hebben gehad.

Astrid: Ja. Nou, ik zou het heel graag willen, maar ik ben niet zijn type. Wat bedoel je met een relatie? Zoals jij met een van je collega’s?

Janssen: Nee, dat bedoel ik niet.

Astrid: Wat voor relatie heb jij met je collega’s?

Janssen: Geen seksuele.

Astrid: Oooo! Het gaat om seks! Seks heb ik met verschillende mensen, waar ik zin in heb. Je gaat niet vragen naar mijn seksleven, kom op zeg.

Janssen: Het gaat niet om de seks. Een man-vrouw relatie?

Astrid: Nee, die heb ik niet met hem.

Janssen: Zijn dochter heeft daarover verteld.

Astrid: Ik zie natuurlijk wel hoe dat gaat op internet, dat laat ik maar, een stalker moet je geen aanknopingspunten geven. Ik heb het meisje op verzoek van haar ouders geprobeerd uit haar verslaving te halen door haar te laten chaufferen. Zij heeft mij naar Rotterdam gebracht, daar heb ik bewijs van, ik heb toen met meneer Teurlings (vermoedelijk advocaat Mark Teurlings, die ze regelmatig sprak, maar die kan zich geen afspraak in Rotterdam herinneren) zitten praten. Zij kwam me ophalen met de auto van haar oom. Toen ik terugliep naar de auto zat ze op het dashboard te snuiven. Mijn dochter stond op het punt te bevallen, toen heb ik het stuur overgenomen. Ze heeft de hele weg zitten krijsen dat ze nog naar de dealer moest. Ik zou haar nog betalen, ze moest geld hebben. Ik heb haar afgezet bij haar vader, die heeft mij teruggebracht. Ik heb gezegd: “Sorry, dit ga ik niet meer doen.” Ik heb wat stukjes (de dochter heeft een website) bij me hoe zij Rutte afbeeldt met een touw om zijn nek, Pechtold als Hitler, dat ik in een zeecontainer en een kofferbak moet. Ik heb voor u een map waarin haar moeder vertelt hoe het meisje zich heeft ontwikkeld. De bedreigingen naar haar moeder hebben tot een strafzaak geleid. Als je dat leest, rijzen de haren je te berge. Ik word nu al jaren gestalkt door dat kind, mijn dochter wordt door haar gestalkt, iedereen, en je kan er niks tegen doen, alles wat je zegt maakt het erger. Als we het hebben over betrouwbaarheid: ik kan er niks aan doen dat dat meisje ziek is. Het is te triest voor woorden.

Janssen: Het gaat mij erom dat ze dingen vertelt over die relatie en wat zij daarvan gezien heeft.

Astrid: Dat ik met mijn voeten op het dashboard zit in een kort rokje? Meneer, heeft u mijn benen gezien? Ik loop niet in een kort rokje. Dat wil ik niemand aandoen. Ik zie er niet uit als een vrouw, ik zie eruit als een…

Rechter: Advocaat!

Astrid: halve man.

Janssen: Met wie u een relatie heeft kan mij normaal gesproken niets schelen, maar in dit geval speelt meneer Verhoek een rol in het Goudsnip-verhaal.

Astrid: Bertus Hassing ook. Lig ik dan ook in bed met Bertus Hassing?

Janssen: Als u een relatie heeft met de op één na beroemdste crimineel van Nederland kan dat van belang zijn.

Astrid: De één na beroemdste crimineel? De man is veroordeeld voor feiten die in 1989 en 1991 zijn gepleegd. Hij is vanaf dat moment alleen over die feiten lastig gevallen. Hij is een vriend van mij, ik heb het recht hem te verdedigen. De reden waarom hij bij mij boven een verdieping huurde, was omdat hij zijn dochter elke dag ging verzorgen. Elke dag medicijnen ging brengen. Ik ken niet die crimineel, ik ken de mens. U hebt zelf bij Zomergasten lopen verkondigen dat u de mens achter de crimineel ziet.

Janssen: Zomergasten? Dat zal niet, u bedoelt dat radioprogramma. Dan bent u na mijn moeder en meneer Stempher de derde die daarnaar geluisterd heeft.

Astrid: Ik heb het uitgewerkt, ik weet precies wat u daarover zegt. Als mijn broer na 1989 niks meer had gedaan, was het ook prima geweest. Als Johan Verhoek morgen een moord pleegt, wil ik niet meer met hem omgaan.

Janssen: U zegt: “Ik heb met die man geen relatie gehad.” Ik zeg dat de Fiod (de belastingdienst, die onderzoek deed in de Goudsnipzaak) en de politie denken dat dat wel zo is. Weet u dat?

Astrid: Nee.

Janssen: In oktober 2012 is hij met een arrestatieteam om zes uur ’s morgens uit uw woning gehaald. (Astrid woonde toen in de Scheldestraat in Amsterdam)

Astrid: Dat klopt.

Janssen: Omdat ze weten dat hij daar is. In een proces-verbaal staat dat ze hem al langere tijd hebben geobserveerd, en op grond van de tijdstippen dat hij uw woning binnengaat en eruitkomt, zijn auto parkeert en wat u samen met hem doet aannemen dat u al langere tijd een relatie heeft met elkaar.

Astrid: Dus zij hebben mij zien neuken met hem?

Janssen: Dat hebben ze niet opgeschreven.

Astrid: Verhoek huurde bij mij een bovenverdieping. Dat is een aparte opgang, daar zijn ze ook naar binnen gevallen. Op dat moment zat hij bij mij aan de koffie.

Janssen: Om zes uur ’s morgens.

Astrid: Ja. Ik ga om half zeven de deur uit. Dan hoef ik mijn broer niet te zien. Om zes uur hoor ik allerlei gedoe, ik ben met mijn armen in de lucht gaan staan, als ik dat niet doe schieten ze mij misschien neer. Die arrestatie was voor witwassen, een vervolg op Goudsnip, over geld van 1989/91, toen dacht ik: “Da’s bijzonder.” Laat dat nou net die officier van justitie zijn waar ik sinds 2011 mee in gesprek was.

Janssen: Dat hij bij u was had te maken met de verdieping die hij huurde.

Astrid: Ook omdat we samen strafzaken deden en we waren een andere business aan het opzetten. We maken samen muziek. Ik kan heel goed zingen, hij kan goed gitaarspelen. Dat vinden wij van elkaar. (Johan Verhoek maakte ooit samen enkele platen, als het duo Johan en Ans, met als bekendste single ‘Alles in het leven duurt maar even’) 

Janssen: Het gaat niet alleen over de Scheldestraat, er staat ook dat verdachte Johan en Astrid Holleeder een aantal malen gezamenlijk de nachtelijke uren op camping De Zonnehoek in Hilversum als op camping Het Monnikenbos in Soest en op de Scheldstraat hebben doorgebracht.

Astrid: Dat kan.

Janssen: Dat heeft toch niet te maken met het huren van een ruimte?

Astrid: We maken samen muziek, we doen de strafzaken samen, van alles en de schoonheid van de natuur heb ik ook dankzij meneer Verhoek leren kennen.

Janssen: Het maakt mij niet uit dat u een relatie met hem hebt, ik wil graag dat u daar eerlijk over bent.

Astrid: Ik slaap ook met collega Menno van Gaalen op één kamer, dan denken ze ook dat wij getrouwd zijn. Mij doet het niks, maar dat komt misschien omdat ik meer van vrouwen houd dan van mannen.

Janssen: Met een kantoorgenoot is toch wel iets anders.

Astrid: Hoezo dat?

Janssen: Met een kantoorgenoot heb je een zakelijke relatie, dan kan het zijn dat je samen een kamer deelt.

Astrid: Als ik met jou morgen naar de camping wil en er is maar één slaapkamer, dan slapen we ook in één ruimte en dan ga ik je echt niet verkrachten, daar hoef je niet bang voor te zijn.

Janssen: Daar ben ik helemaal niet bang voor.

Rechter: Meneer Janssen:, hoe lang blijft u nog…

Astrid: U kan mijn relatie met meneer Verhoek niet besmeuren, u moet mensen niet vals gaan beschuldigen.

Janssen: Ik houd u voor wat er in een proces-verbaal staat.

Astrid: Die relatie is niet zoals jij hem wil zien. En mijn broer. Sonja neukt ook met Peter de Vries. Als Sonja Peter de Vries één keer heeft gezien zonder dat er iemand bij was, is het veel, hoe die met elkaar hebben lopen neuken, ik weet het niet, maar hij moet zich wel gaan verdedigen in RTL Boulevard. Kijk uit met je fratsen. Dicht mensen geen rol toe die er niet is.

Janssen: Ik lees voor wat de politie vermoedt.

Astrid: Dat is diezelfde club waarmee ik zit te praten over hém, ik word er een beetje iebelig van.

Janssen: Dit is de Fiod in Utrecht.

Astrid: Weet u wie dit onderzoek geleid heeft?

Janssen: Nee, zegt u het maar.

Astrid: Dat weten ze zelf wel. Ik zit met de CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid)  te praten, vanaf 2011. Over hem. Die ik alles doorgeef wat hij doet. In 2011 praat ik met hem over die Dino Soerel-kwestie en dan ga ik met de CIE-officier praten.

Janssen: Heet-ie Hennie?

Astrid: Volgens mij heet hij Ligie van zijn voornaam.

Janssen: U wilt de naam niet noemen. U suggereert van alles over de rol van een officier van justitie die niet fris zou zijn.

Astrid: Toen Wim werd vrijgelaten is aan Betty Wind (officier van justitie) gevraagd waarom hij niet werd vervolgd. Hij was een zielige zwakke man.

Janssen: U wil die naam niet noemen.

Astrid: Dat moet Wim maar doen.

Janssen: U zegt: “De officier die bij de inval was en bij andere zaken.” U heeft toch een idee wie het is? Wilt u niet zeggen wie het is? Weet u wie het is?

Astrid: Ik heb wel een idee.

Janssen: U wil het niet zeggen?

Astrid: Nee. Dat is veiligheid.,

Janssen: Ik vind dat u dat moet zeggen. Denkt u dat die officier u iets wil aandoen?

Astrid: U ziet hoe we beloond worden. (Astrid beklaagt zich vaak over de manier waarop ze worden beveiligd, terwijl ze volgens haar voortdurend bedreigd wordt door broer Wim die vanuit de EBI in Vught moordenaars op haar af probeert te sturen) 

Holleeder: Krijgen we dat verhaal weer!

 

 

Komt Maartjes moordenaar nu vrij?

$
0
0

Wordt de tbs van de moordenaar van Maartje Pieck (15) uit Kampen met een jaar verlengd of komt hij op vrije voeten? Vanmiddag 2018 buigen de rechters in Zwolle zich over deze vraag. In De Stentor vertellen haar ouders en zus wat dit met hen doet. “De dag dat hij vrijkomt, voelt voor ons als de dood.” Maartje werd op 11 juli 2000 vermoord toen ze in Kampen folders rondbracht door de nu 55-jarige Jan H.

Moeder Mieke Pieck (61): “Het wordt een moeilijke dag. Opnieuw. Je bent nooit klaar voor de dag dat de moordenaar van je kind vrijkomt.” Ze gaat niet naar de zitting. “Als ik eenmaal weet hoe hij er uitziet, vrees ik dat ik hem straks overal denk te zien lopen.”

Dochter Lotte (32) ook niet, alleen vader Erik. Hij is er alleen op de eerste zitting niet bij geweest. Jan H. is al geruime tijd op onbegeleid verlof en heeft een baan buiten de kliniek. De kans is groot dat hij de kliniek mag verlaten en is hij vrij om te gaan en staan waar hij wil. Ook in Kampen.

In het boek Moordenaars in Nederland staat een reconstructie van deze moord. Over de blunders van de politie, de buurman die Jan H. een alibi geeft en hoe hij tegen de lamp loopt door een botsing met een ree. En het verschil met andere ‘lustmoorden’ (Marianne Vaatstra, Andrea Luten)

Het hoofdstuk over Maartje Pieck staat hier

 

Holleederproces: dag 4

$
0
0

Verslag van het verhoor van Willem Holleeder, in de Bunker in Osdorp, van dinsdag 13 februari. Dit is de vierde dag. Het begon maandag 5 februari;  donderdag 8 was de tweede zitting, vrijdag 9 februari was de derde, dinsdag 13 februari de vierde.

Voorzitter van de rechtbank is Frank Wieland, de officieren van justitie zijn Lars Stempher en Sabine Tammes. Er zijn twee andere rechters: Benedicte Mildner en Margo Somsen. De advocaten zijn Sander Janssen en Robert Malewicz.

De ondervraging is aan de hand van de verklaring die Holleeder op advies van een rechter tijdens een vorig proces heeft opgeschreven: zijn verhaal. Een handgeschreven verklaring van 127 A4’tjes. Daar heeft een hele tijd een embargo op gezeten. Toen dat eraf was, heeft de recherche een verificatieonderzoek gedaan, om na te gaan of bepaalde beweringen die Holleeder hier doet, kunnen kloppen. 

De ondervraging wordt gedaan door Benedicte Mildner.

Rechter: Op dinsdag 26 februari 2002 is de eerste poging tot liquidatie van John Mieremet, bij het kantoor van advocaat Hingst. U zegt: “Na het interview in De Telegraaf had ik geen contact meer met Mieremet.” Daarvoor zag u hem al minder omdat hij was ondergedoken in Duitsland. U sprak weleens met hem af in Keulen. Hij was ook veel in België?

Holleeder: Vóór de poging was hij vaak in Duitsland, hij was steeds mobiel, na de moord op Klepper (oktober 2000). Hij was op de vlucht.

Rechter: Die ochtend kwam hij uit België.

Holleeder: Zou best kunnen.

Rechter: U had hem nog gesproken.

Holleeder: Hij belde. Hij vroeg wat ik ging doen. Ik zei: niks. Hij zei dat hij niet kwam.

Rechter: Had u nou een telefoon of niet?

Holleeder: Ik had meerdere telefoons. Ik maakte met bepaalde mensen vaste afspraken, daar hoorde hij niet bij. Hij kon mij gewoon bellen.

Rechter: In Kolbak zegt u: ik had geen telefoon.

Holleeder: Hij kan me toch niet bellen als ik geen telefoon heb?

Rechter: Hij zou niet naar Amsterdam komen. Ria belde.

Holleeder: Ik weet niet precies wie me belde, ik heb contact gehad met Ria.

Rechter: Zij belde u?

Holleeder: Ik heb gewoon normaal contact gehad met Ria en hem via Ria nog aan lijn gehad toen hij in PEN-ziekenhuis (penitentiair ziekenhuis in Scheveningen) lag. Tot aan dat moment in De Lucht, de brief met Sandra, waarin stond wat zij nog tegoed had. Maar er waren nog andere verhalen. Ook dat Magdi Barsoum erachter zat. Daarna heb ik een afspraak gemaakt met Johnny. Hij bleef in de auto zitten en zwaaide met die brief van Jan Guyt (Jan Guyt was de boekhouder van Sam Klepper). Hij zei: “Zit jij er soms achter?” Vanaf dat moment heb ik hem niet meer gezien. Ik heb Ria nog wel een keer gezien, voor de rest heb ik geen contact meer gehad.

Rechter: Op de dag van de aanslag bent u met Ria naar het ziekenhuis gegaan. U had contact met Ria over dat Mieremet naar het PEN-ziekenhuis ging.

Holleeder: Dat heeft Bram Moszkowicz geregeld.

Rechter: Vond u dat vervelend?

Holleeder: Nee, dat was goed voor zijn veiligheid. Prima. Ik heb met Bram geregeld dat Ria op bezoek kon komen. Ik zeg nog tegen Ria: dat moet hij zeker doen, voor zijn veiligheid.

Rechter: Sandra zegt dat zij bij u komt in Amstelveen en dat u “boos en dronken” bent. U zegt: “Onzin, ik ben niet gaan drinken, ik moest super-alert zijn in verband met investeringen.”

Holleeder: Bij een aanslag wordt iemand die slachtoffer is ook onder de loupe genomen.

Rechter: Ria zat toch gewoon in een bedrijf?

Holleeder: Als ze er echt op gaan zitten, wordt het toch een ander verhaal. Je weet ook niet wat Mieremet opgeschreven heeft. Hij schreef altijd alles op.

Rechter: Waarvoor was dat dan slecht?

Holleeder: Dat er een probleem zou komen met Endstra. Mijn geld zat ook bij Endstra en ik zorgde voor Endstra.

Rechter: U had niet gedronken, u zegt: “Ik drink alleen als ik ga stappen en Sandra hoefde mij geen eten brengen.” Gebeurde dat vaker?

Holleeder: Ik eet eigenlijk altijd buiten de deur. Dat eten brengen is onzin. Ook dat ze eten moest brengen toen Cor was doodgeschoten, om vijf of zes uur. Dat slaat helemaal nergens op. Ik eet altijd buiten de deur. Ik eet bijna nooit thuis. Stukkie kaas uit de ijskast.

Rechter: Misschien dat u deze dag dacht: laat ik even niet in een restaurant gaan zitten?

Holleeder: Nee.

Rechter: Waarom niet?

Holleeder: Ik ben gewoon in de weer geweest met Ria. Het is onzin. Ik begrijp het wel: dat moet ze zeggen van Astrid.

Rechter: U dacht niet: deze dag blijf ik binnen, er komt misschien iets dat op mij gericht is.

Holleeder: Nee, ik ren er nooit voor weg.

Rechter: Met Sam Klepper wel.

Holleeder: Nee, Mieremet is binnen gebleven. Ik ben gewoon op straat gebleven. Na de eerste aanslag op Cor in de Deurloostraat bleef ik ook op straat, ik doe gewoon wat ik wil. U ziet toch dat ik contact heb gehad met Ria?

Rechter: U heeft niet zoiets gezegd als: “Ik snap het niet, het was zo goed gepland.” Wat Sandra zegt.

Holleeder: Echt onzin. Ik wist ook niet dat hij naar Amsterdam kwam. Dat is weer zo’n leugen, dat is absoluut niet waar.

Rechter: Wat deed hij bij Hingst?
Holleeder: Die was van iedereen advocaat. Barsoum, Hillis, Mink. Niet van mij.

Rechter: Waarom was hij aantrekkelijk als advocaat?

Holleeder: Weet ik niet. Daar kun je van alles bij bedenken. Er zijn wel meer advocaten als Hingst.

Rechter: Ik mag hopen van niet.

Holleeder: Jan Femer kwam er ook; Jocic ook. Ik had mijn eigen advocaat: Bram Moszkowicz

Rechter: De ontmoeting in De Lucht. Was Sjors Kool (neef van Sam Klepper) daar ook met Ria?

Holleeder: Volgens mij was Ria alleen. Zij kwam altijd alleen. Het is misschien een beetje onhandig en stom geweest met die brief, ik heb daar geen kwaad in gezien, die opstelling lag al klaar.

Rechter: Mieremet lag in het ziekenhuis

Holleeder: De timing was misschien achteraf verkeerd, op dat moment heb ik daar niet aan gedacht, Jan Guyt was gewoon hun fiscalist.

Rechter: U heeft voor Sandra die afspraak gemaakt en niet gedacht: misschien staat zijn hoofd wel ergens anders naar.

Holleeder: Jan Guyt zei: Johnny ligt ook zijn bed te rekenen.

Rechter: Had u Mieremet nog gebeld?

Holleeder: Ik heb gewoon Ria gebeld, zoals ik wel vaker deed.

Rechter: Je had ook even kunnen wachten.

Holleeder: Achteraf is dat zo. Ik heb er niet bij stilgestaan dat het zo’n impact zou hebben.

Rechter: Heeft u het hier nog met Sandra over gehad?

Holleeder: Sandra wilde het wel, die wilde haar geld hebben, er was al spanning tussen Sandra en Mieremet. Jan Guyt is fiscalist, hij zei: “Hij moet het toch wel weten. Als Johnny doodziek is, zit hij nog te rekenen.” Hij heeft mij later met die brief geconfronteerd: wat is dat?

Officier van justitie Tammes: U zegt: “Sandra wilde het ook.” Heeft u het met haar besproken?

Holleeder: Wat?

Tammes: Of u haar die brief zou geven.

Holleeder: Sandra is erbij geweest bij Guyt. Die weet er alles van.

Tammes: Wat heeft Sandra daarover gezegd?

Holleeder: Niks over de timing.

Tammes: Dat vond Sandra ook.

Holleeder: Ze heeft niet gezegd dat ik het niet moest doen. Het is niet mijn geld.

Tammes: Dat verbaast mij.

Holleeder: Waarom?

Tammes: Dat u er zo achteraan zit.

Holleeder: Ik probeer altijd iedereen te helpen.

Tammes: Met geld in ieder geval.

Holleeder: Hoe bedoelt u?

Tammes: Dat u probeert dat geld te krijgen.

Holleeder: Ik? Waar haalt u dat vandaan?

Tammes: Ik zei dat ik verder geen vragen had.

Holleeder: Ik had een vraag aan u.

Tammes: Ik hoef hier niet de vragen te beantwoorden.

Rechter: Had het niet even kunnen wachten?

Holleeder: Achteraf wel. Of dan had ik naar het ziekenhuis moeten gaan, maar Ria was degene die de zaken deed, Ria had alles op haar naam. Voor hetzelfde geld was het geen verkeerde timing geweest. Ik ben niet voor mijn eigen geld gegaan. Het was het geld van Sandra.

Rechter: In Kolbak komt het ook aan de orde. Over het verhaal met Mieremet en dat Sandra bij Ria op bezoek is geweest, over 90 miljoen. U zegt dan: daar weet ik niks van.

Holleeder: 90 miljoen, daar weet ik niks van. Ik heb inderdaad gezegd dat ik met Goudsnip en Hillis rekening heb gehouden. Als ik het zou zeggen van die 90 miljoen, had ze daar ook nog een aanslag op gekregen.

Rechter: U zegt: “Ik wilde het geld van Sandra beschermen.”

Holleeder: Niet beschermen, want ze heeft het niet gehad, ik heb er rekening mee gehouden dat ze niet achteraf een aanslag zou krijgen. Wat voor Sonja gold in Goudsnip, geldt voor haar in de Fiod-zaak.

Officier van justitie Stempher: U zegt: de verklaring van Sandra over hoe u was kort na de mislukte poging op Mieremet, klopt niet, ik moest super-alert zijn. Waaruit bestond dat?

Holleeder: Dat ik niet dronken ben.

Stempher: Waaruit bleek dat u super-alert was? Alert op wat?

Holleeder: Alert op wat er gaat gebeuren. Ik sprak met Ria af.

Stempher: Er kon van alles gaan spelen. Wat dan?

Holleeder: Op het feit dat als er wat gaat gebeuren, dat Endstra niet geraakt zou worden. Ik zal een voorbeeld geven. Toen Mieremet een keer was aangehouden ben ik bij Ria geweest en hebben we samen het kantoor van Mieremet uitgespit en alle stukken die betrekking hadden op Endstra verbrand in de bak van de manege. Ik kan me niet precies alles herinneren. Ik weet wel dat ik niet thuis ben geweest met Sandra om te eten, ik eet altijd buiten de deur. Ik ga ook zelf alleen bij Dynasty zitten of bij Le Garage en ik zit niet achter de poging op Mieremet.

Lars: U weet niet hoe die avond is gelopen. U vult in: ik ging eigenlijk nooit thuis eten.

Holleeder: Ik zit niet achter de poging op Mieremet, dat is alleen al genoeg. Ik heb het niet met Sandra besproken.

Stempher: U weet niet hoe het die avond gegaan is, wel dat het niet zo is. U bent vrij stellig.

Holleeder: Ik kan stellig zijn omdat ik niet achter die poging zit. Ik ga helemaal niet thuis eten. Een stukkie kaas als ik heel laat thuis ben.

Stempher: U gaf net aan dat u bij De Lucht de brief van Jan Guyt aan Ria heeft gegeven. U zegt: “Ria had de zaken op haar naam staan.” Het was toch Johnny die erover besliste, het waren toch Johnny zijn centen en zaken?

Holleeder: Toen Johnny vastzat op verdenking van het schieten op Cor, toen heb ik de zaken van Endstra ook met Ria geregeld, niet met Johnny. Daar maakt hij met Endstra ruzie over, dat gaat over één aandeel. Toen Johnny vastzat wilde Endstra een andere structuur maken in de BV’s. Hij had één aandeel extra nodig van Ria. Dat zag Johnny ook als dat er geld afgepakt zou worden. Als Johnny er niet is of in het ziekenhuis ligt of vastzit, dan regel ik het.

Stempher: Dat eerste voorbeeld: dat Johnny daar niet blij mee was…

Holleeder: Dat is achteraf. Dit was een voorbeeld. En met die brief was hij ook niet blij. Het zijn zaken die ze zelf moeten regelen. Het was Sandra’s geld, ik heb Sandra geprobeerd te helpen. Ik heb niet Johnny bewust erbuiten gehouden. Dat was met dat aandeel ook zo. Dat hij het niet begrijpt, is omdat hij zelf wel zo denkt.

Rechter: De moord op Cees Houtman op 2 november 2005. U zegt: Ik heb Cees Houtman niet afgeperst en anderen niet gevraagd hem te bedreigen.

Holleeder: Klopt.

Rechter: U bent wel onherroepelijk veroordeeld hiervoor. Bent u er zich van bewust dat wij vooralsnog niet anders kunnen dan ervan uitgaan dat het wel gebeurd is?

Holleeder: Dat zal ik even uitleggen. De rechtbank in Kolbak gaat net zoals u uit van stukken die u voorkrijgt. Dat wil niet zeggen dat die beslissing anders had kunnen zijn geweest als er andere stukken waren geweest. Cees Houtman heeft mij gevraagd: ik moet George van Kleef betalen, vraag jij dan als ik betaald heb dat het dan over is.

Rechter: Wat over is?

Holleeder: Dat hij niet nog een keer moet betalen.

Rechter: Denkt u dan dat Van Kleef erachter zou kunnen zitten?

Holleeder: Nee, het was bekend dat Cees Houtman ruzie had met Van Kleef. Dat ging over een paar transporten, waarvan Cees zei dat het gepakt was, terwijl hij het zelf in zijn zak had gestoken. Dat is hun verhaal.

Rechter: U zegt: bepaalde stukken, en dat die niet compleet zijn. Als de rechtbank en het Hof en de Hoge Raad andere stukken hadden gehad, was de uitkomst anders geweest.

Holleeder: Mogelijk. Neem de twee processen-verbaal met verklaringen van Thomas van der Bijl en Peter Petersen. Bij Petersen heeft Teeven het stuk eraf geknipt waar Petersen uitlegt dat het helemaal niet zo is dat er panden gekocht zouden worden in de Scheldestraat.

(Peter Petersen (45) is op 3 maart 2009 voor hotel Jan Tabak in Bussum in zijn auto doodgeschoten. Hij had zaken gedaan met Endstra en was vriend en zakenpartner van Cees Houtman. Justitie probeert hem te linken aan de afpersing door Holleeder, Petersen zelf ontkende dat en zei dat het ging om ‘een oud bonnetje’. In het milieu gaat rond dat de moord op Petersen achteraf ‘totaal onnodig’ is geweest en dat er wat misverstanden waren geweest)

Hetzelfde geldt voor Thomas van der Bijl, die beweert dat ik achter de moord op Cor zit, “dat denk ik omdat hij de Achterdam heeft.” Dat is eraf geknipt. Ik heb het over Teeven, niet over dit OM, deze officieren geven alle stukken die gevraagd worden, dat is voor mij nieuw, ik ben gewend met Teeven te moeten werken. Teeven heeft een verklaring tegen mij gekocht in Duitsland, van de broers Van Lent. Die hadden negen jaar gekregen in Duitsland voor drugstransport. Ze hadden een lijst opgeteld waar ze over konden verklaren. Dat wisten ze van Mieremet, ze woonden bij Mieremet in Neerpelt. Teeven heeft die jongens naar Nederland gehaald. Ze hadden twee jaar gezeten, toen zijn ze vrijgelaten. Verklaringen van de Van Lents zijn..

Rechter: U wil zeggen: Teeven deed dingen.

Holleeder: De verklaringen van de Van Lents maken duidelijk hoe het gegaan is met Houtman en Endstra.

Rechter: U zegt: er zijn nieuwe stukken. Daar moeten wij naar kijken.

Holleeder: Ik wil daar graag een toelichting op geven.

Rechter: Liever later.

Holleeder: Dit OM heeft stukken boven water gehaald. Al die punten: dat komt allemaal bij Mieremet vandaan, dan wordt ineens alles duidelijk.

Advocaat Sander Janssen: Er is nader onderzoek geweest in de zaak Houtman. Er zijn nadere stukken over het pandje in De Scheldestraat, de betrokken makelaars zijn gehoord: Terborg en Van Eijsden.

Rechter: Terborg legt kraakhelder uit hoe het gegaan is, maar in Kolbak zei de officier: ging het er niet meer om hoe u dácht dat het zat dan hoe de juridische constructie precies was?

Holleeder: Nee, ik heb vanaf dag één al gezegd dat het al verkocht was. Nadat het krantenartikel er was in 2002, of daarvoor, was Endstra al begonnen met die stukken te verkopen. Ik wist al dat de Scheldestraat er niet in zat. Hij kan dat niet van Endstra gekocht hebben, want Endstra had het al verkocht.

Rechter: Er zijn mensen die zeggen dat Houtman van u niks met dat pandje mocht doen. Terborg zegt: “Het ging ineens niet meer door, ik weet niet waarom.” De officier van justitie in Kolbak: ging het er niet om dat u dácht dat het zo was.

Holleeder: Nee, want ik wist dat het zo was. Dat een officier dat dan zegt, dat is standaard: als ik rood zeg, zegt de officier groen.

Janssen: Cees Houtman heeft zelf gezegd dat de panden onder stroom stonden. De getuigen zeggen allemaal: er was nergens sprake van dreiging, ze konden gewoon worden verkocht, dat brede verhaal wordt helemaal niet herkend.

Rechter: Over Cees Houtman heeft u gezegd: “Ik heb nooit met mijn zus of Sandra over liquidatie gesproken, niet gezegd: het was hij of ik.” De liquidatie van Mieremet in Thailand, dat was in dezelfde week in november (2005). Thomas van der Bijl: hetzelfde. U heeft nooit tegen Astrid gezegd dat u de opdracht voor Thomas had gegeven

Holleeder: Het is gewoon onzin.

Rechter: U heeft er niets mee te maken.

Holleeder: Ik zat vast ook. En ik had geen reden ook. Voor die onzin, dat hij gezegd zou hebben dat ik achter de moord op Cor zat, voor die onzin allemaal? Die jongen heeft niks gezegd, niks gedaan. Wat Houtman en Petersen van Mieremet hebben gehoord, hebben zij tegen hem gezegd.

Rechter: Daar gaan we het later over hebben.

Holleeder: Dat dacht ik!

Rechter: Plannen van anderen om u te vermoorden. “Ik heb nooit gehoord dat Houtman en Van der Bijl mij iets wilden aandoen.” Endstra ook niet, Willem van Boxtel (leider van de Hells Angels Amsterdam) ook niet.” Wat zei Moszkowicz?

Holleeder: Bram vroeg of ik langs wilde komen. Ik zei: “Zeg maar door de telefoon.” Hij zei: “Het is belangrijk, ze willen je wat aandoen bij de Hells Angels.” Dat kwam van John van den Heuvel. Toen heb ik Van Boxtel gebeld en gezegd: “Ik kom even langs.” Ik ben er meteen naar toe gegaan.

Rechter: In Kolbak zegt u dat u zich niet kan voorstellen dat het zo was. “Ondenkbaar dat Endstra mij wilde liquideren.” U zei toen dat u geen geld had bij Endstra.

Holleeder: Ik had wel geld bij Endstra. En ik had geen conflict bij hem.

Rechter: Nu weten we dat u wel geld bij Endstra had geïnvesteerd.

Holleeder: Al die vragen die u nu stelt komen bij Mieremet vandaan, door die verklaringen van Van Lent. De verhalen over liquidatie worden steeds mooier en spannender, maar het is heel simpel: als Endstra mij had willen liquideren, had hij daar geen mensen voor hoeven benaderen. Mieremet wilde mij vermoorden. Mieremet kon mij niet vinden. Als Endstra mij werkelijk had willen vermoorden, had hij alleen maar hoeven zeggen waar ik was. Ik sprak gewoon met Endstra. Hij had alleen maar tegen Mieremet hoeven zeggen: zo laat is hij daar.

Rechter: En de verklaring van Bram Zeegers (getuige in de Kolbakzaak die vermoedelijk door een overdosis overleed)

Holleeder: Dat is ook zo’n advocaat als Hingst. Hij heeft het ook gehoord van Endstra, dat verhaal komt bij Mieremet vandaan. Het is een spel. Mieremet en Klepper waren spelletjes aan het spelen.

Rechter: U zegt dat u dat Van Thomas en Cees over Van Kleef stoere praat vindt, “ik acht hen niet in staat iemand om te leggen.”

Holleeder: Er zijn maar weinig mensen die wel doen.

Rechter: U heeft daar een beeld bij.

Holleeder: Ik vind dat dat mensen zijn die daar een andere opvatting over hebben. Ik weet dat Cees Houtman niet veel met Mieremet te maken wilde hebben omdat Mieremet dat soort dingen deed. Thomas van der Bijl is een timmerman, die praat alleen maar na wat hij gehoord heeft. Ik acht ze niet in die context dat ze dat soort dingen kunnen doen.

Rechter: Waar komen die verhalen dan vandaan?

Holleeder: Bij Mieremet. Zal ik het dan maar vertellen? Het is net alsof ik als een of andere gek zit te praten, de officieren zitten te lachen. U vraagt het mij en nu wilt u het niet horen. Nu krijgt iedereen de indruk: hij is niet goed bij zijn hoofd, hij zegt maar steeds: Mieremet!

Rechter: We gaan het er later over hebben.

Janssen: Ik vind het wat ongemakkelijk. Meneer wil het onderbouwen en dan zegt u elke keer: daar gaan we het nu niet over hebben. Breek het onderwerp dan af.

Rechter: Mijn vraag ging erover dat u zei: ik zie ze niet in staat.

Holleeder: Dat is precies waar het om gaat. Die mensen hebben die plannen niet gemaakt. Ik heb al gezegd dat het Mieremet is, maar u wil dat niet horen. Als hun mij iets aan hadden willen doen, hadden ze ook niemand hoeven zoeken. Het contact tussen Mieremet en Cees Houtman en Peter Petersen was er, met een tussenpersoon. Die Van Lent is dubieus, maar wat niet dubieus is, dat is wat Thomas van der Bijl heeft gehoord. Mieremet zegt dingen tegen Van Lent en ook tegen anderen, ook tegen de tussenpersoon tussen Mieremet en Cees Houtman en Petersen. Er is maar één man die iedereen probeert te vermoorden, daar is iedereen in betrokken. Van Lent zegt ook een hoop onzin, maar de dingen die Thomas van der Bijl zegt over mij, die zegt Van Lent ook. Dus dan klopt het verhaal wel.

Rechter: Uw punt is duidelijk.

Stempher: U bent gebeld door Moszkowicz in verband met die dreiging. U zegt: “Vertel het maar door de telefoon.” Dat verbaast mij een beetje.

Holleeder: U verdraait het.

Stempher: U zei: “Vertel het maar door de telefoon.” Waarom u meende dat hij dat door de telefoon kon zeggen als u nog niet wist waar het over ging.

Holleeder: Omdat hij vertelde dat hij het van John van den Heuvel had gehoord. Daar zijn twee tapgesprekken over.

Stempher: Ik betwist niet dat u dat niet gezegd heeft. U bent altijd voorzichtig, telefoon wegleggen, fluisteren, waarom nu niet?

Holleeder: U wil het niet begrijpen. Omdat het woord Van den Heuvel was gevallen. Als Van den Heuvel het weet, kan het ook door de telefoon. Bram zegt: “Van den Heuvel kwam met een verhaal.” Dan zeg ik: “Vertel maar door de telefoon.” Als Van den Heuvel het weet, weet heel Nederland het.

Stempher: Ik hoor het u zeggen.

Holleeder: Denkt u dat Van den Heuvel dingen niet zegt?
Stempher: Ik zou het niet weten.

Holleeder: Ik hoor het u zeggen.

Stempher: Ik hoor u net zeggen dat er een tussenpersoon was tussen Mieremet, Peter Petersen en Cees Houtman. Wie was dat?

Holleeder: Die mensen zijn opgeroepen, die moeten als getuigen komen.

Janssen: Dat staat toegelicht in het verzoek aan de rechter-commissaris.

Stempher: Dan laten we het hierbij.

(er volgt een schorsing, na de hervatting staat het geluid niet aan waardoor iedereen op de pers- en publieke tribune het begin mist en de rechter neemt niet de moeite te vertellen wat er al is besproken. Pas een eind verderop blijkt het te gaan over zijn contact met Danny Kuiters)

Rechter: Leefde Sam Klepper nog?

Holleeder: Nee.

Rechter: Was de aanslag op Mieremet al geweest, 2002?

Holleeder: Kan ik niet met zekerheid zeggen. Volgens mij daarna.

Rechter: Hij zou vrij moeten zijn geweest, in 2003 zat hij vast. Dan gaat u bij hem op bezoek

Holleeder: Als u dat zegt.

Rechter: “Paar keer mee gegeten, aardige jongen.”

Holleeder: Niks bijzonders, gewoon gezellig, beetje dollen, niets zakelijks.

Rechter: Astrid heeft u gewaarschuwd voor hem. Zij kende iemand bij justitie.

Holleeder: Dat heeft ze al gezegd toen ik nog vastzat.

Rechter: Zij wist dat van iemand die ze kende bij justitie.

Rechter: Toen u vrijkwam kreeg u bij Joffers een klap van Dick Vrij. Daarna bent u er met Dick en Danny Kuiters over gaan praten en toen bleek dat er niks aan de hand was.

Holleeder: Toen ik die klap heb gekregen, heb ik met Dicky om de hoek gezeten in de Cornelis Schuyt. Het was een misverstand van beide kanten, ik heb het met hem en Danny uitgesproken. Het waren roddels van andere mensen. Van mijn kant was het omdat Astrid het had gezegd. Hij had mij gevraagd er met hem over te praten, juist omdat Astrid dat gezegd had.

Rechter: Wie was hij?

Holleeder: Danny Kuiters.

Rechter: U kreeg de klap van Dick Vrij?

Holleeder: Er waren geen problemen. Astrid had gezegd dat er problemen waren met Danny, daarom heb ik hem ontlopen. Hij wilde mij spreken omdat hij roddels had gehoord.

Rechter: Welke?

Holleeder: Dat weet ik niet precies meer. Er was wat, daardoor heeft Dicky mij die klap gegeven. Als Astrid niets had gezegd, was er niks gebeurd, was ik gewoon naar de afspraak gegaan, nu is mijn kaak gebroken geweest.

Rechter: Ik kan me niet goed voorstellen: u wordt een gebroken kaak geslagen, daarna wordt erover gepraat, maar u kunt zich niet herinneren hoe het kwam.

Holleeder: Het was een roddel, het sloeg helemaal nergens op. Als ik eerder gewoon had afgesproken en niet naar Astrid had geluisterd, was er niks aan de hand geweest.

Rechter: Had het iets met Dino Soerel te maken?

Holleeder: Dat weet ik niet meer. We hebben even gepraat. Als het opgelost is, is ’t over, dan ga ik weer verder. Hij kan er ook niks aan doen dat hij zo sterk is. Pech.

Rechter: U zegt: “Danny wilde met mij afspreken, Astrid had gezegd dat ze mij wat wilden aandoen.” Waarom slaat Dick Vrij dan die gebroken kaak en niet Danny?

Holleeder: Ze wilden met mij afspreken, dat heb ik niet gedaan.

Rechter: De afspraak was ook namens Dick. Is Danny ook bij u op bezoek geweest toen u vastzat?

Holleeder: Nee, ik heb nooit mensen op bezoek, alleen familie, voor de rest niemand.

Rechter: U ging gezellig bij Danny op bezoek, hij niet bij u.

Holleeder: Nee, ik bel niet, ik schrijf niet, ik zit al twee jaar helemaal alleen, ik krijg geen bezoek, ik bel met niemand, gewoon rustig.

Rechter: “Nu gaan Danny en ik goed met elkaar om. We zijn vrienden.”

Holleeder: Goeie kennissen. In Amsterdam zeg je al gauw vriend.

Rechter: Hoe vaak zag u elkaar ongeveer?

Holleeder: In de periode van de Hells Angels een enkele keer, na die klap wat vaker. Regelmatig wat eten en drinken, gezellig.

Rechter: Elke week, elke maand?

Holleeder: Soms zat er een tijd tussen, soms was het twee keer in de week, gezellig normaal, zoals ik met iedereen omga.

Rechter: Bij de rechter-commissaris is u gevraagd naar de reden van de klap van Dick Vrij. U zei: “Ik wil het niet vertellen.” Is dat nu ook zo?

Holleeder: Dat komt wel zo over (lacht). Ik wil daar verder inderdaad niks over zeggen.

Rechter: U zou bij andere mensen hebben geïnformeerd. Waarom zegt u niet gewoon: dat wil ik niet zeggen.

Holleeder: Omdat het niet zo’n groot probleem was. Het wordt groter gemaakt dan het is, maar ik wil het toch niet zeggen. Dat is alles.

Rechter: Uit het verificatieonderzoek blijkt dat u elkaar regelmatig zag. Dino Soerel is met u bij  Kuiters op bezoek bent geweest in de p.i. in 2003. Op de terugweg bent u in de PC Hooftstraat aangehouden in de auto van Soerel is een verborgen ruimte, op de plek van de airbag en daar worden wapens, drugs en geld gevonden. Dick Vrij, hoe kent u hem?

Holleeder: Vanuit de iT (destijds populaire discotheek in Amsterdam, waar Dick Vrij portier was).

Rechter: Wanneer?

Holleeder: Toen wij de Wallen hadden.

Rechter: Kent u hem langer dan Danny?

Holleeder: Veel langer.

Rechter: Wist u dat ze met elkaar omgaan?

Holleeder: Ja, hij ging ook wel op bezoek.

Rechter: Bij de Hells Angels, was Dick daar toen ook?

Holleeder: Nee.

Rechter: Kwam hij daar wel?

Holleeder: Niet dat het me bijstaat, maar het zou zomaar kunnen.

Rechter: U was bezig uit de onderwereld te komen. Wat zat er voor u in om met Danny Kuiters om te gaan?

Holleeder: Weet u wat het is? Ik ben al bijna zestig. Ik heb heel veel mensen leren kennen. Ik maak voor mezelf onderscheid. Ik hoef niet te weten wat iemand doet. Het is niet zwart-wit. Ik ken al die mensen, maar ik doe er geen zaken mee.

Rechter: Als je je leven echt wil veranderen, kies je andere vrienden.

Holleeder: Ik heb Danny niet gezien in de tijd dat ik met Endstra was. O ja, toch wel. Dat in 2002 met Mieremet, pas daarna is de ellende gekomen. Ik heb altijd wel contact gehad met iedereen.

Rechter: U zegt: dat deed ik voor Endstra. Maar u ging ook wel met de onderwereld vriendschappelijk om.

Holleeder: Ik kom veel mensen tegen, ik loop niet weg van een relatie. Ik ken ook nette mensen die half in de onderwereld zitten, dan zou ik met mijn neus omhoog moeten lopen of in mijn eentje ergens gaan zitten. Toen ik eruit kwam, heb ik geprobeerd netjes te werken. Die columns geschreven, dat is ook weer verpest, het word je niet makkelijk gemaakt. Ik ben gerust een grote boef, maar ik ben niet arrogant en ik heb geen liquidaties gepleegd.

Rechter: Van een wat andere orde: Ariën Kaale junior. Dat was een contact van Cor?

Holleeder: Die zat met ons in Bankenbosch (gevangenis in Veenhuizen). Ik had bijna geen contact met hem.

Rechter: U zegt: een aardige jongen.

Holleeder: Ja, lachen, zuipen, vreten, ken hem meer van verhalen. Wat ik hoorde van andere mensen,.

Rechter: Leg mij uit.

Holleeder: Dat weet ik niet een twee drie. Een keer met Cor op het Gelderlandplein. Een paar keer in de kroeg, dat is alles.

Rechter: Hij moest nog geld aan Sonja geven.

Holleeder: Ik heb gezegd dat hij moest betalen. Sonja zegt dat hij betaald heeft. Hij zegt dat hij het aan mij betaald heeft, maar ik heb het niet gekregen.

Rechter: Waarom moest hij Sonja betalen?

Holleeder: Ze had nog geld tegoed dat Cor hem had geleend. Ik ben naar de kroeg geweest waar hij zat.

Rechter: Sonja zegt ook dat hij dat geld aan u heeft gegeven.

Holleeder: Het is allemaal leuk en aardig met die verklaringen, alles wordt onder mekaar beïnvloed. Ik heb het geld niet aangepakt.

Rechter: Jesse Remmers. Hij is veroordeeld, het is nog in cassatie. U zegt: “Endstra zei me dat hij zijn vader kende en dat zijn zonen aardige jongens waren. Ik kwam Jesse weleens tegen in het uitgaansleven.”

Holleeder: Ja. Ik heb hem weleens gezien, ik ben bang om datums te noemen, ik kan het niet met zekerheid zeggen

Rechter: Een keer op de Wenckebachweg. Kende u hem toen al goed: “Hé, daar heb je Jesse?”

Holleeder: Als je hem een keer gezien hebt, vergeet je hem niet.

Rechter: Waarvan kende u hem?

Holleeder: Van de Bulldog of zo. Horecagelegenheden. Het terras bij de Bastille, zomers, dat hij langsliep en hallo zei. De hele Bulldog zit vol met boeven. Op zondag is het standaard.

Rechter: Kunt u een voorbeeld geven?

Holleeder: Van iemand die een boef is?

Rechter: Die Jesse kent?

Holleeder: Kan best zijn dat ik ergens bij iemand was die hem kent. Cor heeft ook een keer gezegd dat het aardige jongen was. Dan komt zo’n jongen erbij, daar praat je mee, wat drinken. Niks zakelijks. Dan kun je ook geen ruzie krijgen.

Rechter: Die keer op de Wenckebachweg: Jesse vraagt u of u wist waar hij contant een auto kon huren. Hier zullen we ’t later zeer nog over hebben. Of u meeging.

Holleeder: Hij vroeg: “Waar kan ik een auto huren.” Ik zei: “Verderop, ik loop wel mee, maar je moet wel een rijbewijs bij je hebben.” Toen zei hij: “Dat heb ik niet, dan kom ik later terug.” Toen stond La Serpe er, ik heb hem achterop de scooter naar die jongen gebracht die auto’s verhuurde. La Serpe zegt dat ik heb gezegd: “Als je een andere auto wil, moet je maar zeggen via Dino.” Dat slaat nergens op.

Rechter: Zag u Jesse weleens in Rotterdam?

Holleeder: Niet dat mij bijstaat

Rechter: Nooit met hem afgesproken?

Holleeder: Nee, nooit in mijn leven. Alleen die auto huren, dat was de enige keer dat ik wat met hem afsprak.

Rechter: Wat deed u daar?

Holleeder: Ik was bij het clubhuis (van de Hells Angels, dat was toen nog op de Wenckebachweg).

Rechter: Daar staan nu allemaal nieuwe huizen

Holleeder: Ik heb ze niet gezien.

Rechter: La Serpe kwam later pas?

Holleeder: Dat weet ik niet, er zat iemand in de auto.

Rechter: Er is op dit punt verificatieonderzoek gedaan. Heeft u dat gelezen?

Holleeder: Nee, daar heb ik niks van gelezen.

Rechter: Er is een verklaring van La Serpe over de ontmoeting in het Arsenaal. En van Lydia van Hulst.

Holleeder: Dat is van dat konijn, hè? Dat kan ik mij nog herinneren.

(dat is een heel verhaal, dat eerder uitvoerig ter sprake is gekomen. Lydia was een vriendin van Fred Ros, kroongetuige in het Passageproces. Lydia is gehoord als getuige, waarbij haar is gevraagd naar een gesprek tussen haar en Holleeder in Club Jackie in Rotterdam. Zij kan zich dat gesprek nog goed herinneren omdat ze die avond Jesse Remmers daar heeft ontmoet én omdat ze die avond te laat was omdat zij onderweg een konijntje had aangereden. Lydia had daar afgesproken met haar vriendin, die een relatie had met Dino Soerel. Volgens Lydia moet dit etentje in december 2005 zijn geweest, volgens Dino kon dat niet kloppen)

Rechter: Dat er een feestje is in club Jackie in december 2005. Met Lydia, Jesse Remmers, Dino Soerel.

Holleeder: Ik ben wel in de Jackie geweest, maar ik kan me daar niks van herinneren. Ik kan me Jesse in die periode helemaal niet herinneren, dat hij daarbij was. Wat ik wel zeker weet: ik heb niet afgesproken met hem te eten of naar Jackie te gaan.

Rechter: Dan is er nog Siem Wulfse. Die was portier en die zegt dat hij u alleen maar binnenliet als u met Jesse en Fred Ros was, die kende hij.

Holleeder: Dat heb ik wel gelezen. Later verklaarde hij dat hij mij doorlaat omdat ik met Endstra en Bakker was, twee makelaars, in Powerzone.

Rechter: Hij heeft zich vergist

Holleeder: Dat heeft hij ook verklaard. Ik ken Fred Ros niet, ik heb hem nooit gezien, nooit gesproken. Ik ben ook niet met Remmers naar de Powerzone geweest.

Rechter: Peter La Serpe, daar gaan we nog mee spreken. Hij is ook veroordeeld in Passage. Ik neem aan dat dat wel onherroepelijk is.

Holleeder: Of hij krijgt er nog meer geld bij.

Rechter: U heeft hem één keer gezien op de Wenckebachweg. Hij zegt dat hij u vaker heeft gezien. Dino Soerel: ook veroordeeld in Passage. Uw naam wordt in het arrest van het Hof genoemd.

Holleeder: Dat heb ik gelezen, daar ben ik natuurlijk helemaal niet blij mee. Hier geldt ook: het is aan de hand van stukken die dan voorhandig zijn. Meijering (de advocaat van Dino Soerel) heeft mij op zitting steeds belast, daarom heeft het Hof mij genoemd, dat is niet correct geweest.

Rechter: Meijering deed dat dan namens zijn cliënt.

Holleeder: Dat weet ik niet, ik kan me niet voorstellen dat Dino dat op die manier zou willen. Dino weet dat ik met hem omging, dat er taps zijn en observaties, zo stom is hij niet, hij heeft zich verkeerd laten adviseren door Meijering. Ik ben ervan overtuigd dat Dino dit niet uit zichzelf zou doen, hij weet dat er taps zijn en hij is niet gek.

Rechter: Ik kan me daar zo weinig bij voorstellen. Meneer Janssen die hier dingen zou gaan zeggen waar u het niet mee eens zou zijn.

Holleeder: Als je naar je advocaat luistert… Ik luister ook naar meester Janssen.

Advocaat Sander Janssen: Het verschilt per advocaat, hoe dat gaat.

Holleeder: Ik kom uit een andere wereld, u bekijkt alles juridisch en logisch zoals u zelf leeft. Dat ik Sonja vroeg naar Abcoude te komen, dan bent u verbaasd dat ze komt. Als u zo gebeld wordt door uw familie, zegt u: “Ik heb effe geen tijd.” Bij ons is de omgang met mensen heel anders. Heel veel mensen luisteren wel naar hun advocaat.

Rechter: Deze dingen zijn niet om te lachen, meneer Holleeder!

Holleeder: Waarom lacht u dan?

Rechter: U zegt dat Meijering dingen heeft gezegd waar Dino Soerel niet achter staat.

Holleeder: Ik heb gezegd dat hij het niet zelf bedacht heeft. Hij volgt zijn advocaat. Ik kan me niet voorstellen dat Dino zelf gezegd heeft: “Zo moet je dat doen.” Hij is niet zo stom, hij is echt wel een slimme jongen. Ik wil er verder niks over zeggen hoe het gelopen is, het is zo wel genoeg. Dat ze mijn naam alleen maar hebben genoemd. Dat heb ik mijn hele leven al, in het begin als er in de media over je geschreven wordt ben je daar niet blij mee, later denk je: het zal wel. Je weet zelf wel wat er waar en wat niet. In dit geval ben ik er niet blij mee en in principe ben ik al veroordeeld door het Hof, maar ook het Hof heeft niet alle informatie. Iedereen denkt dat ik al veroordeeld ben, iedereen zegt dat. Ik heb er vertrouwen in dat ik mij nog kan verdedigen. Het Hof heeft uitspraak gedaan zonder dat alle stukken zijn meegewogen. Het Hof neemt als bewijs dat ik tegen Astrid heb gezegd dat Ros de motor niet heeft gereden. Dat is pertinent niet waar. Ros verklaart zelf dat hij op die motor heeft gezeten, alleen die bewuste dag niet, dan ga ik toch niet zeggen: “Hij heeft er nooit op gezeten?”

Rechter: Terug naar uw vriendschap. Dat was het toch?

Holleeder: Ja.

Rechter: Ik heb hem leren kennen in de laatste fase Bankenbosch en daarna in Hoorn. We gingen weleens wat drinken. “Het is gewoon een aardige jongen.” U ging veel met hem om. Wat sprak u in hem aan?

Holleeder: Dat het een aardige jongen is. Ik heb Dino leren kennen in Bankenbosch. Toen hebben we in Hoorn gezeten, daarna heb ik hem een hele tijd niet gezien. Pas toen Klepper was doodgeschoten en Mieremet mij vroeg naar Hillis en om geld te brengen naar Jocic, kwam ik Dino weer tegen; ik heb altijd contact gehouden met Dino. Dino en Hillis kenden elkaar, Dino was een beetje met Hillis. Ik kan niks anders zeggen dan dat het een heel aardige jongen is.

Rechter: Het is haast een zakelijke benadering: als ik contact met Hillis wil, kan dat via Dino.

Holleeder: Dat was in het begin. Als je elkaar beter leert kennen, wordt het anders.

Rechter: Zat Hillis toen al bij Endstra?

Holleeder: Ja.

Rechter: U kwam elkaar tegen in de Bulldog, op zondag. U sprak toen nog niet met hem af. Later werd het anders. U vertelt over hardlopen met Endstra en anderen van de sportschool.

Holleeder: Dat was nog voordat Klepper werd doodgeschoten. Ik heb een keer hardgelopen met jongens van een sportschool uit Purmerend.

Rechter: Ging Endstra ook mee?

Holleeder: Ja.

Rechter: Kenden ze elkaar?

Holleeder: Dat weet ik niet. Dino houdt zich altijd afzijdig. Altijd rustig en apart. Endstra liep wel mee met hardlopen.

Rechter: Dino was een vriend, u bent weleens bij hem thuis geweest. Had hij geld bij Endstra?

Holleeder: Nee.

Rechter: Hoe goed was u bevriend?

Holleeder: Gewoon bevriend.

Rechter: Bij elkaar over de vloer?

Holleeder: Dat heb je al gauw. Even wat eten, hardlopen in Purmerend, dat gaat vanzelf. Zo ging het ook met Mieremet en Klepper.

Rechter: Close?

Holleeder: Dat is wat snel gezegd. Ik kon het goed met hem vinden. Eten, sporten. Mensen doen makkelijk uitspraken. Ik heb met Dino nooit gesproken over liquidaties en andersom ook niet, hij heeft daar niks over laten vallen, er zijn genoeg andere mensen die dat wel doen, dat je denkt: nou…

Rechter: U zei: “We spraken altijd meteen af voor de volgende keer.” U kon hem ook bellen?

Holleeder: Ik bel niet zo vaak. Ik bel meestal vrouwen.

Rechter: Of Mieremet

Holleeder: Die kon mij gewoon bereiken. Dino kon mij ook bellen. Ik liep over het algemeen met piepers. Dat is lekker rustig. Dat is niks crimineels. Ik had altijd meerdere piepers. Mijn vriendinnen hebben allemaal een aparte pieper.

Rechter: De functie van een pieper: die kan een mobiele telefoon toch ook hebben?

Holleeder: Zo heb ik altijd geleefd. Peter de Vries had ook mijn piepnummer. Astrid had ook mijn piepnummer. Mijn familie had ook mijn piepnummer. Iedereen had mijn piepnummer. Allemaal van verschillende piepers. Als ze allemaal dezelfde hebben gaat-ie de hele dag af.

Rechter: U ging vaak bij zijn huis hardlopen. Een buurvrouw vertelt dat. Tot de detentie in Kolbak, in januari 2006. U ging weleens naar de Bulldog en naar de Koemarkt in Purmerend. U ging niet uit in Rotterdam.

Holleeder: Ik heb hem daar weleens gezien. Wat ik doe: uit eten, gezellig. Naar de Blijker. Ik ben niet zo van discotheken en onzin, en lawaai, ik ben meer van kroegjes in de Jordaan. Maar ik ben hem weleens tegengekomen in het BED of in de Baja. Zou best kunnen.

Rechter: Er zijn gebeurtenissen in juli 2003, u ging samen bij Danny Kuiters op bezoek, was het in die tijd?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik wist wel dat hij naar Rotterdam ging, maar dat heb ik niet zo meegemaakt. Ik ben er weleens geweest, ook in Jackie’s, dat vond ik nog wel redelijk, met een paar vriendinnetjes.

Rechter: Kerst 2005.

Holleeder: Wat is daarmee?

Rechter: Dat u daar samen was. Dat u een feestje vierde.

Holleeder: Met een vriendinnetje?

Rechter: En Dino Soerel.

Holleeder: Dat is dat konijnenverhaal! Dat zegt me niks.

Rechter: U bent goed gebleven met Dino tot u vast kwam te zitten. Geen problemen met Dino. Als u bij de rechter-commissaris wordt gevraagd of u gebrouilleerd bent met  Dino zegt u: “Ik beroep me op mijn zwijgrecht.” Zegt u dat nu ook?

Holleeder: Ik heb nooit ruzie met hem gehad, tot de dag van vandaag.

Sander Janssen: Hij zegt: “Op advies van mijn advocaat beroep ik mij op mijn zwijgrecht.” Stijn Franken was toen zijn advocaat, het had te maken met het verschoningsrecht van de advocaat, niet van Holleeder.

Holleeder: Ik heb gezegd dat ik niet gebrouilleerd ben.

Rechter: U heeft Dino na uw detentie niet meer gezien. U heeft even met elkaar in dezelfde p.i. gezeten, maar u heeft om overplaatsing gevraagd.

Holleeder: Ja. Om het zo zuiver mogelijk te houden.

Rechter: Hoe verdiende Dino zijn geld?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik vraag nooit waar mensen hun geld mee verdienen.

Rechter: Wat dacht u?

Holleeder: Ik heb gezien dat hij veroordeeld is voor drugs.

Rechter: Hij ging niet naar kantoor.

Holleeder: Nee. Hij moet wel wat gedaan hebben, maar dat is zijn zaak. Als ik in de gevangenis kom, vertellen mensen waar ze voor zitten. Dan zeg ik: “Dat hoef je niet te vertellen, ik vertel het jou ook niet.” Ik wil het niet eens weten.

Rechter: U wist wel dat hij onderwereld was.

Holleeder: Dat is een groot woord, maar dat hij op een niet-legale manier zijn geld verdiende dacht ik al.

Rechter: Er zijn ontmoetingen op straat, er zijn observaties, er is verificatie gedaan. Had Dino een bijnaam?
Holleeder: Ik noemde hem gewoon Dino.

Rechter: En hij u?

Holleeder: Willem.

Rechter: Haaiesnaaier?

Holleeder: Dat heb ik gelezen, dat slaat nergens op, ik heb dat nooit gehoord. Ik ben geen haaiesnaaier. Ze zeggen weleens Holly, maar haaiesnaaier slaat echt nergens op.

Rechter: In Kolbak zei u: “Hillis en Soerel hadden vanaf 92/93 een relatie met Endstra. Daar wil ik niet op ingaan.”

Holleeder: Ik kan me niet voorstellen dat ik Soerel daarbij genoemd heb.

Rechter: U bent samen aangehouden met die auto, u wist niet dat die verborgen ruimte erin zat.

Holleeder: Nee, wist ik niet.

Rechter: Endstra had ook zo’n auto.

Holleeder: Allemaal hadden ze zo’n auto. Ik, Klepper en Mieremet, dat was normaal.

Rechter: Dat kwam allemaal van dezelfde garagehouder.

Holleeder: Dat weet ik niet.

Rechter: U wilde uit die onderwereld komen, maar u ging wel met die mensen om.

Holleeder: Het is niet zo zwart-wit. Ik ken die mensen, als ik geen zaken met ze doe, ga ik nog wel met ze om. Anders kan ik niemand meer gedag zeggen.

Rechter: Ali Akgün?
Holleeder: Ken ik niet. Misschien een keer gezien in de Bulldog.

Rechter: Hij was ook verdachte in Passage. Doodgeschoten in december 2014 in Istanboel. U heeft Dino en Ali vast weleens ergens samen gezien. Waar?

Holleeder: Dan denk ik in de Bulldog.

Rechter: Sjaak Burger. Ook veroordeeld in Passage. U zag hem weleens in de Bulldog.

Holleeder: Ja. En toen hij eruit was weleens met Puk.

Rechter: Lucas Boom. Die boeven kwamen allemaal op zondagmiddag in de Bulldog.

Holleeder: ’s Avonds.

Rechter: Lucas Boom kende hem ook?

Holleeder: Ja. Bij Lexington

Rechter: Heeft u ooit met Lucas Boom over Sjaak Burger gesproken?

Holleeder: Nee. Wat ze samen doen is voor mij niet van belang.

Rechter: Lucas Boom is doodgeschoten op 2 juni 2015, u kende hem uit de Scheldestraat, “hij zat elke dag bij Oceania.”

Holleeder: Ik kende hem hooguit een jaar.

Rechter: U had toch wel iets opgebouwd. Vertrouwen.

Holleeder: Nou, vertrouwen. Ik heb wat geïnvesteerd in hem omdat ik geld moest verdienen. Meer niet.

Rechter: “We gingen stappen, ik wist dat hij in de drugshandel zit. Maar zo is ons contact niet begonnen.”

Holleeder: Nee, ik reed door de Scheldestraat en toen riep-ie me steeds en toen ben ik een keer gestopt. Het is een aardige jongen, “kom een keer wat drinken,” zo gaat dat.

Rechter: “Mensen waar ik vriendschap mee heb doe ik geen zaken mee.”

Holleeder: Vriendschap is een groot woord. Echte vriendschap heb ik met Cor gehad.

Rechter: En Soerel?

Holleeder: Dat is vriendschappelijk. Lucas Boom net zo.

Rechter: Over Soerel zei u: met vrienden doe ik geen zaken.

Holleeder: Ik deed sowieso geen zaken met Soerel. Lucas Boom was een uitzondering, omdat ik toen minder geld had en dacht: “Dan maar weer zo.”

Rechter: Dan bedoelt u: investeren in drugs.

Holleeder: Geld lenen. Mensen investeren in drugs, ik niet. Ik moet altijd mijn geld terug en rente.

Rechter: Bij de rechter-commissaris zegt u over Lucas Boom: “Toen heb ik geïnvesteerd in drugshandel.”

Holleeder: Bij Lucas Boom was dat anders, toen had ik geen andere keus. Alles was geblokkeerd, daar deelde ik ook mee in het risico. Als het was gepakt of geript was ik mijn geld kwijt.

Rechter: Sonja haalde geld voor u op, u gaf dat aan Lucas Boom. U had een vordering van 85.000 euro op hem. Toen werd u aangehouden, dat geld heeft u niet gekregen.

Holleeder: Klopt.

Rechter: U heeft Sonja nog wel naar hem toegestuurd.

Holleeder: Ja. Maar ik heb het geld niet gekregen. Ik heb sowieso geen geld meer, dat hebben mijn zusters.

Rechter: Het kan zijn dat Sonja het gekregen heeft, maar niet tegen u heeft gezegd.

Holleeder: Ja.

Rechter: Heeft u nog contact gehad met Lucas Boom hierover?

Holleeder: Nee, als ik vastzit heb ik met niemand contact.

Rechter: U ging bij Boom investeren, de inleg kreeg u meestal eerder terug en die legde Sonja terug, de winst hield u in uw zak. U legde 50 of 70 ruggen in, de winst was vaak 100 procent. Hoe vaak heeft u bij hem geïnvesteerd?

Holleeder: Een paar keer.

Rechter: Hoe lang ging u al met Boom om? Ik neem aan dat u niet gaat investeren als u er geen vertrouwen in heeft.

Holleeder: Dat moet je altijd afwachten. Je hebt met zoveel factoren te maken.

Rechter: Maakte u een inschatting?

Holleeder: Dat was gewoon een gok. Als het een paar keer goed gaat, kun je met de winst werken.

Rechter: Iemand waar nog niet gevraagd is: Pjotr Raap

Holleeder: Weleens in het clubhuis gezien, bij de Hells Angels. Zijn vriendin werkte daar achter de bar.

Rechter: Wanneer?

Holleeder: Weet ik niet.

Rechter: Leefde Sam Klepper nog?

Holleeder: Volgens mij leefde die nog. Hij was een vriend van Lucas Boom, ik heb hem na 2012 weleens gezien in de Scheldestraat.

Rechter: Had hij ook iets met drugs te maken?

Holleeder: Niet dat ik weet. Volgens mij niet.

Rechter: Evert Hingst. Doodgeschoten op 31 oktober 2005. U kende hem via Endstra, hij had een flat van Endstra gekocht, die had u opgeknapt. Wist u dat het voor hem zou zijn?

Holleeder: Nee, ik heb me vergist. Ik heb daar twee flats opgeknapt, die van Hingst heb ik wel gezien, maar die was al verbouwd. Endstra zei dat die al was verkocht aan die advocaat.

Rechter: U heeft hem weleens ontmoet in het kader van dat hij bij Endstra was.

Holleeder: Hij wilde zo’n huissie in Vinkeveen bij Endstra kopen.

Rechter: U zag hem verder niet?

Holleeder: Nee.

Rechter: U zegt dat de betalingen aan Jocic via Hingst kunnen zijn gegaan. Mensen die problemen met elkaar hadden, zagen elkaar op de stoep bij Hingst.

Holleeder: Wie?

Rechter: Jocic en Mieremet.

Holleeder: Dat was de groep Jocic. Joegoslaven. Jocic zat zelf vast. Jocic had problemen met Mieremet. Hingst was ook de advocaat van Mieremet.

Rechter: Wist u wat Hingst deed voor die klanten? Hij kwam niet in de zittingszaal.

Holleeder: (lacht) Nee. Hij deed voor iedereen alles, voor die boeven. De laatste tijd was hij een beetje doorgeslagen, iedereen aan het rippen. Voor Hillis deed hij dingen.

Rechter: Waar denkt u dan aan?

Holleeder: Dat weet ik niet, ik had geen contact met die Hingst, “een aardige gozer en de mazzel.” Zo zijn er zoveel van die advocaten.

Rechter: Mink Kok kwam er ook?

Holleeder: Ja.

Rechter: Weet u wie Evert Hingst heeft doodgeschoten?

Holleeder: Nee.

Rechter: Wie de opdracht heeft gegeven?

Holleeder: Nee.

Rechter: Heeft u daar weleens over nagedacht?

Holleeder: Nee, ik zou bij god niet weten wat.

Rechter: Hoorde u wel dat hij zijn eigen klanten bedonderde?

Holleeder: Hij ging overal langs om te zeggen dat hij geld kreeg. Hij had altijd veel geld.

Rechter: Lucas Boom: waarom is hij doodgeschoten?

Holleeder: Nee.

Rechter: Weleens over nagedacht?

Holleeder: Zo goed kende ik hem niet. Ik heb hem misschien een jaar gekend. Wat moet je daar nou over na gaan denken.

Rechter: U wist veel.

Holleeder: Mensen vertellen mij veel. Dat zijn dingen waar ik belang bij hem. Lucas Boom is niet iemand bij wie ik wil weten wat er is gebeurd. Ik weet bij god niet wat ze allemaal uitgespookt hebben. Het zal niet voor niks zijn.

Rechter: Stanley Hillis, doodgeschoten op 21 februari 2011. Cor had Hillis in de p.i. in Scheveningen leren kennen.

Holleeder: Ik in Alkmaar.

Rechter: Cor had gezegd dat u goed voor Hillis moest zorgen.

Holleeder: We hadden zo’n babbelbox. Hij zei: “Hillis komt die kant op. Zorg een beetje voor hem, eten, telefoonkaarten.”

Rechter: Was Hillis iemand waarvoor gezorgd moest worden?

Holleeder: Niet in de zin dat je dat zou zeggen, maar hij had niet zoveel geld als wij. Hij kwam veel eerder als mij vrij. Hij kwam vrij toen ik in Alkmaar zat.

Rechter: Wat wist u van hem?

Holleeder: Niks. Dat hij handig was, dat hij kon timmeren, dat hij van alles kon maken met zijn handen.

Rechter: En die cafés in de Warmoesstraat?

Holleeder: Dat was later, hij is gaan werken voor Klaas Bruinsma. Toen wij eruit kwamen had hij die cafés en coffeeshops.

Rechter: U wist alleen van horen zeggen, uit de media, wat Hillis bij Bruinsma deed. Wat was dat?

Holleeder: Allemaal drugs natuurlijk.

Rechter: “Het contact met Hillis ging verder toen Cor en ik problemen kregen met Klepper en Mieremet, daar wilde Hillis niks mee te maken hebben, met die 1 miljoen. Ik heb Hillis daarna nog gezien toen ik namens Mieremet heb gevraagd of hij de problemen met Jocic kon oplossen.”

Holleeder: Ja.

Rechter: Hillis had met Jocic gesproken, Mieremet moest 10 miljoen Mark betalen. U kwam hem weer tegen toen hij geld had geïnvesteerd bij Endstra.

Holleeder: Dat was op het moment dat Mieremet dat Telegraaf-artikel had gepubliceerd. De groep Hillis had al eerder geïnvesteerd bij Endstra. 10 miljoen. Dat liep gewoon. Na het stuk in De Telegraaf wilde Hillis zijn inzet weer terug en eventueel later de winst.

Rechter: Wanneer had hij geïnvesteerd?

Holleeder: Ver daarvoor.

Rechter: Was u toen al bij Endstra?

Holleeder: Volgens mij toen nog niet.

Rechter: Dus voor 1996.

Holleeder: Ja, dat denk ik, ik weet het niet.

Rechter: Na het artikel wilde hij geld terug.

Holleeder: Hij zei: “Ik begrijp dat je het moeilijk hebt, de inleg wil ik terug.”

Rechter: Zei hij dat tegen u?

Holleeder: Ik zat er eerst tussen en daarna heb ik Hillis zelf met hem laten praten; daarna was er een gesprek tussen Hillis en Endstra, daar was ik bij. Ik vond het redelijk van Hillis. Anderen wilden alles terug.

Rechter: Ging er een dreiging vanuit?

Holleeder: Dat weet ik niet. Hillis is gewoon Hillis. Ik heb hem geen dreigingen horen uiten.

Rechter: Had hij een bepaalde reputatie?

Holleeder: Hij had wel een reputatie dat hij niet makkelijk was. Dat hoorde ik van Klepper en Mieremet, die waren wel beducht voor hem. Hillis werd wel gevreesd.

Rechter: En Endstra?

Holleeder: Die wist wel wie Hillis was.

Rechter: Was hij bang voor Hillis?

Holleeder: Endstra is bij mij nooit bang overgekomen. Dat heb ik nog steeds niet begrepen, hij zei altijd alleen maar: ja, komt goed.

Rechter: Kwam Hillis ook bij Endstra op kantoor?

Holleeder: Nee. Niemand kwam op kantoor.

Rechter: Later ook niet?

Holleeder: Dat denk ik niet. Ik ben bij twee gesprekken geweest. De andere weet ik niet. Ik heb niet meegemaakt dat het is opgelost.

Rechter: Endstra hield u wel op de hoogte.

Holleeder: Hij heeft tegen mij gezegd dat het goed zou komen. Dat kan best zijn. Hij heeft mij er niet meer naar toe gestuurd.

Rechter: In Kolbak heeft u er niks over gezegd, waarom nu wel?

Holleeder: A omdat hij dood is en B omdat dit nu het belangrijkste moment in mijn leven is.

Rechter: Is er verband tussen de dood van Hillis en Endstra?

Holleeder: Ik weet niet wie erachter zit, ik weet het echt niet. Ik weet alleen dat Endstra met heel veel mensen problemen had.

Rechter: Astrid zegt dat u dik was met Hillis. U zegt: dat is onzin, dat praat ze na van de achterbankgesprekken.

Holleeder: Ja. Dat is ook zo.

Rechter: U heeft Hillis één keer op Ibiza gezien.

Holleeder: Ja, hij had daar een antiekwinkel. Ik was daar. Hij vroeg: “Kom effe mee naar mijn antiekwinkel kijken.”

Officier van justitie Tammes: U kwam Hillis tegen op Ibiza. Hoe kwam u hem daar tegen?

Holleeder: Dat weet ik niet.

Tammes: Toevallig?

Holleeder: Ik wist wel dat ze daar zaten. Al die mensen. Ik weet niet precies met wie.

Tammes: Wie zijn ‘al die mensen’?

Holleeder: Dat doet er niet toe. Dat weet ik niet precies. Het is zo lang geleden.

Tammes: Dat zegt u elke keer.

Holleeder: Dat zegt u, maar doordat ik het elke keer zeg wordt die tijd niet korter.

Tammes: Ik vraag u: was het toevallig of had u een afspraak?

Holleeder: Ik had geen afspraak gemaakt.

Tammes: Dus toevallig.

Holleeder: Dat denk ik.

Lars Stempher: U was bij twee gesprekken tussen Hillis en Endstra. Waar?

Holleeder: Bij het Beatrixpark waar Endstra woont. Daar was een ontmoetingsplek. In het park.

Stempher: Van wie ging het initiatief uit?

Holleeder: De eerste keer van Hillis, dat ik het tegen Endstra moest zeggen, de tweede keer kwam het initiatief bij Endstra vandaan.

Stempher: De eerste keer: hoe legde Hillis contact met u?

Holleeder: Hij heeft me door iemand laten vragen of ik een afspraak wilde maken met Endstra. Toen zei Endstra: “Doe maar daar en daar zo laat.”

Stempher: U zegt: er zat iemand tussen, maar u weet niet wie. Hoe weet u dan dat er iemand tussen zat.

Holleeder: Omdat ik dat zeker weet.

Stempher: Weet u het niet of wilt u het niet zeggen?

Holleeder: Dan wil ik het niet zeggen.

Stempher: U wilt het gewoon niet zeggen. Laten we dan voor eens en altijd helder zijn: ik weet het niet of ik wil het niet zeggen, dat is nogal een verschil. Dat heeft ook met geloofwaardigheid te maken. U weet wel dat er iemand tussen zit, er is wel een herinnering. Het is voor iedereen prettiger…

Holleeder: Da’s afgesproken.

Stempher: dan zegt u: ik wil het niet zeggen.

Holleeder: Afgesproken.

Stempher: Dan is de volgende vraag: waarom niet?

Holleeder: Alles wat ik hier zeg staat meteen op internet. Die mensen krijgen allemaal gezeur, als ik een naam noem. Ik heb één keer wat over Verhoek gezegd, staat het meteen in Quote.

Stempher: Vorige week noemde u ineens wel een naam. Nu niet omdat uw zusje en Peter de Vries het meteen wereldkundig maken?

Holleeder: Ik had al over Leen Bosnie verklaard. U heeft vaak gevraagd hoe het zit. Ik dacht: nu kan ik het zeggen. Omdat hij in relatie stond tot Bosnie. Sorry dat ik het gezegd heb.

Stempher: U moet niet zo flauw doen.

Holleeder: Dat vindt u flauw.

Stempher: Een beetje wel.

Rechter: Paja Mrzic. “Die heb ik leren kennen via de email van iemand die ik niet wil noemen.” Was dat Freek Hambaken?

Holleeder: Dat wil ik nog steeds niet zeggen.

Rechter: Hij was het niet?

Holleeder: Ik ga niks zeggen.

Rechter: U zegt: “Mrzic was een vriend, we aten af en toe wat. Hij speelde een rol in de Kolbakzaak, de afpersing van Endstra. Endstra heeft hem hooguit één keer gezien. Endstra kan niet weten of ik close was met hem.” Wat was uw relatie met Mrzic?

Holleeder: Het is een aardige man. Hij had een boetiek in Den Haag en later een restaurant en Den Haag. Ik ging er af en toe langs, kopje koffie drinken of een broodje eten. Toen hij dat restaurant had woonde ik in Den Haag, dan ging ik bij hem eten. Gezellig, beetje kletsen.

Rechter: Er is verificatieonderzoek gedaan. Een tapgesprek in het onderzoek Domino, van 2 maart 2000. U zou Sam Klepper bellen. Die zegt dat hij gebeld is door Paja, u en Sam spreken af Paja te ontmoeten in Hilton.

Holleeder: Ja, daar ben ik bij geweest, dat ging over dingen die Sam met Paja ging bespreken. Het was in het Apollo Hotel.

Rechter: U zegt bij de rechter-commissaris dat Paja met Klepper en Mieremet omging voor uw tijd. Dit is 2000.

Holleeder: Ze waren nog wel bevriend. Paja had een afspraak in het Apollohotel, in die bar.

Rechter: Uit tapgesprekken blijkt dat Paja regelmatig in Amsterdam was. Er zijn observaties van 1 en 2 september in Amsterdam, in de Spieghelstraat, op het terras van De Omval. In 2004. Er is een proces-verbaal over wildplassen. U was samen met hem.

Holleeder: Klopt.

Rechter: Het idee is dat u altijd naar Den Haag ging.

Holleeder: Hoofdzakelijk Den Haag, hij kwam een enkele keer naar Amsterdam.

Rechter: Een paar keer in Amsterdam, is dat die keren die ik noem, of nog meer?

Holleeder: Niet veel.

Rechter: Toen Sam was doodgeschoten bent u met Johnny naar Den Haag gegaan, naar hem. Johnny heeft met hem over gesproken, John heeft daar niets over gezegd.

Holleeder: Wel dat het over geld ging. Zij hebben apart gesproken.

Rechter: U had wel begrepen dat Mieremet Jocic wilde betalen. Wat heeft Paja met Jocic?

Holleeder: Het zijn tegenpolen. Die hebben ruzie met elkaar.

Rechter: Begreep u dat?

Holleeder: Sam wilde niet betalen omdat hij geen kant wilde kiezen. Mieremet was met Paja wezen praten. De ruzie is gekomen door Sam en John.

Rechter: Ging Mieremet advies vragen?

Holleeder: Ik denk een soort verantwoording afleggen.

Rechter: Wat dacht u?

Holleeder: Niks. Prima.

Rechter: Zo lagen de verhoudingen: dat Mieremet moest betalen.

Holleeder: Hij heeft het niet gezegd omdat hij anders een probleem zou hebben met Paja. Uit beleefdheid.

Rechter: U heeft eerder Mieremet niet omschreven als een persoon die dingen uit beleefdheid deed.

Holleeder: Je hebt toch wel waarden en normen. Mieremet is een hard iemand, maar juist met dat soort mensen heb je wel een grote vorm van beleefdheid dat ze dingen van tevoren melden. Dat is niks bijzonders.

Rechter: Dat hoorde u van Mieremet.
Holleeder: Achteraf hoorde ik het. Van Mieremet.

Rechter: Heeft u het er ooit met Paja over gehad?

Holleeder: Zou zomaar kunnen, dat weet ik ook niet.

Rechter: Dan gaat het nog over de bodyguard van Sam, of die er iets van wist.

Holleeder: Dat wist ik echt niet. Die zag ik voor het eerst toen ik in Broodje Rai kwam. Net voor het schieten. Johnny had gebeld of ik een broodje kwam eten. Ze zaten daar binnen, met een Joegoslaaf. Ze zeiden: een bodyguard.

Rechter: Later gaat Sam naar huis.

Holleeder: Nog geen uur later.

Rechter: Dat verhaal met die televisie.

(toen Sam Klepper werd geliquideerd waren hij en zijn lijfwacht bezig met het transport van een televisietoestel en konden beiden niet alert reageren. Er is gedacht dat dit opzet was van degenen die de aanslag hadden beraamd) 

Tammes: Ging u ook wel met Paja uit?

Holleeder: Ja.

Tammes: Waar?

Holleeder: Weleens in Rotterdam. In het BED. En in Den Haag en Scheveningen.

Tammes: Richard Geisterfer, ook veroordeeld in Kolbak, voor de afpersing van Houtman. U vertelt dat u hem kent.

Holleeder: Hij bracht ons wel eens terug als we verlof hadden gehad, naar Bankenbosch

Rechter: U heeft veel mensen tijdens detentie leren kennen.

Holleeder: Dat zie je bij Cor helemaal, dat gaat bij iedereen zo. Je leert mensen daar kennen, is gezellig, dan ontloop je elkaar niet.

Rechter: U zocht Cor nog weleens thuis op. Waar woonde hij toen?

Holleeder: In Zuid, bij de Churchilllaan.

Rechter: Richard was een vriend van u, geen zakelijk contact. U bent nooit met hem bij Türkeyimspor (de voetbalclub van Ali Akgün) geweest.

Holleeder: Nee. Onzin.

Rechter: Mensen kunnen u wel tegelijk in de Bulldog hebben gezien. Ook tegelijk met Soerel en Akgün?

Holleeder: Dat weet ik echt niet meer. Het zou raar zijn als ik het wel zou weten. Ik heb geen zin in een groep. Ik kom alleen, ik ga alleen.

Rechter: Met Geisterfer had u weleens een afspraak voor een kroegentocht.

Holleeder: Dat is wat anders, dat is in de Jordaan, gewone kroegjes, een beetje met de scooter heen en weer rijden.

Rechter: Hij had als bijnamen Bolle Richard en Leen. René Deene, ook veroordeeld afpersing Houtman. Richard en hij waren vrienden?

Holleeder: Het zijn vrienden met betrekking tot de Houtman-groep.

Rechter: Ook uw vrienden?

Holleeder: Vriendschappelijk allemaal. Gezellig. Leuk, hallo.

Rechter: George van Kleef, doodgeschoten op 10 november 2005. “Ik kende hem via Sonja.”

Holleeder: Ik kende hem als eerste van de Hectorstraat, daar was hij mijn buurman, zo heb ik hem leren kennen. Sonja was altijd bij hem, die ging met hem om, met de kinderen.

Rechter: Er is verificatieonderzoek over de relatie tussen u en Van Kleef; Houtman zei tegen de CIE dat George zijn oude gabber was en dat hij nu met u was.

Holleeder: Hij is misschien één keer meegeweest met wat drinken. Ik ken hem als mijn buurman. Hij heeft een keer aangebeld: “Je douche lekt al maanden, kun je er wat aan doen.” Toen heb ik het gemaakt en toen bleek dat hij een compagnon van Cees was. Hij was echt op zichzelf.

Rechter: Van Kleef en Richard bleven bevriend?

Holleeder: Ja.

Rechter: En René Deene.

Holleeder: Die was met zijn zuster, die hebben kinderen.

Rechter: Er is een observatie van 12 augustus.

Holleeder: Ja, die auto hebben we gezien, we stonden met z’n allen voor dat café, toen hebben we naar ze gezwaaid.

Rechter: Magdi Barsoum. Doodgeschoten op 2 maart 2002. “Ik ken hem van de Wallen, alleen van groeten. Mieremet en Klepper zeiden dat ze hem hadden geript.”

Holleeder: Sam zei dat ze moesten betalen.

Rechter: Er is een verklaring van De Graaf, van de politie, die zegt dat Barsoum in het najaar van 2001 tegen hem heeft gezegd dat hij werd bedreigd door de groep rond Hillis. Wist u daar iets van?

Holleeder: Nee.

Rechter: Hij was bang. Hij verbleef een tijd bij zijn broer in Buitenveldert. Op de woensdag voor zijn dood had hij nog de groeten van Stanley gekregen, die wilde hem spreken. Magdi heeft aan De Graaf verteld dat u vlak voor zijn dood bij hem bent geweest, in zijn zaak, de Redlight Bar, op 2 maart 2002, vlak nadat Mieremet was neergeschoten.

Holleeder: Daar ben ik niet geweest. Ik heb daar niks te zoeken gehad.

Rechter: Barsoum heeft tegen De Graaf gezegd dat u in de zaak was en tegen hem had gezegd: het is afgelopen, er is geen gevaar neer, de kust is veilig.

Holleeder: Ik herken het niet. Ik weet alleen dat Mieremet een prijs op zijn hoofd had gezet. Dat wist iedereen. Dat heeft hij meteen gezegd toen Sam doodgeschoten is. Later heb ik Mieremet er niet meer over gehoord, en het er ook niet met Magdi over gehad. Ik ben nooit bij hem in zijn kroeg geweest. Ik was degene die contact had met Hillis voor Barsoum, het kan niet kloppen.

Rechter: Bram Zeegers zegt dat Endstra tegen hem heeft gezegd dat Endstra met Mieremet in zaken is gegaan omdat u schuld heeft bij Mieremet en bij Barsoum.

Holleeder: Dat slaat helemaal nergens op. Ik kan me niet voorstellen dat Endstra dat gezegd heeft. Zeegers is net zo’n advocaat als Hingst. Mieremet heeft veel meer onzin gezegd tegen iedereen.

Rechter: Hoe kan het dat Mieremet met Endstra in een bedrijf zat, terwijl veel andere mensen die geld hadden geïnvesteerd dat niet hadden?

Holleeder: Mieremet was scherper en slimmer dan de rest. Anderen hebben Endstra op zijn woord geloofd, Mieremet zorgde dat er ook daden bijkwamen.

Rechter: Mink Kok. Hij heeft een hele tijd vastgezeten voor wapenhandel. U kende hem via Hillis, hij was voor hem een zakenpartner. Wat voor zaken?

Holleeder: Wat ze precies deden weet ik niet.

Rechter: Wapenhandel?

Holleeder: Nee, dat wilde Hillis niet, daar hebben ze ruzie over gekregen.

Rechter: Wanneer deden ze zaken?

Holleeder: Dat is al uit de tijd van Sam en John. De IRT-affaire, dat zijn hun.

Rechter: Had Mink geld bij Endstra?

Holleeder: Niet dat ik weet.

Rechter: U was bij Mink op bezoek toen hij in de p.i. zat, dat was op 30 augustus 2005. U was met Sandra bij hem op bezoek. Sandra heeft hem wat uitgelegd.

Holleeder: Mink wilde weten wat er aan de hand was tussen haar en Johnny. Ik heb gezegd: “Dan kom ik wel langs, dan kan Sandra het zelf uitleggen.” De verhalen werden steeds groter.

Rechter: Waarom moest Mink dat weten?

Holleeder: Omdat hij alles graag wil weten.

Rechter: Ik hoor Allesweter, maar…

Holleeder (lacht):  Nee. Hij was bevriend met Sam, hij wilde weten of het klopte wat Johnny deed.

Rechter: Was dat nuttig?

Holleeder: Dat weet ik niet. Hij kent veel mensen. Mink vroeg via via: hoe gaat het met Sandra en John. Toen heb ik gezegd: maak maar een afspraak, dan ga ik er wel naar toe.

Rechter: Via wie?

Holleeder: Ik weet het niet zeker. Mag ik het ook half goed zeggen? Volgens mij was het Bas van Hout die de afspraak gemaakt heeft. Iemand had mij benaderd en toen heb ik Bas van Hout gevraagd.

Rechter: Mink kon u niet gewoon bellen?

Holleeder: Nee, ik had alleen een piepnummer. Ik had niet zo’n relatie met Mink dat hij mijn piepnummer had.

Rechter: Bas van Hout had uw nummer wel.

Holleeder: Ja.

Rechter: Hoe stond het er toen voor tussen Sandra en Mieremet? Die 90 miljoen?

Holleeder: Ze had haar geld niet gekregen. Johnny had haar nooit betaald.

Rechter: Dat was nog steeds actueel?

Holleeder: Ja.

Rechter: Mink Kok zegt dat hij u verwijt dat u Mieremet bij Endstra heeft geïntroduceerd. Wat vindt u daarvan?
Holleeder: Daar vind ik niks van. Iedereen kan mij wel de schuld geven, het is Endstra die het zelf aanpakt.

Rechter: Waarom denkt u dat Mink dat anders zag?

Holleeder: Iedereen denkt zoals hij is. Mink is een aardige gozer.

Rechter: Hij had iets van: je weet toch hoe dat uit kan pakken met Mieremet, waarom heb je dat nou gedaan?

Holleeder: Als Endstra eerlijk was geweest, was er niks gebeurd. Het lag aan Endstra zelf, dat hij niet wilde betalen.

Rechter: Mink Kok heeft daar een ander beeld over.

Holleeder: Ja.

Rechter: Mink Kok heeft gecorrespondeerd met Endstra, vanuit de p.i., Endstra schreef hem.

Holleeder: Kleine briefjes, die heb ik zelf gezien.

Rechter: Een pakketje met 23 pagina’s.

Holleeder: Heb ik niet gezien.

Rechter: Er zijn tussen Endstra, Kok en u ontmoetingen geweest in het Amsterdamse Bos.

Holleeder: Met hardlopen.

Rechter: U wil dan niet zeggen waar het over ging, u zegt dan: het ging over hardlopen. Was dat geen bespreking?

Holleeder: Nee. Ik heb wel een bespreking gehad met Kok en Endstra op het kantoor van Endstra op oudejaarsavond. Maar dat hardlopen met Endstra: daar was hij bij.

Rechter: In Kolbak zegt u: “Ik wil niet zeggen waar dat over ging.”

Holleeder: Misschien is er nog een ander gesprek geweest. Op oudejaarsdag hardlopen, daar was hij bij.

Rechter: U zegt ook dat u denkt dat het voor Endstra niet zo uit de hand was gelopen met Mieremet als Kok vrij was geweest.

Holleeder: Dat denk ik nog steeds. Kok is ook degene geweest toen ik dat miljoen moest betalen, dat als er wat zou gebeuren, zij problemen met hun zouden krijgen. Het slotje op het slotje. Als Klepper nog had geleefd, was alles besproken geweest met Mink. Johnny had niet zonder Mink wat kunnen doen.

Rechter: Hoe kwam Mink aan deze status?

Holleeder: Dat was zo, hij had een bepaalde status. Hij was samen met Sam en Jan Femer, dat waren drie vrienden.

Rechter: Hij was al een tijdje vast. Dan had hij geen invloed meer.

Holleeder: Mink is iemand anders, daar komt iedereen op bezoek.

Rechter: Was hij machtig?

Holleeder: Ik weet alleen wat ik van Klepper en Mieremet heb gehoord. Ik weet dat zij naar hem luisterden.

Rechter: De laatste twee: Frans Meijer en Jan Boellaard. U vertelt dat Cor en u Frans hebben onderhouden toen hij in de gevangenis zat. U heeft Boellaard nog eens een woning gegeven.

Holleeder: In de Laurierstraat. Mijn ex-vrouw woonde daar, toen ik eruit kwam gingen we naar de Nachtwachtlaan, die woning heb ik aan Boellaard gegeven.

Rechter: U zegt: “Ik heb met Frans en Jan nooit besproken dat ze nog geld zouden krijgen van de film.”

Holleeder: Ja.

Rechter: U had van Sonja en Astrid gehoord dat ze daarvoor langs waren gekomen.

Holleeder: Astrid wilde geld van de film, daarvoor waren ze in 2011 al naar Astrid en Sonja gegaan.

Rechter: Meende u wat u tegen Sonja zei?

Holleeder: Nee, het zijn gesprekken om erachter komen wat er speelde. Er is nooit een enkele dreiging geweest. Het zijn puur de woorden die ik heb gebruikt. Te veel en te erg, maar er is nooit iets van terechtgekomen.

Rechter: Boellaard heeft in juli 2017 een verklaring afgelegd dat via een brief Cor de afspraak met hem heeft gemaakt dat als er een film zou worden gemaakt, de opbrengst onderling zou worden verdeeld. Toen Cor nog in Parijs zat. En dat er een gesprek is geweest met Peter de Vries op het kantoor van Van den Ende.

Holleeder: Ik weet van een gesprek met Peter de Vries, maar dat was toen ik nog vastzat. Ik weet van een gesprek met Astrid, in Het Kalfje. Ik weet dat Cor het tegen Frans Meijer heeft gezegd toen hij belde vanuit Frankrijk dat het door drieën gedeeld zou worden.

Rechter: Die brief?

Holleeder: Daar weet ik niks van, maar het zou zomaar kunnen.

Rechter: Geen van beiden heeft contact met u opgenomen?

Holleeder: Ja, Frans Meijer. Toen ik vrijkwam.

Rechter: Na Kolbak.

Holleeder: Nee. Toen niet. Ik had geen contact met ze.

Rechter: Wat zat er voor mensen in om met u om te gaan?

Holleeder: Die mensen zijn niet de hele dag met hun werk bezig, die werken heel weinig, die willen de hele dag niks anders dan drinken en een broodje eten en gezellig doen, die hoeven niet naar een baas.

Rechter: Gold dat voor u ook?

Holleeder: Ik heb voor Endstra proberen te werken, op de Wallen, er is niks leuker dan werken, het is best saai, de hele tijd broodjes eten, niet dat je zegt: wat top. Je hebt niks te doen. Beetje sporten. Da’s het verhaal.

 

 

Charly, een moordvrouw

$
0
0

In de vroege ochtend van vrijdag 19 juli 1996 staat een met een mes bewapende jongeman te posten bij een villa in een Limburgs dorpje. Hij wacht op de man die straks naar buiten zal komen. Die schurk moet dood! Niet dat de jongeman persoonlijk iets tegen de villabewoner heeft, maar een mooie vrouw heeft hem opgestookt en als huurmoordenaar ingeschakeld. Wat de jongen met het mes niet weet is dat die droomvrouw hem alleen leugens verteld heeft.

‘Goed dat je die boom daar voor het raam hebt weggehaald,’ zegt Charly. Het is april 1996. In de royale keuken van de villa in het Noord-Limburgse Plasmolen praten Charly en Peter over het weer. En over de tuin. ‘Die boom?’ denkt Peter. Het dringt niet meteen tot hem door, maar ergens in zijn achterhoofd gaat een alarmbelletje rinkelen. ‘Wat bedoel je, Charly?’ vraagt hij. Zijn hersens draaien intussen op volle toeren. Wanneer heeft hij die boom daar laten weghalen? Dat was in november 1993. Eind november. En wanneer is Charly bij hem ingetrokken, wanneer is zij voor het eerst bij de villa geweest? Koude rillingen lopen hem over de rug. ‘De boom die daar zo dicht voor het raam stond,’ zegt Charly, die nu ook voelt dat ze een dramatische vergissing heeft gemaakt. ‘Maar jij kunt helemaal niet weten, dat daar een boom heeft gestaan…’ zegt Peter. Dan pas dringt in alle hevigheid tot hem door hoe hij de afgelopen jaren in de maling is genomen. Charly’s zus zegt later: ‘Peter had haar ontmaskerd; de spiegel die ze zichzelf voorgehouden had, was aan gruzelementen.’ Maar in plaats van beschaamd en betrapt haar biezen te pakken, bedenkt de beeldschone droomvrouw Charly een duivels plan.

Als je van Nijmegen naar Venlo rijdt, langs de oostelijke oever van de Maas, kom je vanzelf door Plasmolen. Met zijn uitbundige groen, sfeervolle restaurants en talrijke villa’s die in de heuvels verscholen liggen, is het een van de mooiste plekjes van Limburg. Bij het benzinestation van Shell kun je rechtsaf. Daar loopt een weg naar de Maas, die gebruikt wordt door mensen die hun boot te water laten.

Op vrijdag 19 juli 1996, om zes uur ‘s morgens, is het doodstil in dit gebied, waar ook een kleine villawijk ligt. Het is bewolkt maar droog, de zomer staat op het punt te beginnen. In de villa op nummer 8 is Peter D., de 53-jarige directeur van een technisch bouwbedrijf, een half uur eerder opgestaan. Zijn 29-jarige vriendin Charly slaapt door. Peter stapt elke morgen om kwart over zes in de auto om naar kantoor te rijden. Zijn Mercedes staat geparkeerd onder de carport, naast de woning.

Wat hij niet weet is dat zich op deze vroege ochtend een ongenode gast op zijn terrein bevindt. Om precies te zijn: onder de carport, verscholen achter een pilaar. Het is een man van 24 jaar, met lang haar dat hij in een paardenstaart draagt. In zijn rechterhand heeft hij een Nighthawk, een dolk met een heft van 13 en een lemmet van 15,5 centimeter. Hij is tot het uiterste gespannen, opgefokt. Dit keer moet het lukken. De vorige dag is het misgegaan. ‘Verkeerd gereden,’ had hij tegen zijn opdrachtgeefster gezegd. ‘Verslapen’ klinkt zo lullig voor een huurmoordenaar. Maar op dit moment denkt hij niet aan geld, maar aan de man die zo meteen naar de auto zal lopen. Hij kent hem alleen van een foto, maar hij haat hem zoals hij eerder alleen als kind heeft gehaat. Hoor hem eens fluiten onder de douche. Het lachen zal hem straks wel vergaan!

Peter D. loopt niet rechtstreeks naar de auto. Hij gaat eerst even bij zijn kippen kijken. Als hij bijna bij de poort is, hoort hij een vreemd geluid. Hij loopt terug¼ ‘en toen kwam er ineens een man op mij afspringen. Een junk, met een groot mes in zijn hand. Hij zei niets, helemaal niets. Hij kwam voor mij staan en stak met het mes op mij in. Als een wilde. Ik vroeg of hij geld moest hebben. Hij zei nog steeds niets. Het was idioot. Hij zag eruit als iemand die gestoord is. Ik heb eerst gevochten, maar toen dacht ik: ‘dit kan ik nooit winnen, ik ga maar op mijn buik op de grond liggen, dan houdt hij misschien op.’ Het hielp niets, hij stak mij keihard in de rug. Ik weet niet hoe vaak. Ik ben opgestaan. Hij rende weg.’

Met het mes in zijn rug strompelt Peter naar de voordeur, die hij met veel pijn en moeite weet te openen. Dan laat hij zich vallen. Een halve minuut later gaat het automatische alarm af. Het signaal komt binnen bij een centraal meldpunt, maar ook in het huis klinkt een luid waarschuwingssignaal. Charly schrikt wakker. Ze loopt naar beneden en treft Peter aan: badend in het bloed maar nog bij volle bewustzijn. ‘Wat heb je nou gedaan?’ roept ze verschrikt uit. ‘Zie je dat niet? Ik ben neergestoken!’ Charly wil het mes eruit trekken, maar dat lijkt Peter geen goed idee. ‘Niet aankomen!’ Hij zegt dat hij het koud heeft, dat Charly 06-11 moet bellen. Ze haalt een dekbed en legt dat voorzichtig over hem heen, ervoor wakend het mes niet aan te raken. Even later arriveert de ambulance. Peter vloekt, en excuseert zich daarvoor. Hij is bij zijn volle bewustzijn en heeft verschrikkelijk veel pijn. Gedachten malen door zijn hoofd. Wie zit hierachter, wie wil hem vermoorden en waarom? Charly?

II

De zeven messteken zijn net niet dodelijk. De artsen van het Nijmeegse Radboudziekenhuis slagen erin het leven van Peter D. te redden. Hij heeft verschrikkelijk veel geluk gehad: hij komt er weer bovenop, maar het zal lang duren voor hij lichamelijk weer de oude is. De dader had duidelijk de bedoeling hem te doden. Maar wie is de dader en wat is zijn motief? Al bij het eerste verhoor zegt Peter tegen de rechercheurs dat het Charly geweest moet zijn, maar de politie slaagt er in de eerste weken niet in daar ook maar een greintje bewijs voor te vinden: Charly gedraagt zich als de perfecte huisvrouw.

Als Peter na een week naar huis mag en daar verder verpleegd kan worden, loopt zij zich het vuur uit de sloffen. Zelfs goede kennissen die ook in eerste instantie dachten dat zij er wel iets mee te maken zou hebben, komen na een paar weken tot de conclusie dat dit onmogelijk is. Zo lief en aardig, beleefd en bezorgd als ze is. Nee, Charly kan het niet geweest zijn. Er zijn echter twee dingen die Peter erg aan het denken zetten. Waarom loog Charly over het tijdstip waarop ze ‘s nachts thuis was gekomen? En in het ziekenhuis wond ze zich er erg over op dat de politie zoveel werk maakte van ‘een aanslag door zo’n junk. Die vinden ze toch niet meer. In Rotterdam was de politie allang met zo’n zaak gestopt. Het is alleen maar omdat je rijk bent.’

Zij kon het weten; ze had zelf bij de Maasstedelijke politie gewerkt. Ze was er echter ontslagen omdat ze een greep in de kas had gedaan – en niet wegens reorganisatie, zoals ze zelf steeds verkondigde. Het is echter een feit dat het Limburgse rechercheteam alles op alles zet om de zaak op te lossen. Al snel werpt het nijver speuren zijn vruchten af. Op de ochtend van de aanslag hebben twee krantenbezorgsters in de buurt van de villa een zwarte VW Golf gezien. Het meisje met de bromfiets  zag dat de auto met gierende banden wegreed. Toen hij haar tegemoet kwam, dekte de bestuurder zijn gezicht af met zijn arm. Het meest opvallende aan de auto waren de felroze fluorescerende ruitenwisserbladen. Bij nader inzien is diezelfde auto de krantenbezorgster twee dagen eerder ook al opgevallen. Er rijden immers niet zoveel auto’s met roze ruitenwissers. En zeker niet om zes uur ’s morgens!

Het signalement van de auto wordt doorgegeven aan naburige politiekorpsen en op 1 augustus volgt een doorbraak: in Helmond ziet een agent een auto met roze ruitenwisserbladen. Weliswaar is het geen VW Golf, maar hij lijkt er wel veel op. Het is een Mazda 323 en hij staat op naam van ene Angelique G. uit de Wezelstraat in Helmond.

Het rechercheteam neemt de tip serieus: de Wezelstraat is al eerder in het onderzoek opgedoken. De telefoonspecificatie van Peter en Charly is uitgeplozen; tussen 1 mei en 19 juli heeft Charly 140 keer gebeld met een zekere Ramon van O., een 31-jarige vrijgezel uit Helmond. Ze heeft ook 18 keer contact gezocht met een zekere Monique, de zus van Ramon. Monique woont in de Wezelstraat… Charly belde ook 9 keer naar Angelique G., de buurvrouw van Monique en eigenares van de Mazda…

Nog steeds is er geen link met de aanslag, maar de politie besluit de Mazda van Angelique in de gaten te gaan houden. Op 16 augustus is het raak. De auto wordt aangetroffen in het plaatsje Budel. Een jongeman met een paardenstaart is de bestuurder. Hij is kennelijk aan het verhuizen; er zit een gehuurde aanhangwagen van Boedelbak achter. De politie vraagt de gegevens op van de huurder, die zich heeft moeten legitimeren met een kopie van zijn rijbewijs. Het is de 24-jarige Joop S., die op dat moment aan het verkassen is naar een kraakpand in het Belgische Hamont.

De rechercheurs grijpen niet meteen in: het is beter eerst meer bewijs te verzamelen. Op 9 september wordt Joop in Nederland aangehouden, een dag later volgt huiszoeking in België. Bij het fouilleren treft de politie een buzzer aan. De printgegevens worden opgevraagd en dan blijkt dat Joop tussen 1 mei en 3 september 36 keer gebeld heeft met Angelique G., de eigenares van de Mazda. Op 10 september worden ook Angelique en Charly aangehouden. Op 11 september legt Joop S. een volledige bekentenis af. Hij legt precies uit waarom hij het gedaan heeft en voor wie. De politie is verbijsterd: het is te bizar voor woorden!

‘Die vrouwen worden je dood nog eens,’ zeiden vrienden wel eens gekscherend tegen Peter D. De succesvolle directeur wordt door iedereen omschreven als een opgewekte, joviale en gulle man. ‘Een goedzak’ zegt iemand, ‘maar wel met een bovengemiddelde zwakte voor vrouwelijk schoon.’ Zijn huwelijk, waaruit twee kinderen werden geboren, strandde 22 jaar geleden. Peter heeft altijd goed gezorgd voor zijn ex, zijn kinderen en voor vriendinnen met wie hij later relaties begon. Uit die hoek verwachtte hij geen problemen en zeker geen moordaanslag. Ook op zakelijk gebied kon hij zich geen conflict voor de geest halen. Geen processen, geen ontslagen werknemers. De enige op wie hij geen vat kon krijgen, was Charly.

III

De zaak-Charly wordt gekenmerkt door leugens, vuige roddels, gemene insinuaties en geldzucht. Het begint al met de manier waarop Charly en Peter elkaar hebben ontmoet. ‘In een restaurant in Antwerpen,’ zegt Peter. ‘Eind november 1993. Ik was daar met vrienden, zij met vriendinnen. We zijn die avond uitgeweest en ik heb haar na afloop naar huis gebracht. Ze woonde toen in Roosendaal. Ik gaf haar mijn kaartje.’

Officier van justitie mr. David van Delft drukte het, voor de rechtbank in Roermond, wat plastischer uit: ‘Charly S. is door Peter D. uit het bordeel bevrijd en liefdevol en goed verzorgd opgenomen in zijn woning.’ Het zou om een luxueus huis van plezier te Moordrecht gaan. Een week na de eerste ontmoeting neemt Charly contact op. Met Sinterklaas 1993 komt ze voor het eerst bij Peter in zijn villa. Pas tweeënhalf jaar later verspreekt ze zich over de boom voor het keukenraam. Dan blijkt dat ze een week eerder stiekem poolshoogte heeft genomen: voor ze met Peter in zee ging wilde ze weten wat voor vlees ze in de kuip had en of hij echt zo rijk was als ze dacht.

Peter heeft het zwaar te pakken van zijn mooie Charly. Hij is trots op haar en hij wil alles doen om er, ondanks het leeftijdsverschil van 23 jaar, een succesvolle relatie van te maken. Er zijn wel een paar minpuntjes, maar die neemt hij op de koop toe. Hij is zelf toch ook niet volmaakt? Het valt hem op dat Charly veel liegt. ‘Van de tien woorden die ze gebruikt liegt ze er negen,’ laat Peter zich eens ontvallen tegen een kennis. Achteraf zegt hij: ‘Ik wist wel dat ze loog, maar het waren allemaal kinderachtige leugentjes.’

Echt vervelend is dat ze bedreigd wordt door een ex-vriend, bij wie ze – naar eigen zeggen – veel schulden heeft. En Peter geeft haar het geld. Tienduizenden guldens. Hij helpt haar ook met haar carrière. Charly gaat een cursus volgen voor mannequin, bij Model 2000 in Nijmegen. Ze is niet alleen het mooiste, maar ook het beste meisje van de klas. Vervelend is dat ze dat zelf ook erg goed weet. ‘Ze was arrogant, ziekelijk jaloers en voelde zich verheven boven de anderen,’ zegt iemand die haar van de cursus kent. Ze vertelt daar ook dat ze miljoenen zal erven, dat Peter en zij gaan trouwen en dat ze allebei graag een kind willen. Ze koopt daadwerkelijk een trouwjurk van ¦ 3600,- ‘maar Peter mag het nog niet weten.’

Als de bruiloft er steeds maar niet komt, geeft ze als reden dat haar broer ziek is. Ze vertelt er alleen niet bij welke ziekte hij heeft. Schizofrenie… ‘Ze is zelf net zo, alleen weet zij het op een ongelooflijk sluwe manier te camoufleren,’ zegt iemand die haar goed kent. Er zijn veel mensen die vinden dat Charly erg vreemde verhalen vertelt. Over een oom die vermoord is op de Antillen, over Peter die op jacht gaat met Prins Bernhard… ‘Het is geen kwaaie meid, maar ze leeft in een fantasiewereld.’ Haar eigen zus zegt: ‘Charly kan de dingen in het leven zodanig omdraaien dat ze precies in haar straatje vallen.’ En: ‘Ze speelde voortreffelijk toneel.’

Het woord arrogant komt vaak voor bij de beschrijvingen van Charly, maar alleen als het gaat om mensen die haar maar een enkele keer hebben gezien. Zodra ze iemand beter leert kennen, valt dat masker van arrogantie weg en maakt ze een uiterst sympathieke indruk. Op bijna iedereen. Slechts enkelen doorzien haar en vinden haar ‘een vreemd en onbetrouwbaar meisje, waar je niet van op aan kunt.’ Of ‘een grote fantaste die indruk wilde maken met geld en dure dingen.’

Hoe goed ze de rol van aardig meisje speelt, hoe ze mensen weet te manipuleren, blijkt ook uit het feit dat ze zelfs de psychiater in de luren legt. De man slikt de bizarre nonsens over haar jeugd voor zoete koek en trekt zijn conclusies op basis van ongecontroleerde gegevens. Officier van justitie mr. Van Delft ziet het anders: Charly is ‘geslepen, sluw en slecht, ze weet andere mensen op slinkse wijze voor haar karretje te spannen en ze is een pathologische leugenaarster.’

Maar als zelfs een psychiater erin tuint, is het niet zo vreemd dat ook Peter D. op het verkeerde been wordt gezet. Aanvankelijk gaat het een tijdje redelijk. Charly neemt Model 2000 over. Peter pompt er geld in. Vele tienduizenden guldens. Maar het wordt geen succes: van elk tientje dat er binnenkomt, geeft Charly er drie uit en bovendien bemoeit ze zich alleen met de leuke dingen: het bezoeken van shows, de contacten met aspirant-modellen. Het wordt een bodemloze put.

Storender voor de relatie is een voorval uit augustus 1995. Charly vraagt Peter elke morgen wat hij die dag precies gaat doen. Op een middag, als Peter onverwacht thuiskomt, wordt hem duidelijk waarom: Charly ligt met een blote jongen van 17 jaar in bed. ‘Mijn neefje’, zegt ze, ‘we deden niks.’ Maar voor Peter knapt er iets. In januari 1996 komt gevoelsmatig een eind aan de relatie. Peter en Charly maken een schitterende vakantiereis naar Amerika. ‘Op papier leek het ideaal, in werkelijkheid was het shit. Charly was alleen maar uit op cadeautjes. Toen we terug waren, op 12 februari, heb ik tegen haar gezegd: ‘Je zegt dat je van me houdt, maar je houdt niet van mij.’ Dat ontkende ze, maar voor mij was het over. Ze kon hier blijven wonen zolang ze geen ander huis had, maar onze relatie was voorbij. We gingen onze eigen gang.’

Geleidelijk aan vielen Peter de schellen van de ogen. Het incident met de boom voor het keukenraam, in april 1996, was de volgende fase. ‘Ze voelde zich vreselijk betrapt, maar ze gaf toe dat ze hier dus een keer eerder was geweest. Om te kijken of ik getrouwd was, zei ze, maar we wisten allebei precies waar het om ging. Wat voelde ik me toen beflikkerd!’

Maar het werd nog veel erger. Op een morgen, in de tijd dat alles nog goed was, vertelde Peter dat hij die dag naar de notaris zou gaan. Hij wilde zijn testament veranderen. Hij vertelde Charly dat zij aanspraak kon maken op eenderde deel van zijn vermogen. Charly wist dat dat neerkwam op 2 à 3 miljoen gulden, plus de villa van 1 miljoen. Peter ging die dag inderdaad naar de notaris, maar die vond de wijziging niet zo’n goed idee. ‘Wacht eerst maar eens een paar jaar,’ adviseerde hij.

De notaris had enkele jaren op de Antillen gewerkt en kende de familie S. Maar dat zei hij toen nog niet tegen Peter. Net zomin als Peter Charly vertelde dat de wijziging niet was doorgegaan. Als ze later informeerde hoe de testamentaire zaken afgehandeld waren, antwoordde hij ironisch: ‘Dat kan niet beter. Alles is perfect geregeld.’ Charly had niet door dat dit Peters humor was: het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt. Ze bezat een boel kwaliteiten, maar bepaald geen gevoel voor humor. Later vond de politie tussen haar spullen het boek ‘Ken uw Recht’; de pagina die begon bij het hoofdstuk ‘Partner als erfgenaam’ was aangegeven met een ezelsoor. 

IV

‘Kinderachtige leugens’, noemde Peter het. Maar zelden zullen er over iemand zulke doortrapte, gemene, duivelssluwe onwaarheden zijn verteld als over hem. Met maar één doel: een moordaanslag uitlokken, zelf buiten schot blijven en een miljoenenerfenis opstrijken. Het toeval helpt Charly een handje. Toen ze 17 was, had ze tijdens een vakantie in Spanje een zekere Ramon van O. uit Helmond ontmoet. Het was een vakantieliefde, die zich terug in Nederland nog even voortzette. Daarna was er geen contact meer.

In 1994 vindt Ramon in een oude agenda het adres van Charly en haar toenmalige vriendin. Hij waagt er een telefoontje aan en tot zijn verrassing neemt Charly kort daarna contact met hem op. Ze blijkt niet eens ver bij hem vandaan te wonen. Achter de rug van Peter begint ze een hartstochtelijke liefdesaffaire met Ramon, die zelfs voortduurt tot na de aanslag. Overdag verzorgt ze Peter, ‘s avonds gaat ze naar Ramon. De liefde komt overigens meer van haar kant. Ramon vindt het vooral prettig dat Charly zo rijk is en hem een baantje als chauffeur zal bezorgen bij haar modellenbureau.

Samen met een nieuw Nederlands modetalent reizen ze naar Parijs, naar de modeshow van Paco Rabanne. Charly kent de modeontwerper nog van de HTS in Den Haag waar ze in het seizoen 1987/88 drie maanden lang de opleiding volgde. Ook een andere nieuwkomer hoort tot de kennissenkring van Charly en Peter. Charly helpt hem met zijn eindexamenshow van de Kunstacademie in Arnhem, in 1994. Beide heren zijn overigens als de dood dat hun naam in verband wordt gebracht met Charly en haar moordlustige praktijken: dat zal hun reputatie geen goed doen.

De ‘leningen’ van Peter werden overigens gaarne geaccepteerd en terugbetalen was niet het sterkste punt van de dankbare ontwerpers. In geheel andere kringen voelt Charly zich overigens ook prima thuis. Ze komt veel over de vloer bij Monique, de zus van Ramon, woonachtig in de Wezelstraat. Daar ontmoet ze ook buurvrouw Angelique, die daar kind aan huis is. En Angelique wordt de spil in het complot. Alle giftige pijlen die Charly afschiet, treffen doel. Peter D. wordt afgeschilderd als een man die haar mishandelt en seksueel misbruikt, die gefascineerd is door kinderporno (de affaire Dutroux is op zijn hoogtepunt), huurmoordenaars in dienst heeft en in drugs handelt. Maar het allerergste: hij misbruikt kinderen.

Charly neemt het dochtertje van Angelique op schoot en zegt: ‘Je moet er toch niet aan denken dat hij dit met jouw dochter zou doen.’ Het is allemaal des te erger omdat Charly zelf vroeger seksueel misbruikt is door een oom. Zegt ze. En Angelique gelooft het grif. Bovendien is Charly erg populair in de Wezelstraat: ze strooit met geld en cadeaus. Duur speelgoed voor de kinderen, een wasdroger hier, een belastingschuld daar, het kan niet op. Het toeval wil dat Angelique een heel goede vriend heeft, een vertrouwenspersoon, die bijna wekelijks over de vloer komt. De meeste mensen denken dat ze broer en zus zijn, zo close is hun relatie. Het is drugverslaafde Joop S., van beroep jointjesdraaier in een koffieshop in Budel. Hij is in zijn jeugd écht seksueel misbruikt. De verhalen die Angelique hem vertelt over Peter D. maken hem dan ook woedend. Die man moet dood! Bovendien heeft Joop veel schulden.

Eind mei is Joop op een middag bij Angelique op bezoek. Ze hebben het over Charly, die ‘s morgens weer bij Monique haar nood heeft geklaagd en duidelijk heeft laten blijken dat ze iemand zoekt om Peter op te ruimen. ‘Wat schuift dat?’ vraagt Joop. ‘Ik doe het voor  10.000 gulden. Angelique vervolgt: ‘Maak er maar ¦ 15.000,- van, dan heb ik er ook nog wat aan.’ Een paar dagen later is Charly weer op bezoek. Angelique heeft een kandidaat gevonden. ‘Hij doet het voor  15.000,- en een pistool.’ Charly vindt het goed. Angelique zal verder bemiddelen: Joop en Charly moeten zo weinig mogelijk contact hebben. ‘Het pistool kost ¦ 3000,-’, zegt Joop. ‘Dat is akkoord’, zegt Charly, ‘maar hij moet er wel zelf voor zorgen.’ Joop wil een foto van Peter en een adres. Een paar dagen later – het is dan begin juni – komt Charly een envelop brengen, met een briefje van honderd, twee foto’s en een papier met het adres en de routebeschrijving. Ze vertelt Angelique dat Peter altijd om kwart over zes ‘s morgens van huis gaat. Op de foto’s staat Peter met, zoals Charly het omschrijft, ‘een of andere blonde snol van de vakantie.’ De honderd gulden zijn voor Angelique. ‘Zomaar’. Het andere geld komt nog. ‘Dat kan niet in één keer. Dat valt op.’

Van zaterdag 6 tot zaterdag 13 juli is Charly met de twee modeontwerpers in Parijs. Een week of drie daarvoor is het honorarium via allerlei omwegen tot Joop gekomen. Charly heeft Ramon 10.000 gulden gegeven. Eigenlijk voor een nieuw bankstel, maar Ramon wil er een auto voor kopen. Hij is de koning te rijk en is al ijverig en enthousiast op autojacht. Hij is dan ook boos en teleurgesteld als Charly zegt dat hij die 10.000 gulden aan Angelique moet geven. ‘Je weet wel waarvoor.’ Ramon baalt er vreselijk van en stribbelt tegen. Pas als Charly zegt: ‘Jij krijgt wel nieuw geld,’ gaat hij overstag. Met een zuur gezicht brengt hij de envelop met geld naar Angelique. ‘Dit moet ik van Charly aan jou afgeven,’ zegt hij. Angelique piept Joop op, die onmiddellijk komt, vergezeld van zijn vriendje Luc, een afkickende junk.

Als Joop het geld heeft geteld, stappen ze met z’n drieën in de auto en rijden ze naar Plasmolen om het traject te verkennen. Luc ligt stoned op de achterbank, hij begrijpt amper waar het om gaat. Hij denkt dat Joop de benzinepomp in Plasmolen wil overvallen en snapt niet waarom ze door al die straatjes achter het station moeten rijden. ‘Dat is het huis,’ zegt Angelique tegen Joop. Ze rijden er maar één keer langs en zelfs dat valt al genoeg op. Daarna gebeurt er even niets. Charly is immers naar de modeshow in Parijs. Op maandag 15 juli, de dag van de vliegramp met de Hercules, komt Charly weer bij Monique op bezoek. Ze vertelt dat Peter en zij donderdag op vakantie gaan en dat ze dat absoluut niet wil. Met andere woorden: de aanslag moet vóór die tijd gepleegd worden.

Monique weet uiteraard niet dat er helemaal geen vakantie gepland is, maar dat Charly om een heel andere reden in tijdnood zit: op maandag 22 juli verlaat ze Peter definitief. Ze heeft hem verteld dat ze een woning kan krijgen in Rotterdam. Voor de inrichting had ze 19.000 gulden nodig. Peter wilde haar dat pas na de 22ste geven, maar Charly had er sterk op aangedrongen dat ze het eerder zou krijgen. Achteraf is duidelijk waarom: ze had het nodig om de aanslag te financieren. Het verhaal over de Rotterdamse woning was compleet uit haar duim gezogen. Een extra reden waarom het uiterlijk vrijdag de 19de moest gebeuren, is dat dat Peters laatste werkdag voor de vakantie is. Daarna zou hij een hele tijd niet zo stipt om kwart over zes van huis gaan. Gezien de tijdsdruk is het wel heel merkwaardig dat het geld de omweg via Ramon moest maken, ook al omdat hij nou juist zoveel mogelijk buiten beeld moest blijven.

Monique brengt Charly’s bericht over aan Angelique, die Joop oppiept. Joop komt. Hij heeft geen pistool kunnen vinden, maar hij had toch al besloten het met een van de messen uit zijn verzameling te doen. Joop zal de auto van Angelique als vervoersmiddel gebruiken. Zijn eigen auto maakt te veel lawaai en is te opvallend.

Donderdag 18 juli moet het dus gebeuren. Angelique zet de wekker op 06.20 uur. Als ze naar buiten kijkt, ziet ze dat haar auto weg is en die van Joop er staat. Even na 7.00 uur belt Joop. ‘Het is niet doorgegaan,’ zegt hij. In de loop van de ochtend komt hij langs. ‘Verkeerd gereden’, zegt hij. In werkelijkheid heeft hij zich verslapen. Angelique belt met Charly, die zegt dat ze de vakantie wel een dag zullen verschuiven en dat Peter op de gewone tijd naar zijn werk zal gaan. Met andere woorden: vrijdagmorgen moet het gebeuren. En dit keer verslaapt Joop zich niet. Hij doet zijn ding. Even na halfacht komt hij strompelend en met grote, gespannen ogen bij Angelique. Hij omhelst haar en vertelt hoe het is gegaan. Dat hij mank loopt omdat hij die man geschopt heeft. Dat hij Peter drie keer met het mes heeft gestoken. Dat hij bij een paal is gaan staan, bij de auto, en dat er steeds lampen aan en uit gingen, elke keer als hij bewoog. Daarom had hij er één lamp uitgedraaid. ‘Die man begon al te gillen toen hij mij zag. Ik heb hem gestoken en toen heeft hij mijn petje van het hoofd geslagen. Toen hij was gevallen, heb ik hem nog in zijn gezicht getrapt. Ik moest het mes achterlaten omdat hij zich omdraaide. Ik kon het niet meer pakken en toen ben ik weggerend.’ Op de terugweg heeft hij langs de kant van de weg een jointje gerookt.

Anderhalve week later komt Charly voor het eerst weer langs bij Angelique. Ze zegt dat het resterende geld nog komt, maar dat dat niet direct kan omdat de politie haar in de gaten houdt. ‘Niet direct’ wordt: ‘Nooit meer.’

 

IV

Op 9 en 10 september worden Joop, Charly en Angelique aangehouden; Ramon blijft nog even buiten schot. Pas als de politie Charly vertelt dat Ramon buiten haar nóg een vriendin had, betrekt ze hem erbij en vertelt ze van de envelop met ¦ 10.000,- en dat Ramon echt wel wist waar dat geld voor was, toen hij het aan Angelique moest geven. De rechtbank in Roermond veroordeelt Charly en Joop tot acht jaar gevangenisstraf, Angelique tot vier en Ramon tot twee jaar. De officier van justitie vindt de straffen te laag en gaat in hoger beroep. Voor het Hof in Den Bosch eist procureur-generaal mr. J. Wubben tegen Joop en Charly elk twaalf jaar en tegen Ramon en Angelique vier jaar. Hij is niet zo onder de indruk van de uitvluchten die alle betrokkenen verzonnen. ‘Het doet mij denken aan krabben op het strand: terugtrekken als je bedreigd wordt, achterwaarts bewegen, maar wel je achtervolgers in het oog houden. Allemaal proberen ze hun aandeel te relativeren.’ Charly’s advocaat, mr. R. Julicher, wil vrijspraak. ‘Er is geen sprake van uitlokking, Charly heeft nooit gevraagd en nooit gezegd dat Peter vermoord moest worden. Met de uitvoering heeft ze niets te maken gehad, ze wekt alleen onbewust een sterk appèl tot hulp op bij haar omgeving. Bovendien heeft ze Peter na de aanslag wel geholpen: ze had hem ook kunnen laten liggen.’

Volgens de advocaat van Joop, mr. J. Marchal, heeft zijn cliënt door de aanslag ‘afgerekend met zijn eigen verleden van seksuele mishandeling. Voor geld alléén zou ik het nooit hebben gedaan,’ zegt hij, ‘het was een explosie van haat en woede.’

Mr. Arthur van der Biezen, de advocaat van Angelique, voert aan dat zijn cliënte in de periode dat het zich afspeelde aan een postnatale depressie leed. Ze was net bevallen, met de keizersnee en de wond wilde niet helen. Ook had ze veel zorg om het kindje van buurvrouw Monique dat een hartafwijking had. Bovendien had Joop zelf aangeboden de moord te plegen en had zij uiteindelijk geen cent ontvangen voor haar rol. Charly zou misbruik gemaakt hebben van Angelique’s kwetsbaarheden: Angelique was kneedbaar materiaal in de handen van intrigante Charly. In een slotwoord zegt Angelique zelf: ‘Het spijt me ontzettend voor meneer D. en dat ik dacht dat Charly een vriendin van mij was.’

De advocaat van Ramon, mr. R. Huijs, vindt dat zijn cliënt onmiddellijk in vrijheid gesteld moet worden. Ramon houdt zelf een lang betoog waarin hij omstandig uitlegt dat hij het gepraat over de aanslag niet serieus nam. Wat dat betreft komt het hem goed uit dat een bepaalde getuigenverklaring pas binnenkomt als het onderzoek al is afgesloten. Een vriendin van Charly vertelt daarin dat Ramon en Charly in maart 1996 al iemand zochten om de aanslag uit te voeren.

Van het slotwoord van Charly zijn slechts flarden verstaanbaar. ‘Een incident… Dat betreur ik… Ik heb niet steeds verhalen verteld. Het spijt mij…’ Het zal haar vooral voor zichzelf spijten: na de arrestatie bedreigt ze Peter. Als ze weer vrij is, zal ze het karwei afmaken. Het is allemaal zijn schuld: Peter heeft haar verslaafd gemaakt aan haar luxeleventje, en het is uiteindelijk zijn schuld dat haar dat nu is ontnomen.

De enige die oprecht berouw lijkt te hebben, is Angelique. Zij schuift de schuld niet op de anderen, maar steekt de hand in eigen boezem. ‘Ik begrijp nog steeds niet dat ik niet beter heb nagedacht, dat ik me zo heb laten manipuleren. Ik heb er ongelooflijk veel spijt van dat ik me zo heb laten meeslepen. Ik had beter moeten nadenken en minder emotioneel moeten zijn.’ Angelique heeft Peter ook een brief geschreven waarin ze haar spijt betuigt. Peter: ‘Daar heb ik meer waardering voor dan voor die Ramon. Charly heeft mijn Rolex en mijn camera gestolen en aan Ramon gegeven. Ik heb gevraagd of ik ze terug kon krijgen. Dat wilde hij niet.’ Zó overtuigend kon Charly liegen dat Peter er zelfs nu nog intrapt: Charly heeft gezégd dat ze de camera en het horloge aan Ramon heeft gegeven. Maar Ramon weet van niets.

Krabben die zich terugtrekken… De niet bij name te noemen, inmiddels zeer bekende modeontwerper die toch een week lang met Charly en Ramon optrok en die de dag vóór de aanslag tot drie uur ‘s nachts bij Charly was, lijdt aan een ernstige vorm van geheugenverlies. ‘Ik weet niet waar u ‘t over heeft,’ zegt hij. ‘Charly? Dat zegt mij niets.’

Intussen probeert Peter D., alleen in zijn grote villa, zijn leven weer wat op orde te krijgen. Zijn huis was een onneembare vesting geworden. Toen hij pas uit het ziekenhuis kwam, en Charly hem verzorgde, is hij bedreigd. ‘Dit keer een mesje, volgende keer een kogeltje,’ zei een anonieme beller. Peter is ervan overtuigd dat Charly daar de hand in heeft gehad, om de aandacht van zichzelf af te leiden. Hij heeft niet echt het gevoel dat zijn leven gevaar loopt, maar het gevoel van onveiligheid blijft. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen. ‘Als ik alleen in bed lig, met de deur op slot, ben ik toch nog bang!’

(aanleiding voor plaatsing van deze reportage – uit het boekje Moordvrouw! – is de aanhouding van de ex-vrouw van de in november 2017 in Neerpelt vermoorde zakenman Marcel van Hout. Kort voor zijn dood had hij haar in zijn testament opgenomen als enige erfgename. Zie hier)

Viewing all 166 articles
Browse latest View live